Skip to main content

Full text of "JEOL 15 (1957-1958)"

See other formats


1957-1958 


JAARBERICHT N° 15 

VAN HET VOOR AZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 

EX ORIENTE LUX 

INHOUD 

Redactioneel: 1. Ter inleiding (1) ; 2. Belangstelling voor het Oude Naburige Oosten in Nederland (2) ; 
3. Lijst van geschriften van Mej. Dr E. P. Wegener (4). 

Egyptische philologie: 4. Een zwerver thuisgebracht (5); 5. D*e wijsheid van Anchsjesjonq (11); 
6. Naar een hernieuwing van de Egyptische Grammatica (34) ; 7. Das Gebet in den Pyramiden- 
texten (47); 8. De reis van de dode (65); 9. De bodem van sarcofaag Cairo 28087 (71). 

Egypte en Voor-Azjë: 10. The Chronological Determination of die Mesopotamian Letteers in the 
El-Amarna Archives (74). 

VOORAZJATISCIIE PHILOLOGIE: 

Grammatica en Lexicographie. 

11. De werkwoordelijke ,tij den’ in het Semietisch (97); 12. Het Hebreeuws van de tweede kolom 
van Orig>enes Hexapla (103); 13. Kanttekeningen bij het onderzoek van de Westsemitische Epigrafie 
(112); 14. De Literatuur over het Aramees na 1940 (125). 

Vooraziatische dichtkunst: 

15. Bijbelse en Babylonische dichtkunst (133); 16. De tocht van de godin Isjtar naar het Dodenrijk 
(154); 17. Het Epos van de Pestgod Irra (160). 

Geschiedenis van Voor-Azië: 

18. De opbouw van de geschiedschrijving van Voor-Azië (177); 19. Morals in Ancient Mesopotamia 
(184) ; 20. Economische gegevens in Sumerische en Akkadische teksten, en hun problemen (197) ; 
21. Tablets f/rom Bad-Tibira and Samsuiluna’s Reconquest of the South (214); 22. Darstellungen 
Akmesopotamischer Bauwerke (219); 23. Assyrisch Imperialisme (232); 24. Zuidarabische Kolo- 
nizatie (239). I 

Platen: i-xn. 

Alphabetische lijst der medewerkers : E. Boswinkel, 3; A. de Buck, 1, 4; Th. A. Busink, 22; L. J. 
Cazemier, 7; R. Frankena, 17; J. Hoftijzer, 13; J. M. A. Janssen, 9; G. Janssens 11, 12; J. J. 
Koopmans, 14; F. R. Kraus, 23; W. G. Lambert, 19»; W. F. Leemans, 20, 21; F. M. Th. de Liagre 
Böhl 1, 15, 16; P. van der Meer, 10; B. A. van Proosdij, 2, 18; J. Ryckmans, 24; B. H. Stricker, 5; 
J. Vergote, 6; J. Zandee, 8. 



JUBILEUMNUMMER 








HET VOORA2IATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP C EX ORIENTE LUX 0 , opgericht 22 mei 1933, goed¬ 
gekeurd bij Koninklijk besluit dd. 8 december 1947 no.. 9, gevestigd te Leiden, stelt zich ten doel de bevordering 
van de studie van de beschaving van het oude. Nabije Oosten en van daaraan verwante beschavingen, en het 
vormen van een band tussen hen, die in deze. studie belang stellen. Het tracht dit doel te bereiken door het uitgeven 
van een aantal publicaties, waarvan het Jaarbericht de meest omvattende is. 

Het Jaarbericht bevat een overzicht van de stand der wetenschap omtrent de landen in het oude Voor Azië en 
Egypte, zowel in archaeologisch-historisch, als in philologisch opzicht. Het onderscheidt zich van een tijdschrift 
doordat het karakter in de eerste plaats informerend is; het beoogt een recapitulatie te geven van de vele tijd¬ 
schriftartikelen en opgravingsberichten, die over het Nabije Oosten verschijnen. Polemiek wordt zoveel mogelijk 
vermeden; behandeling van details wordt beperkt. In het Oosten gaat het terrein tot de Indus, in het Westen 
via Klein Azië en de Aegeische beschaving tot de klassieke archaeologie. In het Jaarbericht worden zo mogelijk 
ook tekstvertalingen, alsmede capita selecta opgenomen uit de geschiedenis van de beschavingen der volken 
om het Middellandse Zeebekken. Ten einde de leden en begunstigers regelmatig op de hoogte te houden van de 
resultaten der archeologische en philologische onderzoekingen wordt een geïllustreerd Bulletin „Phoenix” uit¬ 
gegeven, hetwelk tweemaal per jaar verschijnt. 

Het Genootschap geeft verder een serie Mededeelingen en Verhandelingen en Overzichten van de geschiedenis 
en opgravingen in het Nabije Oosten uit, waarin kleinere monographieën verschijnen, benevens een serie grotere 
wetenschappelijke Uitgaven. Voorts stelt de administratie van het Genootschap regelmatig publicaties op het 
gebied van het Oude Oosten tegen gereduceerde prijzen aan de contribuanten ter beschikking. — In vele 
plaatsen in Nederland en België zijn studiekringen van c Ex Oriente Lux 0 gevestigd, die des winters bijeenkomsten 
organiseren, waar sprekers uit binnen- en buitenland lezingen en cursussen houden. Alle contribuanten hebben 
gratis toegang tot de lezingen. — De bibliotheek van het genootschap is ondergebracht in het Nederlands 
Instituut voor het Nabije Oosten, Noordeindspkin 4a te Leiden. Contribuanten van c Ex Oriente Lux 0 hebben vrij 
toegang tot de boekerij van dit Instituut, terwijl zij ook van de logeerkamers van het Instituut gebruik kunnen 
maken tegen de daarvoor vastgestelde voorwaarden. 

Het Algemeen Secretariaat van het Genootschap is gevestigd Noordeindsplein 4a, Leiden (tel. 23682), het Belgisch 
Secretariaat is gevestigd Beukenlaan 7, Heverlee-Leuven (tel. 24747). Het Genootschap onderscheidt leden (ƒ 10.—), leden- 
begünstigers (id.) en begunstigers (7.50 per jaar; Bf-rk. 100.—). Zij kunnen de publicaties van het Genootschap tegen 
gereduceerde prijs ontvangen. Het ver enigings jaar loopt van 1 juni tot 1 juni. Opzegging als contribuant moet ui terlijk 
vóór'1 .mei geschieden. Voor een uitnodiging tot het lidmaatschap en opgave als lid-begunstïger of donateur wende men 
zich tot de. secretarïs-penningmeester, de heer Dr A. A. Kampman, Noordeindsplein 4a, Leiden (postgironummer 229501, 
bel. 23682), tot de Belgische secretaris Prof. Dr J. Vergote, Beukenlaan 7, Heverlee-Leuven (bankrekening 9980 
van de' Kredietbank te Leuven), of tot de studiekringbesturen (zie blz. 4 van het omslag). Alle bestellingen van 
publicaties dienen gericht te worden aan het Algemeen Secretariaat, Noordeindsplein 4a te Leiden. 


JERUSALEM IN THE OLD TESTAMENT 

TABULAE CUMEIFORMES 

RESEARCHES AND THEORIES 

A 

BY 

F. M. TH. DE LIAGRE BÖHl 

DR. J. SIMONS SJ. 

Collectae, Leidae Conservatae 1 (=TLB 1) 

1 952,4to, xvi and 51 8 pp., 33 pl., 64 maps and figs. Buckram f180. — 

This book inaugurates the series Studia Francisci Scholien Memoriae 
dicaia, planned by the Netherland’s Institute for the Near East. 
Professor Simons attempts in this book a synthesis of the archaeological 
data concerning the Capital city of the Davidic kingdom. The significance 
of the subject of this book for many pages of the Old Testament need 
hardly be stressed. 

This portfolio contains the first three issues of pistes with cuneiform 
inscriptions to appear in Tabulae Cuneiformes, publication of the Col¬ 
lectie de Liagre Böhl in the Nederlands Instituut voor het Nabije 
Oosten in Leiden. Subsequent issues with Old-Babylonian doc- 
uments will be published in the future. 

Price of the portfolio with the first three issues (48 plates edited by 
DrW. F. LEEMANS) fl. 50.- 


EGYPTIAN READ8NGBOOK 

AKKADBAN CHRESTOMATHY 

Volume 1 

Volume 1 

EXERCISES 

SELECTED CUNEIFORM TEXTS 

AND MIDDLE EGYPTIAN TEXTS 

arranged and edited 

selected and edited 

by 

by 

Franr M. Th. de Liagre Böhl 

Dr Phil. (Leipzig), Hon. D. Theol. (Bonn), Hon. D. Philol. et Hist. Oriënt. 

Dr A. DE BUCK 

(Louvain), Emeritus Prof. of Assyrioiogy in the University of Leiden 

Prof. of Egyptology in the University of Leiden 

and copied from the Cuneiform by 

1 948, 4to, x and 1 28 pages fl. 1 5.- 

Madelon L VERSTIJNEN 

Volume II will appear shortly. 

1 947, 4to, xvi and 1 66 pages fl. 20.- 

Published by Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten, Noordeindsplein 4a, Leiden 


1957-1958 


7954 


JAARBERICHT N° 15 

VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 

EX ORIENTE LUX 

KONINKLIJK GOEDGEKEURD 


GEVESTIGD TE LEIDEN OPGERICHT 22 MEI 1933 

ANNUAIRE DE LA SOCIÉTÉ EX ORIENTE LUX FONDÉE A LEYDE, N° 15 

Commissie van Advies: Adres Redactie: Roodborststraat 16, Leiden 

Prof. Dr F. M. Th. de Liagre Böhl, Prof. Dr A. de Buck Administratie: Noordeindsplein 4a, Leiden 


REDACTIONEEL GEDEELTE 


TER INLEIDING 



There is a tide in the affairs of men, 

Whieh, taken at the flood, leads on to fortune. 


Shakespeare, Julius Caesar iv iii. 

Een jubileum: de zuigeling, die wij vijf en twintig jaar geleden vol zorgen 
en twijfelingen ten doop hielden, staat nu volgroeid en blozend van gezondheid 
voor ons! Dus moge ons eerste woord een gelukwens zijn namens alle leden en 
begunstigers voor de stoutmoedige oprichters van ons Gezelschap. Zij hebben de 
mogelijkheden in ons land juist gepeild; de uitkomst bewijst het. 

Er bleek een vruchtbare bodem aanwezig van nieuws gierigheid naar en be¬ 
langstelling in onze geestelijke voorouders in het oude Naburige Oosten. Een 
snelle groei was het gevolg, een groei die in de oorlogsjaren zelfs angstige, aan 
fona’s wonderboom herinnerende afmetingen aannam, dank zij de voor ons ge¬ 
zelschap gunstige, maar dan ook door het Bestuur uitgebuite, omstandigheden 
dier jaren — veler zucht om uit het heden in het verleden te vluchten en tevens 
een gedwongen overvloed van ledige tijd om aan die drang te voldoen. 

Het feit dat in de naoorlogse jaren het terrein kon worden behouden ondanks 
’s levens jachtigheid en de concurrentie van andere culturele activiteiten, bewijst 
echter dat de belangstelling dieper ging dan pessimisten wel eens vreesden. 

Dat is voor een groot deel aan ons jaarbericht te danken. Het heeft de 


tCtiA 

■T/itnoi 


i 



















2 


TER INLEIDING 


nieuwsgierigheid bevredigd en tevens aangewakkerd, het heeft de belangstelling 
verdiept, het eerste door nieuw materiaal uit opgravingen, musea, tekstvertalingen 
bekend te maken, het tweede door artikelen te publiceren, waarin getracht werd 
die dode stof tot een levend verleden te herscheppen, of door verslag uit te 
brengen over ander er pogingen daartoe. Tweeërlei taak dus, waarvan de eerste, 
schoon in beginsel eindig, nog talloze generaties zal bezighouden, waarvan de 
tweede principieel oneindig is, zolang er mensen zullen bestaan met nieuwe 
geesten en nieuwe vragen. 

De receptie is voorbij; de feeststemming ebt weg; de dubbele taak wacht 
weer; gesterkt herbeginnen wij de reis: 

Nog liggen wegen eindeloos 
voor morgen in ’t verschiet. 

F. M. Th. de Liagre Böhl A. de Buck 

Leiden, 22 mei 1958. 

DE BELANGSTELLING VOOR HET NABURIGE OOSTEN 

IN NEDERLAND 

Aan de vooravond van de herdenking van het vijfentwintigjarig bestaan van ons Genoot¬ 
schap verschijnt een nieuw Jaarbericht. Het stemt tot dankbaarheid dat onze patroni, de heren 
Böhl en de Buck, die een woord Ter inleiding in het eerste bescheiden fascicel van zestien 
pagina’s schreven, het bij het vijftiende deel ook hebben kunnen en willen doen. Dat ook de 
heer Stricker, die in 1933 het eerst een overzicht over de Egyptische Philologie gaf, nu de 
Egyptenaren zelf aan het woord latend en een Egyptische wijsheidtekst in vertaling brengend, 
onder de medewerkers aan dit nummer kan worden gerekend, wijst enerzijds op continuiteit, 
anderzijds op een groei en ontwikkeling. 

Gesticht in Leiden, door Leidse en Amsterdamse studenten, heeft van meet af aan het 
Jaarbericht een Nederlands karakter genomen. De heer Henri Asselberghs uit Utrecht 
schreef het eerste overzicht van de Egyptische archaeologie, en spoedig volgde medewerking 
uit alle centra in Nederland, waar beoefenaren van philologie en archaeologie van het Oude 
Egypte en Voor-Azië werden gevonden, Amsterdam, Groningen en Nijmegen. Ook uit België, 
met name Leuven, Gent en ook Luik mochten herhaaldelijk bijdragen worden ontvangen. Dit 
wijst er op dat onze publicatie enerzijds de oriëtalistiek heeft willen dienen, maar anderzijds 
in de Nederlandse beschavingskring een element heeft mogen zijn, dat vooral in de naoorlogse 
periode van internationalisatie de Nederlandse beschaving heeft willen dienen en versterken. 

Dit heeft zij kunnen doen dank zij de medewerking van tientallen geleerden, die, zij het 
wel eens onder zachte dwang gezet, moeite noch tijd sparend hun bijdragen voor de achtereen¬ 
volgende delen hebben geleverd. De dank geldt allen, en zij zullen het de schrijver niet kwalijk 
nemen als hij slechts een van hen hier met name noemt, nl. professor van der Ploeg: in 
achtereenvolgende nummers heeft hij op een duidelijke wijze onze lezers op de hoogte gehou¬ 
den van de beschouwingen over de rollen aan de Dode Zee gevonden en hun in de soms 
verwarrende tegenstellingen der opvattingen een weg gewezen. Al het werk hieraan verbonden 
heeft zelfs een stempel gedrukt op zijn verdere wetenschappelijke ontwikkeling. 

Maar niet alleen door de vakmensen in engere kring werden wij steeds blijmoedig ge¬ 
holpen; ook door de oprechte amateurs, zoals wijlen Willem van Leer zo gaarne zich en zijn 


BELANGSTELLING VOOR HET NABURIGE OOSTEN IN NEDERLAND 


3 


collega’s placht te noemen. Hij was het die vanaf Jaarbericht no. 2 het mogelijk heeft gemaakt, 
dat aan de geschreven tekst een illustratie werd toegevoegd. Dat deze dank zij de vakbekwaam¬ 
heid der eliché-makers en de toewijding der drukkers een kenmerkend sieraad van ons tijd¬ 
schrift is geworden, zij hier niet onvermeld gelaten. 

En nu dan dit jaarbericht. Het is het vijftiende. Meermalen zijn er boze woorden over 
uitgesproken, dat het nummer geen gelijke tred hield met het getal der verenigingsjaren. In 
elk geval getuigde dit van waardering voor het gepresteerde en bewees het dat men een volgend 
nummer weer graag zag. Anderzijds kwam daardoor ook tot uiting dat men de moeilijkheid 
van de samenstelling, zowel geestelijk als materieel, onderschatte. Ook zijn er wel eens bezwaren 
geuit, dat de inhoud van de artikelen voor velen te zwaar was en niet in het kader van het 
orgaan paste. Dit zal ook wel van dit nummer gezegd worden, dat de afsluiting is van een 
serie van drie; dertien, dat de Archeologie behandelde; veertien, dat aan het Oude Testament 
was gewijd, en vijftien, dat de Egyptische en Vooraziatische Philologie tot thema heeft. 

Lloe zwaar, zowel letterlijk als figuurlijk, dit nummer ook moge zijn, het is eigenlijk nog 
incompleet. Sumerologie ontbreekt, terwijl er toch Nederlanders zijn die in deze zijtak der 
Assyriologie een goede naam hebben. Oegarit is ook niet aanwezig en toch is het een hoofd¬ 
stuk dat telt in de Oriëntalistiek en in Nederland ook zijn beoefenaars heeft. De positie Van 
de Cretensische beschaving waarvoor herhaaldelijk aandacht is gevraagd in de loop der jaren, 
is niet toegelicht nu een der schriftsoorten zijn ontcijfering heeft gevonden. Maar een troost 
is het, dat deze takken der oudheidkunde de aandacht hebben van verscheidene onzer philologen. 

Erger is het echter dat een afdeling der oude taalwetenschap te onzent als het ware ver¬ 
waarloosd neerligt. Aan een onzer universiteiten wordt als opus supererogatorhim door een 
Oriëntalist het Hethietisch onderwezen; maar het geheel der oude talen van Klein-Azië is, 
zulks niet ten bate van de Nederlandse wetenschap, een verwaarloosd terrein. Moge in de 
komende jaren hierin een grondige verandering komen; deze tijd kent mogelijkheden tot 
studie die onze studenten van vóór 1940 niet kenden. Het inzicht dient baan te breken dat in 
het geheel der beoefening van de Oriëntalistiek die van het Hethietisch nodig is, zowel voor 
de Oude Geschiedenis als voor de Indogermanistiek, en dat er plaats moet worden ingeruimd 
voor een die linguas asiaticas profitetur. 

In dit Jaarbericht worden Egypte en Mesopotamië behandeld in vele facetten. Niet alle 
zullen de lezers evenzeer boeien; maar met elkaar is het een gesloten geheel. Lexicon en gram¬ 
matica vinden hun plaats naast dichtkunst en geschiedenis; godsdienstige voorstellingen vindt 
men geplaatst naast chronologische onderzoekingen. Het is niet slechts een gesloten geheel wat 
de inhoud betreft, ook de medewerkers zijn uit alle generaties, vergrijsde en jeugdige. Geheel 
Oosters Nederlanden België is er vertegenwoordigd. Het is een bewijs van leven; Kristensen 
schreef op blz. XVI van zijn verhandeling over de gesloten periode (Inleiding deel II) : 
„Want alles wat leeft, dat leeft en bestaat door samenwerking van factoren die afzonderlijk 

beschouwd, weinig met elkaar te maken hebben en zeker niet op elkaar aangewezen zijn . 

Het levend organisme is het product van hun geheimzinnige samenwerking”. 

Moge deze samenwerking tot stand gekomen bij de gesloten periode van vijf maal vijf 
jaren op enigerlei wijze ook in een volgende periode in stand blijven en de Nederlandse zaak 
en die der Oriëntalistiek zo mogelijk helpen en dienen. 

Tot slot een woord van dank èn namens de lezers èn namens de Redactie aan allen die in 
de loop der jaren aan het tot stand komen van deze Jaarberichten hebben meegewerkt, inzonder 
aan mijn mederedacteur Dr J. M. A. Janssen die geen moeite te veel was als men een beroep 
op hem deed om bemiddeling en lezen van proeven. 


B. A. van Proosdij 







I 




LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN MEJ. Dr E. P. WEGENER 

(30 nov. 1908—19 febr. 1958) 

BETREKKING HEBBENDE OP HET OUDE NABURIGE OOSTEN 
SAMENGESTELD DOOR D. E. BOSWINKEL 

1 — Four Papyri of the Bodleyan Library, 

Mnemosyne S III, Vol. III, 1935-1936, pp. 232-240. 

2 — T. C. Skeat and E. P. Wegener, A Trial bef ore the Prefect of Egypt, Appius 

Sabinus c. 250 A.D., 

Journal of Egypt. Archaeol. 21 ( 1935 ), PP- 224-247. 

3 — Notes on the «poAou of the Metropoleis, 

Actes du Vième Congrès de Papyrologie, pp. 512-520. 

4 — Some Oxford Papyri, 

Journal of Egypt. Aroh. 23 ( 1937 ), pp. 204-225. 

5 — E. Lobel, C. H. Roberts, E. P. Wegener, The Oxyrhynchus Papyri, XVIII, 

London, 1941. 

(nos 2182-9, 2198, 2199). 

6 — Some Oxford Papyri (P. Oxford), 

Papyrologica Lugduno-Batava, vol. lila (1942), III B (1948). 

7 — The (3ouAsut at of the [ry)Tpo7róXsi<; in Roman Egypt, 

Symbolae van Oven, Leiden, 1941, pp. 160-190. 

8 — De betekenis der grafologie voor de Griekse papyrologie, 

Openbare les, 3 dec. 1947 te Leiden. 

9 — Petition Concerning the Dowry of a Widow, P. BerL Lnv. 16.277, 

Mnemosyne S. III Vol. XIII, 1947, pp. 302-316. 

10 — The pouXï) and the Nomination to the apxai in the p)Tpo7róXsis of Roman 

Egypt, 

Mnemosyne S. IV, Vol. I, 1948, pp. 15-42; 115-132; 297-326. 

Ti — Sir Harold I. Bell, E. Lobel, E. P. Wegener, C. H. Roberts, The Oxyrhyn¬ 
chus Papyri, XIX, London, 1948. 

12 — E. Lobel, E. P. Wegener, C. H. Roberts, 

The Oxyrhynchus Papyri XX, London, 1952. 

13 — Miscellanea Papyrologica. I The Alexandrian Synchoresis, 

P. Vindob. G. Iuv. 25817. II Normal family-life restored in the census declarations, 
P. Brem. 32 and 33. III The èpyóAapot. in P. Ryl. 577. 

Journal of Juristic Papyrology 9-10 (1955-1956). PP- 97 _II 6- 

14 — The entolai of Mettius Rufus (P. Vindob. Gr. luv. 25824, V-VI, 7 ), 

Symbolae Taubenschlag I = Eos 48 (1956), pp. 331-353- 
N.B. Verder publiceerde Mej. Dr Wegener nog: 

Brief van een Grieksch gereformeerd theoloog, 

Ned. Archief van Kerkgesch. 33, pp. 65-86. 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

EEN ZWERVER THUISGEBRACHT 

ZIE PLATEN I-III 

De archeologie is een dier wetenschappen, die ook buiten de kring der vakmensen be¬ 
langstelling vermogen te wekken, die zo nu en dan zelfs de verbeelding van het grote publiek 
in vlam zetten. Het succes van een boek als Ceram’s Götter, Grdber and Gelehrte bewijst het: 
de aantrekkingskracht van het archeologisch avontuur is groot. De ondertitel noemt het terecht 
een roman der archeologie; men wordt hier binnengeleid in een sprookjeswereld vol verras¬ 
singen. De archeologen mogen dan klagen over eenzaamheid en ontberingen, over de een¬ 
tonigheid van het zand verplaatsen dag in dag uit, van Oost naar West en van West naar 
Oost, daarin collega’s van de egyptische sjawabti’s van wie dit één van de werkzaamheden was, 
die ze als plaatsvervangers van de dode in de onderwereld moesten verrichten, over de teleur¬ 
stellingen die zoveel talrijker zijn dan vervulde verwachtingen — de buitenstaander ziet slechts 
de hoogtepunten. Hij leeft in spanning mee met het ogenblik, waarop de gelukkige ontdekker 
zijn eerste blik werpt in de grafkamer van Toetanchamon en in het schemerig licht een glimp 
van goud op vangt, met het moment waarop door een nauw gaatje in een deksteen de eerste 
menselijke blik doordringt in een ruimte, die duizenden jaren begraven en vergeten is geweest, 
en de geur van hout uit de tijd der pyramiden opstijgt uit de opening. Dat zijn evenwel 
hoogtepunten, die niet eens voor elke archeoloog van beroep zijn weggelegd. Wat zou dan een 
thuis-zittend filoloog mogen hopen? 

Dit artikel moge bewijzen dat zelfs binnen de grenzen van ons land verrassingen en de 
vreugde van een ontdekking mogelijk zijn, zij het dan zonder de betovering van een oosterse 
omgeving, van woestijn en palmen, van gloeiende zonsop- en -ondergangen en fonkelende 
sterrennachten. Aan de grote ontdekkingen plegen voorboden vooraf te gaan: de structuur van 
de bodem verandert, scherven komen tevoorschijn, een of ander spoor van menselijke werk¬ 
zaamheid. Dan wordt de detective-koorts wakker en de spanning stijgt bij de minuut. Zo 
ging het ook in mijn geval, als men kleine dingen met grote mag vergelijken. Hier begon het 
met een heel gewoon door de post bezorgd briefje van ds G. S. Fernhout in Wolfheze: In 
mijn bezit bevindt zich sinds vele jaren een egyptisch beeld, waarop hiërogliefen voorkomen; 
zou u eens willen kijken wat dit beeld te. vertellen heeft, enz. Niet altijd verschijnt de lente 
gehoorzaam, zodra de eerste sneeuwklokjes zich vertonen, niet altijd houden scherven hun 
belofte; zelfs achter een verzegelde deur kan een graf geplunderd blijken, zelfs een gesloten, 
ongeschonden kist kan leeg zijn: teleurstelling loert overal! Zou de verwachting door dit 
briefje gewekt in vervulling gaan of uitlopen op ontgoocheling? Zou het werkelijk een egyp¬ 
tisch beeld zijn en zo ja, een echt of een onecht, zouden in het gunstigste geval de hiërogliefen 
leesbaar zijn of onleesbaar? Vragen genoeg om met kloppend hart de ontmoeting met het 
beloofde beeld tegemoet te zien! 

Zo reden dan op een mooie meidag dr Stoutenbeek, mijn deelgenoot van avontuur, en 
ik, vergezeld van onze dames om ons te troosten, als de hele tocht eens op een mislukking mocht 
uitlopen, comfortabel per auto — maar dat doet men tegenwoordig in Egypte ook en het doet 
niet af aan de echtheid van de expeditie — over de Veluwe, doch zonder oog te hebben voor 
de vele schoonheden van dat landschap op een zonnige voorjaarsdag, naar Wolfheze. De 
huisdeur, een bel — de spanning wordt nu tot een laatste ondragelijke kwelling van de 
zenuwen opgevoerd; dan stappen wij binnen, een kamer in en... er is reden tot voldoening en 
blijdschap; onze tocht is niet vergeefs geweest. Voor ons staat een beeld, een egyptisch beeld 
en een echt beeld; dat is reeds op het eerste gezicht duidelijk. De hiërogliefen zijn échte en 
zelfs bizonder mooie, ongeschonden en leesbare hiërogliefen. Het is een beeld van een man, 
die gezeten is op een kubusvormige zetel, van donkerkleurig graniet, waarvan ik de juiste 
determinering liever overlaat aan archeologen of geologen. Ook een nauwkeurige beschrijving 
van het beeld is een taak die beter aan beschrijvers van professie kan worden toevertrouwd; 




I 




I a 


I b 

Wolfheze 



voor onze lezers en voor het doel van dit opstel zijn de foto’s (Plaat I) voldoende. De man 
draagt een nauwsluitend kleed, dat tot even boven de enkels reikt; langs het midden van de 
voorzijde van de mantel loopt een inscriptie. Ook op de zijvlakken en de voorkant van de zetel 
aan weerszijden van de benen van de zittende figuur staan inschriften; de achterzijde daar¬ 
entegen is onbeschreven gelaten; waarschijnlijk stond het beeld tegen een muur, zodat de rug¬ 
zijde onzichtbaar was. Om een indruk te geven van de grootte vermeld ik de voornaamste 
maten: de hoogte van het hele stuk is 43 cm, de breedte 20 cm, de diepte (van voren naar ach¬ 
teren) bij het voetstuk gemeten 39 cm. Bewerking en stijl zijn voortreffelijk; helaas ontbreekt 
de romp, zodat de belofte, die het bewaarde gedeelte inhoudt, niet wordt ingelost. 

Is er hoop dat de rest nog eens wordt gevonden, hetzij in de bodem van Egypte, hetzij in 
een of andere verzameling? Hoe onwaarschijnlijk zulk een toeval lijken moge, de mogelijkheid 
bestaat. Er zijn meer herenigingen van gescheiden delen van monumenten en papyri bekend. 
Een der verrassendste gevallen speelde zich ten dele in ons land af en zij hier tot onze bemoe¬ 
diging verteld. In 1928 vond Winlock, de leider van de amerikaanse opgravingen in Der-el- 
Bahri, fragmenten van het benedenstuk en het hoofd van een beeld van koningin Hatsjepsoet, 
de tors bleek onvindbaar. Toen herinnerde Winlock zich, dat in een oud tijdschriftartikel de 
aanwezigheid van een tors dezer koningin in Nederland werd vermeld. Het fragment zou door 
prins Hendrik, die ons land had vertegenwoordigd bij de opening van het Suezkanaal in 1869, 
meegenomen zijn uit Egypte. Daar het echter niet te vinden was waar men het verwachtte, 
namelijk in het Museum van Oudheden te Leiden, kostte het eerst nog enige moeite het op te 
sporen; tenslotte vond men het ergens vergeten in het paleis Soestdijk; het was nog steeds 
eigendom van de koninklijke familie, die de vondeling daarna aan het Museum heeft geschon¬ 
ken. Een vergelijking van kop en tors bevestigde Winlock’s gissing volkomen; zij pasten 
precies aan elkaar! Thans zijn de fragmenten van het onderstuk en de kop met een afgietsel 
van onze tors in New York gelukkig herenigd. Men kan dus nooit weten. 

Onvolledig als het beeld in zijn tegenwoordige toestand is, zal men de ontdekking in 
Wolfheze geen grote vondst mogen noemen, geen nieuws voor frontpagina of radio-omroep. 
Evenwel, wij willen de wijze les van onze goede van Alphen ter harte nemen: 


ËEN ZWERVER THUISGEBRACHT 





Hoe dankbaar is mijn kleine hond 
voo.r beentjes en wat brood! 

En door deze dankbaarheid voor het kleine gedreven wil ik een poging doen ook deze beschei¬ 
den antiquiteit te geven waar zij recht op heeft: een antwoord op de vragen die zij stelt, te 
weten de klassieke vragen, die eens een examinator die zijn slachtoffer niets wilde schenken, 
verleidden tot de raadselachtige formulering: Wie werd waar wanneer geboren? 

De inscripties (Eig. 1) moeten ons het antwoord geven; zij volgen hier dus in vertaling. 
De korte inschriften aan de voorzijde luiden: 

(ic) De tweede priester van Amon in de dodentempel van Tothmes III, Ka-em-amon, 
zoon van de koningsgemalin Henut-tawi; 

(ie) De [tweede] priester van Tothmes III zaliger Ka-em-amon, zoon van de konings¬ 
gemalin Henut-tawi; 

(ld) Alles wat komt van de offertafel van Amon voor de ka *) van de vierde priester van 
Amon, Ka-em-amon. 

De teksten op de zijvlakken zijn uitvoeriger; zij luiden: 

(ia) Een dodenoffer van Amon-re, de Stier van zijn moeder 2 ), hij geve leven, heil en 
gezondheid, welslagen, gunst en bemindheid, geest te zijn in de hemel, machtig te zijn op aarde, 
een goede begrafenis na (hoge) ouderdom aan de ka van de graaf, die zijn heer volgt op zijn 
schreden in de zuidelijke en noordelijke vreemde landen, de adjudant, de tweede priester van 
Tothmes III zaliger in de dodentempel van Tothmes III, Ka-em-amon zaliger; 

(ib) Een dodenoffer van Amon-re, de koning der góden, en van Amon die in Karnak 
is, zij geven een dodenoffer bestaande uit brood, bier, rundvlees en gevogelte, kleren en zalf- 
vazen, wierook en [zalf], alle goede en reine dingen, wat de hemel geeft, wat de aarde schept, 
wat de Nijloverstroming brengt uit zijn grot, dagelijks aan de ka van de graaf, die zijn heer 
volgt op zijn schreden in de zuidelijke en noordelijke vreemde landen, de schatbewaarder des 


D Men kan ka desnoods vertalen met: ziel, geest, dan: voor N.N. 

maar het is eigenlijk onvertaalbaar en in deze offer- 2 ) D.i. de god die zichzelf heeft verwekt, 
formules betekent voor de ka van N.N. niet meer 




f 







8 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


EEN ZWERVER THUISGEBRACHT 


9 


konings, de vierde priester van Amon, Ka-em-amon zaliger, zoon van de koningsgemalin 
Henut-tawi zaliger. 

Het antwoord op de eerste vraag (wie?) is dus niet moeilijk: de man heet Ka-em-amon. 
Het bleek, toen ik thuisgekomen zijn doopceel trachtte te lichten, geen alledaagse naam. 
Ranke’s Die dgyptischen Personennamen (337, 22) noemde slechts één plaats waar de naam 
voorkwam, een cöne funeraire in Brussel. Het opschrift luidde: de schatbewaarder des 
konings, de vierde priester van Amon, Ka-em-amon; blijkens de titels ongetwijfeld dezelfde 
man. Dat Ranke onvolledig was bleek, toen ik vervolgens greep naar H. Kees, Das Priester- 
tum im dgyptischen Staat. Kees geeft daarin een lijst van vierde priesters van Amon; indien 
Ka-em-amon bekend was, moest hij dus daarin voorkomen. Dat was inderdaad het geval en 
in het boek zelf (p. 19) noemde Kees Ka-em-amon als één van de zeer weinige vierde priesters 
van Amon, die wij kennen uit de achttiende dynastie. Weer bleek hoe zeldzaam de monumen¬ 
ten van deze man zijn; Kees citeert slechts één document: Louvre 10443. Op m Ü n vraag om 
inlichtingen hierover kreeg ik van de conservateur Mevrouw Chr. Desroches-Noblecourt 
behalve deze een aantal foto’s met het gulle verlof daarvan zoveel ik wilde te publiceren; uit 
overmaat van behulpzaamheid voegde zij hieraan nog drie cdnes funéraires toe, die zich in 
het bezit van het Louvre bleken te bevinden. Voor al deze hulp is een woord van hartelijke 
dank op zijn plaats. 

Louvre 10443 ‘ 1S een kalkstenen beeld, naar de mededeling van Mevr. Desroches onge¬ 
veer 60 cm hoog, een familiegroep van vader, moeder en zoon; diens hoofd is gerestaureerd. 
De foto’s (Platen II en III) spreken voor zichzelf; het voorwerp dat de vrouw in de hand 
houdt is een menat, een halssnoer van kralen met een tegenwicht, dat dikwijls samen met het 
sistrum wordt afgebeeld of vermeld als attribuut van de godin Hathor en van zangeressen en 
danseressen. Wat leren ons nu de inschriften? De korte regels aan de voorzijde bevatten weer 
uitsluitend namen en titels; respectievelijk staat bij de man, de vrouw en het kind: 

(2c) Alles wat komt van de offertafel van Amon in de dodentempel van Tothmes III 
voor de ka van [Ka-em-amon]; 

(2e) Alles wat komt van de offertafel van Hathor die in Thebe is voor de ka van de 
zangeres [Merit-re]; 

(2d) Alles wat komt van de offertafel van Tothmes III voor de ka van A-cheper-re- 
seneb. 

De zijvlakken bieden uiteraard plaats voor een langere tekst; zij zijn echter nogal bescha¬ 
digd, ten dele, zoals wij nog zullen zien, opzettelijk. Men leest: 

(2a) Een dodenoffer van Amon-re die in de dodentempel van Tothmes III is, hij geve 
duizend van alle [goede] en reine dingen, henket-oïïtrs en allerlei plantenoffers, broden te 
ontvangen, wat voor (hem) komt dagelijks, aan de ka van de vierde priester van Amon, Ka- 
em-amon [zaliger] en aan zijn zuster (d.i. zijn vrouw) de zangeres van [Amon], Merit-re 
zaliger. [Het is] hun [zoon] die hun naam doet leven, de tweede priester von Tothmes III, 
A- [ cheper] -re- [ seneb]...; 

(2b) [Een dodenoffer van] Osiris, de grote god, de heer van Abydos, hij geve. 

wierook, plengoffers,... [aan de ka van] de vierde priester van Amon, [Ka-em-amon en aan 
Merit-re]. [Het is] hun [zoon] die [hun] naam doet leven. 

Volledigheidshalve laat ik hier de parijse cdnes funéraires volgen: 

(Louvre CF 37) De tweede priester van Tothmes III, Ka-em-amon; zijn vrouw, de 
zangeres, Merit-re; 

(Louvre CF 183) De schatbewaarder des konings, de vierde priester van Amon, Ka-em- 
amon zaliger; 

(Louvre CF 83) De schatbewaarder des konings, de vierde priester van Amon, Ka-em- 
amon zaliger; zijn zoon de tweede priester van Tothmes III, Se-ked. 

Ziedaar het complete dossier. Wij weten tenslotte tamelijk veel van Ka-em-amon af; wij 
kennen zijn familie: zijn vrouw (Merit-re), die een functie had in de cultus van Amon (zange¬ 
res van Amon); twee zoons (A-cheper-re-seneb en Se-ked), die beide, zeker na elkaar, een 
der ambten van hun vader hebben bekleed, dat van tweede priester van Tothmes III; zijn moe¬ 


der (Henut-tawi), die konigsgemalin was, zodat hij tot de koninklijke familie behoorde, een 
interessante bizonderheid, die wij aan het beeld Fernhout te danken hebben. Dit beeld heeft 
ook onze kennis van de titels van Ka-em-amon niet onbelangrijk vermeerderd. Hij heeft, zoals 
in Egypte gebruikelijk is, zowel wereldlijke als geestelijke of liever kerkelijke ambten bekleed. 
De reële inhoud van de titels is moeilijk te bepalen; voor een deel kunnen het zelfs eretitels 
zonder ambtsbezigheden zijn geweest. Er zijn echter hoge titels bij; Ka-em-amon was een voor¬ 
naam heer. De titel bijvoorbeeld die ik bij gebrek aan beter met graaf (iry-p c t h^ty- c ) heb ver¬ 
taald, was in het Midden-Rijk de titel van gouwvorsten, de machtigste heren in het land; het 
is in het Nieuwe Rijk nog altijd een zeer hoge onderscheiding, al is het in de gecentraliseerde 
staat van die tijd stellig niet langer een machtig ambt. Van de oeroude titel schatbewaarder 
des konings (sd^wty bity) zou men hetzelfde kunnen zeggen. Ook de vertaling adjudant 3 ) 
is een noodsprong; zelfs de lezing van de egyptische benaming staat niet vast. Mevr. Des¬ 
roches heeft indertijd op het oriëntalisten-congres te Parijs een voordracht aan hen gewijd, 
die echter, voorzover mij bekend is, nooit in volledige vorm is verschenen. Aan de Actes XXIe 
congrès oriental ontleen ik, dat zij volgens haar in een bijgebouw van het paleis werden opge¬ 
voed en dat zij een soort persoonlijke garde van de koning vormden. Wat zijn priesterlijke 
functies betreft, hij is tweede priester van Tothmes III in diens dodentempel, Henket-anch, 
in westelijk Thebe en eveneens tweede priester van Amon in dezelfde tempel. Vermoedelijk is 
dat dezelfde functie, aangezien de dodentempels van de koningen op de westelijke oever tegelijk 
tempels van de góden en vooral van Amon waren. Daarentegen is hij als vierde priester van 
Amon waarschijnlijk aan de tempel van Karnak verbonden geweest; daarop wijst m.i. het 
naast elkaar voorkomen van de titels tweede priester van Amon in Henket-anch(ic) en vierde 
priester van Amon(id) en het gebed tot Amon-re, de koning der góden, en Amon die in 
Karnak is(ib). 

De eerste vraag: Wie was Ka-em-amon? is hiermee beantwoord; de tweede: Waar leefde 
en werkte hij ? behoeft ons niet lang bezig te houden. Na het voorgaande is het antwoord niet 
twijfelachtig: zijn loopbaan heeft zich af gespeeld in Thebe, af gezien van veldtochten in de 
vreemde landen van Noord en Zuid, Nubië en Azië, waar hij de koning op zijn schreden 
volgde, indien wij tenminste aan dat epitheton enige betekenis willen toekennen. Het is echter 
een stereotiepe frase, die niets behoeft te betekenen. Moeilijker is de vraag te beantwoorden, 
waar zijn beelden hebben gestaan; ik kom daar straks naar aanleiding van een andere vraag 
op terug. 

Wanneer? luidde de derde vraag. Ook op die vraag geeft ons dossier een duidelijk ant¬ 
woord. Op archeologische gronden oordeelde Mevr. Desroches over de groep in het Louvre: 
Les costumes, le style, les types physiques, tous les détails archéologiques militent en faveur 
d’une technique antérieure a 1’hérésie (d.i. Amenophis IV). Je ne serais pas étonnée que ce 
groupe puisse dater du règne d’Aménophis II (vers la fin), au plus tard du début de celui 
de Thoutmosis IV. Alles wat wij uit de inscripties kunnen af leiden pleit voor eenzelfde 
datering. Dat Ka-em-amon en zijn zoons een ambt bekleden aan de dodentempel van Tothmes 
III plaatst hen na diens regering, behalve misschien de vader in zijn jonge jaren; zijn zoon 
A-cheper-re-seneb is genoemd naar Amenophis II en dus geboren, toen deze regeerde; op de 
menat van Merit-re staat de naam van dezelfde koning: De goede god, de heer van de beide 
landen, A-cheper-re. Wij kunnen veilig aannemen, dat de beste jaren van Ka-em-amon’s leven 
vallen in de regering van Amenophis II (1450-1425). 

Ofschoon de datering zo duidelijk is dat zij geen verdere steun nodig heeft, wil ik hier 
nog enkele punten noemen die daarmee verband houden. De dodentempel van Tothmes III 
heeft niet lang bestaan; na de achttiende dynastie horen wij nauwelijks meer over hem 4 ). De 
titel adjudant komt volgens Mevr. Desroches (zie boven) na de achttiende dynastie niet meer 
voor. Het interessantst is dat het beeld Fernhout aan de vervolgingsijver van Amenophis IV is 
ontsnapt. Zoals men weet, heeft deze koning na zijn conflict met Amon, toen diens priester¬ 
schap zijn streven naar de alleenheerschappij van zijn zonnegod, Aton, dwarsboomde, de naam 

3 ) Het woordenboek leest ihms n kap ; mevr. Des- 4 ) E. Otto, Topographie des Thebanischen Gaues, 
roches noemt ze les enfants du Kep d.i. hyd n kap. p. 65. 

Jaarbericht N°. 15 


2 







IO 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


EEN ZWERVER THUISGEBRACHT 


II 


van Amon laten wegbeitelen van alle monumenten, die hij kon bereiken. Hij is daarbij te werk 
gegaan met alle grondigheid waartoe een fanatieke haat in staat is; weinig monumenten zijn 
hem ontgaan. Ook de groep van het Louvre is onder handen genomen; overal, ook in de naam 
van Ka-em-amon, is de godsnaam uitgekrast, hoewel sporen hem nog verraden. Ons beeld 
is blijkbaar in de jaren, waarin de godsdienstoorlog woedde, onzichtbaar of althans moeilijk 
bereikbaar geweest. 

Nog een laatste vraag tenslotte: Waartoe heeft dit beeld gediend? Het antwoord vinden 
wij in de inscriptie op de mantel (id): Alles wat komt van de offertafel van Amon voor de ka 
van de vierde priester van Amon, Ka-em-amon. Het is een formule die op talloze beelden 
voorkomt en die een afkorting is van vollediger formules als: De god N.N. geve alles wat 
van zijn altaar komt aan de ka van N.N. Het is in Egypte een oude gewoonte dat men zich 
door een beeld in de tempel liet vertegenwoordigen. Voor de Egyptenaar betekende dit, dat hij 
op de een of andere wijze in het beeld werkelijk in de tempel aanwezig was, zodat hij ook na 
zijn dood, zolang het beeld daar stond, dus naar hij hoopte tot in eeuwigheid, dagelijks de god 
kon zien, aan diens feesten kon deelnemen, enz. Een beeld in een tempel en zo mogelijk in 
vele heiligdommen te hebben was een vurig begeerd voorrecht, dat dikwijls door de gunst van 
de koning werd verleend. Een andere mogelijkheid is dat een liefderijke zoon daar een beeld 
van zijn ouders opstelt; een voorbeeld daarvan is de groep in het Louvre, die vervaardigd is 
in opdracht van een zoon die daardoor, zoals het heet, de naam van zijn ouders doet leven. 
Koningsdecreten over het opstellen van zulke beelden — een godsdienstige plechtigheid, waarbij 
heilige teksten werden gereciteerd — bezitten wij reeds uit het Oude Rijk; andere bedreigen 
hen die ze zullen beschadigen met strenge straffen; nog weer andere stellen bepaalde offers 
in, die aan het beeld moeten worden gebracht. Documenten over het opstellen, beschermen 
en verzorgen van beelden bezitten wij in groten getale uit alle tijden van de egyptische ge¬ 
schiedenis en zij werpen licht op een boeiend onderdeel van het tempelbedrijf, doch ik mag 
hierover in dit opstel niet buiten proportie uitweiden. 

Een zeer gebruikelijke methode om in offers voor een beeld te voorzien bestaat nu hierin 
dat de koning bepaalt, dat offers die aan een god zijn gebracht later, wanneer de god voldaan 
is, voor een beeld worden neergelegd. Een duidelijk voorbeeld van de manier waarop dit 
systeem werkt vinden wij in een decreet van Tothmes III: deze stelt bepaalde offers in voor 
Amon; is de god voldaan, dan moeten ze voor een beeld van de koning worden neergelegd; is 
dit voldaan, dan moeten ze naar een andere tempel worden gebracht. Zo kunnen offers einde¬ 
loos dienst doen, tot ze tenslotte terechtkomen bij een menselijke belanghebbende die ze op 
grof-materiële wijze verbruikt. Door de formule: Alles wat komt van de offertafel van de god 
N.N. hoopt het beeld waarop die woorden staan dus een deel van de spijzen van die god te 
krijgen en waarschijnlijk hebben de offers op het altaar van de god niets van hun kracht ver¬ 
loren, eer in heiligheid gewonnen. Zo bidden dus man, vrouw en zoon van de familiegroep in 
het Louvre om offers respectievelijk van de offertafel van Amon in de dodentempel van 
Tothmes III, van die van Hathor die in Thebe is, en van Tothmes III, terwijl in de langere 
gebeden in (2a) nogmaals Amon-re die in de dodentempel van Tothmes III is wordt aan¬ 
geroepen en in (2b) de dodengod bij uitstek, Osiris. Het is m.i. hoogst waarschijnlijk dat de 
groep, die zo vaak góden uit de dodentempel van Tothmes III vermeldt en bovendien de offer¬ 
tafel van Tothmes III zelf, in die tempel heeft gestaan. Het beeld Fernhout daarentegen 
noemt in de gebeden nergens de dodentempel Henket-anch (natuurlijk wel in de titels, maar 
dat doet hier niet ter zake). In de: Alles wat komt enz. formule staat slechts een kleurloos 
Amon; in de langere gebeden echter komt eenmaal Amon die in Karnak is voor, en voorts 
Amon-re de koning der góden en Amon-re de Stier van zijn moeder, bij wie wij, wanneer zij zo 
zonder nadere preciesering worden vermeld, toch wel in de eerste plaats aan Karnak denken. 
Op deze gronden lijkt mij het vermoeden gerechtvaardigd, dat het beeld dat thans in een pastorie 
in Wolfheze vertoeft 5 ), meer dan drieduizend jaar geleden in een tempel van Karnak heeft 

5 ) Over de herkomst van het beeld in moderne tijd sierkunstenaar Lion Cachet, het eens ergens moet 
is niets bekend. Het is afkomstig uit het ouderlijk hebben gekocht, 
huis van Mevr. Fernhout, wier vader, de bekende 


gestaan. Het moet daar dan, zoals ik reeds zei, onder Amenophis IV veilig zijn geweest voor 
het vandalisme van de vijanden van Amon. Men kan zich natuurlijk vele omstandigheden 
voorstellen, waaraan die redding te danken is geweest. Eén mogelijkheid waaraan men denken 
kan is de volgende: de geweldige opeenhoping van beelden, die in de loop der jaren in de 
tempel werden opgesteld, maakte het zo nu en dan noodzakelijk de oude op te ruimen om 
plaats te maken voor nieuwe, hoezeer dit de belangen van het voorgeslacht mocht schaden. 
Men stopte ze dan bijvoorbeeld ergens onder het plaveisel in de tempel. Zo zijn in het begin 
dezer eeuw honderden beelden gevonden in een van de voorhoven van de tempel van Karnak, 
een dier sprookjesachtige archeologische ontdekkingen, de cachette van Karnak. Was ons 
beeld tijdens Amenophis IV reeds opgeborgen? Het lijkt niet waarschijnlijk en er zijn zoveel 
toevalligheden denkbaar, dat het ijdel is zich hierover het hoofd te breken. 

Hiermee meen ik de vragen te hebben beantwoord, die het beeld mij scheen te stellen — 
bij anderen zullen misschien nog andere vragen rijzen — en daarmee mijn dank te hebben be¬ 
taald aan Ka-em-amon ... en aan de familie Fernhout die ons op zo heuse wijze ontving en 
in de gelegenheid stelde het beeld te bestuderen. 

Leiden, Maart 1958. A. de Buck 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 

INLEIDING 

Weinige maanden geleden werd door de Trustees van het Brits Museum te Londen het 
tweede deel uitgegeven van de Catalogue of Demotic Papyri, een der geprojecteerde plaat¬ 
werken, waarin de oudheden van Egyptische herkomst bewerkt zullen worden. Het eerste 
deel was reeds in 1939 verschenen en gewijd aan een samenhangende groep contracten, 
A Theban Archive of the Reign of Ptolemy I Soter, het juist verschenen deel bevat een 
litterair document, The Instructions of c Onchsheshonqy. Beide delen zijn verzorgd door de 
gewezen conservator van het Museum, S. R. K. Glanville, sedert 1943 hoogleraar in de 
Egyptische taal- en letterkunde aan de universiteit van Cambridge. Glanville, die een goed 
vriend van ons land was, heeft zijn laatste werk niet mogen overleven. Hij stierf zeer onver¬ 
wacht op de nog jeugdige leeftijd van 36 jaar, op het ogenblik zelf, ivaarop de publicatie van 
de pers kwam, welke in zoverre onvolledig is gebleven, dat de aangekondigde woordenlijst 
nog ontbreekt. 

Het gebeurt maar al te zelden, dat de Egyptische letterkunde, zoals wij deze heden kennen, 
uitgebreid kan worden met een nieuzo-ontdekt document, en nog zeldzamer is het geval, dat 
zulk een document tevens een goed leesbare en voor allen begrijpelijke tekst bevat. Zulk een 
gelukkig voorval begroeten wij in de uitgave van Glanville’s posthume werk, en de eigen¬ 
schappen van leesbaarheid en begrijpelijkheid zijn voor de door hem in het licht getrokken 
tekst in zo hoge mate kenmerkend, dat wij gemeend hebben nuttige arbeid te verrichten door 
hem in Nederlandse vertaling ook aan de lezers van dit tijdschrift voor te leggen. De papyrus 
werd door de Trustees reeds in het jaar 1896 verworven. Hij is beschreven in een heldere de- 
motische hand, daterende uit vermoedelijk de laatste eeuw voor het begin onzer jaartelling. De 
tekst erin vervat is echter ouder, daar hij gebeurtenissen behandelt, die plaats gegrepen hebben 
onder de regering van de xxviste, Sditische dynastie. Die gebeurtenissen vormen de omlijsting, 
waardoor een wijsgerige verhandeling wordt omsloten. Een priester te Heliopolis, Anchsje- 
sjonq, geraakt onschxddig verzvikkéld in een samenzwering tegen het leven des konings. De 
samenzwering wordt ontdekt en Anchsjesjonq wordt gevangen gezet. Overtuigd te zullen 
sterven, schrijft hij daarop op potscherven voor zijn achtergelaten zoon zijn geestelijk testa¬ 
ment, dat voluit zvordt weergegeven en de eigenlijke inhoud van de tekst uitmaakt. Het is dus 
wederom een verhandeling in het genre der Wijsheid, zoals wij er thans zovele uit de oud- 
Egyptische letterkunde en uit de letterkunde aller oosterse volken kennen. Wij hadden ditmaal 



12 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DE WIJSHEID VAN ANCI1SJESJONQ 


13 


wel eens iets anders gewild, maar moeten voor het gebodene toch dankbaar zijn, want de tekst 
is een mijn van nieuwe en niet slechts taalkundige informatie. 

De papyrus, die beschreven is met acht en twintig kolommen schrift, is bewaard in zijn 
volle lengte van 462 cm, maar moet in opgerolde vorm in twee ongelijke delen gebroken zijn. 
Het kleinste daarvan is verloren gegaan, waardoor aan de bovenzijde van iedere kolom enige 
regels ontbreken en de reconstructie der feiten in de eerste vijf kolommen vermeld bemoeilijkt 
wordt. In de eerste twee kolommen zijn de lacunes nog groter en zijn slechts de onderste tien 
regels geheel intact. Zes kleine fragmenten zijn uit deze lacunes afkomstig, doch kunnen haar 
niet opvullen. Wij missen daardoor de inleiding van de raamvertelling en tevens de voorge¬ 
schiedenis van de zich op dc bewaarde regels ontspinnende intrige. 

Er waren, kort en goed, twee jonge mannen, Anchsjesjonq en Harsiëse, 
die beiden tezamen opgroeiden, doch ouder geworden een verschillende loopbaan 
volgden. Anchsjesjonq werd priester van de zonnegod Re te Heliopolis, Harsiëse 
bekwaamde zich in de medische studie. Nu bezat de Egyptische koning een lijf¬ 
arts, die op leeftijd gekomen was en zich door een jongere collega wilde doen 
assisteren. Met toestemming des konings koos de arts Harsiëse uit en deze werd 
dus ten hove voor gesteld. ... Pharao. Pharao vroeg hem vele [zaken] en hij be¬ 
antwoordde hem deze alle. Pharao deed.Het geschiedde, 

dat hij.naar de vertrekken van de lijfarts, en de lijfarts deed niets, zonder 

daarin Harsiëse zoon van Ramose te raadplegen. Weinige dagen later werd de 
lijfarts tot zijn vaderen verzameld. Men stelde Harsiëse zoon van Ramose tot 
lijfarts aan, men stelde alwat tot het ambt van lijfarts behoort te zijner beschikking 
en men benoemde zijn broeders tot belastingvrije priesters. En Pharao deed niets 
zonder daarin Harsiëse zoon van Ramose de lijfarts te raadplegen. 

Het geschiedde hierna eensdaags, dat Anchsjesjonq zoon van Djinoefe.... 

.in grote moeilijkheden geraakte. Hij overlegde bij zichzelf: „Het 

lijkt mij het best, naar Memphis te gaan en daar mijn intrek te nemen bij Harsiëse 
zoon van Ramose. Men heeft mij verteld, dat hij aangesteld is geworden tot lijf¬ 
arts, dat [hem] alles [overhandigd is,] wat tot het ambt van lijfarts behoort en 
dat zijn broeders benoemd zijn tot belastingvrije priesters. Wellicht is het de 
beschikking Gods, [dat hij] aan mij het goede doe.” Hij vertrok dus uit Helio- 
polis, zonder iemand van zijn gangen in kennis te stellen, hij vond een schip, dat 
zeilde naar ... Nu volgt de grote lacune in de tweede kolom. Van de eerste 
regels zijn slechts de laatste woorden bewaard. Anchsjesjonq heeft succes met 
zijn bezoek, want de lijfarts Harsiëse spreekt tot hem.: „Blijf hier in Memphis 
bij mij, [Gij kunt dan orde op Uw zaken houden, door] driemaal per maand 
[iemand te sturen of door zelf naar Heliopolis,] naar Uw mensen, [terug te 
keren.”] Aldus geschiedde. Anchsjesjonq bleef bij Harsiëse zoon van Ramose en 
onderhield driemaal per maand contact met Heliopolis, met zijn mensen. 

Nu nemen de zaken een ongunstige wending. Opstandige elementen aan het 
hof beraamden een boze xxxxx. Het is niet minder dan een aanslag tegen het 
leven van Pharao en, helaas, Harsiëse zoon van Ramose, de lijfarts, overwoog 


daaraan deel te nemen. Doch alvorens dit te doen, raadpleegde [hij] Anchsje¬ 
sjonq zoon van Djinoefe erover. Anchsjesjonq [zoon van Djinoefe] sprak tot 

hem: „Gij., moge Uw leven gedijen! Pharao is het beeld van de Zonnegod, 

..... met een aanslag tegen 

Pharao in te stemmen. Pharao heeft aan U vele weldaden verricht, [meer dan 
aan] alle andere hovelingen. Men heeft U in het paleis gebracht, toen Gij nog 
niets ter wereld bezat. Hij heeft U tot lijfarts doen aanstellen, hij heeft U al 
datgene doen overhandigen, wat tot het ambt van lijfarts behoort, hij heeft Uw 
broeders tot belastingvrije priesters doen benoemen. Wilt Gij hem dat vergelden 
door hem te doen vermoorden?” Hij zeide: „Laat af van mij, Anchsjesjonq zoon 
van Djinoefe. Nietig zijn alle woorden, die Gij spreekt. De raadsheren, de 
generaals, de waardigheidsbekleders ten hove hebben allen met de zaak in¬ 
gestemd.” 

Het geval wilde, dat alwat Harsiëse zoon van Ramose tot Anchsjesjonq zoon 
van Djinoefe sprak en wat hem Anchsjesjonq zoon van Djinoefe daarop ant¬ 
woordde (afgeluisterd werd door) een hoveling, genaamd Wahibremache zoon 

van Ptahertais, die naast een.verbleef en hun beider stem hoorde. Deze 

man nu was [aan de beurt om] een nacht door te brengen in de hal van de kapel, 
waarin Pharao sliep. Toen de avond viel, legde hij zich in de hal van de kapel, 
waarin zich Pharao bevond, ter ruste. In het achtste uur van de nacht ontwaakte 
Pharao, ontblootte zijn gelaat en riep uit: „Wie is er buiten?” en Wahibremache 

antwoordde hem. Pharao sprak tot hem: „Wee,.wee door de hand van 

de Zonnegod en de góden, die ...” De eerste regel van kolom III is jammer 
genoeg onleesbaar. Wahibremache onthult zijn heer het complot. „ ... wan¬ 
neer Pharao naar hem informeert.” Toen hij dit gezegd had, xxxxx. 

.en hij.op ... . kracht, zeggende: „Zal ik gered kunnen worden, 

zal ik gered kunnen worden, Wahibremache zoon van Ptahertais, zal ik gered 
kunnen worden?” Deze sprak: „Gij zult gered worden door de Zonnegod en 
de góden, die met hem zijn, en de machtige Neith, de grote godin, zal de vol¬ 
keren der gehele aarde onder de voeten van Pharao leggen.” Hij vertelde daarop 
aan Pharao alwat hij door Harsiëse zoon van Ramose tot Anchsjesjonq zoon van 
Djinoefe had horen zeggen en alwat deze door Anchsjesjonq was geantwoord, 
zonder daaraan iets toe of af te doen. En Pharao kon tot aan de ochtend de slaap 
niet meer vatten. 

Toen de morgen van de volgende dag was aangebroken, zette zich Pharao 
in de audiëntiezaal van het paleis te Memphis en de raadsheren stelden zich voor 
hem op naar hun rangorde en de generaals naar hun standplaats. Pharao wendde 
de blik naar de rij, waarin Harsiëse zoon van Ramose stond en Pharao sprak tot 
hem: „Harsiëse zoon van Ramose! Gij zijt in het paleis gebracht, toen Gij nog 
niets ter wereld bezat. Ik heb U doen aanstellen tot lijfarts, ik heb U alwat tot 
het ambt van lijfarts behoort doen overhandigen, ik heb Uw broeders tot be- 














r 


14 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

lastingvrije priesters doen benoemen. Wat hebt Gij gedaan, dat Gij ermede in¬ 
stemt mij te doen vermoorden?” Hij zeide tot Pharao: „Mijn grote heer! Op de 
dag, waarop de Zonnegod beval mij wel te doen, gaf hij het welzijn van Pharao 
in mijn hart. Op de dag, waarop de Zonnegod beval mij kwaad te doen, gaf hij 
het verderf van Pharao in mijn hart.” Pharao sprak tot hem: „Nu men deze woor¬ 
den eenmaal aan ons overgebracht heeft, hebt Gij hen ook gesproken ten aan- 
hore van iemand anders?” Hij zeide: „Ik heb hen gesproken ten aanhore van 
Anchsjesjonq zoon van Djinoefe, een priester van de Zonnegod, die hier bij mij 
te Memphis vertoeft.” Pharao sprak tot hem: „In welke betrekking staat 
Anchsjesjonq zoon van Djinoefe tot U?” Hij zeide: „Zijn vader was de vriend 
van mijn vader. Diens hart was zeer met hem verbonden.” Pharao sprak: „Laat 
Anchsjesjonq zoon van Djinoefe voorleiden.” 

Men snelde heen en keerde onmiddellijk daarop met deze terug tot Pharao. 
Pharao sprak tot hem: „Anchsjesjonq zoon van Djinoefe! Hebt Gij mijn brood 
gegeten en mijn verderf aangehoord, zonder mij ervan te komen verwittigen, 
dat men tegen mij samenspant om mij te vermoorden?” Anchsjesjonq weet zich 
schoon te wassen door Pharao alles te vertellen, wat tussen hem en Harsiëse was 
voorgevallen en wat hij deze laatste had geantwoord. „... maakt dat ik kom in 

.met al de mijnen. Wilt [Gij] hem dat vergoeden door 

hem te doen vermoorden?” Bij Uw gelaat, mijn grote heer, ik deed aan hem 
alwat in mijn vermogen lag, doch hij gaf mij geen antwoord. Ik wist, dat deze 
zaken aan Pharao niet verborgen zouden blijven.” Nadat hij aldus gesproken 
had, deed Pharao aan de poort van het paleis een aarden altaar bouwen. Hij 
deed Harsiëse zoon van Ramose in het vuur werpen met al de zijnen en met 
aldegenen, die tot het verderf van Pharao hadden samengespannen. Hij deed 
Anchsjesjonq zoon van Djinoefe naar het huis van bewaring van de herder 
Pinehas geleiden. Daar stelde men een stafdrager, Thot, een hoveling, die aan 
Pharao toebehoorde, over hem aan en men bracht hem dagelijks zijn voedsel 
vanuit het paleis. 

De verjaardag van de troonsbestijging van Pharao brak hierop aan en 
Pharao deed allen, die zich in de gevangenissen van de herder Pinehas bevonden, 
[vrijlaten,] met uitzondering alleen van Anchsjesjonq zoon van Djinoefe. Diens 
hart werd daarover bekommerd en hij sprak tot de stafdrager, die over hem aan¬ 
gesteld was: „Wil mij een gunst bewijzen. Laat mij een schrijfpalet en een boek¬ 
rol brengen. Want ik heb een jongen, die ik nog niet heb kunnen onderrichten. 
Ik wil voor hem een vermaning opstellen en die hem te Heliopolis doen brengen, 
ten einde hem daarmede een leidraad te geven.” De stafdrager zeide: „Ik moet 
hierover eerst aan Pharao verslag uitbrengen.” De stafdrager bracht dus eerst 
verslag erover uit aan Pharao en Pharao beval: „Laat hem een schrijfpalet 
brengen, doch laat hem geen boekrol brengen,” Men bracht hem een schrijfpalet, 
doch men bracht hem geen boekrol, en daarom schreef hij op de scherven van 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 15 

het vaatwerk de woorden, waarmede hij zijn zoon schriftelijk hoopte te kunnen 
onderrichten. 

Ziehier de vermaning, door de godsvader Anchsjesjonq zoon van Djinoefe, 
wiens moeder was Xxxxx, ten behoeve van zijn zoon geschreven op de scherven 
van het vaatwerk, waarin men hem zijn rantsoen aan wijn bracht, toen hij ge¬ 
vangen zat in de huizen van bewaring van de herder Pinehas. Hij sprak: „Onheil 
en rampspoed, mijn grote heer, o Zonnegod! Men heeft mij jammerlijk gevangen 
gezet, omdat ik niemand heb gedood. Het is Uw gruwel, mijn grote heer, o 
Zonnegod! Is dit wellicht de wijze, waarop de Zonnegod tegen een land toornt? 
O, Gijlieden, die de scherven van het vaatwerk vinden zult, verneemt van mij 
hoe de Zonnegod tegen een land toornt: ... 

[Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een] land, doet hij.en 

niet doet hij het. 

[Wanneer de] Zonnegod vertoornd is op een land, veronachtzaamt de door 
hem aangestelde vorst het recht. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, doet hij het recht daarin 
ophouden. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, doet hij de reinheid daarin 
ophouden. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, doet hij de waarheid daarin 
ophouden. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, doet hij de geldswaarde 
daarin dalen. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, doet hij daarin het goed 
vertrouwen niet langer bestaan. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, doet hij daarin. 

.niet langer nemen. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, verheft hij deszelfs ellen- 
digen en vernedert hij deszelfs aanzienlijken. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, stelt hij de huichelaars tot 
meesters der wijzen aan. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, draagt hij deszelfs vorst 
op de bewoners te mishandelen. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, stelt hij deszelfs schrijver 
aan tot regent. 

Wanneer de Zonnegod vertoornd is op een land, maakt hij deszelfs wasser 
tot hiërogrammaat.” 

Nu volgen de woorden, die Anchsjesjonq zoon van Djinoefe schreef op de 
scherven van het vaatwerk, waarin men hem wijn bracht, ten einde hen tot lering 











i6 


EGYPTISCHE PIULOLOGIE 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 


i7 


aan zijn zoon te (doen) overhandigen; welke woorden dagelijks aan Pharao en 
aan zijn waardigheidsbekleders werden gerapporteerd. Anchsjesjonq zoon van 
Djinoefe bemerkte, dat hij in de gevangenis werd vastgehouden en niet werd 
vrijgelaten, en hij schreef op de potscherven de woorden, waarmede hij zijn zoon 
schriftelijk kon onderrichten:... 

Dien [Uw] God, opdat hij U beschermt. 

Dien Uw broeders, opdat een goede roep van U uitgaat. 

Dien een wijze, opdat hij U dient. 

Dien wie U dienstig zijn kan. 

Dien een ieder, opdat Gij daarvan profijt trekt. 

Dien Uw vader en Uw moeder, opdat Uw wandel voorspoedig wordt. 
Onderzoek alle dingen, opdat Gij hen leert kennen. 

Wees klein van trots, doch groot van ziel, opdat zich Uw hart schoonheid 
verwerft. 

Alle onderricht gedijt eerst, wanneer men (daarvoor) de leeftijd verkregen 
heeft. 

Stel Uw zinnen niet op het bezit Uws naasten, denkende: „Daarvan wil ik 
leven”; verwerf voor Uzelf. 

Mishandel niet, wanneer Gij in welstand verkeert, opdat het U niet slecht 
vergaat. 

Stuur in Uw zaak geen meid uit, want deze behartigt slechts haar eigen 
belang. 

Stuur een wijze niet uit in een onbeduidende aangelegenheid, terwijl een 
belangrijke zaak blijft liggen. 

Stuur een huichelaar niet uit in een gewichtige aangelegenheid, wanneer Gij 
over een wijze beschikt, die Gij zoudt kunnen zenden. 

Stuur niet naar een stad, wanneer Gij daarin nadeel kunt ondervinden. 
Bemin Uw huis niet, wanneer Gij een zending hebt lopen. 

Bemin Uw huis niet alzo, dat Gij er des middags bier in drinkt. 

Verwen Uw lichaam niet, opdat Gij daardoor niet vermoeienis aankweekt. 
Verwen Uzelf niet, wanneer Gij jong zijt, opdat Gij in Uw ouderdom niet 
de last te dragen krijgt. 

Haat Uw naaste niet afgaande op zijn gelaat, zonder te weten hoe hij spreekt. 
Wees niet bekommerd, wanneer Gij bezit hebt. 

Tob niet, wanneer Gij bezit hebt. 

Laat U door niets uit het veld slaan. 

Verlies de moed niet in Uw betrekking. 


Dwing [Uw zoon,] dwing niet. .. Uw slaaf. 

Spaar Uw zoon het werk niet, wanneer Gij hem dat kunt doen verrichten. 
Onderricht een huichelaar niet, opdat hij U niet verfoeit. 


Onderricht niet wie niet naar U luisteren wil. 

Vertrouw niet op een huichelaar. 

Vertrouw niet op het bezit van een dwaas. 

Verberg U niet om U vervolgens te laten vinden. 

Verberg U niet, wanneer Gij niet over voedsel beschikt. 

Wie zich verbergt zonder over voedsel te beschikken, is ter plaatse voor wie 
hem zoekt. 

Ga niet heen om uit eigen beweging terug te keren. 

Ga niet heen, wanneer men U geslagen heeft, opdat men Uw straf niet ver¬ 
dubbelt. 

Wees niet brutaal tegen Uw meerdere. 

Aarzel niet Uw god te dienen. 

Aarzel niet Uw heer te dienen. 

Aarzel niet hem te dienen, die U dienstig zijn kan. 

Aarzel niet slaven en slavinnen te verwerven, wanneer Gij daartoe in staat zijt. 
Een slaaf, die niet geslagen wordt, draagt verwensingen in zijn hart rond. 
De ellendige, wiens trots groot is, diens stank verbreidt zich. 

De aanzienlijke, wiens trots gering is, diens lof verbreidt zich. 

Spreek niet over een grijsaard als over een knaap. 

Onderschat een grijsaard niet in Uw hart. 

Spreek niet overijld, opdat Gij niet in de knel geraakt. 

Zeg niet terstond wat in Uw hart opwelt. 

Onderricht en zotternij liggen in de handen Uwer stadgenoten, heb daarom 
voor Uw stadgenoten eerbied. 

Zeg niet: „Ik ben volleerd”;.Uzelf en Gij zult inzicht verkrijgen. 

Verricht geen daad alvorens daarover eerst raad te hebben ingewonnen. 
Uw succes hangt van Uw navrage af. 

Wanneer Gij drie personen over een zelfde zaak ondervraagt, is zij perfect; 
laat de rest over aan de grote god. 

Doe wel aan Uw lichaam in Uw dagen van welstand. 

Niemand is onsterfelijk. 

Trek Uw hand niet af van een schrijver, die naar de gevangenis wordt 
gevoerd. 

Wanneer Gij Uw hand van hem aftrekt, voert men hem naar zijn laatste 
rustplaats. 

Procedeer niet met wie sterker is dan Gij zijt, zo althans Gij geen bescher¬ 
ming hebt. 

Verleid geen vrouw, wier echtgenoot in leven is, opdat deze laatste U niet 
een vijand wordt. 






l8 EGYPTISCHE FJIILOLOGIE 

Er zij nood, er zij welvaart, kapitaal vermeerdert zich slechts door het uit 
te zetten. 

Uw lot moge niet het lot zijn van de bedelaar, die gaven ontvangt. 

Wanneer Gij landarbeid verricht, spaar Uw leden niet. 

Spreek niet: „Zie het akkerland mijns broeders”; zie naar wat U zelf toe¬ 
behoort. 

De voorspoed van een stad ligt in (het beleid van) een meester, die (recht¬ 
vaardig) vonnist. 

De voorspoed van een tempel ligt in reinheid. 

De voorspoed van een akker ligt daarin, dat men hem door landarbeid 
xxxxx. 

De voorspoed van een voorraadschuur ligt daarin, dat men haar in stand 
houdt. 

De voorspoed van een schatkamer ligt in (het beheer door) een enkele hand. 
De voorspoed van een kapitaal ligt in (het beheer door) een verstandige 
vrouw. 

De voorspoed van de wijze ligt in zijn mond. 

De voorspoed van. 

De voorspoed van een leger ligt in. 

De voorspoed van een stad ligt daarin, dat zij niet in partijen uiteenvalt. 

De voorspoed van de handswerkman ligt in zijn xxxxx. 

Onderschat een document niet, dat U ten laste ligt. 

Onderschat een geneesmiddel niet, dat Gij aanwenden kunt. 

Onderschat de zaak des konings niet. 

Onderschat niet wat betrekking heeft op een koe. 

Wie een aangelegenheid al te dikwijls onderschat, sterft aan haar. 

Twist niet over een zaak, waarin Gij geen gelijk hebt. 

Zeg niet: „Mijn land is nu begroeid”; laat niet af het te inspecteren. 

Woon niet in het zelfde huis tezamen met Uw aangetrouwde familie. 
Schrijf Uw meerdere niet de wet voor. 

Zeg niet: „Ik heb de akker geploegd, doch men heeft het niet betaald”; ploeg 
nogmaals, ploegen is verdienstelijk. 

Vrolijker staat het gelaat van hem, die boven in het land rust heeft gehad, 
dan van hem, die gewaakt heeft in de stad. 

Spreek niet van zomer tot wie zich in de winter bevindt. 

Wie des zomers geen hout inslaat, verwarmt zich niet in de winter. 

Woon niet in een huis, waarin Gij geen inkomen hebt. 

Vertrouw Uw kapitaal niet toe aan een huis des overvloeds. 

Laat Uw kapitaal niet onbewaakt in huis achter. 

Deponeer Uw kapitaal niet in de stad, het opvorderend (wanneer Gij het 
nodig hebt). 


de wijsheid van anchsjesjonq 19 

Kapitaal vindt zich een meester. 

De eigenaar van de koe leert te rennen. 

Maak geen uitgaven alvorens Uw voorraadschuur te hebben verzekerd. 

Maak uitgaven naar gelang van Uw draagkracht. 

Zeg niet:. 

Zeg niet: „Ik schrijf goed”, zonder dat Gij. 

Een schrijver op een scheepswerf, een handwerksman op een xxxxx. 
Wanneer zich een krokodil vertoont, is het ontzag voor hem xxxxx. 

Een krokodil sterft niet van xxxxx, hij sterft van honger. 

„Men kwelt mij”, spreekt de huichelaar, wanneer men hem onderricht. 
Struikel over Uw benen in het huis van de machtige, struikel niet over 
Uw tong. 

Wanneer men U uit het huis van Uw heer werpt, word daarvan poort¬ 
wachter. 

Wanneer Uw heer aan de rivier gezeten is, dompel Uw hand ten overstaan 
van hem niet in het water. 

Ware toch mijn broeder palfrenier; wanneer hij opsteeg, zou ik pralen. 
Moge mijn kameraad zeggen: „Thot weet het niet.” 

Moge hij niet sterven, voor wie ik mijn kleed scheur. 

Moge het de oudste broeder in de stad zijn, aan wie men deze laatste toe¬ 
vertrouwt. 

Moge het de barmhartige broeder in de familie zijn, die daarin als oudste 
broeder optreedt. 

Moge ik bezit hebben en mijn broeder evenzo, opdat ik het mijne vermag te 
nuttigen, zonder mijn ogen te moeten neerslaan. 

De overstroming moge niet nalaten plaats te grijpen. 

De akker moge niet ophouden voort te brengen. 

De schrale plek in de akker moge het overvloedigst met kruid begroeid zijn. 
De baarmoeder moge haar stier ontvangen. 

De zoon moge zijn vader tot eer strekken. 

Het moge de zoon eens heren zijn; die heer wordt. 

Mijn kapster moge mijn moeder zijn, opdat zij mij het schone doet. 

De maan moge de zon ontvangen en niet nalaten op te gaan. 

De dood moge aanvaard worden. 

Ik moge werpen . 

Moge Ik mijn hand uitstrekken naar mijn. 

.ontvangen. 

Moge ik mijn xxxxx kennen, opdat ik hem mijn kapitaal geef. 

Moge ik mijn broeder kennen, opdat ik hem mijn hart open. 

Doe niet te dikwijls xxxxx, opdat Gij niet gevloekt wordt. 

Bedrink U niet te dikwijls, opdat Gij niet in razernij vervalt. 












20 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


Neem U een vrouw wanneer Gij twintig jaren telt, opdat U een zoon geboren 
wordt, terwijl Gij nog jong zijt. 

Dood niet een slang en spaar haar staart. 

Werp niet een lans, wanneer Gij onmachtig zijt haar schacht vast te houden. 

Wie de hemel bespuwt, voor hem valt het (speeksel ook weder) terneder. 

De persoonlijkheid eens mensen wordt bepaald door zijn familie. 

De persoonlijkheid eens mensen hangt af van zijn xxxxx. 

De persoonlijkheid eens mensen ligt op zijn gelaat. 

De persoonlijkheid eens mensen wordt bepaald door een enkele zijner 
leden. 

De visser werpt aan boord (zijn net) uit in onwetendheid, overwegend, dat 
God naar ieder huis zendt. 

Blijf niet op de weg tot aan de avond, denkend: „Ik beschik over de huizen”; 
Gij kent het hart hunner inwoners niet. 

Een regent, die plundert, diens zoon wordt behoeftig. 

Bind de poot van Uw ezel niet vast aan de xxxxx, opdat hij die niet heen 
en weer schudt. 

Bespot Uw zoon niet ten overstaan zijner moeder, opdat Gij niet de smaad 
zijns vaders te vernemen krijgt. 

Een stier wordt niet als stier geboren. 

Zeg niet: „De vijand Gods leeft heden”; wacht op de toekomst. 

Spreek eerst van voorspoed aan het einde des levens. 

Stel Uw zaken op God. 

Doe niet. 

Laat Uw.niet worden, [opdat Gij niet} in moeilijkheden 

geraakt. 

Geen mens kent de dagen zijns ongeluks. 

Vertrouw Uw mensen niet toe aan hem, die nimmer tegenspoed heeft onder¬ 
vonden. 

Talm niet, een graf op de woestijnrand aan te leggen; Gij kent de lengte 
Uws levens niet. 

Bega aan niemand kwaad, opdat niet een ander het U vergeldt. 

Wees niet kleinmoedig in een aangelegenheid, waarover Gij raad kunt in¬ 
winnen. 

Vrolijk is het hart van hem, die een vonnis heeft geveld in aanwezigheid van 
een wijze. 

Een verstandig meester, die raad inwint, diens huis staat vast tot in eeuwigheid. 

Onderschatting richt een machtig man te gronde. 

Een grote gruwel, waarvoor .... is, wordt xxxxx. 

De zaak eens huichelaars gedijt niet in het huis, waarin een wijze vertoeft. 

Laat Uw vrouw Uw rijkdom zien, doch vertrouw deze haar niet toe. 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 


21 


Vertrouw haar zelfs niet haar provisie gedurende een jaar toe. 

Heeft mijn broeder zich niet ontzien te stelen, zo ontzie ik mij niet hem 
gevangen te zetten. 

Wreek U niet, doch pas op, dat ook een ander zich niet op U wreekt. 

Moge Uw weldaad hem bereiken, die aan haar behoefte heeft. 

Wees niet schriel; bezit laat zich niet gevangen houden. 

Ook de humane meester doodt tot hij rust heeft. 

Wie doodt en daarbij verstandig is, wordt zelf niet gedood. 

Ga niet uit in een zaak, die Gij niet zult kunnen volbrengen. 

Richt tot niemand bijtende woorden, tenzij Gij het daarmede van hem kunt 
winnen. 

Luide is de stem van hem, die gehandeld heeft na een opdracht ontvangen 
te hebben. 

Spreek geen woord, wanneer het daartoe niet het geschikte ogenblik is. 


De wijze zoekt [vrede, de huichelaar} zoekt twist. 

De mens, wien men vroeger een dienst bewezen heeft, is (dikwijls) niet in 
staat deze te vergelden. 

Slecht van lot en ellendig is de xxxxx. 

Geef Uw zoon niet aan een voedster, deze nopende haar eigen kind te ver¬ 
waarlozen. 

Een huichelaar is vriend eens huichelaars, een wijze is vriend eens wijzen. 

Een dwaas is vriend eens dwazen. 

De moeder baart, de weg geeft een vriend. 

Een ieder vergadert bezit, slechts de wijze weet het te behouden. 

Stel Uw bezit niet in handen van Uw jongere broeder, opdat hij daarmede 
niet de oudere broeder tegen U speelt. 

Trek het een Uwer kinderen niet bij het andere voor, opdat Gij niet te ver¬ 
staan krijgt wie hunner zijns weegs gaat. 

Wanneer Gij Uw vrouw en haar sexuële behoefte doorgrondt, neem U een 
bruid naar gelang van Uw voordeel. 

Geef Uw vrouw geen dienstbode, wanneer Gij zelf geen knecht hebt. 

Spreek niet met twee tongen. 

Spreek tot een ieder de waarheid, laat de waarheid met Uw mond vereen¬ 
zelvigd zijn. 

Open Uw hart niet voor Uw vrouw; wat Gij haar gezegd hebt komt in 
de straat. 

Open Uw hart noch voor Uw vrouw, noch voor Uw knecht. 

Open het voor Uw moeder; zij is een xxxxx vrouw. 

Een vrouw kent haar eigen belang. 






22 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 


23 


Onderricht aan een vrouw is als een zak zand, waarvan de zijde is open¬ 
gesneden. 

Haar besparingen bestaan uit geroofd goed. 

Wat zij haar man heden aandoet, doet zij een ander morgen aan. 

Zet U niet naast Uw meerdere neder. 

Neem U geen slaaf tot vriend. 


Wanneer hij het hem doet., zo ver¬ 

volgt hem toch de straf Gods. 

Neem U geen dief tot vriend, opdat hij niet oorzaak wordt, dat men U 
doodt. 

Ook al weegt op de mens slechts een onbeduidende zaak, wordt hij toch 
door haar gegrepen. 

Er is een wijze het huis af te sluiten, waaraan het te gronde gaat. 

Wie grootmoedig is in een slechte zaak, wordt door de schade daarvan niet 
getroffen. 

Wie het bezit zijns naaste rooft, heeft daarvan geen gewin. 

Wanneer Gij vriendschap sluit met een wijze, wiens hart Gij niet kent, open 
voor hem niet het Uwe. 

Wanneer Gij een weldaad bewijst aan honderd mensen en een hunner daar¬ 
voor erkentelijk is, zo is niet een enkele xxxxx verloren. 

Breng God brand- en plengoffers, laat de vreze voor hem groot worden in 
Uw hart. 

Een dief steelt des nachts, men ontmaskert hem des daags. 

Spreek niet te dikwijls. 

Een huis staat open voor wie over bezit beschikt. 

Wie gebeten is door de beet van een slang, is zelfs bevreesd voor een 
kluwen touw. 

Wie voor zich uit kijkt, struikelt en valt niet. 

Verlaat een vrouw in Uw huishouden niet, wanneer zij niet zwanger wordt 
en baart. 

Een goede daad doet de wraak van (zelfs) een grote god wijken. 

Eer uw (mede) mens, opdat Uw eigen hart zich verheft en U voordeel 
gewordt. 

Laat het Uw dienaar niet aan voedsel en aan klederen ontbreken. 

Werp geen begerige blik op het bezit Uws naasten, opdat Gij niet in xxxxx 
vervalt. 

Maak geen inbreuk op eens anders terrein. 

Bouw geen huis op de akker. 

Laat een ander geen aanklacht tegen U indienen. 


Doe niet.feest. 

Doe niet.. een zaak, die Uw. 

voor U. 

Geen.bereikt de hemel. 

Geen.is zonder geween. 

Zeg niet: „.een goede daad aan deze man, doch hij is er mij niet 


erkentelijk voor.” 

Er is geen goede daad, dan alleen de goede daad, door U verricht aan wie 
haar van node had. 

Wanneer Gij tot welstand zijt gekomen en U vele goederen hebt verworven, 
laat Uw broeders Uw grootheid met U delen. 

Ellende, waarvan een woord uitlekt in de straat, wordt beschouwd als schande. 

Wanneer een xxxxx, die onderricht heeft genoten, zich tot denken zet, denkt 
hij toch slechts aan onrecht. 

Wanneer een mens zijn eerste geldstuk verdient, ontvangt hij het (slechts) 
om het te verdrinken en op te souperen. 

Wanneer een man naar parfum riekt, staat zijn vrouw voor hem als een kat. 

Wanneer een man in moeilijkheden verkeert, staat zijn vrouw voor hem als 
een leeuwin. 

Wees niet bevreesd datgene te doen, waarin Gij recht hebt. 

Bega geen diefstal; men zal U later ontdekken. 

Laat Uw zoon geen vrouw kiezen in een andere stad, opdat men hem U niet 
ontneemt. 

Beter is stomheid dan overij ling met de tong. 

Beter is het te blijven zitten dan een minderwaardige zending uit te voeren. 

Beweer niet, dat Gij uitgegaan zijt in een zaak, waarmede Gij U in het geheel 
niet hebt bemoeid. 

Een xxxxx geeft U geen opdracht. 

Gulzigheid verschaft U geen voedsel. 

Wanneer men U uitstuurt om xxxxx en Gij tarwe aantreft, koop dan niet in. 

Wanneer Gij handelt in kaf en daar vraag naar is, ga dan niet rond met 
tarwe. 

Doe Uw naaste niet wat Gij verfoeit, opdat een ander het ook aan U niet 
begaat. 

Sluit geen verbond met de moedeloze, opdat hij U niet zegt: „De moed ont¬ 
breekt mij juist nu.” 

Honderd mensen worden gedood voor een enkel ogenblik van gemis aan durf. 


Doe niet., opdat Gij niet voor eeuwig ellendig zijt. 

Doe niet.en Gij toestemt. 


Laat Uw zoon, die nog scholier is, niet naderen tot de deur van de voorraad¬ 
schuur in een mager jaar. 

















24 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 


25 


Richt U niet tot Uw broeder, wanneer Gij in nood verkeert; richt U tot Uw 
vriend. 

Drink in het huis van een koopman, die U toebehoort, het water niet tegen 
betaling. 

Sla een slaaf niet onder het oog zijns meesters. 

Spreek niet: „Mijn heer heeft afkeer voor mij opgevat, dus dien ik hem niet 
langer.” 

Gedurig dienstbetoon neemt afkeer weg. 

Neem geld op tegen rente en besteed het aan (Uw) akker. 

Neem geld op tegen rente en kies U een echtgenote. 

Neem geld op tegen rente en vier Uw verjaardag. 

Doch neem geen geld op tegen rente, om er grote staat mee te voeren. 
Zweer geen meineed, wanneer Gij in nood verkeert, opdat het U niet nog 
slechter vergaat dan reeds het geval is. 

Vraag God geen enkel orakel om vervolgens zijn gebod te overtreden. 

Bespot een kat niet. 

Spreek niet over het belang des konings aan de biertafel. 

Vel geen vonnis, waarin Gij ongelijk hebt. 

Wees niet zwak van hart in een slechte zaak. 

Verberg U niet voor de vreemdeling, die van buiten komt. 

Wanneer Gij niet (meer) bezit, bezit hij (wellicht). 

Leen geen geld uit tegen rente, zonder dat Gij een onderpand in Uw 
hand hebt. 

Wees niet te goed van vertrouwen, opdat Gij niet in ellende vervalt. 

Vat geen afkeer op voor wie tot U spreekt: „Ik ben Uw broeder.” 

Is mijn aandeel in het huis mijns vaders gering geworden, het zal zich niet 
vermeerderen. 

Onderschat niet klein document, een kleine vlam, een kleine kalasiriër. 


.Uw bezittingen ... zegel. 

... een ander. 

Spreek een vrouw [niet]brutaal toe, wier echtgenoot U ondergeschikt is. 
[Laat niet] af het werk te verrichten, waarvan Gij leven kunt. 

Verwerf U geen goederen, wanneer Gij geen schatkamer bezit. 

Neem geen geschenk aan, wanneer Gij niet van plan zijt een contract op 
te stellen. 

Spreek niet: „Mijn kwaal is voorbij, ik gebruik geen medicijnen meer.” 

Ga niet te dikwijls heen, opdat men geen af keer voor U opvat. 

Laat, de ellendige niet een xxxxx zien. 

Overhaast U niet, wanneer Gij het woord voert tegen Uw heer. 

Loop niet al te snel, opdat Gij niet tot stilstand gebracht wordt. 


Reinig U niet te dikwijls met water alleen. 

Het water slijpt de steen. 

Ga niet over de weg zonder een staf in Uw hand. 

Xxxxx een mens niet ten overstaan van zijn vriend, bij het vonnis. 

Wandel des avonds niet alleen. 

Smaad Uw heer niet in aanwezigheid van de kleine man. 

Wanneer Gij met iemand opgroeit en met hem tot welstand komt, werp 
hem niet uit, wanneer het hem slecht gaat. 

Zie toe, dat hij zijn eeuwige rustplaats (onbekommerd) bereikt. 

Wie na hem komt, zal (ook) U onderhouden. 

Een vrouw, die men lief heeft, wordt uitgeworpen, wanneer zij eenmaal 
verlaten is. 

Inspecteer Uw huis ieder uur en Gij zult vinden, dat het bestolen wordt. 

Laat Uw zoon leren schrijven, ploegen, vissen en jagen, opdat hij in een 
jaar, waarin de overstroming zich terugtrekt, voordeel heeft van wat hij heeft 
verricht. 

Verzamel mest, verzamel drek, maar maak geen beroep van het xxxxx. 

Spreek niet te dikwijls in tegenwoordigheid van Uw heer. 

Wees bescheiden, opdat de waardering voor U in ieder hart groot wordt. 


[Wanneer] een tuinman visser wordt, gaan zijn [bomen] te gronde. 

[Wanneer] honderd .... U geworden, geef een enkele xxxxx onder hen ter 
zake van bescherming. 

Wanneer Gij landarbeid verricht, bega geen onrecht. 

Beter een falen met goede bedoeling dan een halve verdienste. 

Wanneer Gij sterk zijt, werp Uw boeken in de rivier; wanneer Gij zwak zijt, 
werp hen er evenzeer in. 

Wanneer een kleine man tot U zegt: „Ik zal U doden,” zo zal hij dat werke¬ 
lijk doen. 

Wanneer een aanzienlijk man tot U zegt: „Ik zal U doden,” leg Uw hoofd 
op zijn dorpel. 

Geef honderd zilverstukken aan een verstandige vrouw, ontvang niet twee¬ 
honderd uit handen van een huichelares. 

Wie met zijn stadgenoten op de kampplaats staat, heeft ook deel aan hun 
vreugde. 

De kinderen des huichelaars wandelen in de straat, de kinderen des wijzen 
zijn in zijn buik. 

Wie zich voor zijn heer verbergt, vindt honderd andere meesters. 

Wie geen stad heeft, hem is zijn familie tot persoonlijkheid. 

Wie geen bezit heeft, zijn vrouw deelt met hem. 

Jaarbericht N° 15 3 








2Ó 


EGYPTISCHE PHILOLOCIE 


DE WIJSHEID VAtf ANCHSJËSJONQ 




Verheug U niet over de schoonheid Uwer vrouw, wanneer haar zinnen gezet 
zijn op ontucht. 

Spreek niet: „Ik heb deze zaak nu in mijn bezit, ik wil God noch mensen 
langer dienen.” 

Aan bezit komt een einde, Godsvrucht verwekt nieuw. 

Stuur in een zaak niet een U onbekende uit. 

Wie zijn huis zozeer lief heeft, dat hij er (werkeloos) in blijft zitten, ver¬ 
warmt zich aan zijn balken. 

Wie het (in dezelfde zin) haat, bouwt het op en xxxxx het. 

Wees niet moede van hart, wanneer Gij bittere ervaringen opdoet, opdat 
men U niet xxxxx. 

Zeg niet: „Ik zal dit of dat aan deze of gene geven,” zonder dat Gij de be¬ 
doeling hebt, dat ook te doen. 

Neem de aanzienlijke man mee naar Uw huis, neem de kleine man mee 
naar Uw schip. 

Wanneer de overstroming plaats grijpt, is zij een ieder tot grens. 

Wanneer men de vis ophaalt uit de rivier, verlaat hij wie hem opeet. 

Heeft men U gezegd. 

.geslachtelijk bekennen. 

Hebt Gij mij gezegd., Gij zijt gestorven; hebt Gij mij gezegd. 

., Gij leeft. 

Smakelijker het water, dat men heeft gegeven, dan de wijn, die [men heeft 
genomen.] 

Wanneer men een koe op het land steelt,.men diens eige¬ 

naar in de stad. 

Wanneer Uw vijand U een verzoek doet, verberg U niet voor hem. 

Wanneer de ene vogel de andere diens plaatsje ontneemt, moet hij een veer 
laten. 

Er bestaan geen prinsen gedurende de nacht. 

Wanneer de onnozele zijn hart volgt, handelt hij verstandig. 

Een mens heeft niet lief wie hem haat. 

Bega een goede daad en werp haar in de rivier; verdroogt deze, dan zult 
Gij haar vinden. 

Wanneer twee broeders twisten, begeeft U niet tussen hen. 

Wie zich tussen twee twistende broeders begeeft, tegen hem keren zij zich, 
wanneer zij zich verzoend hebben. 

Indien de dochter van de sterke zou eten, de dochter van de xxxxx zou haar 
mededingster zijn. 

Indien de zoon des meesters (na hem) meester worden zou, niemand zou 
God aanbidden. 


Wees niet kleinmoedig, wanneer Gij in moeilijkheden verkeert, en begeer 
niet te sterven. 

Wie leeft, diens kruid groeit. 

Niemand is ellendig, dan slechts hij, die gestorven is. 

Er zijn duizend dienaren in het huis des koopmans, en de koopman is een 
hunner. 

Ook al spreekt Uw heer vriendelijke woorden tot U, zult Gij hem vrezen. 
De wijze weet wat aan hem voorbij gaat. 

Voeg Uw woorden bij Uw bezit, dan is de gave dubbel. 

Bier rijpt op zijn beslag. 

Wijn rijpt; doordat men hem niet opent. 

Een geneesmiddel is (slechts) heilzaam in de handen van de geneesheer. 
Wanneer men U brood geeft om wille Uwer onnozelheid, laat onderricht 
U een gruwel zijn. 


.in moeilijkheden.zijn vrouw. 

Wanneer hij vermoeid is.zijn. 


Plant de overige bomen het laatst, plant de sycomore het eerst. 

De schering valt niet anders uit dan de inslag. 

Alle succes ligt in de hand Gods. 

Een enkel ploegen maakt nog geen xxxxx. 

Een enkele xxxxx is niet af doende. 

Het gesis van de slang heeft meer uitwerking dan [het] gebalk van de ezel. 
Er bestaat een rennen, dat beter zitten ware. 

Er bestaat een zitten, dat beter staan ware. 

Neem Uw intrek niet in een huis, dat ziek is ten dode, opdat deze laatste 
niet zegt: „Hier ben ik.” 

Wanneer de slang vreet, heeft zij geen vergif. 

Een venster met grote opening laat eerder warmte binnen dan koelte. 

Men ontvangt allerlei vee in een huis, men ontvangt er geen dief. 

De huichelaar benaderen is het zich van hem verwijderen. 

Wanneer Gij een groot paard xxxxx, leg U neder in zijn schaduw. 

Eer de ouden van dagen in Uw hart, opdat Gij zelf in aller hart geëerd wordt. 
Een vrouw laat zich verkrachten al naar gelang het karakter van haar echt¬ 
genoot. 

De mens eet niet wat hem (voor de eerste maal) onder ogen komt. 

Een voorraadschuur, zelfs gevuld met zeep, levert zijn eigenaar alle pro¬ 
fijt op. 

Een huis wordt geschaad, doordat men er niet in woont. 

Een vrouw wordt geschaad, doordat men haar niet bekent. 

Een ezel wordt geschaad, doordat men hem tichels te dragen geeft. 



















28 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 


2 9 


Een schip wordt geschaad, doordat men het met stroo bevracht. 

Er is geen.. die zegt, dat men zal. 

Er is geen., die gaarne.doet. 

Er is geen., die begraven wordt. 

Geen tand rot en blijft toch op zijn plaats 
Geen neger legt zijn huid af. 

Geen vriend van xxxxx blijft alleen. 

Geen wijze vervalt in schade. 

Geen huichelaar maakt gewin. 

Niemand kwelt zijn meerdere zonder zelf gekweld te worden. 

Niemand werpt zijn reisgezel af, zonder dat God hem daarvan rekenschap 
vraagt. 

Niemand spint intriges zonder zelf het slachtoffer van intriges te worden. 
Niemand begaat een misslag, wanneer zijn wandel oprecht is. 

Spoed U niet om de magistraat in de arm te nemen en U vervolgens aan 
hem te onttrekken. 

Wie zich schaamt zijn vrouw te bekennen, krijgt geen kinderen. 

Wees niet inhalig, opdat men U niet uitscheldt. 

Wees niet schriel, opdat men geen haat voor U opvat. 

Steel geen brons of weefsel uit het huis Uws heren. 

Verkracht niet een vrouw, die een echtgenoot bezit. 

Wie een gehuwde vrouw op een bed verkracht, diens vrouw wordt verkracht 
op de grond. 

Beter een stenen beeld dan een huichelachtige zoon. 

Beter niets dan een misdaad. 

Beter de dood dan ellende. 

Wanneer Gij des nachts dorst hebt, laat Uw moeder U drenken. 

Verblijf niet in een stad, waarin Gij niemand met U hebt. 

Wanneer Gij verblijft in een stad, waarin Gij niemand met U hebt, is Uw 
persoonlijkheid Uw familie. 

.wanneer.;. 

Hef Uw [hand} niet op, wanneer [Gij haar niet} weet te. 

Ontsteek geen vuur, wanneer Gij het niet weet te blussen. 

Geef Uw dochter tot vrouw aan een goud-xxxxx, geef niet. 

aan zijn dochter. 

Wie de steen schudt, voor diens voeten valt zij. 

Wie een vrouw in de straat liefkrijgt, diens beurs wordt aan de zijde open¬ 
gesneden. 

Men laadt geen balk op een ezel. 

Wanneer een vrouw een krokodil liefkrijgt, neemt zij diens karakter aan. 
Een vrouw des nachts, lofprijzingen des daags. 


Spreek geen blaam uit over een geliefde vrouw. 

Spreek geen lof uit over een gehate. 

De huichelaar, die samengaan wil met de wijze, is als de vogel, die samen¬ 
gaan wil met het slachtmes. 

Een huichelaar in een huis is als fijn linnen in een wijnkelder. 

Een huis, dat ziek is, neemt geen vreemdeling op. 

De krokodil grijpt geen stedeling aan. 

Wanneer Gij hongerig zijt, eet wat Gij verfoeit; zijt Gij verzadigd, verfoei 
het weder. 

Wie het oog niet op de rivier gericht kan houden, hij richte zijn hart op de 
waterkruiken. 

Wanneer Gij op het punt staat een woord tot Uw heer te spreken, tel eerst 
op Uw vingers tot honderd. 

Geef één brood aan Uw werknemer, ontvang er twee uit (het werk van) 
zijn armen. 

Geef één brood aan wie het werk verricht, geef er twee aan wie het bevel 
voert. 

Erger een man uit het gemeen niet. 

Wanneer er ergernis is, vallen er slagen. 

Wanneer er slagen vallen, vallen er doden. 

Er vallen geen doden, zonder dat God het weet. 

Niets geschiedt dan datgene, wat God verordonneert. 

Een mens. 


Karakter. 

Het grootste paard in de stal. 

Xxxxx verbergt onnozelheid. 

Men neemt zonneschijn van.de noordewind. 

Verhef U niet op een gehuwde vrouw. 

Wie zich verheft op een gehuwde vrouw, wordt gedood op haar drempel. 

Beter wonen in het kleine huis, dat U toebehoort, dan in het grote huis van 
een ander. 

Beter een klein bezit, dat bijeengebracht is, dan een groot bezit, dat is 
verspild. 

Een misplaatste opmerking in het paleis des konings is als een misslag met 
de roeiriem op zee. 

De stier roept niet om het kalf, een grote stal wordt niet opgelost. 

De weg Gods ligt voor een ieder open, de deugniet weet hem niet te vinden. 

„Zal ik leven,” vraagt degene, die reeds gestorven is. 

Eens ieders hand is uitgestrekt tot God, doch deze neemt (slechts) de hand 
van zijn lieveling aan. 
























30 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


Ook al heeft de kat smaak van vruchten, haat zij toch wie deze eet. 

„Uw mening is de mijne,” zegt de zwakkeling. 

Wees niet energiek in alle (overige) zaken, doch vermoeid in Uw eigene. 
Wie zich niet vermoeit, zijn vader is energiek voor hem. 

De architecten bouwen de huizen, de muzikanten wijden hen in. 

De kikvorsen loven de overstroming, de muizen eten het graan op. 

De runderen bezorgen gerst en tarwe, de ezels eten deze op. 

Plaats een ellendige niet tegenover een welvarende. 

Drink geen water uit een bron, om vervolgens een kruik daarin te werpen. 
De buik van een vrouw — het hart van een paard. 


.levenstijd. 

.nedergebogen voor. 

Wanneer U veel bezit gewordt. 

Er is niet.eerst Uw., wanneer Gij sterft. 

Neem U niet een zuur wijf tot vrouw. 

Wanneer een ezel samenloopt met een paard, neemt hij daarvan de tred over. 

Wanneer een krokodil een ezel begeert, zet hij een pruik op. 

Men vindt wel een paard om een xxxxx te achtervolgen, men vindt geen 
ezel om hem op zijn bestemming te brengen. 

De mens is tot het geslachtelijk verkeer nog meer geneigd dan de ezel; zijn 
beurs weerhoudt hem. 

Men geeft brood aan de inspecteur om te inspecteren; inspecteert hij niet, 
dan ontslaat men hem. 

Geen dronkenschap van gisteren lest de dorst van heden. 

Beter te xxxxx van honger dan te sterven van dorst. 

Wees niet beschroomd Uw.te doen,.zonder haar 

te berispen. 

Wanneer Gij smaadt, tezamen met Uw., zeg hem niet wat 

in Uw hart omgaat. 

Wanneer een stad tot xxxxx geraakt, pleegt.. zich ervan te verwijderen. 

Wanneer een stad in verval geraakt, pleegt.haar te. 

Wie de tarwe zijns vaders niet draagt., hij draagt de xxxxx hunner 

voorraadschuren. 

Pak een zaak niet aan, waarvan Gij het einde niet grijpen kunt. 

De vrouw is een steengroeve, de xxxxx exploiteert haar. 

Een goede vrouw van hoogstaand karakter is als spijs, tevoorschijn gekomen 
tijdens hongersnood. 

Mijn zoon is onnut, wanneer hij tot niemand xxxxx. 

Mijn dienstknecht is onnut, wanneer hij het werk niet verricht. 

Mijn broeder is onnut, wanneer hij zich niet om mij bekommert. 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 


3i 


Doe niet.ellendig. 

Doe niet.voor.. 

[De].van God in de.zijn talrijker dan de verschijningen 

van de Zonnegod in een grote zaal. 

Wanneer.haar echtgenoot, het zijn de besluiten Gods. 

Verkoop Uw huis en Uw inkomen niet voor een enkele dag, opdat Gij niet 
voor altijd ellendig wordt. 

Onttrek de kleine man niet aan het bezit des konings, opdat hij U en Uw 
familie niet vernietigt. 

Neem niet drie.van een vrouw in Uw hart op. 

Een vrouw is een ramp,.zij laat geen boom staan zonder hem aan te 

snijden. 

Leer hoe Gij een bericht naar het paleis des konings moet sturen. 

Leer hoe Gij U in het aangezicht des konings nederzetten moet. 

Leer de constitutie des hemels. 

Leer de constitutie der aarde. 

Moge het hart des mans het hart der vrouw zijn, opdat zij beiden verre blij¬ 
ven van twist. 

Kies een verstandige echtgenoot voor Uw dochter, kies niet een rijke echt¬ 
genoot voor haar. 

Verteer Uw bezit gedurende één jaar, opdat Gij drie jaren lang. 

de bank. 

EIuw niet een ondeugdelijke vrouw, opdat zij Uw kinderen niet een ondeug¬ 
delijke opvoeding geeft. 

Wanneer een vrouw haar echtgenoot trouw is, kunnen zij beiden niet in euvel 
vervallen. 

Wanneer een vrouw van haar echtgenoot kwaad spreekt, kan het hun niet 
goed gaan. 

Wanneer een vrouw het bezit van haar echtgenoot niet begeert, ligt een 
ander man haar na aan het hart. 

Een vrouw van lichte zeden heeft geen leeftijd. 

Een slechte vrouw heeft geen echtgenoot. 

De vrouw van de huichelaar verwijdert zich van haar. 


Ik heb geen . ik heb 

geen. 

.bitter .... hem. 

[Er is een].[ om 3 een mens naar buiten te werpen. 








































32 


EGYPTISCHE PHILOLOGTE 


Er is een stok om hem naar binnen te halen. 

Er is gevangenzetting om leven te geven. 

Er is onthouding om te doden. 

Menigeen spaart zonder te vinden. 

Allen zijn in de hand van het noodlot Gods. 

Alle ziekten zijn smartelijk, doch de wijze weet ziek te zijn. 

Een daad achterhaalt haar dader. 

God ziet in het hart. 

Een mens vindt zijn broeder in de strijd. 

Een mens vindt zijn vriend op de weg. 

Anders de beschikkingen Gods dan de gedachten des mensen. 

Anders de beschikkingen des vissers aan boord dan de. 

Wanneer de ene koopman de andere aantreft, doet hij. 

Menigeen ploegt, doch [oogst] niet. 

Menigeen oogst. 

Wiens tarwe door een ziekte is aangetast,.hem niet. 

Wie een xxxxx draagt,. 

Wie een kuil graaft,. 

Ik bemin mijn vriend. 

Er is geen groter bescherming. 


Reken liefde.zijn huis dagelijks. 

Een deugniet, die niet weet. 

Maak niet, dat een ander er beter op wordt .... en Gij zelf slechter. 

Wanneer.hij op de grond. 

Men.de. 

Wanneer een vrouw van beter geboorte is dan haar echtgenoot, moge deze 
haar de weg vrij laten. 

Hebt Gij gegeven.stank.tot hem zegt: 

„doe het niet”, dan zegt hij: „ik doe het toch.” 

Wanneer men U beveelt., Uw leden ondervin¬ 

den daarvan het kwaad. 

De les door een ander geleerd raakt het hart des huichelaars niet; wat hem 
op het hart ligt, ligt hem op het hart. 

Zeg niet:.verachting. 

Onderricht. Uw.om der wille 

Gods. 

Wie zijn stadgenoten vervloekt, is voor eeuwig ellendig. 

Woon niet in een huis, dat vervloekt is door God, opdat niet diens xxxxx 
zich tegen U keert. 

Doe niet 


tegen U. 


DE WIJSHEID VAN ANCHSJESJONQ 


33 


Wanneer men een wijze stelt., gaat hij niet te gronde. 

Wanneer ik maak ... vind ik 

mijn recht. 

Wanneer ik vrees. 

Wanneer gij niet.wegens de., tot wie moet Gij roepen 

wegens de bitterheid? 

Doe niet.Uw vijand.... 

Wanneer Gij .God. 

Roep niet.Uw meester, wanneer hij niet met U is. 

.vat.naar boven. 


Zeg niet: „ik bezit vele goederen,” om daarop wie rijker is dan Gij te 


Spreek Uw knecht vriendelijk toe. 

Neem geen handelaar tot vriend.leven om schade te lijden. 


Laat .niet talmen, zonder dat Gij naar haar geïn¬ 

formeerd hebt. 

Laat komen. te doen vergel¬ 
den door God. 


Spreek niet al te dikwijls over Uw.tot de man uit het gemeen, 

opdat Gij niet tot schande komt. 

Spreek niet al te dikwijls [woorden van lof] tot de man uit het gemeen, 
opdat hij niet te gronde gaat aan berisping. 

Doe niet.te weten komt wat Gij doet. 

Word niet moede tot God te bidden; deze heeft zijn ure, waarop hij de 
schrijver verhoort. 

Geschreven. 

Leiden, 15 maart 1958. 


B. H. Stricker 
















































34 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


NAAR EEN HERNIEUWING VAN DE EGYPTISCHE GRAMMATICA 


35 


NAAR EEN HERNIEUWING VAN DE EGYPTISCHE GRAMMATICA 

Deze laatste jaren hebben de egyptologen een grote bedrijvigheid aan de dag gelegd op 
het gebied van de grammatica. Van de twee grote handboeken kende de Grammaire de l’égyp- 
tien classique van G. Lefebvre, in i9zj.o te Kairo verschenen maar eerst sinds 1945 in Europa 
beschikbaar, in 1955 een nieuwe uitgave (verder geciteerd als GE). De tweede editie van de 
Egyptian Grammar van Sir Alan Gardiner (ie ed. 1927, Oxford) oogstte een dusdanig succes 
dat reeds na zeven jaar, in 1957, een derde druk noodzakelijk bleek (afkorting: EG). Daar¬ 
naast liet E. Edel in 1955 te Rome het eerste deel verschijnen van een monumentale spraak¬ 
kunst der Pyramiden- en andere Oude-Rijksteksten, de Altagyptische Grammatik (afkorting: 
AG). Aan deze zelfde documenten wijdde de Deen C. E. Sander-Hansen in 1956 een reeks 
Studiën zur Grammatik der Pyramidentexte, ( Analecta Aegyptiaca, VI), Kopenhagen. 

De auteurs van beide eerstgenoemde boeken erkennen dat er sinds het verschijnen van hun 
eerste uitgave veel werk is verricht geworden op grammaticaal gebied. Zij hebben echter op 
zeer ongelijke wijze de nieuwe problemen en gegevens verwerkt. Waar het om détails gaat 
hebben zij niet geaarzeld deze in ruime mate op te nemen. Zo kon Gardiner in de Inleiding 
tot zijn tweede druk met recht bevestigen dat bijna geen enkele bladzijde onveranderd was 
gebleven; om dezelfde reden constateerde B. van de Walle bij een eerste lectuur van GE 2 
meer dan tweehonderd wijzigingen !)• Bij beiden gold dit in de eerste plaats nieuwe inter¬ 
pretaties in de Tekenlijst. Bovendien ontleende Lefebvre een betrekkelijk groot aantal voor¬ 
beelden aan recente tekstuitgaven; Gardiner deed dit minder vaak. Deze laatste auteur wijdde 
ook bijzonder zijn aandacht aan de hiëroglyphische transcripties van hiëratische teksten, die hij 
trachtte volledig in overeenstemming te brengen met de beginselen die hij daarvoor opgesteld 
had. Verder werd zijn uiteenzetting over de datering enigszins gewijzigd (bl. 205 v.). Wat 
de beginners echter vooral zullen op prijs stellen is de uitbreiding welke hij aan zijn Egyptisch- 
Engelse Woordenlijst gegeven heeft. Lefebvre, van zijn kant, stelde van verschillende Egypti¬ 
sche woorden een andere transcriptie of vertaling voor en hij voegde een nieuwe paragraaf toe 
aan het hoofdstuk over de breuken; ook enkele gegevens uit de phonetiek werden nauwkeuriger 
geformuleerd of zelfs op een nieuwe manier beschreven (§§ 30, 43, 44). 

Op louter grammaticaal gebied beperkte de voornaamste innovatie zich, af gezien van 
allerlei détails, tot de erkenning van de nieuwe relatieve vorm op wiens bestaan J. J. Clère 
gewezen heeft in een mededeling op het 21e Internationale Oriëntalistencongres te Parijs. 
Lefebvre schakelt deze in een nieuwe paragraaf, 486 bis, in als een vierde relatieve vorm. 
Gardiner stelt hem integendeel als C perfectieve relatieve vorm 3 in de plaats van die welke hij 
voorheen prospectieve relatieve vorm 3 heette; wat hij vroeger C perfectieve relatieve vorm 3 
noemde krijgt nu de naam c relatieve sdmzv.n.f-v orm 3 . Overeenkomstig deze gegevens werden 
de bl. 297-308 reeds in de tweede druk herwerkt. 

De grammatica van Edel wordt gekenmerkt door een zeer persoonlijk inzicht in de pro¬ 
blemen, die overigens op een acute manier geponeerd worden. Dit blijkt bijvoorbeeld al uit de 
behandeling van de phonetiek. Hier treffen wij voor het eerst, zij het dan nog in de Nachtrage 
(bl. xxxvi), een phonologische tabel aan van de Egyptische medeklinkers, welke Schr. aan 
F. Hintze ontleent. Deze moet inderdaad in het begin van de Egyptische taalgeschiedenis er 
als volgt uitgezien hebben wat de occlusieven en fricatieven betreft: 

(p : b) : (t : d) : (f : d') : (k : g) : q : 3 

f : (s : z) : h : h : h : (h : c ) 

Met dien verstande evenwel dat wij, door een toegeving aan het gebruikelijke transcriptie¬ 
systeem, met de stemhebbende occlusieven ( d, d', g) zwakke stemloze occlusieven (1 e n e s) 
bedoelen [t, t ', k], en met de stemloze (p, t, f, k) stemloze geaspireerde half occlusieven 
[ph, th } t'h, kh] • Edel aarzelt echter deze laatste conclusie te aanvaarden. Gedurende het Oude 
Rijk moet zich ook de overgang voltrokken hebben van (f : d') in ( c : g) = [ch : c] in de 

1 ) B. van de Walle, bespreking in Chron, d’Eg., 32 (1957), pp. 65-67. 


gevallen waar (/' : d') hun mouillering niet verloren hebben. Anderzijds geef ik graag toe dat 
ik verkeerdelijk h als velaar beschreven heb 2). Dit phoneem vormt veeleer een correlatie met 
de postpalatalen [k 2 h: k 2 ] en dus ook postpalataal: [x 2 ]. 

Een belangrijke innovatie van AG is het belang dat de auteur aan de vocalisatie hecht. 
Overal waar mogelijk tracht hij deze te achterhalen op grond van de Koptische vormen en 
de spijkerschrift-transcripties; op deze wijze geeft hij ook voor het eerst talrijke beschouwingen 
over de vorming van het substantief en van het adjectief (§§ 205-256 en 332-349) 3 ). 

De spelling die aan deze oudste teksten eigen is en gekenmerkt wordt door de frequente 
weergave van de semivocalen y en zv (.scriptio plena) heeft aan Schr. toegelaten verschillende 
werkwoordvormen nauwkeuriger te identificeren en er zelfs nieuwe te ontdekken. Zo heeft 
hij het bestaan geconstateerd van een narratieve sdmzv.f-v orm naast de reeds bekende perfec¬ 
tieve en imperfectieve sdm.f (§§ 511-531). Deze vorm is later verdwenen en zijn gebruik 
wordt ook in het OE reeds beperkt tot bepaalde werkwoordklassen. Schr. heeft ook, on¬ 
afhankelijk van Clère, de perfectieve relatiefvorm sdm.f geïdentificeerd (§§ 673-675). Plij 
noemt hem „die seltenere Relativform sdmzv.f (sdm.f?)” en spreekt ook op de gebruikelijke 
wijze van een C imperfectieve relatiefvorm 3 hoewel hij beide beschouwt als identisch met het 
perfectieve, resp. imperfectieve participium waaraan het suffix werd gehecht. Edel ver¬ 
dedigt verder de theorie dat de vorm die vroeger de C perfectieve relatiefvorm 3 geheten en met 
sdm.zv.n.f omschreven werd in feite sdm.n.f moet gelezen worden: de spelling sdm.zv.n.f blijft 
volgens hem beperkt tot de gevallen waarin het antecedent in het meervoud of het dualis staat 
en hieruit besluit hij dat de relatiefvorm niet alleen in geslacht maar ook in getal met het 
antecedent overeenstemt (§ 666 v.). Evenals Gunn brengt Schr. de sdm.t.f in verband met de 
complementaire infinitief en leidt hem van een nomen actionis op -t af, in tegenstelling met 
Gardiner, die zijn oorsprong ziet in de perfectieve relatiefvorm sdm.f (§ 732); overigens 
verklaart Edel op een nieuwe wijze het passivum van deze vorm. Er zij tenslotte nog opge¬ 
merkt dat deze auteur ook een nomen actionis op -zv aan de oorsprong legt van het negatief 
complement (§ 743), hetwelk voorheen beschouwd werd als ontstaan uit de 3e pers. ml. enkv. 
van het pseudo-participium (cf. EG 341). 

De Studiën van Sander-Hansen behandelen al de voornaamste problemen die men in 
een grammatica aantreft zowel op het gebied van de morphologie als op dit van de syntaxis. 
Zijn uiteenzetting over de verschillende sdm.f-v ormen steunt op zijn vroegere publicatie Ober 
die Bildung der Modi im Altdgyptischen 4 ). Ook in het syntactisch deel spelen de begrippen 
„bekleidet” en „unbekleidet”, die hij hier ingevoerd had, een rol. De opvattingen van Schr. 
verschillen zo zeer van die van de andere grammatici dat zij met deze bijna geen aanrakings¬ 
punten vertonen. Daar de ontleding van dit werk om deze reden zeer veel plaats in beslag zou 
nemen moeten wij hiervan afzien en verwijzen naar de bespreking van E. Edel, die zich 
overigens ook tot een deel van het boek heeft moeten beperken 5 ). Als bijzonder kenschetsend 
voor de methode van de auteur beschouwt de recensent zijn behandeling van de sdm.t.f-v orm. 
Schr. ziet hierin een soort modus, die hij de Tortuitatief 3 noemt (§ 281) en hij brengt hierin 
de volgende vormen samen: 

a. de vormen int en izvt van de werkwoorden ini, izvi . die algemeen als varianten van de 
perfectieve sdm.f aangezien werden; 

b. de eigenlijke sdm.t.f-v orm, waartoe de auteur een aantal gevallen rekent die volgens 
Edel infinitieven zijn; 

c. de passieve sdm.tzv.f ; 

d. het participium sdm.ty.fy. 

Ook verschillende verbaalklassen die men gewoon is te onderscheiden worden hier samen- 


2 ) J. Vergote, Phonêtique historique de l’êgyptien, 
(Bibl. du „Muséon”, 19), Leuven, 1945, bl. 66 vv. 

:3 ) Hier zij bijvoorbeeld op de substantief-vorming 
bij middel van een w-prefix opmerkzaam gemaakt 
(bl. xxxix), welke Schr. ontleent aan een onuitge¬ 
geven studie van F. Hintze. 


4 ) Verschenen in de reeks Det kgl Danske Vi- 
denskabcrnes-Selskab. Historisk-filologiske Skrifter, 
I, 3» Kopenhagen, 1941, Zie o.a. de uitvoerige be¬ 
spreking van H. J. Polotsky, in Bibl. or., 4 (1947), 
bl. 102-106. 

5 ) E. Edel, in Bibl . or ., 14 (1957), bl. 139-142. 



36 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


geworpen. Er wordt inzonderheid beweerd dat sommige 3 rad. verba en 2 Gem. tot 2 rad. 
werkwoorden geworden zijn zonder dat het bewijs daarvan geleverd wordt. 

In dezelfde periode als de vermelde werken is een studie van T. W. Tpiacker ver¬ 
schenen onder de titel Relationship of the Semitic and Egyptian Verbal Systems, Oxford, 
1954. Hoewel deze zich niet als een grammatica aandient bevat zij over het voornaamste deel 
van de Egyptische spraakkunst, het verbaal systeem, zoveel nieuwe opvattingen dat het onont¬ 
beerlijk lijkt haar tenminste gedeeltelijk te ontleden en, wat de sdm.f en relatiefvormen betreft, 
haar gegevens te vergelijken met de heersende theorieën 6 ). Zoals Edel gaat ook Thacker 
uit van de Oudegyptische vormen en hij houdt rekening met de verschillende spellingen, in¬ 
zonderheid van de z.g.n. veranderlijke en onregelmatige werkwoorden. Beiden komen tot het 

besluit dat ((j) ^ ^ (|j) iw(i) en ^ li twee verbaalstammen zijn van hetzelfde werkwoord 

c komen 3 (AG § 456; Th., bl. 68-71). In tegenstelling ook met de theorie van K. Sethe, volgens 
dewelke het z.g.n. ’aleph prostheticum een „Vorschlagsvokal” is die de aanwezigheid verraadt 
van twee op elkander volgende radicalen in het begin van het woord, aanvaarden beiden dat het 
een medeklinker is, die ook vóór een enkelvoudige medeklinker kan optreden (AG § 453; Th., 
61- 55 _ 67)- Hoewel Edel het een j-Augment noemt neemt hij aan dat het de waarde van een 
zwakke } aleph kan hebben. Thacker ziet er integendeel de yod in van de tweeradicalige werk¬ 
woorden, die in feite verba Med. y waren en wier middenste radicaal onder bepaalde voor¬ 
waarden een metathesis onderging. Deze medeklinker heeft echter het lot ondergaan van elke 
yod in onbeklemtoonde lettergreep en ya- is volgens hem betrekkelijk vroeg tot a- > e- en zelfs 
tot d- geworden. 

Wij hebben aan het werk van Thacker een uitvoerige studie gewijd waarin wij enerzijds 
voor talrijke werkwoordvormen een vocalisatie voorstellen die hij niet waagde nader te bepalen, 
en anderzijds aantonen in welke opvattingen wij hem niet kunnen volgen, voornamelijk wanneer 
hij niet voldoende rekening houdt met de Koptische vormen of wanneer hij o.i. de spijker- 
schrift-transcripties verkeerd interpreteert 7 ). Hier moge nu de bespreking volgen van de twee 
voornoemde hoofdstukken uit de grammatica. Daar de Grammaire élémentaire du moyen- 
égyptien (GME) van A. de Buck (Leiden, 1952) wegens haar beknoptheid de meest over¬ 
zichtelijke is en tevens door haar concordantie-lijst toelaat de betreffende paragrafen van EG 
en GE gemakkelijk terug te vinden zullen wij telkens naar deze verwijzen 8 ). 

De bovenvermelde grammatica’s onderscheiden twee sdm.f- vormen: een perfectieve (of 
momentane) en een imperfectieve (of duratieve), die van de eerste verschilt door de redupli¬ 
catie (meestal „geminering” genoemd) van de tweede radicaal in de werkwoordklassen die 
als 2 Gem. en 3 Inf. bekend staan. Beide vormen zijn onbepaald wat de uitdrukking van de 
tijd aangaat en plaatsen het gebeuren zowel in het heden (121:113), in het verleden (121: 113) 
als in de toekomst (121: voor de imperfectief, zie EG 440.3,4 = GE 264.3; 265). Het voor¬ 
naamste onderscheid tussen beide is dit van een aspect: de imperfectief stelt de handeling 
voor als voortdurend, herhaaldelijk, gewoonlijk gebeurend; de perfectief vermeldt het gebeuren 
als een feit zonder meer, als momentopname. Daarbij dient opgemerkt dat de perfectieve sdm.f 
vaak vervangen wordt door de sdm.n.f wanneer hij een gebeurtenis uit het verleden verhaalt 
(121). Het mag merkwaardig heten dat beide vormen niet alleen wat de tijd betreft indifferent 
zijn maar ook op het gebied van de modus: zij geven enerzijds een bewering weer maar 
kunnen anderdeels ook wensen en voorschriften of geboden uitdrukken (122: 114); boven¬ 
dien wordt de imperfectieve sdm.f in de vraagzin gebruikt (115). 

6 ) Zie de volledige ontleding van dit werk die wij (§ 667 , cf. § 532 ) als de relatieve perfectieve sdm 

gegeven hebben in J. A. M. Janssen, Annual Egyp- (.w).n.f interpreteren: c hij dien Rê gekozen heeft 0 , 

tological Bibliography 1954, Leiden, 1955 , bl. 1171 - Vgl. ons art. bl. 37 en 50 . 

1180 . 8 ) Tot aan § 248 stemmen de nummers van GME 

7 ) J. Vergote, Vocalisation et origine du système overeen met die van A. de Buck, Egyptische Gram- 

verbal égyptien , in Chron. d’Eg., 31 ( 1956 ), bl. 16 - 53 . matica, 2 e dr., Leiden, 1944 . Hier verwijst de con- 

Vermelden wij hier bijv. de spijkerschriftvorm satep- cordantie-lijst echter naar A. Erman i.p.v. GE. 

na-ria, dien zowel Thacker (bl. 264 , n. 3 ) als Edel 


naar een hernieuwing van de Egyptische grammatica 


3 7 


Er bestaat ook een verregaande overeenkomst tussen beide vormen in hun gebruik in 
ondergeschikte zinnen en in die welke men geneigd is paratactische bijzinnen van omstandig¬ 
heid 3 te noemen. 

1. In de eompletieve zin fungeren zowel de imperfectieve als de perfectieve sdm.f: 

a. als subject van een adjectivisch predicaat en van pw (119.1: 126.1). Als subject van 
n sp c het gebeurt niet/is niet gebeurd dat 3 komt echter alleen de perfectief voor (126.1). 

b. als object van werkwoorden die betekenen c willen, bevelen, beloven 3 ; c zien, weten, 
vinden 3 , enz. (119.2: 126.2). Na c zien, weten 3 , enz. kunnen beide werkwoordvormen ook inge¬ 
leid worden door ntt (soms door r-ntt of wnt) (259; cf. 260). Na rdi c maken dat 3 wordt 
alleen de perfectief gebruikt (126.2). 

c. als bepaling bij een substantief, al of niet afhangend van de genitief -n (119.3: 126.3; 
voor het gebruik zonder n, zie EG 2 3 191.1). 

2. In de relatieve zin ingeleid door nty, izvty komen beide vomen eveneens voor (266; 
267). Zij worden ook aangetroffen in zinnen waaraan wij een relatieve functie zouden toe¬ 
kennen, doch die paratactisch 3 naast de hoofdzin schijnen te staan (GE 750 = EG 196.2). 

3. In de bijwoordelijke zinnen dienen onderscheiden: 

a. de finale zin die door geen voegwoord ingeleid wordt. Hier staat alleen de perfectieve 
sdm.f (123). 

b. de paratactische 3 bijzinnen van omstandigheid (tijd, enz.), waartoe ook conditionele 
zinnen behoren (116: 124; cond. 117; cf. voor de perfectief: EG 454, 1). Daarnaast staan de 
bijzinnen van omstandigheid (ook finale zinnen) die ingeleid worden door een voorzetsel dat 
als voegwoord dienst doet — de conditionele zin ingeleid door ir (119.4 = 126.4; cond. 118: 
125) — ofwel door een voorzetsel vergezeld van ntt (260). In de drie gevallen wordt zowel de 
imperfectieve als de perfectieve sdm.f gebruikt. 

Onder de auteurs van de classieke grammatica’s heeft alleen Sir Alan Gardiner op de 
mogelijkheid gewezen dat de perfectieve sdm.f twee verschillende vormen zou omvatten. De 
twee onregelmatige werkwoorden iwi c komen 3 en ini c brengen 3 vertonen immers naast hun 
perfectief iw.f, in.f een variante iwt.f, int.f ; de 3 Inf. hebben soms een perfectief zonder, 
soms een met yod: pr.f : pry.f. Deze laatste komt juist voor in de gevallen waar het werk¬ 
woord afhangt van rdi c maken dat 3 en schijnt bijgevolg de semivocaal te bevatten die in het 
Koptisch te voorschijn treedt in de z.g.n. causativa der 3 Inf., bijv. themesio=s. Daaruit heeft 
voornoemde auteur besloten: “It may turn out that such forms as int.f, iwt.f and gmy.f are 
exclusively prospective in meaning” (EG 447, Obs.). Thacker heeft deze mening tot de zijne 
gemaakt en in een systeem verwerkt: volgens hem bestaan er dus drie soorten van sdm.f, een 
perfectieve, een imperfectieve en een prospectieve. Aan deze laatste kent hij evenwel een andere 
betekenis toe dan Gardiner; hij ziet in de prospectieve sdm.f niet meer een tijd maar een 
jussieve-optatieve modus, die bovendien in para- en hypotactische zinnen als een conjunctivus- 
subjunctivus fungeert. Dit besluit steunt op de erkenning dat de prospectief van de 2 rad. verba 
(eigenlijk Med. y), die in het OE een prothetische i vertoont, bijv. idd.f, en die van rdi, n.1. d.f, 
niet van een participium afgeleid is, zoals men algemeen voor de sdm.f onderstelde, maar als 
verbaalstam de imperatief ml. enkv. heeft. Dit moet ook voor de andere verbaalklassen het geval 
zijn; alleen iwi, dat een suppletieve imperatief bezit, en, naar analogie hiermee, in zijn op de 
infinitief gevormd. Hoewel de ontwikkeling die dan dient ondersteld: s"dam-f(y) of, wellicht. 

ddm^-f(y) 9 ) > sadmdf 10 ) c dat hij hore 3 , nog onverklaard is, toch menen wij deze beteke¬ 
nis aan de prospectief te moeten toekennen. Het gebruik van de vormen die kenmerkend zijn 
voor de prospectieve sdm.f (3 Inf.: pry.k ; iwt.k, int.k) blijkt zich inderdaad te beperken, in de 
hoofdzin, tot de uitdrukking van wensen, voorschriften en geboden (zie de 2 vbb. van GME 
122). Maar bovenal geeft deze theorie een rationele verklaring van de functie van de prospectief 
in de ondergeschikte zinnen. 

Uit deze jussieve-optatieve waarde van de prospectief ontwikkelt zich op natuurlijke 
wijze zijn onderschikkende functie bij de werkwoorden die afhangen van de verba die betekenen 

9 ) Zie J. Vergote, Vocalisation, bl. 29 . 10 ) Voor deze vocalisatie zie verder, bl. 39 . 




38 


EGYPTISCHE PHlLOLOGIE 


NAAR EEN HERNIEUWING VAN DE EGYPTISCHE GRAMMATICA 


39 


c willen, bevelen, beloven 0 enz. en van rdi c maken dat 0 ook c toelaten dat 0 ( GME 126.2). Het 
Latijn biedt hier een interessant parallel. De Latijnse conjunctief, die in de hoofdzin een bevel, 
een aansporing, een wens uitdrukt, wordt zonder voegwoord gebruikt in de completieve zin die 
afhangt van o port et, Heet, necesse est, van volo, nolo en de andere persoonlijke werkwoorden 
van c willen°, maar ook van de imperatieven fac, cave: te velim tuam valetudinem cures; fac 
cogites in quanta calamitate sis. Gelijk in de meeste ondergeschikte zinnen heeft de hypotaxis 
zich hier uit de parataxis ontwikkeld door een verschijnsel dat de linguisten C verdichting° 
heten: uit Volo. Exeat c Ik wil (het). Dat hij buitenga 0 is ontstaan Volo exeat c ik wil dat hij 
buitenga 0 11 ). Zodra deze onderschikking ontstaan was kon zij ook op andere werkwoorden 
toegepast worden: in het Latijn, bijvoorbeeld, bij het werkwoord facere, in het Egyptisch bij 
rdi, maar ook bij n sp c het gebeurt niet/is niet gebeurd dat 0 en bij nn wn c het gebeurt niet/zal 
niet gebeuren dat 0 , samengetrokken tot nn. Men zou kunnen verwachten dat hier eerder de 
C abstracte relatieve zin 0 , waarover verder sprake zal zijn, zou voorkomen in de completieve 
zin die subject is van het werkwoord c gebeuren°. Het gebruik van de prospectief is echter met 
zekerheid betuigd door de vormen di.i, nvt, in.t(w), nun.k 12 ) en, wat de 3 Inf. betreft, door 
n sp iry.i en nn sp iry.i (EG 456-457). Op dezelfde manier gebruikt het Latijn als subject 
van contigit een constructie die gewoonlijk als object dient van de werkwoorden van c willen° 
en als finalis: ei contigit ut te videret. Dit berust op een verwarring tussen de functie van 
subject en object in de completieve zin: ook bij oportet, licet, necesse est is de infinitief (zin) 
als subject c logischer° dan de conjunctief als object. Tiiacker onderstelt dat de prospectief 
alleen onderschikkende waarde heeft na n sp en nn, maar dat hij paratactisch en slechts in schijn 
onderschikkend staat na de werkwoorden van c willen° (bl. 214 v.). De boven geschetste ont¬ 
wikkeling toont dat het eerste hypotactisch gebruik het tweede integendeel vooronderstelt. 

De modale waarde van de prospectief geeft aan de completieve zin afhangend van de 
werkwoorden van c willen°, enz. een eigen betekenis welke de imperfectieve sdm.f (eigenlijk: 
de imperfectieve relatiefvorm, zie beneden) in dit zelfde gebruik niet heeft. Hij bevat een 
subjectief element dat de wil beklemtoont van hem die beveelt in wd.n ntr ir.f pr(i) n.f hr.s 
en wij vertalen best door c god heeft bevolen dat hij dat doe en dat ik het hem openbare 0 . In de 
volgende zin wordt integendeel niets anders dan de onderschikking uitgedrukt: iw grt wd.n 
hm.f prr.(i ) r hss.t tn ; wij kunnen dit weergeven door c toen beval Zijn Majesteit mij naar die 
woestijn te vertrekken 0 of c dat ik...zou vertrekken 0 . 

De derde functie welke Thacker aan de prospectieve sdm.f toeschrijft, n. 1 . zijn gebruik 
in de finale en consecutieve zin zonder voegwoord (GME 123), vindt vermoedelijk haar 
oorsprong in de gevallen waar hij na een imperatief voorkwam. Een soortgelijke constructie 
bestaat in het Frans, bijv. in dit vers van La Fontaine: Descends que je fembrasse. Ook hier 
beschouwt Thacker de prospectief nog als nevenschikkend. Wij geloven integendeel, steunend 
op de hypotactische functies die zo even besproken werden, dat de C verdichting° zich hier 
eveneens voorgedaan heeft. Een zin als die van Pyr. 186 b( W) Wsir phr hr.k m*.k n W pn 
zou bijgevolg in het Frans letterlijk als volgt kunnen vertaald worden: c Osiris, tourne ta face 
que tu puisses regarder ce W°. In tegenstelling met het Frans heeft dit gebruik zich verder 
uitgebreid tot zinnnen die niet van een imperatief afhangen, bijv. ii.n.i hr.k nb.i int.k 
wï m^n.i nfrw.k c ik ben tot u gekomen, o mijn heer, opdat gij mij haalt en opdat ik uw 
schoonheid zie 0 (GME 123). 

Over de mogelijkheid van het bestaan van de prospectieve sdm.f reppen de grammatica’s 
van Lefebvre (244) en van Edel (467), in tegenstelling met Gardiner, geen enkel woord. 
Edel onderscheidt een gewone en een geminerende sdm.f, waarvan de eerste ook na rdi voor¬ 
komt en op grond van de Koptische z.g. n. causatiefvormen als s" d"maf , m^Vydf gevocali¬ 
seerd wordt. Hierin volgt Schr. het voorbeeld van Erman. Merkwaardigerwijze plaatst hij op 


**■) Vgl. Ch. Bally, Linguistique générale et lin- 
guistique frangaise ( 2 e dr. Bern, 1944 ), die onder 
andere voorbeelden van c condensation 3 in § 101 ver¬ 
meldt: Ich sage das: du liigst > Ich sage, dass du 
lügst ; Timeo. Ne pluat > Timeo ne pluat ; I am 


sure. You are innocent > I am sure you are inno¬ 
cent. 

12 ) Het werkwoord mss c zien° heeft in de pro¬ 
spectieve sdm.f twee vormen: nu.f en msn.f. 








dezelfde voet de Griekse transcriptie Xoc7r-o(v)-*/cov(n«; < ( cw n)haf-n-hans c hij leeft (leve?) 
voor Chonsoe 0 en de spijkerschriftvorm hatpi-munu c Amon zij genadig 0 , waar het accent blijk¬ 
baar op de eerste lettergreep van het werkwoord rust (490). Het verschil tussen beide vormen 
is nog duidelijker wanneer men de naam e AT 7 r-sx vou (^ en ' A'zn-z’/y°u[Lic, vergelijkt met 
’Axa-a7U<;, 'A^o-ocric, en Xa-Tro-^paTY)^ < C a(n)hd-Hap, ( z an)hd-pd-hrad 13 ). Op grond van wat 
boven gezegd werd moeten deze laatste vormen als prospectieven aangezien worden met de 
betekenis c Apis leve, het (Horus)kind leve 0 en Xoc7uo(v)xwvcru; moet vertaald worden c Hij leve 
voor Chonsoe”. De andere vormen vertegenwoordigen integendeel de „gewone”, d.i. de per¬ 
fectieve sdm.f en betekenen c Amon, Chnoem is genadig geweest 0 . De hier onderstelde vocali- 
satie hdtpa = sddmaf stemt volledig overeen met de oorsprong welke Thacker voor deze vorm 
voorstelt. Het is voldoende bekend dat de classieke grammatica’s de perfectief afleiden van het 
perfectieve passieve participium, zodat c hij hoorde de stem 0 zou ontstaan zijn uit c gehoord van 
hem is de stem 0 . Lefebvre (242) en Edel (463) laten de mogelijkheid open dat hij zijn oor¬ 
sprong zou vinden in het perfectieve actieve participium gevolgd door een subject-suffix */y 
c gehoord hebbend (is) hij 0 , een opvatting die door K. Sethe en een tijdlang door A. Erman 
werd voorgestaan. Wij hebben aangetoond om welke redenen noch het ene noch het andere par¬ 
ticipium ten grondslag kan liggen aan de perfectieve sdm.f ; tegen Thacker hebben wij integen¬ 
deel de heersende opvatting verdedigd volgens dewelke de relatiefvormen wèl uit het passieve 
participium, zowel het perfectieve als het imperfectieve, ontstaan zijn 14 ). Daar het pseudo- 
participium sddm-u (vgl. Kopt. sotm ) gevocaliseerd wordt ontstaat hieruit normaal een per¬ 
fectief sddm-af, wanneer wij de stelling van Thacker tot de onze maken. Men moet echter 
niet, zoals hij doet, het pseudo-participium met zijn passieve betekenis ten grondslag leggen: 
c gehoord van hem 0 , maar met zijn actieve betekenis, gevolgd door -fy: c gehoord hebbend (is) 
hij 0 , c uitgegaan (is) hij 0 . 

Onze opvatting wordt bekrachtigd door het feit dat dit suffix, in plaats van het genitief¬ 
suffix -ƒ, niet alleen bij de oorspronkelijke prospectief maar ook bij de imperfectief moet 
ondersteld worden indien wij Thacker’s theorie betreffende deze vorm aanvaarden 15 ). De 
imperfectieve sdm.f wordt algemeen beschouwd als ontstaan uit het imperfectieve passieve 
participium en men onderstelt een vocalisatie Vd~m"f. Steunend op de vergelijking met de 
Semietische imperfectief yaqdttal vocaliseert Thacker deze vorm s d^m^nf. Hij is volgens hem 
afgeleid van een nomen agentis en zijn oorspronkelijke vorm zou dus moeten zijn f d l mm -fy 
c een hoorder (is) hij’. Zulk een substantief, dat er ongeveer als saddmmu zou uitzien, is lang 
niet zo hypothetisch als op het eerste zicht lijkt. Daarbij hebben wij er op gewezen dat de 
vocalisatie saddmma-f terug te vinden is in het Koptische woord ands c eed°, dat ontstaan is 
uit de formule c nh (n.i) NN en met zijn korte beklemtoonde klinker de vorm c andhha- doet 
onderstellen 16 ). Hetzelfde geldt voor het imperfectieve actieve participium zoals blijkt uit 
de plaatsnaam TjjLsvaOomsiov, die moet teruggaan op Imen-sddoddi < Amanu-sadaddi c Amon 
is het die redt 0 : een lange ö (uit d ontstaan) zou normaal door een y-psilon weergegeven 
worden 17 ). 

Volgens de hypothese uiteengezet in onze Vocalisation, bl. 47-50 hebben de perfectieve, 
prospectieve relatiefvormen en de perfectieve sdm(.w).n.f als verbaalstam het passieve per¬ 
fectieve participium, de imperfectieve relatiefvorm het passieve imperfectieve participium 
wier accent dezelfde plaats heeft ingenomen als in de overeenkomstige sdm.f-sr ormen. Daar¬ 
door vertonen zij met deze een grote structuur-analogie en verschillen er alleen van door een 
klinker: 


1;J ) Deze voorbeelden werden ontleend aan de on¬ 
uitgegeven doctoraatsdissertatie van Ivonne Debeuc- 
kelaere, Egyptische Persoonsnamen in de Griekse 
en Demotische papyri van het Hellenistisch tijdperk, 
Leuven, 1952 . De verbinding tussen werkwoord en 
subject kan ook zo eng worden dat het eerste zijn 
accent helemaal aan het tweede af staat en zijn voca¬ 
lisatie verliest: 'Etttt-s^ouvk;, 'ETtp-epiouvu; „Amon is 
genadig geweest”, Xs-upi<; c Horus leve 3 . Men moet 


bijgevolg de spijkerschriftvorm scheiden als faatp- 
imunu. 

14 ) J. Vergote, Vocalisation, bl. 33 v. en 47 - 49 . 

15 ) Vgl. J. Vergote, in Orbis (Leuven), 5 ( 1956 ), 
bl. 313 v. 

lö ) J* Vergote, Vocalisation, bl. 34 v. 

1,7 ) ID., Oü en est la vocalisation de l’égypticnt 
te verschijnen in B.I.F.A.O. 






40 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


NAAR EEN HERNIEUWING VAN DE EGYPTISCHE GRAMMATICA 


41 


SDM.F : perfectief sddmaf — imperfectief saddmmaf — prospectief sadmdf ; 
Relatiefvormen: perfectief sddmuf 18 ) — imperfectief saddmmaf — prospectief sddmuf 
SDM.N.F : sadamnaf (afgeleid van de infinitief sadam ); 

Perf. Relatiefvorm SDM.N.F: sddmunaf. 

Wat de verhouding tussen perfectieve en imperfectieve sdm.f betreft betekent Thacker’s 
theorie een ware omwenteling. Hij houdt voor dat alleen de verba 3 Inf. indifferent zijn 
tegenover de tijd en even goed het verleden, het praesens als het futurum kunnen uitdrukken. 
In de andere klassen heeft zich een tijdsbegrip ontwikkeld in die zin, dat hun perfectief, waar 
nog niet door de sdm.n.f vervangen, het verleden weergeeft, terwijl de imperfectief voor de 
uitdrukking dient van het heden, de toekomst, en bovendien van de voortdurende of herhaalde 
handeling in het verleden. Deze evolutie steunt hierop dat de Egyptische, gelijk de Semietische, 
imperfectief veelmeer de handeling als onvoltooid dan als duratief voorstelt 19 ). De imperfec¬ 
tief van de 3 Inf. 20 ) drukt de voortdurende of gebruikelijke handeling uit in de drie tijden 
doch daarbij heeft hij een emphatisch karakter en dient, wanneer een feit in het heden of de 
toekomst ligt, om dit met bijzondere nadruk uit te spreken ofwel om het adverbiaal gedeelte van 
de zin te beklemtonen. Dit duratief en emphatisch aspect heeft hij te danken aan zijn eigen¬ 
aardige structuur, n. 1 . de reduplicatie van de 2e radicaal. Thacker wijst er immers op dat men 
totnogtoe de c geminerende° vormen van de 2 Gem. en van de 3 Inf. ten onrechte als gelijk¬ 
waardig heeft aangezien. De reduplicatie van een radicaal is immers iets geheel anders dan het 
te voorschijn treden, overeenkomstig de regels van de Egyptische lettergreep, van de 3e radi¬ 
caal der 2 Gem.: in de meeste talen drukt een dergelijke reduplicatie intensiteit, herhaling of 
emphase uit. En daar de verba 4 Inf. dezelfde reduplicatie vertonen zijn waarschijnlijk al de 
nieuwe regels der 3 Inf. ook op hen toepasselijk. 

Wanneer men nagaat hoe de meeste voorbeelden uit onze grammatica’s verba 3 Inf. be¬ 
vatten is het niet te verwonderen dat zij de eigenschappen welke Thacker alleen aan deze 
laatste toekent aan de imperfectieve sdm.f van alle werkwoordklassen toeschrijven. Toch was 
het sinds lang opgevallen dat de imperfectief wnn.f (verbum 2 Gem.) soms het futurum 
uitdrukt zonder bijbetekenis van duur of gewoonte (EG 440.3 = GE 264.3; 265; 312 a). 
Thacker (blz. 196 en 198) haalt verschillende voorbeelden aan waar de imperfectief van 
2 Gem. en 2 rad. verba ook eenvoudig het praesens of het futurum weergeeft, deze laatste 
uit de OE-teksten waar de prothetische i de vorm duidelijk laat herkennen, bijv. Pyr. 636 b 
ind.f tw c hij zal u wreken 0 ; Urk. I 23.11 c de oudere van het huis Meni, idd.f , hij zegt 0 . Zoekt 
men anderzijds naar het bewijs waarop de regel van het futurisch gebruik van de perfectief 
steunt, dan constateert men dat daarvoor slechts één ondubbelzinnig citaat wordt gegeven, n.1. 
Schipbreukeling 134: m*.k pr.k c gij zult uw huis (terug)zien 0 (EG 450.3; vgl. GME 121). 
De overige referenties van Gardiner betreffen verba 3 Inf., wier perfectief inderdaad het 
futurum uitdrukt, of 3 rad., die even goed als imperfectieven kunnen geïnterpreteerd worden. 
Wij menen aangetoond te hebben dat ms.k pr.k in feite de prospectieve relatiefvorm ma^uk 
vertegenwoordigt in een tussenzin die een drieledig schema onderbreekt, waardoor Schipbr. 
132b-136 dezelfde bouw vertoont als de parallele passage van id. } 167b-169. Eerstgenoemde 
tekst luidt dan: „Indien gij er de kracht toe hebt, beheers uw hart: gij zult uw kinderen om¬ 
helzen, gij zult uw vrouw kussen — dat gij uw huis moogt (terug)zien, dat is toch beter dan 
alle (andere) dingen — gij zult het vaderland bereiken, waar gij temidden van uw broeders 
woondet” 21 ). 

De gangbare mening schrijft aan de imperfectief daarenboven nog een modale waarde 
toe: hij drukt ook de wens uit ofwel een bevel, doch „op een bescheidener en beleefder wijze 
dan de perfectieve (lees: prospectieve) sdm.f van 450.4”, zoals A. Gardiner het in § 440.5 


18 ) Bemerk dat Thacker, gelijk Edel, onafhan¬ 
kelijk van J. J. Clère deze vorm ontdekt heeft. 

19 ) Gardiner, EG 438 houdt alleen rekening met 
het aspect van duur en herhaling, Lefebvre, GE 244 
hoofdzakelijk met dit van onvoltooidheid. 

20 ) Dus ook van rdi, maar niet van die 3 Inf. 


welke als 2 e radicaal een zwakke medeklinker heb¬ 
ben, bijv. iwi. 

21 ) J. Vergote, Unc nouvelle interprêtation de 
deux passages du Naufragê ( 132 b — 136 et 167 b — 
ióq), te verschijnen in Festschr. H. Junk er — Mitt. 
deutsch. archaol. Inst. Kairo, 1958 . 


van zijn eerste editie uitdrukt (vgl. GME 114). Thacker heeft niet ingezien dat dit karakter 
van'de imperfectief betwistbaar wordt sinds die modale betekenis aan de perfectief ontnomen 
werd ten gunste van de prospectief. Wij menen daarom dat in deze gevallen de imperfectief 
moet opgevat worden als een futurum, hetwelk ook in andere talen wensen, voorschriften en 
op een beleefde manier bevelen kan weergeven. Men denke bijv. aan de Tien Geboden in het 
Frans: Un seul Dieu tu adoreras et aimeras parfaitement, enz. De emphatische betekenis die 
hier toekomt aan het futurum der 3 Inf. wordt wellicht het best vergeleken met het gebruik 
van Eng. shall tegenover will en kan in het Nederlands eventueel weergegeven worden door 
de tussenzin c ik bid u/hem 0 . Vgl. c let there be brought to me an ox-hide dd.k. sw n tbw Pth-wry, 
thou shalt give it to the sandal-maker Ptah-wer 0 en, in de adressen van de brieven uit het MR: 
dd Ppw n nb.t-pr Sbk-htp c Pepoe zal het geven, ik bid hem, aan de huisvrouwe Sobekhotep 0 . 

Voornoemde emphase die de imperfectief der 3 Inf. in het praesens en het futurum ken¬ 
merkt geldt volgens Thacker, zoals hierboven werd vermeld, niet altijd de gehele zin, doch 
soms meer bepaald zijn adverbiaal gedeelte. Deze opvatting spreekt de stelling tegen van H. J. 
Polotsky, volgens wie de imperfectieve sdm.f van alle werkwoordklassen uitsluitend dient om 
het bijwoordelijk deel van de zin te beklemtonen 22 ). Wat de andere grammatici echter de 
imperfectieve sdm.f noemen is in het systeem van deze auteur een bijzondere relatiefvorm, 
n.1. een C abstracte of substantivische relatiefvorm 0 , die nooit als predicaat dient in een zelf¬ 
standige zin, maar steeds dezelfde functie vervult als een substantief (noun clause). Hij is 
bijv. subject in het volgende citaat: c Gij zijt het roer van het land, skdd 12 lift zvd.k, dat het 
land vaart [is] volgens uw bevel 0 . De tweede zin beantwoordt zodoende aan de z.g.n. „phrase 
coupée” (óleft sent ene e) van de Franse vertaling: C c’est selon ton commandement que navigue 
le pays°. Naast deze vorm, die gekenmerkt wordt door de geminering van de 2 Gem. en 3 Inf. 
(hss.f) en een onbepaalde tijd uitdrukt, onderscheidt Schr. er nog' een voor het verleden 
(hs.n.f) 23 ) en een prospectieve 0 voor de toekomst (, hs.f ). Deze drie vormen verschillen van 
die welke voorkomen in de c concrete of adjectivische relatiefvorm 0 , d.i. de relatiefvorm in de 
gebruikelijke betekenis van het woord. Beide reeksen hebben nog een andere structuur dan 
de predicatieve of narratieve vormen (onze sdm.f-v ormen). Ziehier dit schema in dezelfde 
orde geplaatst als onze tabel hierboven: 

Predicatieve vormen: verleden hs.n.f — onbepaalde tijd hs.f 24 ) — futurum hs.f 
Concrete relatiefvormen: verleden hs.n.f — onbepaalde tijd hss(w).f — futurum hsy.f 
Abstracte relatiefvormen: verleden hs.n.f — onbepaalde tijd hss.f — futurum hs.f 

Volgens deze theorie zou onze imperfectieve sdm.f = de abstracte relatiefvorm type 
hss.f van Polotsky slechts kunnen voorkomen in zinnen die een bijwoordelijke bepaling be¬ 
vatten. In zijn bespreking van de Etudes heeft Sir Alan Gardiner echter bewezen dat hij 
wél een predicatieve of narratieve functie vervult in de zin mrr.f irr.f msdd.f n ir.n.f. Hij ver¬ 
taalt Telkens al hij (het) wil doet hij (het), telkens als hij (het) niet lust doet hij (het) niet 0 en 
hij ziet hierin het bewijs dat de gebruikelijke opvatting betreffende de duratieve betekenis van 
deze vorm steek houdt 25 ). In EG 2 3 446 citeert hij nog andere dergelijke voorbeelden. Hij geeft 
evenwel toe dat de imperfectieve sdm.f in zekere gevallen de bijwoordelijke bepaling beklem¬ 
toont en besluit hieruit dat deze vorm een bijzondere geschikheid bezat om dezelfde functie 
als het substantief te vervullen. Thacker, van zijn kant, citeert de zin c indien iemand uitda¬ 
gend tegenover hem is, dd.f ss.f 3 en hij vertaalt c waarlijk, hij keert (hem) de rug toe 0 . Hij 
concludeert dat de imperfectief van de 3 Inf. een bijzondere nadruk verleent aan de gehele zin 
maar dat de vertaling in een Europese taal de klemtoon soms dient te leggen op een bepaald 
deel van de zin (bl. 212). 


22 ) H. J. Polotsky, Études de syntaxe copte, 
(Publ. Soc. d’Archéol. copte), Kairo, 1944 . 

23 ) Deze vorm is behandeld geworden door H. J. 
Polotsky in een mededeling op het 23 e Internatio¬ 
nale Oriëntalistencongres te Cambridge en uitgegeven 
onder de titel The „Emphatic” sdm.n.f Form } in 
Rev. d’Égyptologie, 11 ( 1957 ), bl. 109 - 117 . 

Jaarbericht N° 15 


24 ) De betreffende vorm hss.f van de tabel in 
Études, bl. 93 , moet in hs.f verbeterd worden: zie 
H. J. Polotsky, in Bibl. or., 4 ( 1947 ), bl. 104 , n. 6 
en Gardiner’s bespreking van de Études (volgende 
noot), bl. 98 . 

2 ' 5 ) A. H. Gardiner, in J.E.A., 33 ( 1947 ), bl. 95 - 
101. 


4 









42 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


NAAR EEN HERNIEUWING VAN DE EGYPTISCHE GRAMMATICA 


43 


Noch de verklaring van Gardiner noch die van Thacker is bevredigend. Indien de 
imperfectief een narratieve vorm is kan hij niet zo maar als substantief ( noun clause) funge¬ 
ren. Er zal verder aangetoond worden dat een zin die deze functie vervult normaal de vorm 
aanneemt van een relatieve zin. Indien wij het door Polotsky voorgestelde en door Thacker 
aanvaarde criterium toepassen dat toelaat het gebruik van een relatiefvorm te herkennen, 
namelijk de negatie bij middel van tm, dan moet toegegeven worden dat een relatiefvorm dient 
om het bijwoordelijke deel van de zin te beklemtonen. Dit blijkt duidelijk uit het voorbeeld 
tm.tw rdit rh.t.sn hr zvd pn r tm s c s* mdw.t, vgl. de Franse phrase coupée C c’est pour ne pas 
faire trop de mots qu’on n’a pas mis leur spécification sur cette stéle 0 . Wanneer wij echter met 
Thacker aannemen dat de structuur van de vier relatief vormen parallel is met die der sdm.f - 
vormen en van sdm.n.f, en dat anderzijds dezelfde relatief vormen in de concrete én in de 
abstracte relatiefzin fungeren, dan ligt de oplossing voor de hand. In deze hypothese kan een 
geminerende vorm, bijv. hss.f, in het ene geval een imperfectieve sdm.f ( hasdssaf ) zijn en een 
zekere emphase verlenen aan de gehele zin, in een ander geval integendeel een imperfectieve 
relatiefvorm ( hasdssaf ) die alleen de nadruk legt op het adverbiaal gedeelte. Men bemerke 
echter dat de eerste, de zins-emphase, slechts door de imperfectieve sdm.f van de 3 Inf. wordt 
teweeggebracht, omwille van de reduplicatie van deze verbaalstam, en daarbij waarschijnlijk 
tot het praesens en het futurum beperkt blijft. Bij de andere verbaalklassen kan alleen een 
partikel, is, mk, enz., hetzelfde doel bereiken. Integendeel, de imperfectieve relatiefvorm van 
alle klassen dient om het adverbiale gedeelte te beklemtonen. Het voordeel van onze theorie ligt 
hierin, dat zij Polotsky’s schitterende bewijsvoering betreffende de oorsprong van de Kop- 
tische Tempora Secunda redt terwijl anderzijds de klaarblijkelijke overdrijvingen van zijn 
stelling geweerd worden. Wanneer in een zin een geminerende 3 Inf. en een bijwoordelijke 
bepaling voorkomen hoeft deze niet noodzakelijk door de werkwoordvorm beklemtoond te wor¬ 
den: men zie bl. 41 ons voorbeeld dd.k sw n tbw Pth-wry dat volgens Polotsky alleen zou 
kunnen vertaald worden als V est au sandalier P. que tu la donneras °. Het mag verwonderlijk 
heten dat Thacker niet tot deze oplossing gekomen is, temeer daar hij in de c partiële° vraagzin 
wél het bestaan aanvaardt van een relatiefvorm die de nadruk legt op het bijwoordelijk zinsdeel 
waarnaar gevraagd wordt: hnw.t.i irr.t p* ib hr m; vgl. Fr. „Madame pourquoi est-ce que tu 
manifestes cette (sombre) humeur? Dat irr.t imperfectieve relatiefvorm is wordt gewaarborgd 
door het gebruik van tm in de overeenkomstige ontkennende zin: tm.t hn(.w) hr m, letterlijk 
c dat gij niet roeit [is] waarom 0 ? 

Wat het gebruik van de relatiefvormen in de ondergeschikte zinnen betreft treedt 
Thacker, behalve voor de C paratactische° bijzinnen van omstandigheid, over het algemeen het 
standpunt van Polotsky bij, met dit voorbehoud evenwel dat dezelfde relatiefvormen volgens 
hem in de c concrete of adjectivische 0 en in de C abstracte of substantivische 0 relatiefzin voor¬ 
komen. Een zin als hierboven geciteerd C c’est... que tu donneras ; pourquoi est-ce que tu mani¬ 
festes ...° of c dat hij komt is zeker 0 wordt door Polotsky een abstracte relatiefzin geheten 
omdat hij ingeleid wordt door eenzelfde partikel als de echte (concrete) relatiefzin, maar 
zonder dat que en dat als plaatsvervangers optreden van een antecedent (vgl. Lat. quod, Gr. 
ë-Ti). Met andere woorden, hij is morphologisch, doch niet functioneel, een relatiefzin. Wij 
hebben aangetoond dat de eigen aard van de Egyptische relatiefvormen hen voorbestemde 
om deze rol te vervullen 26 ). Hun subject kan immers nooit identisch zijn met het antecedent: 
in een zin als de vader die zijn kinderen bemint moet onze relatiefzin door een participium 
weergegeven worden. Dit betekent dat zij in een letterlijke vertaling altijd moeten ingeleid 
worden door een onzijdig partikel; men kan dit best duidelijk maken door een vertaling van de 
Egyptische relatiefzin in de Franse volkstaal 27 ): C cette charge que Sa Majesté m’avait placé 
en elle; la route qu’t 11 e (la statue) a voyagé sur elle°. Deze eigenaardigheid maakte de Egyp¬ 
tische relatiefvormen bijzonder geschikt om ook in de vermelde abstracte relatiefzinnen te 
fungeren: que tu manifestes, enz. 

26 ) Zie Une nouvelle interprétation. Le langage populaire, 2e dr., Parijs, 1946, bl. 92-94. 

27 ) Zie soortgelijke voorbeelden in H. Bauche, 


Op grond van deze theorie kenmerken de relatiefvormen de volgende zinnen bijgevolg 
als ondergeschikte zinnen die dezelfde functie als het substantief vervullen. Zij zijn dus 
geen virtual subordinate clauses zoals EG verschillende onder hen noemt (zie de definitie: 
EG 182). Onze voorbeelden zullen aantonen dat ook in onze moderne talen abstracte relatief¬ 
zinnen daaraan beantwoorden. Wij aanzien, naar het voorbeeld van Polotsky, de negatie 
bij middel van tm als bewijs dat zij relatiefvormen zijn, waardoor eindelijk het gebruik van 
deze negatie ( GME 159) verklaard wordt. 

1 . De completieve zin die subject is van een adjectivisch predicaat: ksn mss.s ( ms.s ) „dat 
zij aan het baren was (baart) was (is) moeilijk” = haar bevalling was (is) moeilijk. Dat ms.k 
relatiefvorm is in de zin m*.k pr.k nfr s.t r h.t nb.t (zie bl. 011) blijkt uit de negatie in Westc. 
8.10-ii pty s.t Ddi tm rdi(zv) m^n.i tw c wat is (betekent) dat, Djedi, dat men mij nog niet de 
gelegenheid gegeven heeft u te zien? 0 . Er moet ook een relatiefvorm ondersteld worden als 
subject van het infinitivisch predicaat in wd* pw ir.n.sn c wat ze deden was gaan 0 . 

2 . De completieve zin die predicaat is van pw: wbn.f pw c het is (betekent) dat hij (Rë) 
oprijst’. Vgl. c zijn mond is gebonden 0 tm.f zvn(.w) r*.f pw mdw.f c het is (betekent) dat hij 
zijn mond niet opent om te spreken 0 28 ). 

3 . De completieve zin die object is van de werkwoorden die betekenen c willen, bevelen, 
beloven 0 (vermoedelijk alleen de imperfectieve relatiefvorm, daar de C perfectieve° vorm hier 
blijkbaar de prospectieve sdm.f vertegenwoordigt, zie boven, blz. 40-41 en c zien, weten, vinden 0 , 
enz. Men vergelijke izv wd.n Gb...tmJ wnm(.w) hs c Geb heeft bevolen dat ik geen drek zou 
eten 0 ; rh.n.k tm.sn sfn(.w) c gij weet dat zij niet zachtmoedig zijn 0 . Dat hier een relatiefvorm 
staat wordt ook indirect bevestigd door het parallelisme met de hier eveneens gebruikte jongere 
relatiefzinnen met ntt, r-ntt, wnt en een sdm.f-sr orm. De virtuële ondergeschikte zin van het 
Engels is hier dus een alleenstaand verschijnsel: c thou knowest they are not mild”. 

4 . Een merkwaardig gebruik is dat van een persoonlijke tijd afhangend van n, n.t, die als 
een genitief het substantief bepaalt: hrw n ms.s c de dag van: zij baart 0 , spss.w n dd nsw 
lekkernijen van: de koning geeft 0 . Wanneer wij dit vergelijken met de samengestelde voor¬ 
zetsels n c J.t n, n wr n ' c voor zoverre 0 en n ib n c opdat°, die waarschijnlijk evenzeer als de 
enkelvoudige preposities een relatiefvorm na zich hebben, mag ondersteld worden dat ook hier 
ms.s en dd relatiefvormen zijn. EG 2 * 3 191.1 schrijft dezelfde genitiefwaarde toe aan het werk¬ 
woord in uitdrukkingen als hrw c hs.s c de dag dat zij (mijn stad) oorlog voerde 0 . Men zou 
kunnen geneigd zijn c hs.s als een tijdsbepaling op te vatten c de dag wanneer zij oorlog voerde 0 
en het gelijk te stellen met de onder 6 besproken gevallen. Doch wanneer wordt gelet op het 
bestaan van de voorzetsels n mrw.t c opdat°, r tnw sp c iedere keer dat” lijkt het wenselijker de 
opvatting van Gardiner te aanvaarden. Evenals het werkwoord na deze voorzetsels die met 
substantieven samengesteld zijn moet echter % 3 .s als relatiefvorm aangezien worden. 

5 . De omstandigheidszinnen die ingeleid worden door een voegwoord-voorzetsel. Het Egyp¬ 
tisch bezit geen voegwoorden gelijk Ned. terwijl, wanneer, zoals, sinds, enz. Het gebruikt 
in de plaats daarvan voorzetsels. Wanneer de Semietische talen dezelfde methode toepassen 
maken zij meestal bij middel van het relatiefpartikel de ondergeschikte zin tot een C abstracte 
relatiefzin 0 , die gelijk een substantief van het voorzetsel afhangt, vgl. Hebr. c totdat°, 

ntfK-D c zoals°, ntPK p*» c omdat°, l ")tPK pö 1 ? c opdat°, (‘’jHnK c nadat°. Het bestanddeel dat van de 
voornoemde Nederlandse voegwoorden toont echter dat onze taal oorspronkelijk dezelfde con¬ 
structie bezeten heeft. Deze heeft een nog veel ruimer ontwikkeling gekend in het Frans: men 
achte slechts op het grote aantal voegwoorden die gevormd zijn naar het voorbeeld van avant 
que, après que, pour que, afin que, paree que, jusqu’a ce que, enz. Dat het Egyptisch op de¬ 
zelfde manier de relatiefvormen aanwendt blijkt uit de ontkennende zin ink... sgr ks hrw tm.f 
mdw c ik ben het die de luidruchtige doe zwijgen opdat (of zodat) hij niet kan spreken 0 . Het be- 


28 ) In GME wordt de completieve zin als sub¬ 
ject van pw aangezien, vgl. bl. 5 sub 1. a. Daar wij 
pw echter niet voor een copula houden kan de rela¬ 
tiefvorm alleen predicaat zijn, vgl. EG 442.3; 452.3; 


GE 612. In het Koptisch is pe (te, ne) integendeel 
een echte copula geworden en het pronomen is sub¬ 
ject in anok pe „ik ben het”; zie J. Vergote, in Bïbl. 
or., 13 (1956), bl. 226. 




44 


EGYPTISCHE PHILOLÓGIË 

staan van deze tendenz wordt overigens ook bewezen door het gebruik van de jongere relatief¬ 
zin met ntt en sdm.f na de voorzetsels ( GME 260). 

Ook na het partikel ir, dat van het voorzetsel r stamt en ongeveer hetzelfde betekent als 
Fr. c quant a ce que°, staat de relatiefvorm. Vgl. ir... tm.f ir.t sb^y.t.k ... rwi sw c indien hij uw 
voorschriften niet uitvoert, jaag hem buiten 3 . 

6 . Een delicaat probleem wordt gesteld door de C pratactische bijzinnen van omstandig¬ 
heid 3 29 ). Wij vermelden reeds dat Thacker hier het gebruik van de sdm. /-vormen verdedigt 
tegen Polotsky. Plet verschijnsel is inderdaad niet identisch met de voorgaande: in de ge¬ 
vallen 1-5 vervult de relatieve zin werkelijk de rol van een substantief, in deze omstandigheids- 
zinnen niet. Dat hier een relatiefvorm kan staan wordt bewezen door het voorbeeld k.t sm^ c 
mw-.t tm.s m 3 c w {Eb. 49.8; zie EG 347.3). Indien bedoeld werd c een ander (recept) om het 
water te zuiveren dat niet in orde is 3 zou de negatie (van het participium) luiden tm.t m* z .w 
(vgl. EG 397.1). Wij moeten bijgevolg deze bijzin en de overeenkomstige bevestigende zin als 
tijdszinnen opvatten: msdr di.f mw hw j {Eb. 91.3). Met andere woorden, in tegenstelling 
met Toreille qui secrète un liquide impur 3 betekent Toreille, qu’elle secrète... 3 : wanneer het een 
vuil vocht afscheidet 3 . Vgl. Eb. 49.21 en Eb. 102.2-3 mi s wnm.n.f k^w n.w nh.t c gelijk een 
man nadat hij sycomore-vijgen zonder inkerving gegeten heeft 3 (GE 750). Een soortgelijk 
gebruik van de abstracte relatiefzin met HtPX komt voor in het Hebreeuws: Deut. 11.6; II Chr. 
35.20 enz. Het is echter opvallend dat al deze voorbeelden uit de P. Ebers stammen. Zij zouden 
kunnen eigen zijn aan een bepaalde vorm van de taal (volkstaal?). Tegenover ons eerste citaat 
kunnen er weliswaar geen voorbeelden met n sdm{.n).f geplaatst worden {EG 445; 45.5) doch 
dit is misschien aan het toeval te wijten. Aangezien uit de volgende voorbeelden blijkt dat er 
paratactische 3 of c virtuële 3 relatiefzinnen bestaan dient met het bestaan van soortgelijke om- 
standigheidszinnen rekening gehouden te worden. Bedoelde relatiefzinnen zijn: wnm n 
sb{i)n.n.f c een opvreter (van inkomsten) die (het kapitaal) niet mag aantasten 3 ; U w* n rh 
sw rmt c een ver land dat de Egyptenaren niet kennen 3 {GE 750); k*. t pw n ir.tw.s dr b*h 
c het is een werk dat (of: zoals het?) sinds de Oudheid niet gedaan werd 3 {EG 196.2). 

Een aparte behandeling verdient wellicht het geval van Westc. 10.11-12 F.in.sn sw s z d.w 
hpJ.f rdi.w hr ifdy m db.t. Het is onwaarschijnlijk dat er een relatiefvorm bestaat van de 
passieve sdm.w.f. Daar deze echter vaak naast het pseudoparticipium staat, gelijk ook hier 
het geval is (vgl. EG 423), mag ondersteld worden dat hij in dezelfde eigenaardige verhouding 
tot de hoofdzin staat als dit laatste. Dit kan ongeveer als volgt weergegeven worden: c zij 
wasten het, zijn navelstreng afgesneden zijnde (ayant été coupé) en het (kind) gelegd zijnde 
(étant posé)... 3 30 ). Dezelfde verklaring past voor Leb. 98-99 s.t hm.t dd grg r.s n Uy c une 
femme, un mensonge ayant été dit contre elle a propos d’un homme 3 (geciteerd GE 750.3). 
In beide voorbeelden gebruiken wij c nadat 3 als vertaling. 

Tenslotte nog een opmerking. Het werkwoord tm negeert ook de finale en consecutieve 
zin die door geen voegwoord-voorzetsel ingeleid wordt en waar wij het gebruik van de pro¬ 
spectieve sdm.f aanvaarden: m ks ib.k tm.f dhi c verhef uw hart niet opdat het niet vernederd 
worde 3 . Moeten wij dan onze hypothese wijzigen en hier een prospectieve relatiefvorm onder¬ 
stellen? Wij denken het niet. Het werkwoord tm, dat in de verschillende Tijden 3 kan vervoegd 
worden, vervangt o.i. hier de negatie met n omdat zijn prospectief {tammdf) de finale functie 
van de zin kon aanduiden. Dit gebruik moet vergeleken worden met dit van tm in de zinnen 
die door ik en ks ingeleid worden en die het futurum, vaak met een bijbetekenis van aansporing 
of bevel, uitdrukken. 

Ter aanvulling van onze Vocalisation dient nog gezegd dat ook het bestaan van drie sdm.f- 
vormen van de passieve sdm.tilw.f. moet aanvaard worden. Als vocalisatie stellen wij voor: 
perfectief sddmatif — imperfectief saddmmatif — prospectief sadmatif. Deze laatste leeft voort 

29 ) In Une nouvelle interprétation hebben wij met 30 ) Vgl. J. Vergote, La fonction du pseudoparti- 
de uitdrukking c p r obablement D geen voldoende voor- cipe, in Festschr. H. Grapow — Deutsche Akad. d. 

behoud gemaakt en het verwekt de indruk dat wij Wiss. Berlin , Inst. f. Or.-Forsch., Veröff. 29, Ber- 

met Polotsky in deze zinnen alleen relatief vormen lijn, 1955, bl. 338-361. 
aannemen. 




NAAR EEN HERNIEUWING VAN DE EGYPTISCHE GRAMMATICA 


45 


in de Oud-Koptische vorm eovurr-q = ia^zvdtif c hij zij geprezen 3 . Gezien het uitgebreide ge¬ 
bruik van de relatiefvormen moet hij ook deze bezeten hebben: perfectief sddmutif — imper- 
fectief saddmmutif — prospectief sadmütif. 

De nieuwe theorieën die werden uiteengezet mogen hier in een tabel aanschouwelijk 
voorgesteld worden. De verwijzing naar de paragrafen van GME zal het verschil met de 
classieke grammatica’s duidelijker maken. Er zij nog even aan het feit herinnerd dat zij het 
resultaat zijn van onderzoekingen die niet de Egyptische morphologie of syntaxis als dusdanig 
golden. Polotsky was het er om te doen de oorsprong van de Koptische Tempora Secunda 
te verklaren. Thacker had vooral de verhouding tussen het Egyptische en de Semietische ver- 
baalsystemen op het oog en streefde er tevens naar de vocalisatie van de Egyptische werk¬ 
woordvormen nader te bepalen. Daarom schonk hij heel bijzonder zijn aandacht aan de ver¬ 
schillende spellingen en dit bracht hem tot de voornoemde conclusies. In de Inleiding tot GE 2 
schrijft G. Lefebvre: „Nos cadres grammaticaux ont forcément un caractère conventionnel 
et provisoire. Ils étonneraient sans doute un scribe de la M ais on de Vie, s’il revenait a 1 ’exis- 
tence. Le temps les consacrera ou amènera nos successeurs a les modifier; peut-être même 
réussira-t-on a c analyser la langue égyptienne de 1’intérieur plutöt que de 1’extérieur 3 , selon le 
voeu de Maspero, rappelé naguère par Capart {Chron. d’Eg., 16(1941), p. 227)”. Wie de 
Egyptische taal c in haarzelf 3 wil bestuderen hoeft dit niet noodzakelijk bij middel van de logica 
of de psychologie te doen, zoals Capart het opvatte. Dit kan ook gebeuren door een nauw¬ 
keurige ontleding van de spellingen: wij menen aangetoond te hebben dat deze methode con¬ 
crete resultaten oplevert. 

TABEL 

negatie A. IN DE HOOFDZIN 

1. De perfectieve sdm.f 

van de verba 3 Inf. en 4 Inf. is van de andere werkwoorden drukt 
een onbepaalde tijd en drukt uit: uit: 
n sdm.f (perf.) 129 1' het verleden 121 het verleden 121 

In het Middel-Egyptisch wordt hij vaak vervangen door de sdm.n.f 130 
2' het praesens 121 
3' het futurum 121 

2. De imperfectieve sdm.f 

van de verba 3 Inf. (uitgen. iwi van de andere werkwoorden drukt 
enz.) en 4 Inf. drukt uit: uit: 

1' de voortdurende of herhaalde 1' de voortdurende of herhaalde 
handeling in het verleden 113 handeling in het verleden 113 
n sdm.n.f 133 2 ' in het praesens een gewoonte 2' het praesens 121 

of een feit dat met nadruk 
wordt uitgesproken 

nn sdm.f (prosp.) 3' in het futurum een gewoonte 3' het futurum 121 
I 3 ° of een feit dat met nadruk 

wordt uitgesproken 

4' met die futurische betekenis, 4' met die futurische betekenis, een 
een wens, een raadgeving of wens, een raadgeving of een be- 
een beleefd bevel (lichte na- leefd bevel 114 
druk) 114 

3. De prospectieve sdm.f drukt uit: 

een wens, een raadgeving, een bevel 122 

4. De imperfectieve, perfectieve en prospectieve relatiefvormen en de rela¬ 
tieve sdm{w).n.f dienen: 

tm ï r om de nadruk te leggen op het adverbiaal gedeelte van de zin 

tm 159.1 2' in de c partiële 3 vraagzin, om de nadruk te leggen op het adverbiaal 

zinnsdeel waarnaar gevraagd wordt 113 





46 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


47 


B. IN DE ONDERGESCHIKTE ZIN 


tm 159.4 


iwty 267 


tm 

tm 159.3 


tm 107 
tm 159.6,5 
tm 


1. De prospectieve sdm.f wordt gebruikt: 

a. in de completieve zin 

1' als subject van de onpersoonlijke werkwoorden nn (< nnwn: het gebeurt 
niet dat) en n sp (het gebeurt niet/zal niet gebeuren dat) 126.1; 130 
2' als object van rdi en van de werkwoorden die betekenen c willen, bevelen, 
beloven 0 126.2 

b. in de finale en consecutieve omstandigheidszin die niet ingeleid wordt door 
een voegwoord-voorzetsel 123 

2. De imperfectieve en perfectieve sdm.f worden gebruikt: 

a. in de completieve zin als object van de werkwoorden c zien, weten 0 , enz. 
wanneer de zin ingeleid wordt door ntt, r-ntt, wnt 259 

b. in de relatiefzin ingeleid door nty; soms ook wanneer nty ontbreekt (para¬ 
tactische relatiefzin, zie bl. 44, sub 6) 266 

c. in de omstandigheidszin ingeleid door ntt na een voegwoord-voorzetsel 266 
*d. met uitzondering van de finale en consecutieve zin, waarschnijlijk ook in de 

omstandigheidszinnen die niet door een voegwoordvoorzetsel worden inge¬ 
leid (paractactische bijzinnen, zie blz. 44, sub 6) nó, 124, 134 

3. De imperfectieve, perfectieve en prospectieve relatief vormen en de relatieve 
sdm(.w).n.f worden gebruikt: 

a. in de completieve zin 

1' als subject van een adjectivisch predicaat en van de infinitief + pw ; ook 
in de vraagzin (zie Westc. 8.10-11, blz. 43, sub 1) 119.1 
2' als predicaat van pw 126.1 

3' als object van de werkwoorden die betekenen „zien, weten” en (alleen de 
imperfectieve relatiefvorm?) van de werkwoorden van „willen, bevelen, 
beloven” 119.2 

4' als bepaling bij een substantief, al of niet ingeleid door de genitiefs- n 
119.3; 126.3 (vgl.EG 2 * 3 191 ) 

b. in de relatiefzin waarvan het subject niet identisch is met het antecedent 
103-105 

c. in alle omstandigheidszinnen die door een voegwoord-voorzetsel worden inge¬ 
leid, ook in de conditionele zin ingeleid door ir 119.4; 126.4; II 7l 12 5 

d. met uitzondering van de finale en consecutieve zin, in (de?) omstandigheids¬ 
zinnen die niet ingeleid worden door een voegwoord-voorzetsel. 


Heverlee-Leuven, 15 maart 1958 


J. Vergote 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 

In der agyptischen Literatur nehmen die Pyramidentexte eine besondere Stelle ein. Diese 
Sammlung heterogener Texte, in welchen schwerlich eine Einheit von Vorstellungen und An- 
schauungen zu spüren ist, ist die alteste schriftliche Quelle, woraus die religiösen Vorstellungen 
der Agypter erkannt werden können. Sie stehen nicht nur der Zeit der langen Vorgeschichte 
am nachsten, welche noch viele nicht geloste Probleme in sich verborgen halt, sondern enthalten 
zugleich mancherlei Vorstellungen, welche die Agypter mit zahem Beharren die Jahrhunderte 
hindurch bewahrt haben, wenn sie auch ohne Mühsal neue Vorstellungen neben die alten 
stellen. 

Diese Texte haben ihre eigene Geschichte, wovon noch vieles im Dunkeln liegt. Sie sind 
uns gewiss nicht in ihren altesten Formen überliefert worden. Texte die nichts mit einander 
zu schaffen haben, sind aus irgendeinem Grund zusammengefügt worden. Es ist ganz gut 
möglich, dass ein Zusammenhang bestanden hat, der uns nicht nur entgeht, sondern auch 
schon dem Redactor entgangen ist. 

Die Texte haben einen ausgesprochen funerarischen Charakter. Dennoch darf die Mög- 
lichkeit nicht aus dem Auge verloren werden, dass verschiedene dieser Texte einen anderen 
Ursprung gehabt haben, ev. für andere Zwecke gebraucht wurden. Der Ort aber, wo sie ge- 
funden wurden, — irn Inneren der Pyramiden — zeigt uns unzweifelhaft die Absicht dieser 
Texte in der Zeit der 5. Dynastie. 

Sie handeln besonders über den König, der eine eigene Stellung einnimt, sowohl hinsicht- 
lich gewöhnlicher Menschen als hinsichtlich der Götter. Er ist mehr mit der Welt der Götter 
verbunden als mit der Welt der Menschen, wenn auch nicht die Momente unterbleiben, in 
denen sonnenklar seine Menschlichkeit zum Vorschein kommt. Die grössere Gebundenheit des 
Königs an die Welt der Götter macht, dass mancherlei Handlungen, wodurch der Mensch mit 
der Welt des Ganz-Anderen in Berührung zu kommen versucht, einen anderen Charakter 
erhalten. Auf diese Weise sollte erklart werden können, dass das Gebet — von Heiler, „das 
zentrale Phanomen der Religion” genannt — einen geringen Platz in den Pyramidentexten 
einnimmt. Dies betrifft aber die ganze agyptische Religion. Der Agypter kennt Machte, welche 
grösser sind als er selbst, Machte die seine Bewunderung erregen oder seine Furcht erwecken; 
er weiss vieles über seine Götter zu erzahlen, mit denen er sich auf mancherlei Weise verbun¬ 
den weiss. Aber Gebete werden auffallend wenig genannt. Umsonst sucht man in den Re- 
gistern der meisten Bücher die die agyptische Religion behandelen, die Stichwörter: beten und 
Gebet. Dies bedeute keineswegs, dass über diese Sachen in diesen Büchern nicht gesprochen 
wird. 

Die Pyramidentexte enthalten nach Breasted *): “A funerary ritual and a ritual of mor- 
tuary offerings at the tomb. Magical charms. Very ancient ritual of worship. Ancient religious 
hymns. Fragments of old myths. Prayers and petitions on behalf of the dead king.” Selbstver- 
standlich meint Breasted nicht scharfe Trennungen ziehen zu können. Dies ist unmöglich. 
Wir wollen zunachst nachweisen, dass in den verschiedenen Bestandteilen, welche Breasted 
nennt, Gebete vorkommen. 

Erst noch folgende allgemeine Bemerkungen. Wo die Rede ist von Opfern ist meistens 
auch die Rede von Gebeten. Opfer sind gewöhnlich mit Gebeten verbunden worden, sie 
werden gebracht um ein Gebet zu unterstützen, worin ein bestimmter Wunsch liegt. Mit 
Recht bemerkt Breasted 2 ), dass in den Pyramidentexten die Trennung zwischen Zau- 
bersprüchen und Gebeten schwer zu ziehen ist. Ferner ist zu verstehen, dass im alten Ritual 
Gebete gefunden werden können, die im Laufe der Zeiten eine bestimmte liturgische Form 
erhalten haben. Weiter sind die Hymnen, die hauptsachlich im Kult zustande gekommen sind, 
ihrem Ziele nach Gebete, wenn sie auch nach ihrem Inhalt davon zu unterscheiden sind. Selbst 
gibt es in den alten Mythen Raum für Gebete. So kann man mit einigem Recht sagen, dass die 
Pyramidentexte eine Spruchsammlung sind, worin die Gebete eine grosse Stelle einnehmen. 

D J. H. Breasted, Development of religion and 2 ) Ibidem, S. 95. 
thought in ancient Egypt, London, 1912, S. 93. 










48 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 


49 


Die meisten Sprüche haben aber ihren spontanen Charakter verloren. Bei der Aufzeichmmg 
hatten sie schon eine gewisse Uniformitat erhalten, die man erschliessen kann aus den stereoty¬ 
pen Ausdrücken, welche jedesmal erscheinen. Der Aufzeichmmg aber verdanken wir, dass 
uns verschiedene Gebete bewahrt geblieben sind. 

Heiler hat verschiedene Umschreibungen des Gebetes gegeben. Wenn er das Gebet 
„Ausdruck eines elementaren Dranges nach höherem, reicherem, gesteigertem Leben” nennt 3 ) 
kann es dahingestellt bleiben, ob das Gebet sich an einen persönlichen Gott richtet oder nicht. 
Diese Umschreibung lasst weiter die Möglichkeit offen, dass die Aufmerksamkeit mehr auf 
das Beten selbst als auf die Gottheit oder den Beter gerichtet ist. Auf die Worte, welche im 
Gebet ausgesprochen werden. 

„Beten ist Kraft üben” 4 ). Beten setzt Kraft in Bewegung ebensogut als die Machine in 
Kraft tritt beim Einschalten des elektrischen Stromes. Das Wort hat Macht. Das Wort der 
Gottheit besonders. In der memphitischen Theologie, welche beabsichtigte Ptah von höherem 
Ansehen und grösserer Bedeutung sein zu lassen als Atum, den Gott von Heliopolis, wird 
gelehrt, dass alles was Atum verrichtet nur eine Funktion des Ptah ist. Dieser ist der wahre 
Weltschüpfer, der alles schaf ft nach dem Befehle, der vom Herzen erdacht und von der 
Zunge ausgesprochen wurde. Beim Anfang der Welt gibt es nur ein göttliches Wesen, namlich 
den Gott von Memphis, der durch sein Wort alles was besteht, auch die Götter, erschaffen hat. 

Diese schöpfende Kraft des Wortes ist nicht eine Vorstellung, welche sich auf die Theo¬ 
logie beschrankte, sondern der Einfluss dieser Vorstellungen ist in den jüngsten Perioden 
der agyptischen Religion zu verspüren 5 ). Auch von Thot wird gesagt, dass er durch sein Wort 
schöpft. Hieran erinnert vielleicht Pyrt. 1146c, in welchem vom König gesagt wird, dass er ist 
die aus dem Munde des Re kommt 6 ). 

Keine Identitat mit einem willkürlichen Schreiber, sondern mit dem Gotte der Schreiber, mit 
Thot, auf dessen Wirksamkeit als Schöpfergott angespielt wird. 

Schöpfende Kraft wird auch dem Wort des Re zugeschrieben. Durch sein Wort erhalt 
der König eine Würde, welche er früher nicht besass. 

Du gehst zum Himmel als Horus, der auf dem sdsd des Himmels ist, in dieser deiner Würde 
die aus dem Munde des Re kommt' 6 ). 

Das Wort hat Macht. Ebenso gut wie das Wort der Gottheit ist das Wort von einem 
Menschen gesprochen machtig. Daher: Beten ist Kraft üben. Solch eine Kraft, dass auch die 
Götter gehorchen müssen. Eine Zauberformel kann eine gleiche Kraft entwickeln. Es ist un- 
möglich eine genaue Grenze zwischen Gebet und Zauberformel zu ziehen. J. Sainte Fare 
Garnot bemerkt, dass man oft von der Magie dasj enige erwartet worum man nicht die Gott¬ 
heit zu bitten wagt 7 ). Oder auch: man wendet sich im Gebet an die Gottheit und erwartet von 
ihr die Erfüllung auf Grund magischer Anwendungen. Auch der Mensch, dessen Einstellung 
hauptsachlich magisch ist, fügt sich nicht der Welt, wie sie ist. Die Magie — und darin unter- 
scheidet sie sich von anderen Religionen — will „die Welt grundsatzlich beherrschen” 8 ). Er 
projektiert die gegebene Wirklichkeit nach innen. Er nimmt die Wirklichkeit in sich auf. Erst 
wenn sie eine innere geworden ist kann er sie beherrschen. Anderer Hilfe — einer Gottheit z.B. 
— bedarf er dann nicht. Er kann selbst mit eigenen Mitteln die Welt meistern. 

Die Mittel der Magie sind vielerlei. Bestimmte Handlungen müssen auf peinlich genaue 
Weise vollbracht, feststehende Wörter oder Ausdrücke akkurat rezitiert werden Das richtige 
Aussprechen der gesetzten Worte, die in bestimmtem Tonfall rezitiert werden müssen, das 
aufmerksame Vollbringen der Handlungen, an welchen man nichts andern darf, ist eine Con¬ 
ditie1 sine qua non. Auch die Wiederholung der Formeln steigert deren Macht. In den Pyrami- 
dentexten sind sie oft viermal zu wiederholen. Hat man den gestellten Anforderungen ent- 


3 ) F. Heiler, Das Gebet, München, 1920 2 , S. 489. 

4 ) G. van der Leeuw, Phdnomenologie der Reli¬ 
gion. Tübingen, 1933, S. 398. 

5 ) P. Boylan, Thot, the Hennes of Egypt, Ox¬ 
ford, 1922, S. 120. H. Junker, Pyramidenzeit, Zü- 
rich/Köln, 1949, S. 24. 


6 ) Pyrt. 800. Siehe Pyrt. 1720 Dasselbe wird auch 
von Anubis erwahnt. Pyrt. 1015. 

7 ) J. Sainte Fare Garnot, La vie religieuse dans 
Vancienne Egypte, p. 128. 

8 ) G. van der Leeuw, Phdnomenologie, S. 519. 


sprochen, so ist der Mensch imstande die unübersteigbarsten Hindernisse zu überwinden, 
den starksten Widerstand zu brechen. So erwahnt Pyrt 855 

Wer ihn wirklich kennt, diesen Spruch des Re und sie rezitiert diese Zauberformeln des Horus 

Harachte, der wird wirklich ein Bekannter des Re sein, er wird ein Freund des Horus Harachte 

sein. 

Wenn der verstorbene König die Formeln kennt und sie im richtigen Augenblick rezitiert, 
wird er sh m rsf, wird er Geist durch seinen Mund, d.h. durch die Worte, welche er aus- 
spricht 9 ). Aber nicht jedermann, gewiss der Fahrmann nicht, der den König auf seiner Barke 
übersetzen muss, wird vom König imponiert, der sich einen Zauberer nennt, der Zauberkraft 
besitzt 10 ). Wie es scheint ahnt der König dieses Unangenehme. Er verbindet sein Schicksal 
mit dem des Re. 

Wenn ich bezaubert werden sollte, wird Atum bezaubert werden 11 ). 

Das streng Gebundensein an bestimmte Formeln — Kennzeichen magischer Sprüchen — 
ist ebenfalls bei den rituellen Gebeten zu konstatieren. Das wiederholte Aussprechen dieser Ge¬ 
bete und die Tatsache, dass die Gebete am meisten mit rituellen Handlungen verbunden sind, 
haben dazu mitgewirkt. Regelmassig verrichtet bekommen die Handlungen eine feste Form. 
Die mit solchen Handlungen verbundenen Gebete verkeren ihren spontanen Charakter und 
bekommen ebenso eine feste Form, von welcher man nicht abweicht, schliesslich nicht ab- 
weichen darf. Dies kann desto leichter geschehen, weil der Priester mit der Ausführung betraut 
ist. Er ist es der das Rezitieren der Gebete übernimmt. Er allein ist imstande die Gebete in der 
erforderlichen Form, auf die richtige Weise herzusagen, wodurch der Erfolg garantiert ist. 

Ist das Gebet ursprünglich eine selbstandige Grosse gewesen, so ist das Opfer ein Unter- 
streichen des Gebetes. Beim Opferkulte und den Reinigungsbrauchen fallt der Nachdruck aber 
gewiss nicht weniger auf die Handlungen, welche vollzogen werden müssen, als auf die Worte, 
welche ausgesprochen werden. Es gibt überhaupt beim Ritual eine grössere Prazision der 
Handlungen als der Gebetsworte. Dabei kommt dass dasj enige was getan wird demj enigen 
analog sein muss was die Gottheit getan hat. So soll der gestorbene König, der zum Himmel 
aufsteigt, sich reinigen. Re soll ja taglich, bevor er seine Tagesarbeit anfangt, ein Reinigungs- 
bad nehmen. Pyrt. 2J$ erwahnt: 

Zu rezitieren. Gereinigt hat sich der sich gereinigd hat im Binsenfelde. 

Gereinigt hat sich Re im Binsenfelde. 

Gereinigt hat sich der sich gereinigt hat im Binsenfelde. 

Gereinigt hat sich W im Binsenfelde. 

Die Hand des W ist in der Hand des Re. Nut, nimm seine Hand, Su, erhebe ihn. 

Der erste Teil dieses Textes ist unzweifelhaft von einem Priester ausgesprochen worden. 
Was der König zu tun hat ist in Übereinstimmung mit dem was Re tut. Daher kann der Erfolg 
derselbe sein. Im folgenden Satz ist mehr die Rede von einer Imitation des Re als von einer 
Analogie. Weiter wird von irgendeiner Gottheit Nut und Su der Auftrag gegeben dem König 
beim Erreichen des Himmels zu helfen wie dies von den Göttern mit Rüchsicht auf Re gesche¬ 
hen ist. Nach einer alten Vorstellung nimmt Nut den Sonnengott nach seinem Emporsteigen 
in ihre Arme als Begrüssung, wahrend Su den König auf seine Arme lehnen lasst wie Re sich 
auf seine Arme gestützt hat 12 ). 

Ist dieser Text ursprünglich in der 1. Person ausgesprochen worden, so fragt der König, 
ob Nut und Su ihm behilflich sein wollen. Also ein persönliches Gebet, in welchem der König 
die Hilfe der Götter, anruft, damit sie ihm denselben Dienst erweisen, welchen sie einmal dem 
Re erwiesen haben. Dies persönliche Gebet hat einen stereotypen Charakter erhalten weniger 
nach seinem Inhalt als nach seiner Form welche ziemliche Abweichungen aufweist. Diese sind 
am zahlreichsten beim Anrufen des Su. Wahrscheinlich, weil die Wirksamkeit der Nut — das 
Geben ihres Armes — genauer zu umschreiben war als die des Su. 

Auch in Spruch 269 — einer Litanei — spricht der Priester: 

9 ) Pyrt. 930. 1:L ) Pyrt. 492. 

10 ) Pyrt. 924. 12 ) Siehe Pyrt. 519, 1247, 1421, 1430. 





50 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

Zu rezitieren. Hingelegt ist das Feuer. Das Feur flammt auf. 

Hingelegt ist der Weihrauch auf das Feuer. Das Feuer flammt auf. 

Dein Geruch kommt an W, o Weihrauch. Der Geruch des W kommt an dich, o Weihrauch. 

Euer Geruch kommt an W, o Götter. Der Geruch des W. kommt an euch, o Götter. 

Moge W. mit euch sein, o Götter. Möget ihr mit W. sein, o Götter. 

Moge W. mit euch leben, o Götter. Möget ihr mit W. leben, o Götter. 

Moge W. euch lieben, o Götter. Möget ihr W. lieben, o Götter. 

Der Weihrauch, das Opfer das gebracht wird tut etwas. Der Weihrauch umhüllt den 
König. Er vermischt sich mit dem Geruche des Königs. Daher gibt es eine Ahnlichkeit zwi- 
schen dem König und den Göttern. Das Gebet, das folgt — es ist ganz gut möglich, dass es 
nicht in der Litanei gehort — ist als ein Gebet des Königs gemeint worden. Ursprünglich wird 
der Text gelautet haben: moge ich mit euch sein, o Götter, usw. Also eine Bitte des Königs in 
dié Gemeinschaft der Götter aufgenommen zu werden. Was weiter folgt ist vom Priester aus- 
gesprochen. Ist diese Bitte, welche die Litanei unterbricht, hier nicht an Ort und Stelle, nichts- 
destoweniger bleibt es ein persönliches Gebet des Königs in die Gemeinschaft der Götter, die 
sich im Himmel bef inden, aufgenommen zu werden. 

Eine Gruppe Litaneien — Spruch 216-222 — enthalt Texte, welch am Todestage des 
Königs, oder an seinem Bestattungstage rezitiert worden sind. Also echte Totentexte. Dazwi- 
schen kommen auch Passagen vor, welche eine Beschreibung von mancherlei Kulthandlungen 
geben, die bei der Tronsbesteigung des Königs stattfinden. Gewöhnlich ist in diesen Texten, 
welche untereinader eine grosse Ahnlichkeit zeigen, in jedem Falie sich aufeinander stützen, 
nicht der Beteiligte am Wort, sondern der Priester rezitiert zu Gunsten des Königs. Im Spruche 
216 werden einige Göttinnen, die Atum in der Nacht begleitet haben, gebeten zum Behufe des 
gestorbenen Königs bei Re Fürsprache zu sein. Der König ist nicht imstande wegen seiner Son- 
derstellung zu Atum zu gehen. Er nimmt seine Zuflucht nicht zu seinem Gebet, sondern bittet 
bestimmte Göttinnen seine Interessen Atum bekannt zu geben. Freilich wird der Inhalt des 
Gebetes nicht genannt, die Folge ist, dass es dem Verstorbenen angenehmist in der Umarmung 
eines Vaters, des Atum, zu sein. Der folgende Spruch gedenkt der Fürbitte mit keinem 
Worte. Angekündigt als Sohn des Re Atum ist es selbstverstandlich, dass er mit Re Atum den 
Himmel durchwandern kann. Dennoch fragt der Priester die Gottheiten — oder es ist ein 
Befehl des Re Atum — die Kunft des Gestorbenen und seine Macht den verschiedenen Göt¬ 
tern zu melden. Dieser Spruch endet mit der Bitte — etwa ahnlich der des Spruches 216 — 
dass Atum den König zu sich aufsteigen lasst, ihn in seine Umarmung nehmen will. An der 
Tatsache, dass neben dieser Bitte das Gehen des Königs mit Atum als etwas Selbstverstand- 
liches genannt wird, had der Agypter sich nicht gestossen. 

Spruch 221 wird auch von einem Priester rezitiert worden sein. Dieser legt die Worte in 
den Mund des gestorbenen Königs. Trotz seine Göttlichkeit ist das Ganze ein Gebet. Die Aus- 
drücke im Anfang des Textes sind ziemlich allgemein. Eine Göttin wird gebeten, dass der 
Schrecken, die Furcht, usw. vor mir sein moge wie der Schrecken, die Furcht, usw. vor der 
Gottheit. Dann folgt eine Bitte, die besonders für den König bestimmt ist. Eine Vergleichung 
mit der Göttin wird denn auch unterlassen. 

Lass mich herrschen an der Spitze der Lebenden, 

lass mich machtig sein an der Spitze der 3 hu, 

lass mein Messer stark sein gegen meine Feinde. 

Der lebende König bittet urn Hilfe, wenigstens urn Gewogenheit der Göttin für seine 
irdische Laufbahn. Der König verfügt also nicht ohne weiteres über alle Macht, welche er 
für seine Regierung vonnöten hat. Die Bitte um machtig neben die 3 hu zu sein ist möglicher- 
weise aufgenommen für den Fall dass dieser Text als Totentext gebraucht wurde. 

Im letzten Spruche, welcher aus mancherlei Bestandteilen der vorhergehenden Litaneien 
aufgebaut ist steht neben der Anerkennung der Göttlichkeit des Königs, welche es ihm möglich 
macht sich auf eigene Macht zu verlassen, die Bitte, dass Re ihm Hilfe schenken wolle um 
seine Herrschaft auszuüben. Die Macht des Re ist immerhin grösser als die des Königs. 

12 ) Siehe Pyrtt. 519, 1247, 1421, 1430. 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 51 

In einer anderen im Spruche 362 bewahrten Litanei werden verschiedene Gottheiten des 
Himmels angerufen den Toten, wenn er nach dem Himmel kommt, als guten Bekannten zu 
begrüssen, Unverfalschte Priesterarbeit, gemacht um der Hilfe vieler Gottheiten sicher zu sein. 
Die 1. Person, in welcher diese Litanei ursprünglich abgefasst ist, lasst dennoch vermuten, 
dass eine ganz kurze Bitte an die Gottheit das Wesentliche war. 

Sehr schematisch ist die Litanei im Spruche 601. Die Götter der Enneade werden genannt, 
ausgenommen Isis und Nephthys, wahrend Osiris zweimal angeführt wird. In grosser Mono¬ 
tonie wird wiederholt: 

so fest der Name des Su ist s so fest ist der Name des gestorbenen Königs und seiner Pyramide. 

Die Form des Gebetes ist noch am besten bewahrt im Anfang des Textes, wo rezitiert 
wird: 

o grosse Enneade, die in Heliopolis ist. Machet dass (der Name des) N. fest ist. Machet dass 
die Pyramide des N. fest ist, diese Ewigkeitarbeit, wie der Name des Atum fest ist, der 
Herr der Enneade 13 ). 

Über die Hymnen, die oft im Wesen von den Gebeten nicht zu unterscheiden sind, be¬ 
merken wir das Folgende. Sie sind auch das Werk der Priester, gemacht in Hinsicht auf be¬ 
stimmte rituelle Handlungen. Jedesmal wenn solch eine Handlung im Tempel verrichtet wird, 
rezitierte der Priester eine Hymne. Sie dürfte ein verstarktes Wort genannt werden; vor 
allem an die Gottheit gerichtet, ihr zu Ehren. Daneben hat sie einen practischen Zweck. Die 
Hymnen wurden gesungen um die Gottheit für sich zu gewinnen. Sie wurden denn auch dem 
Toten mitgegeben, damit er sie dankbar verwerten kann. Es gibt Hymnen in welchen keine 
ausdrückliche Bitte zu erkennen ist. Wir denken an die alte im Spruche 587 uns bewahrt ge- 
bliebene Sonnenhymne. Der Sonnengott wird besungen als der Gott unter dessen Schutz ganz 
Agypten steht, dessen Macht das Zweiland alle Wohltaten verdankt. Materielle und mora¬ 
listische Werte. Die ganze Hymne ist nur eine Lobpreisung Re's. Die Priester haben aber diese 
Hymne ebenfalls rezitiert dem König zu Ehren. Der König, der als eine Manifestation des 
Sonnengottes bezeichnet und mit ihm identifiziert wird, erhalt dieselbe Ehre wie Re. So wird 
dem König als dem Schenker aller Gaben in Agypten gehuldigt. So ist es auch unnötig, 
dass der König um allerlei Sachen betet. Er ist vielmehr ein Gott, an den die Bewohner 
Agyptens ihre Bitte richten, dem sie jedenfalls ihre Dankbarkeit erweisen können. 

Im Spruche 456, in welchem drei Hymnen an den Sonnengott erwahnt werden, ist aber 
keine Rede von der Identitat des gestorbenen Königs mit Re. Der König begrüsst Re in 
aller Unterwürfigkeit. In der Lobpreisung, welche folgt, ist deutlich merkbar, dass doch von 
dem Wesen des Re Distanz gewahrt werden muss. Die Gottheit wird in solchen Ausserungen 
gelobt, welche nicht auf den König anwendbar sind. Von ihr wird z.B. gesagt: 
der Einzige, von dem gesagt wird, dass er immer dauert. 

Diese Hymnen, in welchen keine besonderen Gebete vorkommen, besitzen durch das Rezi¬ 
tieren magische Kraft. Wer diesen Spruch kennt wird ein Bekannter des Re. Der Spruch 
endet mit der Bemerkung, dass der Arm des Königs ergriffen wird. Kein Gebet, sondern 
Tatsache. 

Es gibt auch Hymnen, in welchen die Sache anders ist. In der Hymne an Nut — Pyrt. 
777-787 — wird sowohl ihre Herrlichkeit wie ihre Macht besungen. Inmitten der Lobprei¬ 
sung erscheinen aber Bitten, welche der König ausspricht. Z.B. in Pyrt. 779 
versehe P. mit Leben und Wohlsein, damit er nicht sterbe. 

In Pyrt . 785 

Lass den König nicht weit von dir sein in deinem Namen: Himmel (Ferne). 

In diesem Zusammenhang müssen auch die Morgenlieder hervorgehoben werden, welche 
gesungen/rezitiert sind, als in der Frühe die Tempeltüren geöffnet wurden. Die Gottheit — 
gemeinhin der Sonnengott — wird mit allerlei Namen angerufen, allerlei Eigenschaften wer- 


11 3 ) Pyrt % 1660. 





5 2 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

den angeführt. Inmitten der feststehenden Ausdrücke, die genau hergesagt werden mussten 
gab es doch Rattm für eine persÖnliche Bitte: 

Erwache in Frieden, Gereinigter in Frieden. 

Erwache in Frieden, Östlicher Horus, in Frieden. 

Erwache in Frieden, Östliche Seele, in Frieden. 

Erwache in Frieden, Horus Harachte, in Frieden. 

Du schlafst in der Nachtbarke. 

Du erwachst in der Morgenbarke. 

Demi du bist es, der sieht auf die Göttin, lcein einziger Gott sieht auf dich. 

o Vater des P., Re, nimm diesen P. mit dir zu dem Leben bei deiner Mutter Nut 14 ). 

Das Loben am Morgen wird angedeutet mit dem Wort dw*. Wenn die Pyramidentexten 
dieses Wort gebrauchen ist damit meistens die Verehrung des Re gemeint. 

Re ist derienige den du verehrst. Er der sicli im Himmel befindet ist derj enige 

den du verehrst 15 ). 

Erhalt der verstorbene König diese Huldigung, so geschieht dies wegen der engen Ver- 
bindung des Königs mit Re 16 ). 

Es gibt zwei Falie, welchen dw3 keine Beziehung auf den Sonnenkult hat. In Pyrt. 631 
wird Osiris als Objekt dieses Lobens genannt, in Pyrt. 1635 sind es Isis und Nephthys die 
Horus verehren. Diese Lobpreisung geschieht nicht nur der Verherrlichung des Re wegen. 
Der verstorbene König behauptet in Pyrt. 1087 

ich habe Re gepriesen, ich habe den östlichen Horus gepriesen, ich habe Plorus Har'achte 

gepriesen, damit er mir gnadig sei 17 ). 

Der König der am Morgen Re preist hat also dabei eine besondere Absicht. Er möchte 
Gunst erhalten. Mit vielen Namen wird die Gottheit angesprochen, weil er dafür gewiss ebenso 
empfindlich ist wie der König. Auch für Agypten gilt die Bemerkung Heilers, dass die Götter 
dieselbe wortreiche Formel beanspruchen wie jeder angesehene Mann 18 ). Je langer sie sind 
um so ehrenvoller für denjenigen an den sie gerichtet sind. In dieser Weise ist es ganz einfach 
in die Morgenlieder mancherlei persÖnliche Bitten aufzunehmen. 

Mit dem Wort dw* kommen wir allerdings in die Sphare des Gebetes, jedoch bedeutet es 
nicht beten. Es ist auffallend, dass in den Pyramidentexten Worte wie snmh, spr nicht vor- 
kommen. Um so auffallender ist dies, da in diesen Texten mancherlei Gebete zu finden sind, 
wiewohl der persÖnliche Charakter dieser Gebete kaum mehr zu spüren ist. Dafür sind folgen- 
de Gründe anzuführen. 

Wenn dem Priester aufgetragen wird um eines anderen willen zu beten — das Beten eines 
Priesters wirkt am kraftigsten — werden die persönlichen Ausserungen unterdrückt. Daneben 
verkeren die Gebete ihren selbststandigen Platz. Das Gebet wird mit bestimmten kultischen 
Handlungen verbruiden. Bekommen diese einen rituellen Charakter dann nehmen sie auch an 
den bei diesen Riten ausgesprochenen Handlungen teil. Der Priester verwendet fast unwillkür- 
lich beim ausführen dieser Handlungen die betref f enden Worte. Schliesslich darf in der 
Rezitation keine Anderung angebracht werden. So rufen auch diejenigen die nicht Priester 
sind und doch beten wollen die Gottheit in Worten an, die bewiesen haben effektiv zu sein. 
Obendrein beschaftigen sich die Pyramidentexte besonders mit dem göttlichen König, der 
eigentlich nicht zu beten braucht. Zu wiederholten Malen wird von ihm gesagt, dass er den 
Göttern befiehlt 19 ). Dabei muss bemerkt werden, dass mit diesen Göttern gemeint sind 
diejenigen die die Boote rudern. Auch wenn dies nicht der Fall ist 20 ), gibt es doch eine 
Vergleichung mit Re. In Pyrt. 274 erteilt der verstorbene König Befehle — obgleich er auch 
zu der Manschaft des Bootes in welchem Re fahrt gehort — und Thot ist es, der sie aus- 
führt. In diesen Fallen braucht der König die Hilfe der Götter nicht. Vom Beten ist hier 
nicht die Rede. Trotzdem fehlen die Gebete nicht, in welchen der König sich vom Willen 
höherer Wesen abhangig weiss, in welchen die Vorsicht zur Anrufung der Gottheit drangt. 

14 ) Pyrt. 1478/9. fiziert zu denken. 

is) py r t. 37b. Siehe weiter 285, 484, 598, 951, 1087. 18 ) F. Heiler, Das Gebet, S. 53. 

16 ) Pyrtt. 155, 480, 656, 994. 19 ) Pyrtt. 866, 922, 1143. 

17 ) Diese Horusgestalten sind wohl mit Re identi- 20 ) Pyrt. 1166. 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 


53 


Bei vielen Vólkern wird das Gebet mit einem Anruf eingeleitet, auf welchem der Name 
irgendeiner Gottheit folgt, eventuell zusamme.n mit verschiedenartigsten Titulaturen. Diese 
Anrufung der Götter im Kult ist im Wesentlichen eine Einleitung des Gebetes 21 ). In den 
Pyramidentexten ist an die Interjektionen \, 3, h ,3 und derartige zu denken, meistens gefolgt 
von einem Namen oder einer Umschreibung, welche eine bestimmte Gottheit kennzeichnet. 
Mehr als hundert Mal begegnen wir h, 3 , fast immer den toten König, ev. Osiris, herbeirufend. 
Aber auch dreimal Geb 22 ), einmal Atum 23 ), Horus 24 ), die grosse Ennade 25 ) und alle 
Götter 26 ). 

Mit Rücksicht auf i kann bemerkt werden, dass hierauf nur einmal der Name eines ver- 
storbenen Königs folgt 27 ). Gewöhnlich — wenn das Wort wenigstens den Anfang des Satzes 
bildet — wird hierdurch eine Gottheit angerufen. Die Anrufung soll die Gottheit herbeirufen, 
damit sie den Beter sieht und hort. Oder auch den Gott auf die Anwesenheit des Beters auf- 
merksam machen, der versucht sich mit seinem Gebet Gottes Gunst zu erwerben. Auf die kurze 
Anrufung folgen oft weitlaufige Hoflichkeitsbezeugungen und Anspielungen auf Ereignisse, 
die sich in der Vorzeit abgespielt haben, nach welchen die Bitte in ganz knapper Form ausge- 
sprochen wird. In Pyrt. 703 wird Re angerufen, gepriesen und gebeten: 

o Re, o W 3 htj, o W 3 htj, o Pndij, o Pndtj. 

Du bist T., T. ist du 28 ). 

Jubele T. zu; jubele dem Ka des T. zu. 

Du leuchtest wie T., T. leuchtet wie du. 

Lass T. unversehrt sein, dann lasst T. auch dich unversehrt sein. 

Lass T. frisch sein, dann lasst T. auch dich frisch sein. 

Der Beter lasst den Re nachdrücklich horen, dass die Erfüllung der Bitte in seinem eigen- 
sten Interesse liege. Wenn Re seiner Bitte Gehör verschaf ft so kommt dies ihm selbst wieder 
zugute in Form von mehreren Lobpreisungen und Opfergaben. 

Im Spruche 215 gehen Boten zu Atum, die ihn auffordern den verstorbenen König in den 
Himmel aufzunehmen. In einem bestimmten Augenblick verzichtet der König auf Vermittler 
und ruft aus: sich mich an. Er hegründet dann, warum Atum ihn wohlwollend berücksichtigen 
kann. 

sieh mich an, Re. Ich bin dein Sohn. 

Der Text fangt an mit: wij Re. Die Absicht des Redenden ist die Aufmerksamkeit auf 
seine Bitte zu lenken, die jedoch fehlt. Nach Seti-ie 29 ) könnte wjj etwas wie „hör mich” 
enthalten. 

Im Pyrt. 1444 werden zahlreiche Götter angerufen. 

Grosse Wbn, sagen die Götter. Hör es, dieses Wort, das dir gesagt wird um deine Gunst 
zu gewinnen. P. ist der Grosse, der Sohn eines Grossen, o Lass diesen P. mit dir sein. Nimm 
diesen P. mit dir. 

Im ersten Teil des Spruches 260 wird Geb als der Erdgott angerufen: 
o Geb, Stier der Nut. 

Der König kann sich rechtfertigen auf Grund dessen was er selbst getan hat. Jedoch ist 
es wichtig, dass die beiden Wahrheiten befohlen haben, 

dass ihm der Thron des Geb zuteil werden soll, dass er sich erheben darf zu dem (dass er be¬ 
kommen soll das) was er wünscht. 

Dann folgt die Bitte: 

vereinige seine Glieder, 

21 ) F. Heiler, Das Gebet, S. 38 

22 ) Pyrtt. 1616, 1620, 1810. 

23 ) Pyrt. 1654. 

I24 ) Pyrt. 1657. 

23 ) Pyrt. 1655. 

26 ) Pyrt. 1647. 

27 ) Pyrt. 1987. 


2S ) Siehe K. Sethe. Übersetzung und Kommentar 
zu den altdgyptischen Pyramidentexten, Glückstadt- 
Hamburg-New York, III S. 291 f. 

29 ) Ibidem IV, 154. 

30 ) Ibidem I, 487. Siehe auch Junker, Pyramiden- 
zeit S. 85. 




I 


54 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

Der zweite Teil des Spruches fangt an mit: 

o Götter des Siidens und des Nordens, des Westens und des Ostens. 

Dann auch hier eine Aufzahlung von Sachen, die aus der Rechtfertigung des Königs her- 
vorgehen. Von den unerfreulichen Verhaltnissen der Unterwelt ist er bef reit. Und doch die 
Bitte: 

Kommt zu ihm, kommt zu ihm. 

Die Praposition zeigt, dass ein Kommen in freundlicher Absicht gemeint ist. Die Über- 
setzung: kommt ihm zu Hilfe ist völlig gerecht. Möglicherweise sind es Rudimente eines 
alten Gebetes, das ganz kurz gewesen ist, nur ein Aufschrei: zu Hilfe. Eine Bitte, die spater 
durch die geanderte Stellung des Königs überflüssig geworden ist. Sie passt eigentlich nicht 
mehr in den jetzigen Spruch. 

Spruch 254 spricht über Feinde, die dem König seine Speise rauben wollen. Der König 
kann sich nicht allein dieser Feinde entledigen. Die Hilfe des Re wird herbeigerufen: 

o Grosser Gott, dessen Name unbekannt ist 31 ), ein Mahl sei an der Stelle für den 
Alleinherr, d.h. für mich, den König. 

Anderswo wird die Enneade deswegen angerufen: 

o Grosse Enneade in Heliopolis, 

Herrin der Enneade. 

mein Mahl als dem der im Palast befiehlt (= der König) 132 ). 

Eine Bitte um Nahrung, unterschrichen durch die Erwahnung der Qualitat des Beters. 
Auch weniger wichtige göttliche Wesen werden angerufen. Z.B. verschieden Baumgeister: 

o du, dessen c 3 b -Baum grün ist, der auf seinem Felde ist, 
o du, der den Whih-Baum öffnet, der auf seiner Sykomore ist. 
o du mit den glanzenden Ufern, der aus seinem Ijm D m-Baum ist, 
o Herr der grünen Felde, 

Lass T.in eurer Mitte sein, damit er ausgeht in eure Umgebung. 

Lass T. leben, wovon ihr lebt 33 ). 

Hinter einigen dieser Namen steht ein Gottesdeterminativ, ein Beweis dass sie früher als 
Götter angesehen worden sind. 

Dies kann aber nicht von allen Wesen gesagt werden, die angerufen werden. Unter ihnen 
gibt es verschiedene die ihre Entstehung den Würdentragern des Königshofs zu verdanken 
haben. Ihr Einfluss ist nicht zu verschmahen, grosser Wert wird auf ihre Fürsprache gelegt. 
So werden die Vorsteher der Mahlzeiten, die zu Ageb gehören, angerufen um den König 
Ftkts, dem Mundschenk des Re, zu empfehlen, damit dieser ihn Re empfehle 34 ). Ebenso 
wie man beim Einreichen einer Bittschrift an den König sich gerne an einen Beamten wendet, 
der in der unmittelbaren Umgebung des Fürsten lebt, so geschieht dies auch mit Rücksicht 
auf die Götterwelt. Welche Gründe man auch für das Einschalten von c Zwischenwesen° an- 
führen darf, sie zeigen allesamt, dass diese Zwischenwesen sekundare Erscheinungen sind aus 
einer Zeit, in welcher der Mensch sich nicht mehr direkt an die Gottheit wendet. 

Zu diesen Zwischenwesen muss auch der Fahrmann, der die Toten auf seiner Barke über 
die Gewasser rudert, die die Gefilde der Seligen umschliessen, gerechnet werden. Er wird 
angerufen, damit er dem Toten diesen Dienst erweist. An einer Stelle 35 ) wird seine Fürbitte 
erbeten. Und zwar bei Osiris! Das Einschalten dieser typisch himmlischen Figur im Osiris¬ 
dienste zeigt jedenfalls eine spatere Entwicklung. Das Sekundare des Anrufens eines Ver- 
mittlers ist noch in der Tatsache zu bemerken, dass Re selbst gebeten wird die Arbeit, die der 
Fahrmann ausübt, zu verrichten: 

Re, komm, fahre über nach jener Seite, wie du deinen Diener Wng den du liebst übergefahren 
hast 56 ). 

Auch kommt es vor, dass der Tote sich nicht an die Vermittler wendet, deren Hilfe er 

31 ) Ibidem I, 307 f. I34 ) Pyrt. 120. 

Pyrt. 1064. i35 ) Pyrt. 1201. 

33 ) Pyrt. 699. 3 ' 6 ) Pyrt. 607. 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 55 

nicht entbehren kann, sondern direkt an den Gott selbst. Er wird gebeten seinen Dienern 
Befehle zu geben, damit diese dasjenige verrichten was der Beter nötig hat. 

Re, befiehl dem Hintersichschauer, dem Fahrmann des gewundenen Wasserlaufs, damit er dem 
T. jene Barke des gewundenen Wasserlaufs bringt 57 ). 

Solch ein Text weist m.E. daraufhin, dass das Anrufen des Gottes selbst das spontanste 
und das ursprünglichste gewesen ist. Für den Agypter ist es aber nimmer lastig gewesen ver¬ 
schiedene Vorstellungen ruhig nebeneinander zu stellen, ev. zu behalten. 

Weiter weist der Ausdruck ind hr, im Anfang einer Passage gesprochen, auf ein Gebet. 
Der ganz gewöhnliche Gruss — Heiler gibt davon viele Beispiele 38 ) — wird auch gebraucht 
um die Bitte einzuleiten. In den Pyramidentexten folgt viermal auf das ind hr der Königs- 
name. In allen vier Fallen wird eine konkrete Bitte ausgesprochen 39 ). Wenn Götter und 
göttliche Wesen mit diesem Ausdruck angerufen werden, folgt meistens eine Bitte. Gerade die 
Bitte ist das wichtigste. 

Gegrüsst seist du, Ochs der Ochsen. 

nimm mich zu dir 40 )- 

Die Antwort des Re bleibt nicht aus: Zu mir gehörst du. 

Die Texte die mit ind hr anfangen sind gewiss ursprünglich in der 1. Person abgefasst 
worden 41 ). In Pyrt. 468 f. sind es keine Götter, sondern vier Himmelswesen die mit ind hr 
angerufen werden. Gewiss mit der Absicht sie günstig zu stimmen: 

Gegrüsst seist du, Tochter des Anubis, die sich befindet an den Öffnungen 
des Himmels, Dienerin des Thot, die sich befindet an den Holmen der Leiter. 

Diese ehrenden und huldigenden Worte stehen nur im Dienste der Bitte, die ganz kurz 
ist: 

Öffne meinem Weg, damit ich passieren kann. 

In diesem Text werden im Gebet Himmelwesen angeredet, die dem Toten bei der Auf- 
nahme in den Himmel helfen können. Oft wird an Re oder irgendeinen Gott appeliert, damit 
er dem gestorbenen König beistehe. Sethe bemerkt 42 ), dass obengenannte Anrufungen in 
nichts den König erkennen lassen. Es sind wahrscheinlich Texte, in welchen der gewöhnliche 
Agypter die Hilfe von Zwischenwesen anruft statt der Hilfe des Re. Dies würde in dieselbe 
Richtung weisen wie die Fahrmanntexte. 

Ebenfalls muss die Einleitung zum Gebet erwahnt werden, die in den Opfertexten oft 
vorkommt. Der Ausdruck: htp dj nsw-t. Man kann übersetzen: der König sei gnadig und 
gebe. Oder auch: der König ist gnadig und gibt. Dasjenige was erbeten wird folgt auf diese 
Formel. 

Sie setzt die Stelle, welche der König einnahm, voraus. Im alten Reiche gilt der König 
als der c grosse Gott 0 . Diese höchste Würde hat zur Folge, dass die Aussagen die von dem 
Wirken der Götter gemacht werden, ebenso auch bei den Herrschern zu f inden sind. In seinem 
Grab hat der Wesir Rechmere im Hinblick auf dem König erschreiben lassen: hinschreiben ist 
eine Gott von dessen Handlungen man lebt. Das ist der Hintergrund der Formel htp dj nsw-t. 
Ganz Agypten lebt, ist abhangig von dem König. Er wird angerufen, weil er imstande ist Hilfe 
zu leisten, aber auch, weil alle Hilfe von ihm kommen muss. Im Laufe der Zeiten ist der Wert 
dieser Formel herabgesunken. Sie ist ein bestimmter Ausdruck geworden, der ein Gebet 
einleitet. Merkwürdig, dass diese Ausdruck auch von Priester zum Behufe des Königs ge¬ 
braucht wird: 

o N., gnadig sei der König, und er gebe, 
dass du deine Horischen Statten bewohnest, 
dass du deine Sethischen Statten durchwandlest, 
dass du dich setzest auf deinen ehernen Thron, 

dass du richtest an der Spitze der grossen Enneade, die in Helopolis ist 43 ). 


37 ) Pyrt. 599. 

41 ) Sethe, Übersetzung III, 28 f. 

m ) Heiler, Das Gebet, S. 80. 

42 ) Ibidem II, 272. 

30 ) Pyrtt. 743, 1639, 1989, 2042. 

43 ) Pyrt. 770. 

40 ) Pyrtt. 547/8. 







56 


EGYPTISCHE PHILÓLÖGIE 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 


57 


Ungeachte der Tatsache, dass der König imstande ist alles zu geben, so zeigt sich die Auf- 
fassung, dass von dem Allherrn doch einen Abstand eingehalten werden müsse. In Bezug auf 
verschiedene Sachen werden für den ersteren Gehete ausgesprochen. Der König darf als Gott 
angesehen werden, er ist nichtsdestoweniger auch von höheren Göttern abhangig, die machtiger 
sind als er. Ist es undenkbar, dass der König als Sohn des Re nicht freundlich von Re 44 ) oder 
Atum 55 ) empfangen wird, andere Götter dagegen können eine weniger freundliche Haltung 
annehmen. Sie würden ihre Unzufriedenheit über das Kommen des Königs zum Himmel 
dadurch zeigen können, dass sie ihre dnd zu ihm ausgehen lassen. Einige Male wird im 
Spruche 576 gesagt, dass der König davon nicht getroffen werden wird. Welche diese Götter 
sind ist nicht klar. Götter der Unterwelt, die ihn in ihrer Macht behalten wollen? Wir lesen 
auch, dass Nun und Pg* dem König den Göttern des Himmels befehlen. Sie sagen: 

Greife dir T. bei seinem Arm, nimm dir T. zum Himmel, damit der König auf der Erde unter 
den Menschen nicht sterbe 4 ' 6 ). 

Im Spruche 575 wird dreimal Re dazu von gewöhnliche Menschen angerufen: 

o Re, sagen die Menschen, die sich neben dem P. auf der Erde bef inden, indem du aufgehst im 
Osten des Himmels: gib deinen Arm dem P., nimm ihn mit dir nach der östlichen Seite des 
Himmels. 

Ein Gebet der Untertanen für den König. Es hat also Zeiten gegeben, in welchen es für 
den Agypter nicht selbstverstandlich war, dass der König q.cp ewiges Leben hatte. Sonst ware 
solch ein Gebet überflüssig gewesen. Zu gleicher Zeit ist zu bemerken, dass die Untertanen am 
Fortleben des Königs in der ewigen Welt interessiert waren. 

In der Formel htp dj nsw-t kann statt des Königs Anubis stehen. Als Herr der Gestorbe- 
nen hat er dafür zu sorgen, dass die Toten ihre Opfer erhalten: 

Anubis, der an der Spitze der Westlichen ist, sei gnadig und gebe deine 
Tausende an Brbten, deine Tausende an Bier, usw. 47 ). 

Dies alles geschieht um des Königs willen, der vor dem Re steht im Osten des Himmels. 
Bisweilen wird Anubis neben dem König genannt. So Pyrt. 806/7: 

Gnadig sei der König und gebe, gnadig sei Anubis und gebe 
deine Tausende an Jungtieren der Antilope. 

Auch andere Namen werden in dieser Formel genannt. Es ist aber auch möglich, dass 
kein Name genannt wird: 

Sieh, o Re, den W.; erkenne, o Re, den W. 

Er gehort zu denen die dich kennen. Er weiss 

wenn sein Herr hervorgeht, so darf er nicht das htp dj (Gebet) vergessen 

damit die „welche ausschliesst wen sie ausschliessen wil!’ die Thürflügel des Horizontes 

öffnet für den Ausgang der Morgensonnenbarke 4S ). 

Obgleich der Name eines Gottes fehlt wird zweifelsohne der Sonnengott angeredet, der 
im Anfang des Textes genannt ist. Gebeten wird, dass er seinen Auftrag der Wnt wns geben 
wird, damit sie ihre tagliche Arbeit verrichten wird. 

Der Sonnengott wird besonders gepriesen bei seinem Aufgang. Alles beteiligt sich an der 
Lobpreisung. So gilt auch das Kreischen der Affen beim Aufgang der Sonne als ein Loblied, 
mit dem sie die Sonne begrüssen. Erman nennt dies Preisen der Sonne durch die Paviane 
ein Anbeten 49 ). Wie es scheint gibt das Wort dws ursprünglich die Handlung wieder, die am 
Morgen geschieht, namlich das Gebet 50 ). Der Morgen ist die Zeit, die besonders Wert hat, 
die besondere Macht besitzt. An jedem Morgen aufs neue offenbart sich diese Macht als Heil 
für den Menschen. Er und alles was lebt kann beten, damit die Macht die sich in der Zeit 
offenbart über den kritischen Punkt hinauskommt und fortdauert. Das Gebet kann sich an 


44 ) Pyrtt. 531, 1471, 1496. 

45 ) Pyrtt. 604, 993. 

46 ) Pyrt, 604. 

47 ) Pyrt. 745. Junker bemerkt, dass der König 
die Opfer gibt, dass Anubis es möglich macht die 
Opfer zu genfessen. H. Junker, Bericht über die 


Grdbungen auf dem Friedhof des Alten Reiches bei 
den Pyramiden von Giza. Band TT, S. 44. 

4S ) Pyrt. 495. Übersetzung von Sethe. 

49 ) A. Erman, Die Religion der Aegypter. Berlin, 
1934, S. 20. 

50 ) Ibidem , S. 441. 


eine bestimmte Gottheit wenden, besonders aber an die Sonne beim Aufgehen, an den Sonnen¬ 
gott. Bedeutet dw* Morgen, das Verbum dw* wird ursprünglich bedeutet haben: am Morgen 
anbeten 51 ). Das Anbeten geschieht gewöhnlich von den Lebenden und gilt vorerst Re. 

Es fibt auch Texte, in denen die Verehrung des verstorbenen Königs mit dw3 wieder- 
gegeben wird: 

Die Statten meines Reiches, die Statten des Horus, die Statten des Seth, 

die Bmsenfelder verehren dich in diesem deinem Namen: Dzvjiv, wie Sobdu 52 ). 

In cliesen Texten, in denen der verstorbene König als ein Sohn des Re betrachtet wird hat 
das Verbum dw* eine umfassendere Bedeutung bekommen: preisen, huldigen. Im Laufe der 
Zeit hat das Wort divs also eine Bedeutung bekommen, bei der man gar nicht an Re und sein 
Aufgehen zu denken braucht 53 ). 

Neben findet man nur ganz selten einen Ausdruck, der mit beten übersetzt werden 
kann. In dem schwer zu übersetzenden Text Pyrt. 161 stehen die Wörter: spr nf, die bedeuten 
können: der ihn (Osiris) gebeten hat. 

Das Wort sh gedenken, sich erinneren setzt voraus, dass der Gott den Beter kennt. Er 
ist schort öfters angerufen, ist mit der Not bekannt. So ruft ein Priester einige Götter an für 
denj enigen dessen religiösen Interessen er wahrt: 
gedenket seiner, dieser W. 54 ). 

Wenn auch keine Wünsche geaussert werden, es genügt, dass die Gottheit sich des Beters 
erinnert. Dies umfasst auch die Beschützung des Gottes der angerufen wird. 

Wenn nicht ein Ausdruck des Betens, dann doch eine Sprechweise bei der das Beten eine 
wichtige Rolle spielt, ist 

das Wenden des Gesichtes zu dem Gotte 55 ). 

Wie der Untertan erwartungsvoll sein Gesicht zu dem Machthaber wendet, von dem er 
die Erfüllung seiner Bitte zu erringen sucht, so wendet der Beter sein Gesicht zu der Gottheit 
um seiner Bitte Gehör zu verschaffen. 

Auf dieser selben Ebene liegt der Ausdruck m n, das Sehen auf irgendeinen Gott: 

W. hat gesehen auf dich, wie Horus hat gesehen auf Isis i5 °). 

Plieraus spricht die Erwartung. Die Gottheit ist imstande zu geben was man wünscht. Es 
ist möglich, dass die Gebetshaltung wichtiger ist als die Worte die gesprochen werden. Heiler 
bemerkt 57 ), dass wenn die c Gebardensprache 3 alter ist als die Lautsprache, das Gebet ur¬ 
sprünglich nur in bestimmten Gebarden bestand 58 ). Das Wenden des Gesichtes würcle ein 
Teil des Preisens des Gottes bilden können. 


Wenn W. sein Gesicht wendet zu dir, o Re, wenn (oder damit) er dich preist 
sagt Pyrt. 484., wobei kein genauerer Inhalt des Gebetes genannt wird. Dasselbe ist auch 
der hall in Pyrt. 498. Der Spruch fangt an mit dem Anrufen verschiedener Gottheiten, einge- 
leitet von dem ind hr. Hierauf folgt gewönlich die Bitte, welche hier nicht ausgesprochen 
ist. Vielleicht weil es ganz überflüssig ist. In dem c sehen auf 3 liegt schon alles beschlossen. 
Wenn dem Beter auf dieselbe Weise geholfen wird wie einmal Horus geholfen worden ist, 
hat er seine Absicht erreicht. Die Möglichkeit ist obendrein grösser in der Gebetsgeste richtiger 
die Haltung gegenüber der Macht die sich manifestiert anzunehmen als in den Gebetsworten, 
die mit Rücksicht auf die verschiedenen Umstande geandert werden müssen. Schwerlich ist es 
zu entscheiden inwiefern die Gebetsgesten einen die Gottheit zwingenden Charakter besitzen. 
Dies gilt natürlich ebensogut von den Worten die ausgesprochen werden. Es besteht nun 
einmal eine enge Verwantschaft zwischen Geste und Wort. Allgemeiner gesagt zwischen 
Ritus un Mythe. 


51 ) Sethe, Übersetzung I, 325; II, 314. 

52 ) pyrt ^go. Sehe auch die jüngere Lesung in 
Pyrt. 994. 

53 ) py r t' 656 , 

Pyrt. 150. 

55 ) Pyrt. 484, siehe auch 498. 


56 ) Pyrt. 489. 

57 ) Heiler, Das Gebet, S. 98. 

I58 ) Siehe auch van der Leeuw, Phdnomenologie, 
S. 318, wo er ein Zitat Chestertons anführt: „der 
Mensch war Ritualist, bevor er noch sprechen 
konnte”. 


Jaarbericht N° 15 



I 


58 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

Das Anbeten, dw*, hat man wohl mit erhobenen Hnden getan. Das Detrminativ 
des sitzenden Mannes mit erhobenen Arm fehlt jedoch in den Pyramidentexten. Nur in Pyrt. 
285 steht im W. Text hinter dw* auch ein Determinativ, das ein Paar erhobene Arme darstellt. 
Ein ahnliches Determinativ wird auch einige Male hinter Uw, preisen, huldigen gestellt 59 ). In 
Pyrt. 1708 und 2077 der Mann mit erhobenen Armen. 

Re ist derjenige dem Uw vom verstorbenen König bewiesen wird: 

Er beweist dir Huldigung (auf) Huldigung 60 ). 

Dies tun auch die Götter: 

Sie preisen dicli (den gestorbenen Fürsten), sic kommen zu dir, beugend, wie sie 

Re preisen, wie sie kommen zu ihm, beugend 61 ). 

Dieser Text zeigt, dass auch dem verstorbenen König Uzv bewiesen wird 62 ). Er empfangt 
Uw ebensogut wie ein Gott. Auf jeden Eall deutet das Uw auf eine Huldigung zu Ehren eines 
Gottes 63 ). Eine andere Ehrenbezeigung, der Gottheit erwiesen, ist das ksj, das sich ehrfurchts- 
voll niederbeugen. In Pyrt. 1542, oben angeführt, wird über eine Huldigung, die Re gebracht 
wurde gesprochen. In Pyrt. 57 erhalt Horus diese Ehre: 

Gib, dass die beiden Lander sich vor dem W. beugen, wie sie sich vor Horus beugen. 

Der verstorbene König bekommt diese Huldigung auch. Selbst die Götter nahem sich 
beugend. Die Menschen bleiben nicht zurück 64 ). In Pyrt. 2038 kommen alle die sich im 
Himmel und auf der Erde befinden beugend zu dem verstorbenen König. Wenn von den zwei 
Palasten gesagt wird, dass sie beugend kommen 65 ) sind damit ohne Zweifel die Palastbe- 
wohner, die Diener des Fürsten gemeint worden. 

Das sich niederbeugen ist nicht nur eine Verbeugung mach en, wie es auf den Bildern oft 
zu sehen ist, sondern ein sich zu Boden niederwerfen. Jedenfalls ist dies nachdrücklich 
erwahnt: 

Zu dir kommen die jhzv beugend, sie küssen die Erde zu deinen Füssen 66 ). 

Im Gebet wendet sich der Mensch an eine Macht, die grösser ist als erselbst, die daher 
gepriesen werden muss. Aber diese Macht ist auch starker. Daher kann sie angerufen werden, 
damit sie in allerlei Lagen, in denen der Mensch sein Schwachheit spurt, helfe und unterstütze. 
Aus der konkreten Not des Augenblicks geboren wird das Gebet ursprünglich einen konkreten, 
auf das augenblickliche Bedürfnis bezogenen Inhalt gehabt haben. Je nachclem der Mensch 
sich mehr der absoluten Macht seines Gottes bewusst ist und mehr von seiner früheren Güte 
und Hilfbereitsschaft überzeugt ist, wird er nicht den Augenblick der aussersten Not ab- 
warten bevor er die Gottheit anruft. Er ruft in einer gewissen Abhangigkeit den Gott an, der 
Dinge geben kann über die er nicht verfügt. Wenn solche Gebete in den Pyramidentexten 
nicht so stark in den Vordergrund treten, hangt dies mit der Stellung des Königs zusammen, 
für den sie nicht zweckentsprechend sind. Q.q. verfügt er über alle Macht und Kraft ebenso 
wie die Götter. Kaum ist die Rede von der Abhangigkeit von einer Gottheit. Diese wird 
obendrein geschwcht, wenn der Gedanke anwesend ist, dass die Gottheit zu einer Gegenleistung 
auf Grund einer Leistung des Menschen verpf licht et ist. Die gegenseitige Abhangigkeit bewirkt, 
dass der Mensch sich auf eine Linie mit der Gottheit stellt, sich selbst über sie erhebt. Dazu 
kommt, dass die Pyramidentexte einen allgemeinen Charakter tragen. Das Andern eines 
Namens ist bloss nötig um den Text zu Gunsten eines Andern zu brauchen. Man bemerke nur 
die vielen stereotypen Ausdrücke, in denen sowohl das Persönliche wie das Ursprünglichc 
überwuchert ist, obwohl es nicht ganz verschwunden ist. Zu den altesten Gebeten werden über 
die ganze Welt diej enigen gerechnet in denen — oft mit einem Wort — die Not ausgedrückt 
wird, ausgeschrieen wird. Gewöhnlich sind elementare Lebensbedürfnisse Gegenstand der 
Bitte. Leben und Gesundheit formen am haufigsten den Anlass zum Gebet. 


50 ) Pyrtt. 303, 1542. 

6:i ) Pyrt. 303. 

c°) pyrf 500 j r f n k 

04) py r t . 1565. 

G1 ) Pyrt. 1542. 

65 ) Pyrtt. 1297, 1369, 2017. 

62 ) Siehe Pyrt. 753. 

6G ) Pyrt. 755; siehe auch 1155. 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 59 

Hinter dem Namen des Königs steht oft der bekannte Ausdruck: c nh, wds, snb: Leben, 
Heil, Gesundheit, Bisweilen in Verbindung mit rdj, beschenkt mit. So wird von Pjpj gesagt: 
beschenkt mit allem Leben, Dauer, Wohlsein, Gesundheit und Freude, wie Re 67 ). 

P. ist also mit denselben Vorrechten beschenkt die Re besitzt. Hier wird nicht um etwas 
gebeten, nur etwas konstatiert. Pyrt. 707 fangt an mit einer Bitte um Nahrung. Re wird ange¬ 
rufen und auch gebeten: 

mögest du mir bringen Leben, Wohlsein, Gesundheit und Freude. 

Hier wird der grosse Gott gebeten diejenigen Dinge zu schenken, über die ein Mensch 
nicht verfügen kann. In den altesten Zeiten ist möglicherweise nur gerufen: Leben! Heil! 
Gesundheit! Drei Gebete, die spater in dem bekannten Ausdruck vereinigt sind. 

Etwas langer ist Pyrt. 779: 

versieh den P. mit Leben und Wohlsein, damit er nicht sterbe. 

Dieser Text gehort zu einer Gruppe, in der die Nut verherrlicht wird.. In allerlei ehren- 
vollen Lobpreisungen wird über ihre Macht gesprochen. Solch eine vortreffliche Göttin anzu- 
rufen ist von der grössten Wichtigkeit für den Toten. Passt die Bitte, zum unvergang- 
lichen Stern an den Himmel gesetzt zu werden in das Ganze der vier Texte schlecht 68 ), die 
Möglichkeit ist nicht ausgeschlossen, dass die Bitte um Leben und Gesundheit ursprünglich ist. 
[n den vier Texten Pyrt. ist Nut die Machtige die schützen kann. Das Gebet um 

Leben hat in unserm Texte durch seine Motivierung — damit er nicht sterbe — schon etwas 
von seiner ursprünglichen Kürze verloren. Die Epitheta, der Nut herbeigegeben, beabsichtigm 
nicht nur das Lob der Göttin zu preisen, sondern auch sie günstig zu beeinflüssen, sie mild 
zu stimmen, damit die Bitte genie und bald erhört wird. In verschiedener Weise wird also 
Nut daran erinnert, dass es viele Gründe gibt der Bitte Gehör zu verschaffen. Neben dem 
Gebet um Leben und Gesundheit erhalt die Bitte um Nahrung einen wichtigen Platz. In Pyrt. 
121 wird gesagt, dass es Re ist, der Gerste, Spelt, Brot und Bier gibt. Er ist also die Quelle 
aller Nahrung. In einer Sonnenhymne — Spruch 587 — wird Re gepriesen als derjenige der 
Agypten geschmückt hat, geschaffen und ausgestattet. Seinerseits opfert Agypten ihm 
Agypten wird das Horusauge genannt — die Produkte des Landes. Jetzt wird der König mit 
dem Re identifiziert. Er schenkt Agypten dieselbe Wohltaten wie der Re, erhalt ebenfalls die- 
selben Opfer. Der König braucht also nicht um Nahrung zu beten. Zwar kann er des Brotes 
nicht entbehren, aber er empfangt es q.q. Auch im Jenseits soll er Überfluss an allen guten 
Dingen haben. Auch da wird ihm das Mahl wie dem Gotte bereitet, lebt er von der Speise 
von der die Götter leben. Der verstorbene König sitzt beim Tisch, auf dem ihm 

seine Tausende von B roten, seine Tausende von Bier, seine Tausende von Ochsen, 
seine Tausende von Vogel, seine Tausende von allen Dingen von denen ein Gott lebt 69 

gebracht werden. 

Dennoch finden wir den Ausspruch, obwohl es nicht deutlich ist an wen diese Bitte ge¬ 
richt et ist: 

gib Brot dem P., gib Bier dem P., von diesem Ewigkeitsbrot deiner, 
von diesem Ewigkeitsbier deiner 70 ). 

Das Erhalten des Brotes und des Bieres ist also, auch für den König, keine selbstver- 
standliche Sache. Der Text, ursprünglich in der 1. Person gestellt, enthalt eine Bitte um Brot 
und Bier, in denen Lebenserneuerung ist, das Wesen des ewigen Lebens 71 ). 

Hunger und Durst sind Machte, die mit starker Hand ins Leben eingreifen. Der Agypter 
wusste sich von dem Überschwemmungswasser des Nils ahangig. Daher hat man zu allen Zei¬ 
ten genau sein Anschwellen beobachtet. Stieg das Wasser zu wenig, so waren Misswachs 
und Hungersnot die Folge. Daher die Bitten aus dieser konkreten Not gerettet zu werden. Sie 
können an den grossen Gott gerichtet sein, dem gegenüber man sich völlig machtlos fühlt, auch 

67 ) Pyrt. 787; siehe auch Pyrt. 7, 8. 

° 8 ) Sethe, Übersctzung ITT, 434. 

69 ) pyrt, 2027. 


70 ) Pyrt. 1177. 

71 ) W. B. Kristensen, Het leven uit den dood, 
Haarlem, 1926, S. 51. 







6 o 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 


61 


■«t 


an eine Gottheit, die urn Fürsprache angerufen wird. So wird die grosse Flut (sgb wr) gebeten 
die Menschen und Götter für den T. gnadig zu stimmen, damit sie ihm ein Mahl geben 72 ). 
Ebenso wird Wr ksf gebeten: 

gib dem T. reichlich (wr) denn er isst soviel wie du gibst 73 ). 

Gerade in den letzten Worten zeigt sich, dass es seine Zeit gegeben hat, in der man sich 
beim Erhalten der Nahrung völlig abhangig von höheren Machten wusste. 

In dem schon genannten Text 707 wird Re gebeten um Leben, Wohlsein, Gesundheit 
und Freude. Aber auch um Brot, Bier, Kleidung und Nahrung. Der Text ist schematisch auf- 
gebaut. Der bekannte Ausdruck: Leben, Wohlsein, Gesundheit ist erweitert mit Freude. Jn der 
folgenden Reihe ist Nahrung eine Wiederholung, augenscheinlich hinzugefügt um zu dem 
Viergliederschema zu kommen 74 ). Re ist es, den man ebensogut bittet um Nahrung und 
Kleidung wie um Leben und Gesundheit. 

Gebete um Gesundheit werden auch an Thot gerichtet. In Pyrt. 830 steht die kurze Bitte: 
Thot, heile mich, damit was an mir ist, nicht mehr sei. 

Dieser Text steht zwischen Sprüchen die über die Reinigung des Toten handeln. Nut wird 
sein Haupt und seine Knochen vereinigen. Sie wird sein Herz in den Leib zurückbringen. Von 
Thot ist nicht die Rede. Die Bitte: vereinige meine Knochen, ausgesprochen von einem Priester 
zum Behufe des Toten ist verstandlich. Dass der Tote selbst diese Bitte gebeten haben würcle, 
ist m.E. ausgeschlossen. In diesem kurzen Text sehe ich denn auch eine spontane Bitte an 
Thot, den Gott der heilt 75 ). 

In Pyrt . 990 wird Re gebeten: 

Re, befruchte den Leib der Nut mit dem Samen des Geistes, der in ihr sein wird. 

Der Spruch, in dem dieser Text zu finden ist, beschaftigt sich mit der Aufnahme des 
toten Königs in den Himmel. Er dringt ein in den Leib als ein Same, aus dem ein Geist ent- 
stehen wird. Re wurde als der Erzeuger betrachtet. In Pyrt. 1416, in dem über dieselben 
Dingen gesprochen wird, ist Geb Trager des götlichen Samens. Auch in Pyrt. 532 ist die Rede 
von der Befruchtung der Nut, mit einem göttlichen Samen. Dasjenige was mit Rücksicht auf 
Osiris, den Sohn des Geb und der Nut, gesagt werden lcann gilt auch von dem verstorbenen 
König. Sethe aussert den Gedanken, dass auch an Re gedacht werden könne als Sohn der 
Himmelsgöttin 76 ). Dies ist schwer in Übereinstimmung zu bringen mit dem Vorhergehenden, 
worin Re gefragt wird: gib deinen Arm dem T. Übrigens scheut der Agypter solche Inkonse- 
quenzen nicht. Ich möchte in Pyrt. 990 eine Bitte sehen, die ursprünglich eine Bitte um 
Kindersegen gewesen ist. Man wollte wohl nicht sagen, dass Re der Erzeuger des verlangten 
Kindes war, aber man war sich bewusst auch hierin von der Gottheit abhangig zu sein. 

Es ist also nicht nur die augenblickliche Not, die zum Beten drangt, sondern auch das 
Verlangen nach Lebensbereicherung. Je nachdem der Mensch mehr überzeugt ist, dass die 
Hilfe, welche er bekommt, von der Gottheit kommt, wird er in allerlei Umstanden ihre Hilfe 
anrufen. So betet der König: 

lass dein Messer (Schwert) stark sein gegen meine Feinde 77 ). 

Er wartet den Augenblick nicht ab wo die Flilfe nötig sein wird, sondern schon im voraus 
ruft, er die Gottheit an, verbürgt er sich ihren Beistand. All dieses gilt noch in viel starkerem 
Masse für das Jenseits. Das jenseitige Glück wird auch zum Gegenstand des Gebetes. 

Es ist merkwürdig, dass in den Pyramidentexten die Gebete fehlen, in denen die Sünde 
gegenüber der Gottheit bekannt wird, von Reue die Rede ist, um Vergebung gebeten wird. 
Ohned Zweifel enthalt die Behauptung Junkers 78 ) viel wahres: die magische Kraft der 
Zauberformel macht die Bitte um Vergebung überflüssig. Es ist aber nicht der einzige Grund. 
Die Sünde wird verneint, wenigstens für den König 


72 ) Pyrt. 559. Sehe auch 565. 

73) Py r tf' 560, 566. 

74 ) Sethe, Übersetzung III, 299. 

75 ) Siehe aber Pyrt. 639, Hier empfangt Thot von 
Geb, also dem Gott der Erde, den Auftrag dem Toten 


sein Haupt zurückzugeben. 

7€ ) Sethe, Übersetzung II, 418. 

77 ) Pyrt. 197. 

78 ) Junker, Pyramidenzeit, S. 91, 


Es gibt keine Beschuldigung gegen W. auf der Erde bei den Menschen. Es gibt keine 
Verurteilung (Schuld) im Himmel bei den Göttern 80 )- 

Ein einziges Mal wird eine konkretes Vergehen genannt, dann aber betrifft es eincn 
gewöhnlichen Agypter: 

ich liabe den König nicht beschimpft, ich habe Bastet nicht geehrt! 80 ) 

Es ist also die Rede von bösen Taten, auch den Göttern gegenüber. Der König braucht 
davon nicht bef reit zu werden, einfach weil er sie nicht getan hat. Die Göttlichkeit des Herr- 
schers schliesst ein, dass seine Handlungen nie als ein Verstoss gegen die göttlichen Normen 
gebrandmarkt werden können. Doch gibt es negative Schuldbekenntnisse, in denen der König 
jede Verfehlung ableugnet. Es ist also nicht mehr selbstverstandlich, dass kein Schatten einer 
Schuld auf ihn f allen durf te. Wenn seine Unschuld über jeden Zweifel erhaben war, braucht 
er in Pyrt. 1238 nicht zu sagen, braucht ev. der Priester nicht zu sagen: 

P. ist der Sohn des Clinum, es gibt nichts Schlechtes, von ihm getan. Angenehm ist 
dieses Wort vor dem Antlitz des Re. Höre es, Stier der Enneade. 

Der König vertraut nicht nur auf sein Recht und seine Verdienste. Er nimmt seine Zu- 
f lucht auch zum Gebet. Dabei rühmt er sich seiner Rechtschaffenheit im Reden und Handeln, 
damit der Gott ihm ein geneigtes Ohr leihen moge und seine Bitte günstig erhören wolle. 

Die Vorzüge können auch positiv ausgedrückt werden: 

du (o Morgenster), du lasst diesen T. sitzen um seiner Gerechtigkeit willen, du lasst 
ihn stehen um seiner Ehrwürdigkeit willen 81 ). 

Oder: 

ich habe den Re gepriesen... damit er mit gnadig sei 82 ). 

Nur das Rezitieren des Morgengebetes genügt um die Gunst des Re zu gewinnen. Das 
Ehren der Gottheit ist allerseits eine Sache von grosser Bedeutung. Der Priester rezitiert in 
Pyrt. 272: 

führt den W. ein unter Fürchten; schmückt den W., der euch alle geehrt hat, 
als er den Menschen befahl. 

Wie ein Opfer kann auch ein Gebet Einfluss geltend machen. Eine Macht wird entwickelt, 
die neue Kraft, die die Gottheit in Bewegung setzt. Gerade die Stellung des Königs zeigt, 
dass die Grenze zwischen Gott und Menschen noch nicht prinzipiell gedacht ist. Wenn aber der 
König nachdrücklich von den gewöhnlichen Sterblichen unterschieden wird, ist man sich schon 
von einer mehr prinzipiellen Scheidung zwischen der göttlichen und der menschlichen Welt 
bewusst geworden. 

Aus den Gebeten des Königs geht hervor, dass er an beide Welten gebunden ist. Bald liegt 
der Nachdruck auf der Tatsache, dass er ohne göttliche Hilfe fertig werden kann. Bald ist 
die Rede von einer Abhangigkeit, die zeigt, dass er nicht auf gleicher Stufe mit den höheren 
Wesen steht, ihre übermenschlichen Krafte nicht entbehren kann. Bisweilen laufen diese 
beiden Anschauungen ruhig nebeneinander. Sieh Pyrt. 499: 

W. wird nicht blind sein, wenn du ihn in die Finsternis setzt. W. wird nicht taub sein, 
wenn er deine Stimme nicht hort. 

Selbst wenn die Götter Massnahmen ergreifen würden, die ihn schmerzlich treffen wür- 
den, braucht er nicht empfindlich darüber zu werden. Nichtsdestoweniger betet er: 
nimm dir den W. zu dir, zu dir 83 ). 

Das ist nicht unzweckmassig für Re, denn 

er vertreibt dir das Unwetter; er verjagt dir die Wolken; er zerbricht dir den Hagel, 
er beweist Huldigung (auf) Huldigung, Lobpreisung (auf) Lobpreisung 84 ). 

Wir können hierin eine Tat der Dankbarkeit erblicken die der verstorbene König dem Re 


79 ) Pyrt. 462. 

80 ) Pyrt. 892. Siehe meinen Artikel in Pro Regno 
pro sanctuario, Nijkerk, 1950, S. 110 f, mit mehreren 
Belegstellen. 


81 ) Pyrt. 1219. 

82 ) Pyrtt. 1087. 

83 ) Pyrt. 500a. 

81) pyyf' 500 b.c. 





Ó 2 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

beweist. Ein gewöhnlicher Gedanke, wenn es das Huldigen und Preisen betrifft. Das Danken 
durch kosmische Begebenheiten liegt in einer anderen Sphare. Gott und Mensch können 
einander nicht entbehren. Es ist die Rede von einer gegenseitigen Abhangigkeit. Das Geben des 
Menschen ist ebenso notwendig wie das Geben des Gottes. Gott und Mensch sind aufeinander 
angewiesen. Jeder ist von dem anderen abhangig. Entzieht sich der Eine dem Werk, das er 
übernommen hat, so gibt es die Möglichkeit, dass das Leben unterbrochen wird. Beten ist 
Kraft üben. Auch das Huldigen und Preisen ist nicht so sehr ein Beweis der Dankbarkeit, 
sondern vielmehr ein c in Bewegung setzen 0 der Gottheit, die dadurch imstandc ist dem Men¬ 
schen zu geben was er braucht. Man soll der Gottheit keine Ruhe lassen. 

Diese Ansicht bringt mit sich, dass da kaum die Rede von Dankgebeten ist, in denen die 
Anerkennung ausgesprochen wird, dass die Gottheit dem Menschen eine Hilfe zuteil werden 
Hess. Sowohl das Memorieren der erhaltenen Hilfe wie das Bringen der Opfer haben wir nicht 
im Lichte einer uneigennützigen Dankbarkeit zu sehen. Wenn auch die schlechthinnige Ab¬ 
hangigkeit anerkannt wird, ist es gar nicht nötig, dass der Beter zum Danken kornuit. Das 
Beten bleibt tatsachlich ein Fragen. Ein Bitten um die elementarsten Dinge. Ein Verlangen, 
das selbstisch ist, z.B. 

Re, entferne ihn (den Schreiber) aus seiner Stelle; setze den P. an seine Stelle, 
damit der P. glücklich ist mit seinem Stabe 85 ). 

In dem vorhergehenden Text wird der Schreiber aufgefordert seine Stelle aufzugeben um 
dem Toten Platz zu machen. Wenn der Schreiber die Forderung nicht befolgt wird Re gebeten 
dem Toten die Privilegiën des Schreibers zu geben. Dass seine vorzugsstellung vertieren 
muss, darüber wird nicht weiter nachgedacht. Sollte es so sein, dass dieses Gebet eher von 
einem gewöhnlichen Agypter ausgesprochen wurde als von dem König, der Eigennutz ist die 
Veranlassung zu dieser Bitte, ein Eigennutz, der nicht mit den Umstanden eines Andren 
rechnet. 

Die Liebe Gottes, gerichtet auf den Menschen, besonders auf den König, wird dann und 
wann konstatiert. Der König ist ja der Sohn des Gottes. Dankbarkeit hierfür wird aber nicht 
geaussert. Wohl erwahnt der Fürst, dass er 

Liebe hat zu dir in seinem Leibe, Liebe hat zu dir in seinem Herzen 80 ). 

Menschliche Liebe genügt aber nicht um der göttlichen Liebe gewiss zu sein. Ebensowenig 
wie die Liebe der Gottheit zu den Menschen über allen Zweifel erhaben ist. So wird eine 
unbekannte Gottheit angerufen um 

Liebe zu mir, Sympathie ( srn-t) zu mir, in den Leib aller Götter zu geben 87 ). 

Die Liebe des Gottes ist kein Grund auf den man sich beim Beten berufen kann. Will 
man einigermassen dieser Liebe gewiss sein, so ist es bisweilen nötig die Vermittlung irgend- 
einer Gottheit hineinzubeziehen. 

Die Tatsache, dass die Gottheit oft als ein Fürst gedacht wird, umgeben von einem um- 
fangreichen Hofstaat, bringt mit sich, dass ein auf Liebe basiertes Verhaltnis fast fehlt. Von 
Liebe ist nur die Rede beim König. Er nennt sich 

den Sohn des Re, des Gottes, den Sohn des Re, den er (Re) liebt 88 ). 

Dies verhindert nicht, dass der König an allerlei Gottheiten appeliert, die freien Zutritt 
zum grossen Gott haben und auf diese Weise bei ihm ihr Wort für den Betenden einlegen. Die 
Liebe des Re ist keine genügende Garantie um sich ihm völlig anzuvertrauen. 

Neben dem grossen Gott — gewöhnlich Re — werden viele andere Gottheiten anngerufen. 
Bisweilen eine grosse Menge zugleich, damit man von der Hilfe um so fester überzeugt 
ist. Unter ihnen trifft man eine Menge weniger bekannte Gottheiten an, deren Hilfe man 
gleichfalls zu würdigen weiss. Möglicherweise gibt es etliche göttliche Wesen, die in einer be- 
stimmten Gegend oder Stadt geehrt wurden oder irgendwie in Verbindung stehen mit einem 
Stadtgott, der in Pyrt. 891 angesprochen wird: 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 63 

o mein Stadtgott, mein Ka sei an deinen Fingern. 

Sethe setzt voraus, dass diese Bitte nicht vom König ausgesprochen wurde 89 ). Der König 
hat die Hilfe eines Stadtgottes bestimmt nicht nötig. 

Der Agypter hat natürlich bemerkt, dass allerhand Gehete nicht erhört worden sind. Doch 
wird über das Problem der unerhörten Gebeten in den Pyramidentexten nicht gesprochen. Es 
ist schwer zu behaupten, dass man einfach darüber hinweggelebt hat. Das bestatigt der folgende 
Text: 

Jeder Gott, der seine Hand ausstrecken sollte, wenn das Gesicht des W. sich zu dir wendet, 
wenn er am Morgen dich preist, wenn er zu dir ruft wegen seiner Person ( d-t ) 
o Gott, wegen seiner Nase, o Gott, der soll kein Brot haben, der soll keine Kuchen haben 
inmitten seiner Brüder, o Götter 9,0 ). 

Der Hintergrund dieses Textes ist die Möglichkeit, dass das Gebet unerhört bleibt. Tat- 
schlich wird man dies oft empfunden haben. Man versucht die Ursache festzustellen, warum 
die Bitte nicht erhört ist. Re selbst trifft dafür die Schuld nicht. Ihn werden keine Vor- 
würfe gemacht. Es gibt andere Gottheiten, die das Gebet irgendwie verhindern, das Gebet, 
ev. den Beter* schadlich beeinflussen. Man rechnete völlig mit der Macht des Gottes, auch mit 
der Erhörung des Gebetes, aber bestimmte Gottheiten können den Menschen so lastig werden, 
dass das ganze Gebet misslingt, dass also kaum vom Gebet die Rede ist. Um von diesen über- 
lastigen Gottheiten bef reit zu werden braucht man nicht die Hilfe des grossen Gottes anzuru- 
fen, sondern man hof ft, dass eine Drohung genügt sie von ihrer heillosen Arbeit abzuhalten. 
Wie man Drohungen benutzt um seine Wünsche bei Menschen durchzusetzen ; so versucht 
man mit denselben Mitteln auch bei den Göttern seinen Willen zu erreichen. 

Eine Drohung kann aber auch den grossen Gott intimidieren, so dass er wohl genötigt ist 
das Gewünschte zu schenken. Wenn er doch nicht horen würde, ware die Möglichkeit nicht 
ausgeschlossen, dass das Universum der völligen Zerstörung preisgegeben würde. An dem 
Untergang wird er selbst auch teilhaben, so dass es für ihn etwa Selbstvertndliches ist das 
Gebet zu erhören. Die Erfüllung des Gebetes liegt im eigenen Vorteil des Gottes. Die Seg- 
nungen, die er zuteil werden lasst, kommen ihm selbst zugute: 

o Herr des Horizontes, mach dem W. Platz. Wenn du dem W. nicht Platz machst, so wird 
der W. eine Verfluchung über seinen Vater Geb machen; die Erde, sie soll nicht mehr 
reden; Geb, er soll sich nicht mehr wehren können 91 ). 

Solch ein Benehmen der Gottheit gegenüber ist der Tod für das Gebet. Dann ist es in 
einem kritischen Momente des Lebens viel sicherer seine Zuflucht zu Mitteln zu nehmen, die 
mit zwingender Kraft wirksam sind als von einer Gottheit abhangig zu sein, von der abge- 
wartet werden muss, ob sie helfen will und kann. 

Die F rage muss gestellt werden, ob das Wort dbh: etwas bedürfen, haben wollen und 
bitten nicht die Bedeutung haben kann von beten. Im Streit zwischen Horus und Seth ist die 
Rede von Verletzungen, die der eine dem anderen zufügt. Das Auge, das Seth dem Horus 
abnimmt, wird auch von Seth wieder weggenommen. Dies geschieht nicht immer in einem 
Kampf oder durch Gewalt. In Pyrt , 65 lesen wir: 

Zu rezitieren. Dieses Auge ist das des Horus, das er von Seth erbeten hat. 

Die Übersetzung beten ist ausgeschlossen. Horus und Seth sind ebenbürtige Parteien. Die 
Übersetzung erflehen ist auch möglich. Dabei ist nicht an die Schwachheit des Einen dem 
Anderen gegenüber zu denken, sondern an die Unentbehrlichkeit des Zurückbekommens des 
Auges für das Wohlsein der ganzen Welt. 

Von beten ist auch nicht die Rede, wenn der König vor einer bestimmten Gottheit erschei- 
nen muss, die vermutlich über ihn ein Urteil sprechen muss. 

Zu rezitieren. Ihmtj, Sdmtj, hmm den N. nicht, erhöre den N. nicht. Erbitte nicht die 
Zauberkraft von dem N. Erflehe nicht seine Zauberkraft von dem N. Denn du hast deine 
Zauberkraft und der N. hat seine Zauberkraft, damit er deine Schreibfeder nicht 
zerbreche und deine Palette nicht verderbe 92 ). 

89 ) Sethe, Übersetzung, IV, 153 siehe auch: Jun- 91 ) Pyrt . 277. Siehe Sethe, Übersetzung I, 310. 

ker, Pyramidenzeitj S. 82. 92 ) Pyrt. 2029 v. Siehe Pyrt. 1776. 

90 ) Pyrt. 484. 


85 ) Pyrt. 955. 

s<3) Py r t' 1442 . 


87 ) Pyrt. 562. 
8S) py r t' 13x6. 







6 4 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DAS GEBET IN DEN PYRAMIDENTEXTEN 


65 


Möglicherweise muss mit einem starkerem Ausdruck als erflehen übersetzt werden. 
Z.B. mit fordern 93 ). Aber mit dem Fordern soll die genannte Gottheit vorsiehtig sein. Sie 
darf über Zauberkraft verfügen, nicht unmöglich ist es, dass die des Königs viel starker ist. 

In einem Osirianisch bearbeiteten Text, worin jedoch gut hervortritt, dass dieser sich 
ursprünglich auf Geb und Re bezieht, ist der König nicht damit zufrieden seinen Namen zu 
nennen. Er nennt sich „dein Sohn”, Horus und Osiris. Diese letzteren Worte zeigen die Be- 
arbeitung, die der Text nicht verstandlicher macht. 

Ich bin der P. nicht (ein alterer Text lautet: ich bin es nicht), der bittet dich zu selien 

in der zu dir gehörenden Gestalt. Osiris bittet dich zu sehen... Dein Sohn bittet dich zu selien;... 

Horus bittet dich zu sehen... 04 ). 

Dies ist kein Gebet an einen Gott, sondern ein Bitte, die der eine Gott an den anderen 
richtet. Daher will ich hier nicht dbh mit beten übersetzen. 

Jedoch bedeutet dbh auch eine Gottheit um etwas bitten ïns besondere urn Leben. In 
Pyrt. 1275 f. steht: 

P. kommt mit seinern Ka. Der Mund seiner Göttin öffnet sich, wenn er bittet herabsteigen 
zu dürfen zum Duat, herabsteigen zu dürfen zum Ort der Götter. P. kommt mit seinem 
Ka. Öffnet für ihn deine Arme. Der Mund seiner Göttin öffnet sich, wenn er bittet 
zum Himmel kommen zu dürfen. 

M.E. kann hier dbh mit beten übersetzt werden. Das Gebet, das der Gestorbene horen 
lasst, wird ausdrücklich erwahnt. Das c seine Göttin 3 deutet an, dass dieses Gebet für ihn von 
einem Priester ausgesprochen wurde. Gleichzeitig wird gesagt, dass der Mund der Götter sich 
öffnet, d.h. die Götter lassen ihn gleich ihre günstige Antwort horen. 

Die Gebete in den Pyramidentexten haben vieles von ihrer Ursprünglichkeit verloren. Sie 
sind in Hymnen aufgenommen oder verarbeitet. Sie haben im Kult einen festen Platz bekom- 
men. Das Persönliche tritt ganz in den Hintergrund. Viele Gebete, ursprünglich in der 1. Per- 
son ausgedrückt, sind in die 3. umgendert. Der Ausdruck dd mdw, der den meisten Texten 
vorangeht, zeigt, dass ein Priester die Sprüche, also auch die Gebete rezitiert. Er ist dazu mehr 
geeignet als irgendein Anderer. Er ist imstande eine Bitte mit gesetzten Worten feierlich vorzu- 
tragen, sie in bestimmtem Tonfall auszusagen. Die Stellung der Königs, der die Pyramiden- 
texte besonders Rechnung halten, brngt mit sich, dass das Gebet in den Hintergrund getreten 
ist. Der König spricht zum Gott als seinesgleichen. Er ist der typische Gott-Mensch. Er 
braucht nicht um etwas zu bitten. Er besitzt alles q.q. 

Jedoch gibt es Stellen in denen er sich von den göttlichen Machten abhangig weiss und 
ihre Hilfe und Gunst einruft, in denen das Typische dem Persönlichen Platz macht. De Bucic 
hat schon daraufhingewiesen 95 ), dass es kaum einige agyptischen Könige gibt, die individuelle 
Züge tragen. Wenn Heiler 96 ) Affektivitat, Eudaemonismus und Realismus die drei Haupt- 
merkmale des primitiven Gebetes nennt, tut er das mit zahllosen Beispielen dar. Für die agyp¬ 
tischen Gebete gilt es nicht. Die Gebete in den Pyramidentexten sind ja nicht primitiv zu 
nennen. Wohl tragen sie einen eudaemonistischen Charakter, das Realische tritt schon nicht 
mehr so direkt hervor, das Affektive am wenigsten. Der Agypter hat seine Gefühle nicht zur 
Schau getragen. Gewiss der König nicht. Das bedeutet nicht, dass kein Platz für Gefühle war. 
Sie sind aber bewusst auf Grund dogmatischer Anschauungen in den Hintergrund gedrangt. 
Die individuellen Ausserungen sind nicht wichtig, wohl aber die allgemeinen, die typischen 
Anschauungen, welche unterallen Umstnden ihren Wert besitzen. Wenn wir dies überlegen, so 
ist es nicht zufallig, dass nur wenige Gebete in den Pyramidentexten vorkommen, in denen das 
direkt Persönliche zum Vorschein kommt. Dies verhindert nicht, dass dort noch kurze Gebete 
anzuweisen sind, in denen etwas Spontanes bewahrt geblieben ist, in denen eine persönliche 
Beziehung zwischen Gott und Menschen nicht verneint werden kann. Diese Beziehung tritt 
leicht in den Plintergrund in kultischen und rituellen Gebeten, in denen alles mit der grössten 

03 ) Junker, Pyraviidenzeit } S. 93. bij de Egyptenarcn. Leiden, 1929, S. 20. 

° 4 ) Pyrt. 1128. ° 6 ) Heiler, Das Gebet. S. 148. 

° 5 ) A. de Buck, Het typische en het individuele 


Pünktlichkeit c geregelF ist. Darum ist es von grosser Bedeutung inmitten mancher stereotypen 
Redensarten einigen Ausdrücken zu begegnen, die nicht ganz und gar c geregelt 3 sind, die ihren 
spontanen Charakter noch nicht vollkommen verloren haben. In diesen kurzen Ausdrücken 
kommt die persönliche Haltung der ewigen Welt gegenüber am meisten zum Ausdruck. 

Nicht das stilisierte Gebet, in dem der Mensch oder der Priester im Namen eines Anderen 
sich an die Gottheit wendet ist das wichtigste um die Religiositat zu bestimmen, sondern das 
ungekünstelte, in dem ausgesagt wird was im Flerzen lebt, in dem sichtbar wird was der Gott 
im Leben bedeutet. Er ist doch nicht der Mensch, der im Gebiet den Verkehr mit dem Gott 
öffnet, sondern „es ist immer ein Gott, der den Mund des Menschen erschliesst ,, 97 ). 

Schiedam, 1954 L. J. Cazemier 


DE REIS VAN DE DODE 


zie PLATEN IV-XII* 

Een van de euphemismen waarmee wij de dood omschrijven is, dat wij het werkwoord 
c s ter ven 3 vervangen door c heengaan 3 . Dit beeld vergelijkt de dood met een afreis. De stervende 
c verlaat 3 de zijnen en gaat op weg naar een andere wereld aan gene zijde van de grens tussen 
leven en dood. Ook op het aardse bestaan is het beeld van toepassing. Men spreekt van iemands 
levensweg 3 . Ieder stadium is een nieuw gebied, dat verkend wordt. De mens trekt voort door 
het kinderland naar de wereld van de volwassenheid en de ouderdom. De overgangen worden 
begeleid door c rites de passage 3 x ), waarvan de meest beslissende is het begrafenisritueel, dat 
hem helpt, de grote overtocht naar de andere wereld mogelijk te maken. Ook aan de andere zijde 
van de doodsgrens gaat de reis verder, tot eindelijk de plaats van de definitieve rust is bereikt. 

Wanneer een eenvoudig Christen van zijn geliefde dode zegt, dat hij „naar de hemel is 
gegaan”, gebruikt hij onwillekeurig het beeld van de hemelreis. Soms stelt men zich voor, dat 
deze reis naar de eeuwigheid niet zonder kritieke overgangen verloopt. Om, nu dit woord 
gevallen is, te herinneren aan Bunyan’s Pilgrim's Progress: Wanneer Christen gekomen is aan 
het einde van zijn tocht over de aarde, moet hij, om het land van de eeuwige zaligheid te be¬ 
reiken, de Jordaan oversteken, waar hij, wanneer hij in de stroom dreigt weg te zinken, door 
engelenhanden opgevangen en veilig naar de overzijde gebracht wordt. 

In de Perzische godsdienst gaan de doden langs velerlei wegen voort naar hun eindbestem¬ 
ming. Langs deze wegen hebben zij verschillende ontmoetingen. De ziel moet op deze tocht 
de Cinvat-brug passeren, die over de hellepoel voert. Deze brug is zo smal als het scherp van 
een mes. Het passeren van deze brug is tevens het voltrekken van een oordeel. De zondaren 
immers kunnen zich niet in evenwicht houden. Zij vallen er af en komen in de hel terecht. 
De rechtvaardigen volbrengen de overtocht veilig en komen in de hemel bij Ahoera Mazda. 

Zulke beschrijvingen van wat de dode in het hiernamaals ondervindt, vertonen verwant¬ 
schap met de reizen, die de ziel in visionaire toestand maakt, zoals die voorkomen in het 
apocryphe boek Henoch, Vergilius’ Aeneis en Dante’s Divina Commedia. Ook in de Egypti¬ 
sche godsdienst moet de dode een weg afleggen. Langs deze weg kunnen hem allerlei lotge¬ 
vallen overkomen, hetzij van verblijdende, hetzij van bedroevende aard. De teksten, die de dode 
in zijn graf meeneemt, lichten hem hierover in. Soms heben deze het karakter van echte 
reisgidsen voor de eeuwigheid. Zij doen hem de gevaarlijke plaatsen kennen. Zij bevatten spreu¬ 
ken, om daar ongehinderd te passeren. Zij beschrijven zijn hemelvaart, de wijze, waarop hij 
veilig bij de zonnegod in het eeuwige licht aankomt, zonder dat zijn belagers onderweg hem 
kunnen molesteren. 


97 ) G. van der Leeuw, Wegen en Grenzen , Am¬ 
sterdam, 1932, bl. 19. 

*) De foto’s van onuitgegeven coffins werden wel¬ 
willend ter beschikking gesteld door Prof. Dr A. de 
Buck, wien de schrijver ook dankt voor de inzage 
van onuitgegeven Co ff in Tcxts. 


4 ) Riten, die de overgang van de ene levensfase 
naar de andere bevorderen, b.v. van puberteit naar 
volwassenheid. De term is ontleend aan de titel van 
het werk van A. van Gennep, Les rites de passage, 

1909. 




66 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


Laten wij, alvorens hierop nader in te gaan, bij het begin beginnen. Zoals wij dat heden 
ten dage nog doen, ziet de egyptenaar het sterven als een afreis. Hij gebruikt daarvoor het 
werkwoord c heengaaiT. In een recensie uit het Nieuwe Rijk is overgeleverd een lied van 
koning Antef. De inhoud van deze tekst moet echter veel ouder zijn. Het dodenrijk wordt 
daar zeer pessimistisch beschreven als het land zonder terugkeer, zoals wij dat uit Mesopotamië 
kennen: „Er is niemand, die vandaar terugkeert, opdat hij hun (n. 1 . van de doden) omstandig¬ 
heden kan zeggen en hun toestand kan noemen en onze wens kan bevredigen, totdat wij gaan 
naar de plaats, waar zij heen zijn gegaan. Zie, het wordt niemand toegestaan, zijn bezittingen 
met zich mee te nemen. Zie, er is niemand, die heengegaan is, die teruggekeerd is”. Ook de 
hiermee verwante liederen, waarin harpspelers het lot voor de dode bezingen, drukken zich in 
deze geest uit. Zij zeggen van de dag van de begrafenis: „Och werd toch deze dag tot eeuwig¬ 
heid (zij wensen de dode voor altijd bij zich te houden), terwijl wij u aanschouwen, want zie, 
gij gaat heen naar het land, dat de mensen mengt” (in de dood zijn allen gelijk). De orthodoxe 
dodenliteratuur doet echter een ander geluid horen. De dood is geen onherroepelijk lot. 
Eeuwig leven is mogelijk. De termen heengaan 3 en Terugkeren 3 worden gebruikt respectieve¬ 
lijk voor sterven en opstanding uit de doden, b.v. Pyr. 1975 2 ) in een reeks parallellen voor 
sterven en opstaan: „Gij (de gestorven koning) gaat heen en gij keert terug, gij slaapt en gij 
ontwaakt, gij landt en gij herleeft”. 

De nabestaanden hebben het besef, dat de dode heel ver van hen vandaan is. Zij voelen 
zich door hem verlaten. In afbeeldingen van de begrafenis staat bij de slotscène de mummie 
voor het graf opgesteld. De dodenpriesters verrichten de laatste ceremoniën. Het is evenwel 
alsof de weduwe door al deze handelingen, die het eeuwig heil van de dode moeten verzekeren, 
niet getroost wordt. Zij omklemt de mummiekist alsof zij haar geliefde bij zich wil houden 
en hem niet aan het graf wil af staan. Zij zegt: „Ik ben uw zuster, Merit-Re, gij grote, verlaat 
Merit-Re niet. Uw beleid was goed. Gij, goede vader, zijt de mijne. U te verwijderen, hoe kunt 
gij het doen? Ik ga alleen en zie, ik loop achter u aan. Gij, die graag met mij sprak, gij zwijgt, 
gij spreekt niet”. 

Verre reizen maakt de egyptenaar per schip. Ook het sterven is een afvaart en hij Tandt 3 
op de andere oever. In het Egyptisch zijn enkele termen voor Tanden 3 dan ook equivalenten 
van sterven. De begrafenis wordt ten dele gehouden als een funeraire vaart over de Nijl naar 
de necropolis op de Westelijke oever. Deze wijze van begraven hangt samen met de vaart 
van de zonnegod Re in zijn boot langs de hemel en met de heilige boot, die in de Osiris¬ 
mysteriën een rol speelt. In het graf werden boten en roeispanen meegegeven met het oog op 
een vaart van de dode. 

Talrijk zijn de teksten, die op een hemelvaart betrekking hebben en ook deze stellen het 
lot van de dode voor als een reis van de aarde naar de hemel. Deze voorstelling wordt vooral 
aangetroffen in de pyramidenteksten. Er wordt voor hem een ladder geknoopt, waarlangs hij 
naar de hemel kan opklimmen. Hij wordt omhoog gevoerd op de vleugels van de ibis-god 
Thot. Hij gebruikt de kronkels van een slangenlichaam als trap. Hij trekt door het luchtruim 
op weg naar de hemel: „Hij komt tot u, zijn vader Re, nadat hij Sjoe (de god van de lucht) 
doorlopen heeft” (C.T. VI, 149) 3 ). In Pyr. 468 roept de dode koning wezens aan, die hem niet 
moeten tegenhouden, maar hem juist moeten helpen bij zijn hemelvaart: „Heil u, dochter van 
Anoebis, die bij de vensters van de hemel is, vriendin van Tiiot, die bij de spanten van de 
ladder staat, laat N.N. (naam van de koning) door, opdat hij passeert. (469) Heil u, struis¬ 
vogel, die bij de oever van het Necha-meer is, laat N.N. door, opdat hij passeert”, enz. Op zijn 
tocht naar de hemel moet de dode koning allerlei obstakels overwinnen. De spreuken, die hem 
op de wanden van zijn graf zijn meegegeven, moeten hem daarbij helpen. Pyr. 498T is gericht 

2 ) Aldus worden geciteerd de teksten uit pyrami- zijde. De onuitgegeven teksten worden aangeduid met 

den van de 5e- en 6e dynastie, volgens de uitgave van de benaming, omschreven in C.T.I., xvii en xviii. 
K. Sethe, Die altaegyptischen Pyramidentexte, 2 de- De eerste letter geeft de vindplaats aan, de tweede 
len, Leipzig, 1908 en 1910. de verzameling, waarin de kist zich nu bevindt. Bijv. 

3 ) Geciteerd naar de uitgave van A. de Buck, The B 1 Bo: Vindplaats El Barsha museum Boston. 

Egyptian Coffin Texts met opgave van deel en blad- 


DE REIS VAN DE DODE 


6 7 


tegen vier winden, die zich de dode in de weg stellen en die de hand naar hem uistrekken, 
zodat hij gevaar loopt, Re niet te bereiken.. 

Op de bodems van sommige houten doodkisten uit het vroege Middenrijk zijn tekeningen 
en teksten aangebracht, die me recht een itinerariu m voor het dodenrijk zouden kunnen 
worden genoemd (pl. IV). Kaarten met de wegen van het dodenrijk komen daarbij voor. De 
gevaren, die iemand onderweg kunnen bedreigen, worden afgebeeld en beschreven. Bij gevaar¬ 
lijke bochten loeren huiveringwekkende daemonen, Mischwesen, deels mens, deels dier. Het 
doel van deze afbeeldingen is, dat de mens weet, wat hem te wachten staat en de magische 
spreuken, kent, waardoor hij deze onheilen bezweren kan. Dit alles staat dus op de bodem aan 
de binnenzijde van de kist. De mummie ligt er op en bevindt zich dus letterlijk óp de wegen 
van het dodenrijk. Deze teksten worden gewoonlijk aangeduid als het Tweewegenhoek. Dit 
laatste maakt er evenwel slechts een onderdeel van uit (pl. V). Er zijn twee kronkelende wegen 
in afgebeeld: Een zwart gekleurde weg te land en een blauw gekleurde waterweg. Midden 
tussen deze twee strekt zich een rode strook uit, die volgens de bijschriften een vurige hellepoel 
voorstelt. De beide wegen aan weerskanten moeten de dode veilig langs de vuurpoel leiden, 
waarin hij zou verbranden en aldus voor eeuwig ten verderve zou gaan. Meermalen wordt 
gezegd, dat deze wegen lopen door het Memphitische dodenrijk Ro-Setaw. Behalve het Twee- 
wegenboek wordt soms een heel labyrinth van paden getekend (pl. vi en vu). 

Waarheen leiden deze wegen? Soms voeren zij door het dodenrijk naar de plaats, waar de 
god Osiris is: „Ik ben gekomen, opdat ik Osiris zou zien, opdat ik zou leven aan zijn zijde” 
(C. T. B i Be, 6). Nu eens wordt Osiris een verblijf in de hemel toegedacht: „Te zijn in de 
hemel van Osiris” (B 2 L, 481), dan weer wordt de god in het Hetep-veld (een land van 
overvloed, goed geïrrigeerd en rijk aan koren, waaraan de dode zich te goed kan doen) gedacht: 
„Spreuk, om in het Hetep-veld te zijn onder de volgelingen van Osiris, onder de volgelingen 
van Thot, iedere dag. Het is de plaats van een geest, die niet sterft in eeuwigheid. Wat 
betreft ieder, wiens akker in het Hetep-veld is, hij ziet Osiris elke dag. Hij wordt niet afge¬ 
weerd door de boosdoeners, de poortwachters” (B 1 Be, 259-260). Dat het doel van de reis is, 
bij Osiris te zijn en mee te profiteren van het offer aan hem gebracht, blijkt ook uit de 
volgende passages: „Gaan in vrede, om hofdiensten te verrichten voor Osiris; alle poorten 
te passeren” (B 1 Be, 311-312); „Spreuk, om te zijn in Ro-Setaw en te leven van het extra- 
offer aan de zijde van Osiris” (B 1 L, 440). In Dodenboek 147 nadert de dode door zeven 
poorten, zonder af geweerd te worden van Osiris. De poorten van de onderwereld gaan voor 
de dode open. Hij gaat naar Osiris, om hem de toestand van zijn zoon Horus te melden (C. T. 
IV, 84, a; 74, f; 77, a). 

Naast een verblijf bij Osiris wordt ook het zijn bij Re als doel van de reis gesteld. Vooral 
aan het slot van de teksten op de bodems van de doodkisten is daarvan sprake. Er komen daar 
afbeeldingen van boten 4 ) voor, waarbij aan de zonneboot gedacht kan worden.. De dode 
identificeert zich zelf ook wel met Re, om zijn verzoek, doorgelaten te worden, kracht bij te 
zetten: „Maak, dat ik passeer in vrede. Re gaat voort. De weg wordt voor mij gebaand. Hij 
vaart. Hij gaat voort. De bescherming van Re is mijn bescherming” (B 1 Be, 241). „Ik heb 

het lichtland van Re beërfd, want ik ben Atoem (een naam van de zonnegod). Er wordt 

tot mij gezegd: Beërf het lichtland, bereid de weg voor Re, opdat hij zich neerzette” (B 1 Be, 
269). De dode voert gesprekken met poortwachters en vraagt om doorgelaten te worden, 
zodat hij Re kan bereiken: „Ik word niet af geweerd van Re. Ik ga niet in het dal der duisternis. 
Ik treed niet binnen in de poel der misdadigeres” (B 1 L, 484). „Ik open het lichtland voor 
Re” (B i L, 489). „Ik heb zijn boot gemaakt. Ik aanbid Re. Ik ben niet zonder schip. Ik 
word niet af geweerd van het lichtland” (490). „Ik ben Re. Lof zij u, Re, heer van het licht¬ 
land” (492). „Ik red Re van Apep” (een daemonische slang, die de zonnegod belaagt) (495). 
„Ik verhoog Re door wat ik voor hem gedaan heb. Ik verdrijf de bewolking, zodat zijn schoon- 

4 ) Deze boten gelijken op de afbeelding van Plaat Thot, gezegd, dat hij Re is, die schijnt in de nacht, 
x, rechts beneden. Volgens de teksten, die er in som- De dode wenst in zijn gevolg te zijn, zoals hij ook 
mige doodkisten bij staan, gaat het hier niet om de graag in het gevolg van Re is. 
zon, maar om de maan. Wel wordt van de maangod, 






68 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


DE REIS VAN DE DODE 


69 


heid gezien wordt” (499). „Ik ben de grote, die in zijn oog is (de zonneschijf), die geknield 
neerzit in de grote boot van Ci-iepri” (naam van de morgenzon) (500). Dit alles is verwant 
met de pyramidenteksten, waar gevraagd wordt, dat de aarde haar kaken zal openen, zodat 
de dode de onderwereld verlaten kan, om zich bij Re aan de hemel te voegen. 

De teksten geven de indruk, dat de volgende voorstelling heerste: Na zijn overlijden komt 
de dode in de onderwereld. Langs allerlei wegen (de teksten spreken van „de wegen van de 
dd.t ”) en na vele gevaren doorstaan te hebben, komt hij in het Oosten aan. Daar moet hij nog 
een poort passeren en dan verenigt hij zich met de zonnegod, om met hem te verrijzen. „De 
morgengod te worden. De wegen van de onderwereld worden geopend voor deze N.N., voor 
haar worden geopend de poorten, die in het lichtland zijn. N.N.. is de enige ster, die bij het 
lichtland behoort. Haar vader Re heeft haar de gehele hemel gegeven” (C. T. Speïl 722; VI, 
350, f). Het einde van de reis is, dat de dode als morgenster met Re opgaat. Een andere spreuk 
zegt: „Woorden spreken door de Westelijke zielen. Osiris N.N zaliger is gekomen langs 
geheime wegen. Hij heeft de poorten van Noen (de god van het oerwater) bereikt. Hij is de 
poort van het opstijgen ten hemel genaderd met kennis van het trekken, onderwezen in het 
roeien. Gegeven wordt hem zijn scepter, opdat hij er mee slaat. Hij kondigt Re aan, voor in de 
boot” (C. T. Spell 780; VI, 411, g). In het latere Poortenboek wordt de god van het oerwater 
Noen ook aan het eind van de reis van de zon door de onderwereld afgebeeld. Hij heft de zon 
op. Re verrijst in het Oosten uit het oerwater zoals bij het begin van de schepping. De poort 
van Noen is dus de plaats, waar de zon opgaat. De dode komt daar aan na een tocht langs 
de verborgen wegen van het dodenrijk. Tenslotte neemt hij plaats in de zonneboot en vaart 
daarin met Re langs de hemel, waarbij hij de god als diens heraut aankondigt. 

C. T. Spells 747 en 748 zijn helaas lacuneus en daarom moeilijk te begrijpen. Waar¬ 
schijnlijk is echter wel zo veel duidelijk, dat het daar gaat, om iemand te geleiden langs de 
wegen van de onderwereld (VI, 377, a), om te maken, dat hij daarop niet door een daemon 
aangerand wordt (377, g, „grijp haar niet op de weg, onwetende”), zodat hij tenslotte met Re 
aan de hemel is (378, m). Ook Spell 625 behoort bij deze categorie: „O grote raad des hemels, 
gij brengt mij onder u als een van u; boosdoeners, opent voor mij de twee deurvleugels. Mogen 
de wegen der duisternis breed voor mij zijn” (VI, 242, a). 

C. T. Spells 758-760 behoren bij een merkwaardige figuur (zie tekening VI, 386). Een op 
een troon zittende god met een slangenkroon, het hoofd en face (iets ongewoons in de Egyp¬ 
tische tekenkunst), is omgeven door een viertal ovalen, die wegen voorstellen. De baan daar om 
heen is de Mehen-slang, die zich gewoonlijk beschermend kronkelt om Re in zijn kapel. De vier 
wegen zijn gevaarlijk. Het zijn „vurige wegen” (VI, 387, b). Er is een daemonische bewaker 
(387, c) en er zijn „poorten, die op een dwaalspoor leiden” (387, e). Van de Mehen-slang 
wordt gezegd, dat zij de vurige wegen omgeeft (387, i, k). De dode wenst niet van Re af ge¬ 
houden te worden (388, h, „word niet af geweerd van Re binnen in zijn Mehen”; de zittende 
figuur in het midden is dus Re). De dode zegt: „Ik ken de wegen der duisternis (388, j), waar¬ 
in Hoe binnentreedt samen met Sia (het scheppend woord en het inzicht, gepersonifieerde 
scheppingsgoden, die steeds bij Re in diens boot zijn), welke die achter- en die. voor hen zijn 
verlicht hebben (388, 1 ). Ik ga binnen tussen hen beiden onder de verborgen weg, die op de 
kruin van Re is (388, m). Ik ken deze verborgen wegen (388, o), waar de kat iedere dag 
binnentreedt (388, p; de kat is een vorm van Re). Bereidt voor mij de wegen, opent voor mij 
de poorten, o gij, die in de Mehen zijt (389, a), ik ken de wegen van Mehen. Wie de naam van 
deze zijn wegen kent, hij gaat binnen in de Mehen. Wie deze spreuk kent, gaat in eeuwigheid 
niet onder” (389, d en Spell 760). Het doel van de spreuk is, de gevaarlijke vuurwegen te 
kennen, die de Mehen-slang omcirkelt en aldus binnen de omtrek van de Mehen te komen en 
door haar beschermd te worden als Re. Is hier misschien al de voorstelling van een tocht 
van Re door de onderwereld, gedurende de nacht en beschermd door de Mehen-slang, zoals 
deze later voorkomt in het Poortenboek? 

C. T. Spell 649 doet aan de teksten op de bodem van de kist denken. Getekend is een 
plattegrond met rivieren (VI, 271). Eerst is er een poort, daarna afbeeldingen van daemoni¬ 
sche bewakers. Daartussen staan spreuken, die iemand moeten helpen, deze te passeren: „Open 


voor mij de weg, ik ben ., maak, dat ik veilig passeer”, zegt de dode. Ook in Spell 619 

komen dergelijke passagespreuken voor: (VI, 231, c. vv.) „Bereidt voor mij de weg, opdat ik 
passere. Als ge niet de weg voor mij bereidt, zodat ik passeer, dan plaats ik de Westelijken 
in Geub, de vader der góden. O. Ramdoe (naam van een god), bewaak de wegen tegen hen, 
die passeren, versper de poorten voor hen, die vóór mij uitgaan”. De dode moet dus poorten 
passeren, waar anderen worden tegengehouden. Blijkbaar gaat het ook hier weer om een tocht 
door de onderwereld, die voor de hemelvaart tot een goed einde gebracht moet worden: 
(232, e) „O, grote van oogst, in het midden van de onderwereld, bereid voor mij de weg 
( = laat mij door), opdat ik passere. Zie zij is mij tegemoet gekomen, het schone Westen is 
mij tegemoet gekomen. De zoon van de stier gaat naar de hemel”. 

Het is niet eenvoudig de weg door de onderwereld te vinden. Soms komt de dode in een 
doolhof, waarover hij eerst goed geïnstrueerd moet zijn. Zulk een labyrinth (pl. VIII) is ge¬ 
tekend op de bodem van de kist (B 1 Be 291 vv.), waarbij de tekst staat: „Het is de spreuk 
van de weg. Deze wegen zijn aldus: De een er van is afgescheiden van de ander, in een andere 
richting leidend. Wat betreft degene, die hen kent, zij vinden hun wegen. Hun muren van 
vuursteen zijn hoog in Ro-Setaw”. Deze spreuk dient dus, om de wegen van dit labyrinth 
door het dodenrijk te kennen en niet te verdwalen. 

Bij iedere c bocht° of c kronkeP in de weg kan weer een nieuwe daemon op de passant 
loeren. De spreuken moeten de dode daarvoor beschermen. Dodenboek 17 (Naville II, 64) 
noemt Baba, de zoon van Osiris, „die de bocht van het Westen bewaakt”. In C. T. IV, 313, d 
komt een daemon met een hondenkop voor, die de kronkel van een vuurmeer bewaakt. 

Wanneer iemand in de oudheid een reis maakte en van de ene stad naar de andere ging, 
moest hij poorten passeren, waarbij de poortwachters hem al of niet konden doorlaten. Zoals 
hierboven reeds bleek, is er ook in de spreuken, die betrekking hebben op de reis van de dode, 
sprake van poorten, meestal met daemonische poortwachters, die de dode kunnen tegenhouden. 
De kennis van de betreffende spreuk stelt de dode in staat, aan de poortwachter zijn wil op te 
leggen. Vooral Dodenboek 145 en 146 zijn bekend om deze zogenaamde Torhütergesprache 5 ). 
Daar geven de poorten toegang tot het Iaroe-veld, waar de dode overvloed wacht. Wanneer 
hij bij de poort is aangekomen, zegt de dode 6 ): „Gij wordt begroet door Horus, o eerste poort 
van de vermoeide van hart (= Osiris). Laat mij door. Ik ken u. Ik ken uw naam. Ik ken 
de naam van de god, die u bewaakt”. De compositie van deze spreuken is steeds weer: Aan¬ 
roepen van de poort, bevel, de dode te laten passeren, verklaring, dat hij macht over de poort 
heeft, vanwege het kennen van de naam en dat hij recht op doorgang heeft, omdat hij rein is. 
Ook in Dodenboek 17 komen poorten voor, waar de dode doorheen moet. Zij zien er dreigend 
uit door vuur en slangen en alleen, wanneer de dode zijn spreuk goed kent, wordt hij niet tegen 
gehouden. „De tweede poort, hij heeft haar genoemd c Hoog van horens 0 , de meesteresse van de 
Atef-kronen, de ornamenten bestaan uit urceus-slangen. Er is een overste over deze poort, 
kwaad van gestalte, wiens naam is „grote, die in de vlam is”. Laat mij door, zie ik ben ge¬ 
komen. Zie ik ben gekomen. Ik ben degene, die in zijn vlam is” (C. T. IV, 327, r vv.). Wanneer 
de dode door de onderwereld gaat op weg naar Osiris, worden „de poorten van de wegen 
van Imhet” (een naam voor het dodenrijk) C. T. IV, 97, g) voor hem geopend. Hier komen 
dus poorten voor in combinatie met wegen. 

De teksten van de bodems van de doodkisten ( Tweezvegenboek en verwante teksten) 
noemen ook herhaaldelijk poorten 7 ), die de dode op zijn tocht ontmoet. Hij wenst, dat de be¬ 
wakers hem niet tegen houden. De tekst luidt: „Hij ziet Osiris elke dag. Hij wordt niet 
af geweerd door de boosdoeners, de poortwachters” ( B 1 Be, 260). Wanneer hij op weg is 
naar het lichtland van Re, zegt de dode: „Ik word niet gegrepen. Ik word niet af geweerd bij 


5 ) Deze gesprekken met poortwachters komen ook 
voor op Plaat vm en xi. De vier vakken links op 
Plaat xi stellen poorten voor. De inleidende tekst is 
die van Dodenboek 130. (Zie Plaat xi links in het 
midden). 

6 ) E. A. Wallis Budge, The Book of the Dead, 


London, 1898, tekstdeel, blz. 334, regel 9 vv. 

7 ) Zie Plaat v, linkerbovenhoek; plaat v, links in 
het midden; plaat ix beneden in het midden. Duidelijk 
zijn op de afbeeldingen de scharnierpennen te zien, 
waarop de deur draait. 





EGYPTISCHE PHILÖLOGIE 


DE REIS VAN DE DODE 


7 1 


70 

de poorten” ( B 1 Be, 269). Een andere spreuk dient „om alle poorten te passeren” (Bi Be, 
312). Aan het eind van deze teksten zijn vier poorten afgebeeld (pk XII; B 1 L 504 vv.). De 
namen van de poortwachters staan er in. De dode kent deze en hij kan ongehinderd passeren. 
De onrechtvaardigen worden niet doorgelaten. Een uit een reeks van zes poorten heet c Poort 
der duisternis 3 (B 1 L, 529). Op de deuren staat het woord voor vlam. Van zulk een poort 
wordt gezegd: „Die leeft van bozen, die haar niet weten te passeren” (idem 534). Wanneer 
deze poorten de rechtvaardige wél doorlaten, dan is deze meteen van de boosdoeners bevrijd: 
„Heil u, poorten, verborgen van naam, heilig van plaatsen. Redt mij van allen, die mij benade¬ 
len, die kwaad zijn voor de levenden, die vóór u zijn, tot dat ik kom voor de Alheer” (Caïro 
28085, 40). 

De poorten van het dodenrijk waren in de oudheid een bekend gegeven. Naar Babylo¬ 
nische opvatting moet Isjtar zeven poorten passeren, om in de kern van de onderwereld 
door te dringen. Ook zij moet een gesprek met een poortwachter voeren, om doorgelaten te 
worden en daarvoor telkens een van haar sieraden offeren. In het Egyptische Poortenboek 
verdelen deze poorten de onderwereld in twaalf afdelingen, overeenkomend met de twaalf 
uren van de nacht. Zij worden door slangen bewaakt. 

Het is niet te verwonderen, dat in de weg-spreuken het werkwoord c passeren 3 veelvuldig 
wordt gebruikt en een terminus technicus is geworden voor het veilig voorbijgaan aan een 
gevaarlijke plaats. Zo komt het al in de pyramidenteksten voor van de koning, die bij zijn reis 
naar de hemel moeilijkheden weet te ontgaan: „N.N (naam van de koning) is het huis van die 
ziel (ba pf, heeft in dit verband altijd een ongunstige betekenis) gepasseerd. De woede van de 
grote zee heeft hem niet getroffen. Zijn veergeld is niet van hem af genomen op het grote 
veer” (Pyr. 334). Op de bodem van de doodkist komt het werkwoord „passeren” vaak voor. 
Bij de daemonen, die daar langs de wegen van het dodenrijk zijn afgebeeld, staan spreuken, 
die de dode moet reciteren, om hen te bezweren. Wanneer hij voor een poort komt, zegt hij, 
dat hij gekomen is uit een heilige stad b.v. Abydos (B 1 Be 69), hetgeen hem gezag geeft, om 
doorgelaten te worden. Hij zegt bij de poort: „Aan mij behoort Hoe (de god van het schep¬ 
pend woord), die spreekt in de duisternis, rijk aan uren, die de wegen opent, opdat ik daarlangs 
tot u passeer door het noemen van mijn naam” (idem 77-80). „Maak, dat ik passeer in vrede”, 
zegt de dode tot een daemon, „die de kronkel bewaakt van deze vijver” (B 1 Be 241, 242). 
De waterweg in het Tweewegenboek loopt langs een rood gekleurd vak, een vurige hellepoel. 
Daarbij staat: Spreuk om de weg tot de vlam te passeren (B 1 Be 251). 

Het thema van een rivier, die de dode moet oversteken alvorens het paradijs te bereiken, 
is in Egypte bekend. Hij heeft er een schip voor nodig en een veerman moet hem overzetten. 
Tn de pyramidenteksten komt een kronkelend kanaal voor (mer necha o.a. 340, d; de „bochten” 
daarvan 2061, c), gelegen in het Oosten. Dit moet hij oversteken, eer hij met de hemelvaart kan 
beginnen (1162, c). Ook worden de Iaroe-velden er mee in verband gebracht (340, c). Dit is 
een waterrijk gebied. Wanneer de waterstand daar gunstig is, vult ook de mer necha zich met 
water. 

Om het Iaroe-veld te bereiken, moet de dode een stroom oversteken. Hij doet daarvoor 
een beroep op geesten, die de rol van veerman vervullen. Hij vraagt om de veerboot van Re. 
Dit alles staat in een spreuk, om te beschikken over een veerboot. Ook in het Hetep-veld 
(evenals het Iaroe-veld een gebied van overvloed) zelf kan de dode nog reizen. „Hij vaart op 
zijn wateren en nadert tot zijn steden” (C. T . V, 339, a). C. T. Spells 395-398 handelen over 
de veerboot, die iemand moet overzetten. C. T. V, 66, b is een „spreuk, om de veerboot te 
brengen”. De veerman wordt daartoe gesommeerd met het bevel: „Breng mij dit” (= de 
veerboot met toebehoren, 121, c, d). Er ontwikkelt zich tussen de veerman Ma-ha-f ( c Die 
achter zich kijkt 3 ) en de pas aangekomene een dialoog, waaruit blijkt, dat de dode bezig is, 
een reis te maken (68 e vv.). „Waarheen gaat gij”? „Ik ben op weg naar Weres”. Het doel 
van de tocht is „de Oostelijke zijde des hemels” (80, b; 103, e) „Kent gij de weg, waarop gij 
gaan moet?”. „Ik ken de weg, waarop ik gaan moet. Ik ga naar het Iaroe-veld” (105, b, e, h). 
Denkt gij over te steken naar de plaats, waar de heerlijke god is?” (Re?). „Voorwaar deze 
heerlijke god zegt: „Hebt gij een man naar mij overgezet?” ” (115, a, b, c,). Na de overtocht 


reikt Hathor de dode de hand en brengt hem naar de hemel. Om overgevaren te worden moet 
de dode beschikken over veergeld (154, c) en als c test 3 moet hij op zijn vingers kunnen tellen 
(115, d, e, f,; 154, e vv.). Hij moet ook de onderdelen van de boot opsommen, waarbij deze 
met góden worden geïdentificeerd (125, a vv.). Aldus krijgt de dode macht over de boot. In 
verband met deze vaart, wenst hij niet „zonder schip” te zijn. 

Tenslotte kan er bij de wegen, die de dode moet afleggen, ook gedacht worden aan de 
begrafenisprocessie en de funeraire vaart, b.v. in de mastaba’s, wanneer daar eerst gesproken 
wordt van „de heerlijke wegen naar het Westen, waarop de eerwaardigen wandelen” en 
vervolgens van het „zich verenigen met de aarde” (= de begrafenis). „Moge hij (de dode) 
door zijn ka’s (beschermgeesten) geleid worden naar de reine plaatsen, moge zijn hand ge¬ 
nomen worden door de grote god. Moge hij op de heerlijke wegen naar het Westen geleid 
worden, waarop de eerwaardigen wandelen. Moge hij zich met de aarde verenigen, de hemel 
doorvaren. Moge de Westelijke woestijn hem haar beide handen reiken in vrede, in vrede bij 
de grote god” (Junker, Giza II, 58). Deze wegen van de begrafenis worden ook bedoeld 
in een tekst uit het Nieuwe Rijk (Urk. IV, 1084, 15): „Mogen de koeien u overvaren, mogen 
de wegen overstroomd zijn van hun melk. Moogt gij u voegen bij de holen, die in de eeuwig¬ 
heid zijn”. Aan een hemelvaart is gedacht in de volgende passage: „Moge hij wandelen op de 
heerlijke wegen, waarop de eerwaardigen wandelen. Moge hij nabij de grote god zijn, de heer 
des hemels, onder de eerwaardigen” (Junker, Giza II, 58). Dezelfde term komt voor in een 
C.T. (VI, 135, b): „Hemel en aarde komen tot mij. Hun groten, de bovenste góden, komen tot 
mij, Zij openen voor mij de heerlijke wegen”. 

Aldus heeft de egyptenaar zich voorgesteld, dat de mens bij zijn sterven vertrekt voor 
zijn laatste grote reis en de hoop uitgedrukt, dat het einddoel bereikt zou mogen worden, 
een land van eeuwig geluk (C. T. Spell 763, VI, 393, b): 

„Ga heen naar het lichtland. 

Re heeft u gegeven uw schone wegen die er in zijn. 

Voor u worden de poorten des hemels geopend.” 

Utrecht, 1 Februari 1958. I. Zandee 


DE BODEM VAN SARCOFAAG CAIRO 28087 

(zie PLATEN IV-XIl) 

Zoals uit het voorafgaande artikel blijkt, zijn de Platen iv tot xn bedoeld om vermelde 
bijdrage te illustreren. Deze afbeeldingen verdienen een afzonderlijke behandeling, omdat zij 
nog nooit gepubliceerd zijn en omdat zij verschillende bijzonderheden bevatten. Professor 
A. de Buck was niet alleen zo vriendelijk de foto’s ter beschikking te stellen, alsook uitleg 
te geven, waar dit tenminste mogelijk was. Van een korte verklaring van de hand van Zandee 
werd een dankbaar gebruik gemaakt. 

In midden Egypte ligt, op den westelijken Nijloever, Bersjeh of Deir el-Bersjeh; men 
bevindt zich dan niet ver meer ten noorden van het bekende Amarna of Teil el-Amarna. Deir 
el-Bersjeh is de huidige naam voor de necropolis, waar de vorsten van den Hazengouw uit 
het Midden Rijk zich hebben laten bijzetten. Daar groef, tegen het einde van het jaar 1897, 
Georges Daressy i). In den gebel was een aantal rotsgraven uitgehouwen en op korten afstand 
ervoor een vijftal schachten in de rotsen gehakt; een bescheiden grafkamer sloot er beneden 
bij aan. In de middelste van deze schachten vond de opgraver twee in elkaar geplaatste houten 
sarcofagen, die later naar het museum te Cairo zijn overgebracht. Zij dragen er de nummers 

1 ) G. Daressy, Fouilles de Deir el Bircheh, Anna- Topographical Bibliography, etc. iv. Lowcr and Mid- 
les du Service des Antiquités de 1 ’Égypte, Le Caire 1 die Egypt, Oxford, 1934, 184. 

(1900), 22-43. Zie ook B. Porter and R. L. B. Moss, 





72 


EGYPTISCHE PIIILÖLÖGIE 


DE BODEM VAN SARCOFAAG CAIRO 28087 


73 


28088 (buitenste kist) en 28087 (binnenste kist). In de laatste lag, in grof linnen gehuld, een 
met lappen volgestopte mummie of liever een gedroogd lijk; dit was waarschijnlijk het lichaam 
van den oorspronkelijken eigenaar. Volgens de opschriften op de kisten heette deze Nefri, 
en was hij „hoofdopzichter van het huis” geweest. Verder schijnt niets van dezen man bekend 
te zijn; op de buitenste kist wordt echter vermeld, dat hij leefde onder koning Wahkare 
Cheti III, een farao der tiende dynastie, dus omstreeks 2100 v. Chr. 

Sarcofaag 28087 wordt in de bekende uitgave der Coffin Texts van de Buck (deel I, 
II, III 2 )) aangeduid als B17C. Het is uitzonderlijk, dat haar bodem onbeschadigd is (pl. iv). 
Immers, in vele gevallen heeft deze veel geleden of is totaal vergaan. Merkwaardig is, dat het 
deksel van B17C teksten bevat, die kennelijk met zorg van een goed origineel zijn overgeschre¬ 
ven; de overige op de kist aangebrachte teksten zijn corrupt of zeer corrupt. Die van den 
bodem zijn tekstkritisch zo slecht, dat de Buck besloten heeft hen niet op te nemen in zijn 
Coffin Texts. De bodem is in zijn lengte (ongeveer 2.37 meter) verdeeld in twee registers, die 
bijna even hoog zijn (totale breedte van den bodem ongeveer 0.59 meter); de donkere lijn, die 
in het bovenste register zichtbaar is, werd veroorzaakt doordat op die plaats de planken van 
elkaar zijn gegaan. Op verschillende plaatsen kan men nog de koppen der houten pennen zien, 
die de planken aan elkaar moesten houden. 

Bij het versieren van de bodems der doodkisten hebben de Egyptenaren van het Midden 
Rijk twee systemen gevolgd, zodat wij twee types kunnen onderscheiden: het gewone type, 
met vrij uitvoerige tekeningen of vignettep, waarvan Cairo 28087 een voorbeeld is, en het 
andere type, dat dus minder voorkomt; de kist van Sep, thans te Parijs, is hier een goed 
exemplaar van. Dit laatste type beeldt slechts de twee wegen af. De begeleidende teksten zijn 
geheel anders dan die van de eerste groep, maar juist zij vormen het zogenaamde Boek der 
Twee Wegen 3 ). 

Plaat v begint met zeven regels tekst, dan volgen negen regels tekst in een rood vierkant; 
hierin staat vaak het woord sd.t, „vuur”, geschreven; dit duidt een gevaarlijke plaats aan, 
welke echter den volgeling van Re niet zal deren. Immers, de begeleidende teksten, die over¬ 
eenstemmen met de spreuken 133, 136 A en B van het latere Dodenboek, zeggen, dat de dode 
met Re in diens boot langs den hemel vaart. De toegang tot de nu volgende afdeling wordt 
gevormd door een deur, aangeduid door een rechtstaanden deurvleugel. Men lette erop, dat 
de egyptische deur geen scharnieren kende, maar boven en beneden een houten pen bezat; 
aan de benedenzijde was een betrekkelijk grote ruimte over, zodat men gemakkelijk onder de 
deur door kon kijken. Zo lezen wij in het verhaal der Twee Broers (6, 1-2): „Toen keek hij 
(namelijk Bata) ginder de deur van zijn stal en hij zag de voeten van zijn oudsten broer, die 
achter de deur stohd met zijn lans in de hand”. Wat de lijnen, die horizontaal en verticaal van 
de deur uitgaan, betekenen, is duister. Het onderste deel van het vignet is rood gekleurd, links 
is een zwart segment; dit is misschien een afbeelding van kkw, „de duisternis”. Terzijde 
staat de ook uit het Dodenboek bekende uitdrukking hsf hmjw, „die de boze geesten afweert”. 

Op Platen vi en vu zien wij de beide wegen, die de dode gebruiken kan, aangegeven. 
De bovenste, blauw gekleurd, is de waterweg, de onderste, zwart, de landweg. Ertussen loopt 
een vuurkanaal, aangeduid als s , „vijver”. Hoewel de waterweg zich voortslingert, verloopt hij 
veel regelmatiger dan de landweg, waarop men vooral in het midden grote kans maakt te 
verdwalen. Naast den waterweg staan verschillende kapellen in den vorm van een stele. Daarin 
zitten allerlei dsemonen, wier namen bij de twee eerste kapellen erop geschreven zijn. Dat 
de beide wegen uitmonden in het vuurkanaal, schijnt van geen betekenis te zijn; in vele ge¬ 
vallen immers eindigen zij meer naar links. Een horizontale streep duidt aan, dat een nieuw 
vignet begint. Daarin zijn twee horizontale rode strepen aangebracht, met een „spreuk om 
te passeren”. 


2 ) JEOL I, No 4 (1936), 173-174 en II, No 6 
( 1939 ), 15 . 

3 ) H. Bonnet, Reallexikon der agyptischen Rcli- 

gionsgeschichte, Berlin, 1952, 882-883; H. Grapow, 
in Handbuch der Orientalistik von B. Spuler, Er- 


ster Band. Agyptologie, Zweiter Abschnitt. Literatur, 
Leiden, 1952, 48-50. W. Bonacker, The Egyptian 
“Book of the Two Ways”, Imago Mundi, Stock¬ 
holm 7 (1950), 5-17, met 7 afb., bestudeerde deze 
afbeeldingen vanuit cartografisch oogpunt. 


1 


1 




Plaat viii zet dit vignet voort. Erop volgen de zigzagwegen, hier zonder tekst. Het is 
een voorstelling van het labyrinth van Ro-Setaoe. Doch wie de spreuken van den weg kent, 
verdwaalt er niet in. Na twee verticale regels komen twee horizontale teksten; de bovenste 
geeft aan „de wegen te land van Ro-Setaoe”, de onderste „de wegen te water van Ro-Setaoe”. 
Hierop volgen drie teksten van ongelijke grootte. Tussen twee open vakken wordt het 
slotvignet gevormd door een deur met erboven een vreemd voorwerp. Mag men er een (dan) 
op zijn kop staanden koker in zien? Toch lijken de twee uitsteeksels meer op poten van een 
meubel. Maar er is geen tekst om hier licht te verspreiden. Eenzelfde voorstelling komt ook 
voor op Cairo 28089, hnlcs boven 4 ). 

Plaat ix. Ook het eerste vignet van het benedenregister is raadselachtig. Aan weers¬ 
zijden van een rechthoek zijn lotusbloemen afgebeeld, onder de linkse een w^i-scepter, en 
boven de rechtse een zon. De betekenis van het lange zwarte vak ontgaat ons geheel. De uit¬ 
steeksels of kantelen eronder zouden op een vesting kunnen wijzen, en misschien spreken de 
teksten aan het einde van het boven register hiervan. De korte aanduidingen in het vierkant 
zelf (in tp en st^w) helpen ons niet verder. Ook hier vertoont Cairo 28089, links beneden, 
dezelfde voorstelling. Dan volgen twee deurvleugels en een deur met nogmaals twee. Zij zijn 
rood gekleurd, dus vurige poorten, en ook de zwarte lijnen omvatten een strook van vuur. De 
dode zegt, dat de vlam hem niet zal deren en hij niet verbrand zal worden. Dan zou hij immers 
te gronde gaan en dat is het ergste, wat een Egyptenaar vreesde. Overigens hebben de teksten 
betrekking op het brengen van het gezonde of wds.t-oog, dat weer helder geworden is, aan 
den god Thoth. Ineens bevinden wij ons dus in de sfeer van den maangod, terwijl tot nu toe 
alleen sprake was van de zon. Na een verticale afsluiting volgt boven een standaard voor 
Maat (?), eronder een strook vuur. 

Plaat x begint met een vignet zonder teksten. In gevallen, waar deze wel aanwezig zijn, 
hebben deze betrekking op den god Thoth. Afgebeeld is, boven, de hemel; het is merkwaardig, 
dat deze met stompe hoeken is weergegeven en niet met rechte zoals de hiëroglief F=q. Bene¬ 
den ziet men een zwart getekende boot. De betekenis van de witte figuur erin is raadselachtig. 
Andere afbeeldingen geven de boot weer met den Cheperi-kever, dus met de zon in haar eerste 
fase, terwijl de Mehen-slang als beschermster optreedt. De ronde witte schijf tussen hemel 
en boot is „Re, die schijnt in den nacht”. Na dit vignet volgt een vrij lange tekst, telkens 
ingeleid met de formule dd mdw, „te reciteren”; deze tekst komt overeen met spreuk 130 
van het Dodenboek. 

Plaat xi zet dezen tekst voort, dan volgen viermaal drie regels, die betrekking hebben 
op de vier poortwachters. 

Plaat xii. Na enkele, in drieën gedeelde, horizontale lijnen, zijn drie vurige poorten 
afgebeeld. Na een open ruimte volgt de grote, zwarte deur der duisternis, omgeven door rood. 
De dode bezweert de helse wachters dezer poorten door hun namen te noemen. Ook wordt 
er gezinspeeld op de bewolking, die de zon verduistert, maar die verdreven wordt. Door zijn 
kennis passeert de dode deze hindernissen veilig en wordt opgenomen in de gemeenschap met 
den zonnegod. Het slot wordt in ons geval gevormd door een tekst, waarvan eveneens iedere 
regel met dd mdw , „te reciteren” begint. Dan is hier de ruimte op. In andere gevallen worden 
boten afgebeeld, ook de zonneboot, zodat duidelijk te zien is, dat de dode reist in gezelschap 
van Re zelf. 

Leiden, april 1958. Jozef M. A. Janssen 


4 ) P. Lacau, Sarcophages antéricurs au Nouvel 
Empire , Le Caire, 1, 1904 (Catalogue Général des 
Antiquités Égyptiennes du Musée du Caire. N os 
28001-28086), geeft op Pl. xii een foto van de bui¬ 
tenzijde van sarcofaag Cairo 28087; hij beschrijft 
deze kist in het tweede deel (Cairo 1906, 1-9 = 
Catalogue Général des Antiquités Égyptiennes du 
Musée du Caire. N°s 28087-28126), maar vermeldt 

Jaarbericht N° 15 


amper den bodem, op blz. 9. De bodem van Cairo 
28089 is afgebeeld in lijntekening bij Lacau, I, Pl. 
LVii. Daar staat op plaat lv een lijntekening van 
Cairo 28083; deze is overgenomen door H. Kees, 
Totengiauben und Jenseitsvorstellungen der alten 
Agypter, Leipzig, 1926, blz. 426 en 2 Berlin, 1956, 

Abb. 7. 

6 


L 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 


75 


EGYPTE EN VOOR-AZIË 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION OF THE MESOPOTAMIAN 
LETTERS IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 


In order to introducé a chronological order into the Teil el-Amarna letters we have to 
start from a chronologically established fact or from an historical person who can be assigned 
a fixed place within the pattern of chronology. The former, a chronologically established fact, 
cannot be determined, hence we must have recourse to the latter, if such a person can be found. 
In Knudtzon io, B.B. 3, a letter of Burnaburias’ to na-ap-hu-ni-ri-ia, i.e. Nfr-hprw-r c , 
Akhenaten’s nomen 1 ), it says: 40 a-na su-ul-ma-ni-ka 2 ma-na zbznuknu ul-ti-bi-la-ku 41 ü as-su 
marti-ka sal ma-i-ia-a-ti 2 ) ki-i es-mu-u 421 aban kisada sa ti-im-se-e-ti sa aban ukni 431 lim 40 
ü 8 mi-nu-si-na 44 a-na su-ul-ma-ni-sa ul-tibi-la-as-si : “as a present I have had 2 mina of lapis 
lazuli taken to you, and as to your daughter, maiia-ati, I gather, I have had a neck ornament 
of lapis lazuli seals, 1048 in all, taken to her as a present’’. Here we come across the name of 
Mayati or Maya-ati, whom Albright indicated to be none other than Mryt-itn 3 ), Akhena- 
ten’s eldest daughter. Her position must have been an important one at the time for the 
Babylonian king Burnaburias not only to have taken notice of her, but also to have had 
present sent to her 4 ). Meritaten was married to Semenkhkare c . He was the king known by 
the name of Ankhkheperure c and he ruled for at least three years as is evident from the labels 
found at Teil el-Amarna, dating from the first and second years 5 ). Semenkhkare c ’s third 
year is recorded in a graffito in a tomb at Thebes, which refers to the worship of Amon in a 
temple of Semenkhkare: “Year 3, third month of the floods, tenth day. The king of Upper- 
and Lower Egypt the lord of two lands, Ankhkheperure c , the beloved of Neferkheperure 0 , 
the son of Re-Neferneferu-aten, the beloved of Wanre c ” 6 ). These titles of Semenkhkare 0 also 
occur, together with the names of Akhenaten and Meritaten on a box from the tomb of 
Tutankhamen which may originally have been intended as a tomb for Semenkhkare 0 7 ). Here 
we find the full titulary of Akhenaten followed by that of Ankhkheperure 0 with the name of 
Neferneferu-aten mery-Wanre 0 and the name and title of the great king’s consort, Meritaten. 
On the knob of the box it says Ankhkheperure 0 the beloved of Neferkheperure 0 and on another 
knob of the same box Neferneferu-aten, the beloved of Wanre 08 ). The similarity of the 
epithets on the box with those of the graffito in the tomb at Thebes leaves no doubt that we 
have to do here with one and the same person, Meritaten’s husband, who was closely con- 
nected with Akhenaten. However, neither of the inscriptions has the cartouche with the 
name Semenkhkare 0 any longer, whereas he does maintain the royal name of Ankhkheperure 0 , 
which he had assumed in Amarna. His personal name Semenkhkare 0 has here been replaced 
by that of Neferneferu-aten which his mother-in-law had always had and is here followed by 
the adjunct “beloved of Wanre 0 ”, which is another name of Akhenaten and indicates his close 
connection with the latter 9 ). The fact that Semenkhkare 0 was Meritaten’s husband is also 
evident from a drawing in Meryre 0 U’s tomb at Amarna, where both of them have been 
represented side by side. The cartouche records the personal name of Semenkhkare 010 ). On a 
stela in the Berlin Museum N 17, 813, JEA XIV, 1928, PI IV, both kings are represented 


*) BA I, 338-339; WZKM, xli, 167 ff; Knudt¬ 
zon, EA, 1565; Albright, Cuneiform Matcrial for 
Egyptian Prosopography, JNES, v, 1946, p. 17, 34. 

2 ) W. v. Soden, Zu den Amarnabriefen aus Baby- 
lon und Assur, Orientalia xxi, 1952, p. 432. 

3 ) Albright, The Egyptian Correspondencc of 
Abimilki, JEA xxm, 1937, p. 191-192, 203 n. I; 
Albright, JBL LXI, p. 304; Albright, o.c. JNES 
v, 1946, p. 16, n 27. 

4 ) W. v. Soden, o.c., Orientalia xxi, 1952, p. 432; 
Newberry, Akhenaten ’s Eldest Son in Law. Ankh- 
khepcrrurë, JEA xiv, 1928 p. 5-6. 


6 ) Fairman, City of Akhenaten II, p. 103, n 3; 
Albright, JEA xm, 1937, p. 193. 

6 ) Gardiner, The Graffito from the Tomb of 
Pere, JEA XIV, 1928 p. 10; Seele, King Ay and 
the Close of the Amarna Age, JNES xiv, 1955, 
p 172. 

7 ) Newberry, o.c., p. 4. 

8 ) Newberry, o.c., p. 5. 

9 ) Seele, o.c., p. 172. 

10 ) Davies, The Rock Tombs of El Amarna II, 
pl. xii, p. 44 n. I; Newberry, o.c., p. 5-6. 


side by side, the older with the hprs-crovm and the younger with the doublé crown. The older 
king has always been taken to be Akhenaten so that the younger can be nobody else but 
Semenkhkare 0 11 ). 

It is quite remarkable that Semenkhkare 0 should have the name of Neferneferu-aten, 
which was the name of Akhenaten’s favourite wife, Nefertity. From this it might be concluded 
that either Nefertity had died, or else that some trouble had arisen between Akhenaten and 
Nefertity, af ter which the latter had been removed. Various facts have disclosed that the eldest 
daughter took the place of her mother and that the name Nefertity was substituted by 
Meritaten. This is most distinctly expressed in el-Hawatah, where the queen’s name has been 
carefully obliterated almost everywhere and the name of Meritaten inscribed on the stone in 
palimpsest, while the Queen’s regalia have been blotted with cement, her features re-engraved 
and where her head has been enlarged to show the exaggerated skull of the royal princess. 
These changes are most thorough in the small temple and the kiosk on the island, a group of 
buildings called “shadow of Re”. In the hall it is limited to the more prominent places, but 
its meaning is obviously the same, the daughter has substituted the mother 12 ). 


All this proves that Semenkhkare 0 was coregent with Akhenaten. The question now arises 
when this coregency occurred and whether Semenkhkare 0 ruled independently after Akhena¬ 
ten? It was assumed that Akhenaten’s seventeenth year was Semenkhkare°’s first year by 
virtue of label No 279, on which the seventeenth year was mentioned to which the year 1 was 
later added 13 ). Fairman however, pointed out that this label No 279 cannot be used as a 
double-dating as the year 1 has been inscribed over the year 17. It is a palimpsest. So it only 
mentions the year 17 of an unnamed king over which the first year of another unnamed king 
has been written. Elowever, there is no doubt that the year 17 is that of Akhenaten. Hence we 
do not possess a single double-dating referring to Semenkhkare 0 ’s coregency with Akhe¬ 
naten 14 ). Yet it has to be assumed that Semenkhkare°’s reign took place during Akhenaten’s 
reign and that Tutankhamen succeeded Akhenaten straightaway, for if this is not assumed 
we are forced to accept that Semenkhkare 0 left Amarna and returned to Thebes, where he 
began to restore the old Amon-cult and that Tutankhamen, though still a boy, was strong 
enough at the time of death of his predecessor not only to rule as a disciple of Aten, but also 
to leave Thebes for three or four years or else not to appear in the town. However, it was 
practically impossible for Tutankhamen after Semenkhkare 0 had begun to go back to the 
old Amon-cult, to put a stop to this process 15 ). The most obvious conclusion therefore is, that 
Semenkhkare 0 died during Akhenaten’s lifetime. Moreover the information we have on °Ankhe- 
senpaaten’s marriage, first to Akhenaten and later to Tutankhamen, would seem to underline 
this argument. Following up Brunner 16 ), Seele 17 ) has pointed out that Akhenaten married 
his own, third daughter, °Ankhesenpaaten, and had a child by her, °Ankhesenpaaten-ta-sheri, 
young °Ankhesenpaaten. °Ankhesenpaaten has been represented as a mother with her daughter, 
together with the unequivocal statement that Akhenaten was the father. This is probably also 
reflected in a letter of Burnaburias’ to Akhenaten Kn. XI, VAS XI, 9 Rev. 25-27. 2 Sa-na be- 
el-ti biti-ka 20fi-im-bu-e-ti sa aban ukrê banê ul-te-bi-la-as-si 26 ki-i sal ma-ia-tu-ma la i-pu-sa an- 
ni-sa a-na-ku su-id-ma-ku 27 ü si-i ri-e-si la is-sü-ü ki-i du-lu-uh-hü 18 ) a-na ia-si?; “I have had 
twenty lapis lazuli rings taken to the mistress of your house, whereas maia-atu did nothing for 
me for which I can repay her, for she never raised my head when I was in distress”. Meritaten 
is again mentioned in this letter. This could only have occurred in case of her being an important 
personality, which she was only while her husband was coregent and this can only have been 


11 ) Newberry, o.c., p. 7. 

12 ) Woolley-Peet, The City of Akhenaten I, p. 
121-124; 150-155; JEA 17, 1931, p. 183; JEA, 19, 
1933 , P- 183; JEA 14, 1928, p. 7. 

13 ) Pendlebury, Preliminary Report of the Ex- 
cavations at Teil el-Amarna 1932-1933, JEA xix, p. 
117; Seele, o.e., JNES xiv, 1955, p. 172. 


14 ) Fairman, City of Akhenaten III, p. 158-159 
and 158 n. 4. 

15 ) Fairman, o.c., p. 158. 

16 ) Brunner, Eine neue Amarna-Prinzessin, ZAS, 
lxxiv, 1938, p. 107. 

1T ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 174. 

1S ) W. von Soden, o.c., p. 433. 



76 


EGYPTE EN VOOR-AZIË 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 


77 


during Akhenaten’s later years. She does not however, receive a present as she did not pay 
any particular attention to Burnaburias. The mistress of the house however, receives a pre¬ 
sent. Who was the mistress of the house? She cannot have been Nefertity, who no longer 
possessed any influence, as we have seen above on p. 75. So she must have been another wife of 
Akhenaten’s, who occupied the first place and consequently she can have been nobody else but 
c Ankhesenpaaten, whom he married af ter Nefertity. Akhenaten reigned for twenty-one years. 
Though on the whole he is said to have reigned for seventeen years 19 ) documents have yet 
been found recording the eighteenth year 20 ) and the twenty-first year 21 ). These documents 
have been found at Teil el-Amarna and consequently we have to do with contemporary docu- 
mentary evidence, so that we are to accept the latest date recorded so far, until definite 
evidence to the contrary is found. Akhenaten’s marriage to his third daughter c Ankhesenpaaten 
must have taken place before the deaths of Semenkhkare and Meritaten. The sudden death 
of these two completely upset Akhenaten’s plans for the succession. He had no son and heir, 
so that he had to look out again for another heir. In order to arrange this succession there was 
nothing he could do but give up c Ankhesenpaaten and place her at the disposal of another 
husband who could then become the successor. Consequently he joined her to Tutankhamen, 
a brother of Semenkhkare 0 , whose claim to the succession equalled his brother’s. Both were 
probably grandsons of Amenophis III, as Seele 22 ) proved to be likely. The only actual proof 
of kinship between Tutankhamen and Amenophis III is supplied by a lion in the British 
Museum 23 ). The inscription on this lion records Tutankhamen’s statement that he restored 
this monument for his father Amenhotep. In Egyptian the word father is often used to denote 
some further removed kinship. Amenophis III cannot very well be taken to have been 
Tutankhamen’s father, as Tutankhamen cannot have been more than nine years old on his 
succession to the throne. The reigns of Amenophis III and Tutankhamen are separated 
by Akhenaten’s twenty-one years’ reign, though part of this was taken up by Akhenaten’s 
coregency with Amenophis III. 

In his City of Akhenaten III p. 154-156 Fairman has actually collected various documents 
which point to this coregency. First of all a relief of Akhenaten on the Northside of the pylon 
of the temple at Soleb 24 ). Though Akhenaten’s name is in superposition, the cartouches 
with Nfr-hprw-R c w z -n-R c are original, so that the decoration must be dated before Akhena¬ 
ten’s fifth or sixth year. The reliefs represent Akhenaten in the presence of various gods and 
once receiving the sign of life from the deified image of Amenophis III, also burning incense 
for his father and offering a libation. Although this might lead one to conclude that Amenophis 
III was dead, it does not necessarily follow, as the cult of the deified king Amenophis III 
came into existence already during his lifetime and it remains very much to be seen whether 
this was continued after his death. Amenophis III himself is represented on the Eastside of 
the northern doorpost of the East-door of the Hypostyle hall at Soleb offering to Nebma 0 - 
at-re c , lord of Nubia. Hence it seems likely that Akhenaten is offering to his living father 
at Soleb and that these representations should date from the time when Akhenaten was core- 
gent, just as in the entrance to the tomb of Kheruef at Thebes, where Akhenaten is offering 
to a sitting male figure behind whom there is a female figure who can have been nobody 
else but Tiyi, and she was definitely not a goddess. The sitting figure is Amenophis III. 
His attire leaves no doubt that we have to do with a living king here and not with deceased 
king or his image. 


19 ) Griffith in Petrie, Teil el-Amarna, London, 
1894, p. 32; Gunn, City of Akhenaten I, p. 165; 
Pendlebury, Teil el-Amarna, p. 28-29; Drjoton- 
Vandier, L’Égypte 3d ed., 1952 p. 631; Meyer, Ge- 
schichte des Altertums, II Part I, 2d ed., 1928, p. 
399; Scharff und Moortgat, Agypten und Vor- 
derasien im Altertum, 1950, p. 146; Wilson. The 
Burden of Egypt, 1951, p. vin; Fairman, City of 
Akhenaten III, p. 152. 

20 ) Frankfort, City of Akhenaten II, p. 104, n. I. 


l21 ) Gunn, City of Akhenaten I, p. 165 n. I, but 
PI. Lxm Graffito I, certainly, 21. 

2!2 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 178 f. 

23 ) Hall, Oh je ets of Tutankhamon in the British 
Museum, JEA xiv, 1928, p. 76-77; I.E.S. Edwards, 
The Prudhoe Lions, Annals of Archaeology and An- 
thropology, Liverpool, 26, 1939, p. 3 ff. 

24 ) Breasted, Second Preliminary Report of the 
Egyptian Expedition, AJSL XXV, p. 87-89; Fair¬ 
man, City of Akhenaten III, p. 154. 




At Assouan a rock-relief showing a twin picture, has been preserved 25 ). To the right 
the master sculptor Men is offering to a statue of Amenophis III, whose cartouches are both 
simply Nb-mJ c t-R c . To the left the master sculptor Bek, son of Men, is worshipping Akhenaten. 
The king’s statue itself has been cut away, so that we cannot make out whether Bek is worship¬ 
ping the king himself or his statue, though it seems to be of a size with that of Amenophis III. 
The Aten is called ir hb-sd, celebrator of the festivals 26 ). Gunn believes this relief to be 
after the year six and the occurrence of nb snnt nb °itn might point to the fact that it should 
not be dated before the latter half of the year eight 27 ). 

The two names of the kings occur on a small limestone offering-table 28 ). Underneath 
between the hand we find the later name of the Aten followed by that of Amenophis III 
nb-mJ c t-R c . On the side of the table-top, in front, the name of the Aten is twice repeated. 
To the right the name of Amenophis III and to the left Akhenaten’s. Amenophis III is nöt 
only given higher precedence over Akhenaten, but he is also mentioned twice against Akhena¬ 
ten once. The older king’s association with his son on one and the same monument is the same 
kind of evidence as in the case of Semenkhkare 0 , pp. 74-75, where it is assumed that Se¬ 
menkhkare 0 was coregent with Akhenaten 29 ). If this argument is assumed for one it also 
holds good for the other or else should be denied in both cases 30 ). 

On one of the stelae at Teil el-Amarna 31 ), Amenophis III is represented as an old and 
sick man, together with his wife Tiyi. The cartouches of the Aten are in the later form and 
in both of them the royal name is nb-m^ c t-R c . 

On a fragment of Meketaten’s coffin the name of Amenophis III is recorded as nb-m^ c t 
-R c and Akhenaten’s nfr-hprw-R c w c -n-R c32 ). 

There is a general tendency to consider all these cases in which Amenophis III is associated 
with the later form of the Aten-name, as a memorial and although this may be true in some 
cases, it does not hold good for all of them. It certainly does not account for the presence of 
Amenophis III’s name on Meketaten’s coffin. It can in no case have been inscribed there as a 
memorial of Amenophis III himself and it has sense only when assuming that Amenophis III 
was still alive when Meketaten died. If this should be so Meketaten must have died before 
the death of Amenophis III, that is to say about the year eight or nine, since the eighth or 
ninth year are generally considered to have been the transitional period during which Akhena¬ 
ten changed his name 33 ). 

Other important evidence is supplied by some fragments of a pink granite dish. Only 
four of the various fragments have some character inscriptions. One of them records the 
beginning of the later form of the didactic name of the Aten and the others the name of 
Amenophis III nb m^ c t-R c , the end of a cartouche and the words “in Akhetaten” and the 
last signs of nhh followed by “king of E T pper- and Lower Egypt”. These fragments are of 
particular importance because it is highly probable that they contained a running inscription 
combining the names of Amenophis III, Akhenaten and the later form of the didactic name 
of the Aten. The important point is that any new revision of the document at a later date is 
altogether out of the question so that it should be considered as an original, contemporary 
document. Unless any attempts to draw conclusions from the various forms of the Aten-name 
are not permitted at all, it seems difficult to disregard the conclusion that Amenophis III was 


25 ) J. de Morgan, Cat. des Mon. et Inscr. de 
f Egypte antique 140 n. 174; W. von Bissing Denk¬ 
maler zur Geschichte der Kunst Amenophis TV, 
Sitzb. Kgl. Bayer. Akad. der Wiss. Phil.-Hist. KI. 
3 Abh. UI. I; Varille, Annales du Service xxxiv, 
15, fig. 2; Fairman, City of Akhenaten III, p. 154. 

26 ) JEA ix, 1923, p. 171. 

:27 ) JEA ix, 1923, p. 171. 

28 ) Fairman, City of Akhenaten III, PI. lxiv, 4-6 
and fig. 22, p. 155. 

!29 ) Newberry, o.c,, JEA xiv, 1928, p. 3-9; W. 
Wolf, Semenchkare und Tutanchamun, ZAS lxv, 


1930, P- 100-102; Fairman, City of Akhenaten III, 
p. 231-232, fig. 27, UC, 417. 

30 ) Fairman, City of Akhenaten III, p. 156. 

131 ) JEA xii, 1926, 1-2, pl. I; Fairman, City of 
Akhenaten III, p. 155. 

3:2 ) Bouriant, Legrain et Jéquier, Monuments 
pour servir d 1’étude du culte d’Atonou, Cairo, 1903, 
p. 15; Fairman, City of Akhenaten III, p. 155. 

33 ) Sethe, Beitrdge zur Geschichte Amenophis IV, 
Göttinger Nachrichten, Phil-Hist. KL 1921, p. 116 
n. 3 continued from p. 115. Opposed by Seele, o.c., 
JNES xiv, 1955, p. 174 n. 44. 



78 


EGYPTE EN VOOR-AZIE 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 


79 


still alive and probably at Amarna in Akhenaten’s ninth year 34 ). The later form of the 
didactic name of the Aten came into use about the ninth year 35 ). 

Various other objects referring to Amenophis III have also been discovered at Teil el- 
Amarna, a.o. a Stela 36 ), a label recording the year 30 37 ) and another with the year 28 38 ). 
These labels, recording such high dates, must necessarily be ascribed to Amenophis III, since 
none of the other kings at Akhetaten ever reigned over such a long period. It is generally 
assumed that the contents of a wine-jar were consumed about one or two years af ter the date 
mentioned on the outside, for there is no indication at all pointing to the fact that wine was kept 
over a long period. The potsherds of the jar gave no indication either whether some covering 
or a case were used to make it water-tight. Although similar jars, containing water, will hold 
it for some time without leaking, it is absolutely certain that they are not water-tight and it is 
highly doubtful whether they could contain liquids for longer than a few years 39 ). This 
fragment with the labels was found in a neighbourhood which the other inscriptions record 
as being a part of the town that had not actually begun to be occupied until after the fifth 
year of Akhenaten’s reign at the earliest. Unless the contents of the jar are supposed to have 
been kept for a considerable time, or that the owner kept the fragment with the date for a 
long time before throwing it away, we must assume that the foundation of Akhetaten was 
commenced shortly after the 'twenty-eighth and thirtieth year of Amenophis III and that he 
lived there himself 40 ). 

Among the letters in the archives at Akhetaten, modern so-called Teil el-Amarna, there 
are several addressed to Amenophis III or sent by him. On one of the letters of Tusratta 
to Amenophis III, Kn. 23, B.B. 10, is a note in ink in hieratic script which reads: “year 
[3]6, month 4 of the winter when we were in the Southern palace pr h c y, the house of rejoi- 
cing.” Consequently on receipt of this letter the court resided in the Southern palace in the 
pr h c y. Now we know of the existénce of a pr h c y in Malqata at Thebes, but also of one at 
Akhetaten. When founding this house Akhenaten had probably been influenced by the names 
in Malqata at Thebes 41 ). Although it is possible that this correspondence was received at 
Thebes, it seems obvious that it arrived in Akhetaten and was there placed in. the archives. 
This seems even more likely on realizing that Amenophis III owned various properties in 
Akhetaten 42 ). Well-known amongst others are: “the house of Nebma c re c ”, “the residence 
of Nebma c at-re c ”, “the house of Nebma c re c on the sacred bark”, “the house Aten shines”. 
The epithet ’itn thn in all these examples is an epithet of Amenophis III often attributed to 
him 43 ). Although the term ’itn thn was a name for Amenophis III’s palace South of Medinet 
Habu, there is no reason to doubt that the above-mentioned names do not originate from 
Akhetaten and that they denote buildings with the same names as those at Thebes 44 ). Hence 
it follows that it is likely Amenophis III lived at Akhetaten. 

It is generally assumed that a distinct change occur’-ed in Akhenaten’s reign between the 
eighth and ninth years 45 ). If there actually was a change in Akhenaten’s reign in the ninth 
year, this might point to the fact that he came into full royal power in this ninth year and 
had only been coregent with Amenophis III during the first nine years. Hence it would 
follow that he became coregent in Amenophis III’s thirtieth year. In fact, there is a graffito 
in Medum 46 ) from which Griffith 47 ) and Carter 48 ) conclude, that Akhenaten became 
coregent in Amenophis IÏI’s thirtieth year. Although this is disputed by Scharff 49 ), it 


3,4 ) Frankfort, City of Akhenaten II, p. 102. 108. 
pl. XLVii, 2; Fairman, City of Akhenaten III, p. 155. 
35 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 171. 

,36 ) JEA xii, 1926, I. 

37 ) Frankfort, City of Akhenaten II, pl. lviii, 47. 
a8 ) Fairman, City of Akhenaten III, pl. xci, 168. 

39 ) Lucas, Ancient Egyptian Materials and In¬ 
dustries , 3d ed., p. 28, 29 and note on p. 28. 

40 ) Fairman, City of Akhenaten III, p. 154. 

41 ) Fairman, City of Akhenaten III, p. 196. 

42 ) Pendlebury, City of Akhenaten III, 1951, p. 


147, 164, 199-200. 

43 ) Wörterbuch V, 329, ZAS lix, p. 110 n. 10; 
Mém. de la mission franc. XV, 15; PSBA xxm, p. 
218, 219; Edwards, Hieroglyphic Texts vm Pl. xni; 
Ann. du Service iv, p. 138-149. 

44 ) Fairman, City of Akhenaten III, p. 200. 

45 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 171. 

46 ) Petrie, Medum, pl. xxxvi. 

47 ) Griffith in Petrie, Medum, p. 41. 

48 ) Carter, The Tomb of Tutankhamon III, p. 3. 

49 ) AFO x, 1935-1936, p. 87. 


seems hard to deny the fact that Akhenaten’s coregency with Amenophis III is the actual 
point at issue here 50 ). If this should be true, Akhenaten’s coregency with Amenophis III is 
proved, whereas the other documents actually suggest a coregency but do not prove it in the 
strict sense of the word, as the difficulty presents itself that the occurrence of Amenophis 
III’s name can often be explained as a memorial except on the small, limestone offering-table, 
where Amenophis III occurs in a very manifest marnier together with the name of Akhenaten; 
and the occurrence of Amenophis III’s name on the fragment of Meketaten’s coffin, which 
can certainly not be explained as a memorial. As Akhenaten’s coregency with Amenophis III 
offers a satisfactory solution for the many chronological difficulties of this time, we can assume 
Akhenaten’s coregency with Amenophis III in all probability and almost for certain on the 
strength of the documents discussed above, and also that this coregency began in Amenophis 
III’s thirtieth year, so that Amenophis III’s thirty-eighth year was Akhenaten’s ninth year. 
This would also explain the occurrence of the later form of the name of the Aten in com- 
bination with both the names of Amenophis III and Akhenaten in the memorials of Ame¬ 
nophis III. 

If Akhenaten was coregent in Amenophis III’s thirtieth year and Amenophis III’s thirty- 
eighth year was Akhenaten’s ninth year, it follows that Akhenaten’s second daughter Meketaten, 
must have died before Akhenaten’s ninth year, as it was assumed by Sethe 51 ). Seele on the 
contrary alleges that she died after Akhenaten’s twelfth year 52 ). Consequently this is after 
the death of Amenophis III. In which case it cannot be explained why Amenophis III’s name 
should occur on Meketaten’s coffin, as this cannot be a memorial of Amenophis III. Seele is 
actually right as against Sethe in stating that the baby in the nurse’s arms on wall A of the 
chamber in the royal tomb at Amarna is not Akhenaten’s new-born fourth daughter but Meri- 
taten’s new-born child 53 ), since the inscription beside the child’s head runs in the direction 
opposite to the head and towards the nurse carrying the child on her arms. Though sometimes 
it may occur that a text runs in a direction opposite to the person referred to, this happens 
only when the head of the person to whom the inscription refers is turned backwards. It is 
an Egyptian tradition however, that the inscriptions in reliefs and paintings should run in the 
same direction as the figures that have been depicted and this tradition was continued during 
the Amarna-period. Consequently Seele assumes that the text refers to the nurse and that the 
two columns should be read as follows: 1 [ss.t-nsw.t n h.t.f mr.\t mr. t[- c itn] ms.n 2\hm.t- 
nsw.t-wr.t ] Nfr-nfrw-’itn-Nfr. t-ii.ty c nh.ty d-t nhh : “King’s daughter, of his body, his beloved 
Meritaten, borne by the king’s consort, Nefer-neferu-aten-Nefertity, may she live for ever.” 
So the nurse is Meritaten, in which case it goes without saying that she was the mother of the 
child. The child then, was also Semenkhkare c ’s, afterwards coregent with Akhenaten. 

That Meritaten had already attained marriageable age and could be the mother of a child 
in Akhenaten’s ninth year, becomes clear on closer examination of the various ages of the 
persons concerned. Akhenaten was about 47 at the time of his death 54 ). He reigned for 
twenty-one years. Though he is generally said to have reigned for seventeen years 55 ), doc¬ 
uments of Akhenaten’s have been found in which the eighteenth 56 ) and the twenty-first 
years 57 ) of his reign occur. These documents have been discovered at Teil el-Amarna and 
should consequently be accepted as contemporary evidence and the highest date given should 
be adhered to until other and definite evidence to the contrary has been supplied. Con¬ 
sequently Akhenaten was about twenty-six when he came to the throne. Supposing that he 
was sixteen when he married and that his eldest daughter Meritaten was bom a year later, 


50 ) Fairman, City of Akhenaten III, p. 156-157. 
,51 ) Sethe, o.c., p. 116 n. 3 continued from p. 115. 

52 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 174 n. 44. 

53 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 174 n. 44. 

54 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 155. 

55 ) Griffith in Petrie, Teil el-Amarna, London, 
1894, p. 32; Gunn, City of Akhenaten I, p. 165; 
Pendlebury, Teil el-Amarna, p. 28-29; Drioton- 
Vandier, Egypte, 3d ed., 1952, p. 631; Meyer, Ge- 


schichte des Altertums, II part I, 2d ed. 1928. p. 
399; Scharff und Moortgat. Agypten und Vorder- 
asien im Alter turn, Munich, 1950, p. 146, Wilson, 
The Burden of Egypt, 1951 p. vm; Fairman, City 
of Akhenaten III, p. 115. 

56 ) Fairman, City of Akhenaten II, p. 104, n. I. 

® 7 ) Frankfort, City of Akhenaten I, p. 165, n. I, 
Pl. lxiii Graffito I. 




8 o 


EGYPTE EN VOOR-AZIË 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN TPIE EL-AMARNA ARCHIVES 


81 


Meritaten would be eighteen in the ninth year of her father’s reign, an age at which she could 
easily have had a child. Supposing that Akhenaten’s children succeeded one another at inter¬ 
vals of one year, Meketaten, his second daughter, was born when Akhenaten was eighteen 
years old, and c Ankhesenpaaten when he was nineteen. As we have seen before, Meketaten 
died during Amenophis III’s lifetime, consequently before Akhenaten’s ninth year, but when 
Meritaten had already had her first child, so roundabout the eighth year of Akhenaten’s reign. 
She must have been about sixteen or seventeen at the time. c Ankhesenpaaten could have been 
born when Akhenaten was nineteen and towards the end of Akhenaten’s life when her father 
married her, she must have been about twenty-seven, or even a little younger, as one should 
allow for a considerable scope, but she was certainly no longer a child, not yet able to give 
birth to a child, as it is so often suggested. She had fully attained marriageable age and was 
well able to bear a child. The mere fact that it was the first time Akhenaten’s children were 
depicted, which may have been done at a much later date, does not allow for any definite 
chronology being built upon it 58 ). Consequently it is clear from the possible ages of Akhena¬ 
ten’s daughters that there was ample opportunity for the girls to have attained marriageable 
age, without even having been married at too tender an age. 

We have seen above on p. 75 f. that it was highly probable that Tutankhamen succeeded 
Akhenaten and that Akhenaten married him to c Ankhesenpaaten in his twenty-first year in 
order to secure the succession, for it is remarkable that in those days, when there was such 
opposition against the court at Amarna owing to the religious schism, there were no difficulties 
at all on the occasion of Tutankhamen’s succession. It is generally considered that Tutankha¬ 
men came to the throne when he was nine years old and died at the age of eighteen, in any case 
before he was twenty 59 ). The highest number of regnal years recorded for Tutankhamen 
is nine 60 ). 

If Tutankhamen was nine when he succeeded to the throne, which was Akhenaten’s 
twenty-first year, he was born in Akhenaten’s thirteenth year and consequently four or five 
years after the death of Amenophis III, so that the latter cannot have been Tutankhamen’s 
father in the same sense as recorded in an inscription on a lion in the British Museum, 
in which he says that he restored this monument for his father Amenhotep 61 ). In Egyptian 
however, the word father is often used to denote a further removed kinship. Here again it is 
evident that Amenophis III was not Tutankhamen’s father but his grandfather. Amenophis 
III’s paternity is based partly on a beloved heirloom in Tutankhamen’s tomb 62 ), consisting 
of a gold statuette of Amenophis III and a lock of hair of Tiji’s. If however, Amenophis III 
cannot have been Tutankhamen’s father but was his grandfather because Tutankhamen was 
born several years after the death of Amenophis III, Tiji cannot possibly have been Tutankh¬ 
amen’s mother, as she was certainly too old to be so. Who then were the parents of Tu¬ 
tankhamen and of his brother Semenkhkare c ? With a view to the heirloom of Amenophis III 
and Tiji’s lock of hair in Tutankhamen’s tomb and the inscription on the lion, in which he 
calls Amenophis III his father or his grandfather respectively, it is obvious that he is of 
royal descent. 

It is out of the question that his father was a son of Amenophis III if he had any 
besides Akhenaten. If there had been another son besides Akhenaten, this son would have 
succeeded Akhenaten, his brother, himself on the latter’s death. But it is possible however, 
that one of Amenophis III’s many daughters was Tutankhamen’s mother 63 ). If however his 
father was not a son of Amenophis III, who then was his father? Twelve damaged architrave 
blocks, originally belonging to different colonnades standing opposite one another in a temple- 
courtyard of a small temple, carry inscriptions from which it is clear that this temple was 
built by Ay and Tutankhamen. It is almost certain this temple was demolished by Horemheb 

58 ) Fairman, City of Akhenaten III, p. 153. m ) Carter, o.c., III, 1933, pi. xxv, p. 86-88; 

B9 ) Carter, The Tomb of Tutankhamon II, p. 230. Pendlebury, Teil el-Amarna, p. 10; Engelbach, An- 

60 ) Carter, o.c., I, p. 148. nales du Service xl, p. 157; Glanville, Amenophis 

61 ) Hall, Objects of Tutankhamon in the British III and his successors, 1929, p. 126. 

Museum, JEA xiv, 1928, p. 76-77. ö3 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 178. 


and the material used for the second pylon at Karnak. The blocks originally belonged to two 
different colonnades facing one another. One side of each of these architraves had a single 
line of hieroglyphs, the other side had two lines, one above the other. The single inscription 
on one of the architraves was in the name of Ay, the other in the name of Tutankhamen, in 
both cases with their full royal titulary. On the opposite side of each of the two architraves 
the inscription consisted of two lines underneath one another. The top line is devoted to the 
royal name and titulary of Ay and the bottom line to those of Tutankhamen. This proves 
clearly that we have to do with the work of two kings of equal merit, Tutankhamen and his 
coregent Ay. Moreover in his inscription Ay States that he built this temple “as a monument 
to his son”, Tutankhamen 64 ). This term son, however, will have to be considered in the same 
sense as the word father in Tutankhamen’s inscription, in which he States that Amenophis III 
was his father, whereas he actually was his grandfather. In the same way son will here have 
to be understood as grandson, for Tutankhamen was only nine when he came to the throne. 
His father Ay must already have attained a great age at the time, just as his wife Tiji, so that 
it was out of the question for her to have given birth to a child at that age. Consequently 
Tutankhamen and his brother Semenkhkare 0 were grandsons of Ay. 

According to the inscriptions in his tomb at Amarna Ay was “the commander of all his 
Majesty’s horses” 65 ). This title indicates that he was an officer of high rank. Another im¬ 
portant title of Ay was: “Loyal scribe to the king” 66 ), which means that he was the king’s 
private secretary. Moreover Ay was: “the fan-bearer to the right of the king” 67 ). From all 
this it is clear that he was in constant close contact with the king and that he could state in 
his tomb-inscriptions: “that he constantly heard the king’s voice” 68 ). And there was yet 
another title, probably even the most important and certainly so in Ay’s own opinion. It 
was: “father of the god” 69 ). Ay himself considered this title so important that he invariably 
wrote it after his name Ay. He did not simply write Ay, but it-ntr Ay in his royal cartouche, so 
that it became a part of his personal name. It was not only Ay who called himself “the father 
of the god”, but others did so as well 70 ). 

Literally speaking Ay certainly was not the father of the god, that is to say the king, as 
Akhenaten was not Ay’s son but the son of Amenophis III. Borchardt 71 ) holds the view that 
this expression stood for the king’s father-in-law, just as Iuja, father of Tiji, Amenophis III’s 
favourite wife, had the title “father of the god”. If Ay was the king’s father-in-law, he 
must have been the father of Nefertity or of one of Akhenaten’s other wives, of which it is 
known for certain that they were Akhenaten’s wives 72 ). It is most certain that Ay was not 
Nefertity’s father by his own wife, nor by any other wives either, for if Ay had been married 
to a wife other than Tiji, who would have born him Nefertity or another daughter, through 
whom he would have become the king’s father-in-law, then this wife who had done him this 
great honour, would certainly have been mentioned in his tomb. This is not the case and it is 
pretty certain therefore, that this wife did not exist and that Ay had no other wife but Tiji 
and Tiji only 73 ). In the tomb and also later, Tiji is mentioned and represented on an almost 
equal footing with Ay 74 ). This exceptional treatment of a woman suggests that it may have 
been possible that Ay owed the favour of the court to her or even that she was of a higher 
rank and descent than Ay. This is confirmed by Tiji’s title which runs as follows: “The 
favourite of the god, the foster-mother of the king’s consort, Nefertity, the great foster- 


64 ) Seelle, o.c., JNES xiv, 1955, p. 177. 
i85 ) Davies, The Rock Tombs of El-Amarna VI, 
London, 1908, p. 25. 

e6 ) Davies, o.c., p. 25. 

07 ) Davies, o.c., p. 25. 

68 ) Davies, o.c., p. 25. 

69 ) Davies, o.c., p. 25. 

70 ) Davies, o.c., PI. XXX. 

71 ) Borchardt, Der dgyptische Titel „Vater des 


Gottes” als Bezeichnung für „Vater oder Schwieger- 
vater des Königs ,} , Berichte über die Verhandlungen, 
Kng Sachsische Gesellschaften, Leipzig Phil.-Hist. 
Klasse lvii, 1905, p. 254-270. 

72 ) Davies, o.c., p. 20-21; Drioton-Vandier, Egyp¬ 
te, 3d ed. 1952, p. 384; Brunner, Ein neue Amarna- 
Prinzessin, ZAS, lxxiv, 1938, p. 104-108. 

73 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 168-170. 

74 ) Davies, o.c., p. 21, 23, PI. xxx. 




8 2 


EGYPTE EN VOOR-AZIE 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCH 1 VES 


83 


mother, the divine foster-mother hkrt of the king 75 ). Consequently she was not the mother- 
in-law of the king or the queen and neither was Ay their father-in-law, but Tiji, Ay’s wife, was 
the queen’s, Nefertity’s, fostermother 76 ). Hence it follows that at the time when Nefertity 
was born, Tiji must have given birth to a child herself and was therefore well suited to be 
the princess’s foster-mother. It also follows that Nefertity was born in Egypt and was com- 
mitted to the charge of an Egyptian foster-mother at her birth. As Nefertity later became 
the king’s great consort, she was probably a princess of the blood royal, just as most queens of 
the Eighteenth Dynasty, and so it seems obvious that she was a daughter of Amenophis III 
by another wife than his beloved wife Tiji. Since she was committed to the charge of Tiji, the 
wife of Ay, the army-officer, he must have been stationed at Thebes, close to the court of 
Amenophis III, where parents and children of both families were in close contact over a con- 
siderable period. It goes without saying that Tiji’s function as the princess Nefertity’s foster- 
mother gained Ay and his wife Tiji a prominent position in Thebes and that Ay was considered 
for promotion and honours on the part of the king and the queen, as they had grown up in 
close contact with Ay and Tiji from an early age. 

On the architrave blocks Ay records that Tutankhamen was his son. He was only nine 
when he came to the throne in Akhenaten’s twenty-first year and consequently he was born 
in the thirteenth year of Akhenaten’s reign and the thirty-fourth year of his life. Nefertity 
must have been about the same age and as Tiji, Ay’s wife, was her foster-mother, the latter 
must have been about fifty when Tutankhamen was born, if we assume that she was fifteen 
or sixteen when she gave birth to the child which was the cause of her becoming Nefertity’s 
foster-mother. Consequently she was then too old to be reasonably able to bear a child. So she 
cannot very well have been Tutankhamen’s mother. Nor can another wife of Ay’s have been 
Tutankhamen’s mother, as she would most certainly have been mentioned in his tomb in the 
valley of the kings, if she would have done Ay the great honour of bearing him a son for the 
throne of Egypt. Again it is only Tiji who is mentioned here. 

It was seen above on p. 80, that Tutankhamen was a grandson of Amenophis III. 
This cannot have been by a son of Amenophis III, as the latter would have succeeded himself 
in lieu of nine-year old Tutankhamen. So he must have been a grandson of Amenophis III’s 
by one of his many daughters. Consequently Ay must have been Tutankhamen’s grandfather 
by a son who had married one of the many daughters of Amenophis III. Nothing is known 
in history of either of these, though a child or children of Ay’s are frequently mentioned 77 ). 
It is quite well possible for Ay’s son to have been married to one of Amenophis III’s daughters, 
since, having been born about the same time as Nefertity, whose foster-mother was his own 
mother, he would have had many opportunities of getting into touch with Amenophis IÏI’s 
children and he was brought up together with them. Consequently we can assume almost for 
certain that Tutankhamen and his brother Semenkhkare c were sons of Ay’s son 78 ). 

Tutankhamen therefore, was of royal blood on his mother’s side and could thus assert his 
claims to the throne. Moreover his uncle Akhenaten joined him in marriage to his third 
daughter, CAnkhesenpaaten, who became heiress to the throne after the deaths of Meritaten 
and Meketaten. This occurred most probably in the last, twenty-first year of Akhenaten’s 
reign, during which the latter also installed him as coregent after the deaths of Meritaten and 
her husband Semenkhkare c , Akhenaten’s coregent. This would best account for the fact that 
we do not hear of any tracé of difficulties over the succession in spite of the extreme tension 
prevalent in those days, and which might easily have given rise to complications and rebellion. 

As we have seen above on p. 75, label 279 cannot be taken as a double-dating for the be- 
ginning of Semenkhkare' c ’s coregency, as the year 1 has been written over the year 17. This 
proves that the year 1 of Semenkhkare c must have been after the year 17 of Akhenaten. As 
the contents of the jars on which these labels occurred, were destined for the court and for 
higher officials, it seems obvious that they were consumed over a short period, after which the 

75 ) Davies, o.c., PI. xxiv. 77 ) Davies, o.c., PI. XXXIII . 

7l6 ) Helck, Der Einfluss der Militarführer in der 78 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, P- I 7 &-I 79 - 
18. dgyptischen Dynastie, Leipzig, 1939, p. 66, 71. 


jars were re-filled. The original contents of this jar dated from Akhenaten’s seventeenth year, 
when however, this jar was re-filled, Semenkhkare c had meanwhile become coregent and the 
jar was dated after his first year, which was probably Akhenaten’s eighteenth year. As 
Semenkhkare c only reigned for three years, he was coregent with Akhenaten during the 
latter’s eighteenth, nineteenth and twentieth years. After Semenkhkare c ’s death, Akhenaten 
had to look out for another coregent and successor. He gave up c Ankhesenpaaten, married her 
to Tutankhamen and installed him as coregent at the same time, so that the latter was already 
reigning by right of law when Akhenaten died. 

Tutankhamen reigned for nine years only, as this is the highest year recorded 79 ). He 
was about nine years old when he succeeded to the throne. He came to face a very hard task. 
Because of Akhenaten’s religious folly the Asiatic Empire was lost, or anyway practically 
lost. The temples of the gods were closed, their decorations destroyed, their gifts confiscated, 
their clergy officially dissolved, the temple staff rebellious and desperate. It is not known what 
state the army was in during these days. Owing to the king’s lack of strong leadership and his 
unparalleled indifference with respect to the fate of the besieged garrisons in Asia, the morale 
of the army had doubtlessly sunk to zero. Now this nine or ten year old youngster, imbued with 
the atmosphere of heresy which had brought the realni on the brink of disintegration, came to 
face this crisis. A child of ten would not be equal to such a task and so it is only natural that 
his grandfather Ay, who had risen to great power during Akhenaten’s reign, should assist 
him. The extent of Ay’s power is known from the titles he had acquired during the period 
when Akhenaten was in full royal power. After the paintings in his tomb at Amarna, which 
is dated prior to Akhenaten’s ninth year, three additional titles were found, occurring on a 
gold band which was discovered in a box in the valley of the tombs of the kings 80 ). Although 
Ay’s name is not mentioned on the gold band, it is found on other objects in the box. Moreover 
one of the titles on the band is specifically Ay’s as it occurs together with his first name in his 
first royal cartouche 81 ). The title runs: “the one who administers justice”. The two other 
titles run: royal chancellor and Vizier. Hence it is clear that Ay rosé to the two highest of the 
non-royal dignities. It seems obvious therefore, that the devoted chancellor assisted his grandson 
as regent. It must have been Ay’s doing that Tutankhamen, whose original name was Tutankh- 
aten, changed his own and c Ankhesenpaaten’s name into Tutankhamen and c Ankhesenamen 
respectively and brought about his return to Thebes. It can also safely be assumed that many 
of Tutankhamen’s activities actually originated from the regent, who also carried them out. 
It seems obvious therefore, to conclude that this regency gradually changed into a coregency 
so that Ay became Tutankhamon’s coregent. In consequence of Tutankhamon’s sudden death, 
the chamber in his tomb was hurriedly decorated with scenes relating to his funeral. They 
are the last tie between himself and his grandfather and coregent, for Ay has been represented 
conducting the funeral rites 82 ). Ay wears the royal crown and is dressed in a priest’s leopard- 
skin while performing the ceremony of the opening of the mouth in front of the mummy of 
his grandson in order to ensure his comfort and salvation in the realm of Osiris 83 ). Ay 
survived his grandson Tutankhamon by four years, the highest number of regnal years ever 
found for Ay 84 ). 


Now that the mutual relationship of these sovereigns of the Amarna-period has been 
determined, we shall have to consider whether the exact number of regnal years of these kings 


79 ) Carter, o.c., p. 148; A. de Buck, De liquidatie 
van Echnaton’s hervormingswerk. Jaarbericht „Ex 
Oriente Lux” Leiden II, 8, 1942., 569-580. 

80 ) Da vis, The Tombs of Harmhabi and Touat- 
dnkhamanou, London, 1912, p. 133; Newberry, King 
Ay, The Successor of Tutankhamon, JEA xvm, 1932, 
P 5152 . 


81 ) Gauthier, Lc Livre des rois d’Egypte II, Cai- 
re, 1912, p. 375-379- 

82 ) Steindorff, Die Grabkammer des Tutancha- 
mun, Annales du Service xxxvm, 1938, p. 641-667 
and accompanying plates. 

83 ) Seele, o.c., JNES xiv, 1955, p. 179. 

84 ) Gauthier, o.c., p. 376. 





8 4 


EGYPTE EN VOOR-AZIE 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 


85 


can be established, so as to be able to arrange the chronology of the letters of the Teil el- 
Amarna archives as accurately as possible within these years. In order to achieve this we 
must set out from a firmly established fact. The first established and synchronous facts between 
Egypt and Assyria-Babylonia since the Amarnaperiod are to be found in Babylonian chron- 
icles 85 ). In B.M. 21946 it says: I sattii2ikzm sdrm&akkadfei ina mdti-sü rnA.nabu-kudurri- 
usur mar-su rabüu mar sarri sa bit ri-e-du-tü 2 umman m&takkadiki id-ki-e-ma pa-ni ummanme- 
sü is-bat-ma ana al gal-ga-mes sa kisad pu-ra-tü illik-ma 3 ana muhhi umman mat mi-sir sa ina 

al gal-ga-mes na-du-ü nara i-bir-ma 4 . a-ha-mes ma-ha-su-ma umman mitmi-sir ina pani-sü 

ittabalkit-ma. 5 abikta-sü-nu is-kun adi la ba-se-e ik?-mur?-sü-nu-tü sit-ta-a-tü umman 
mat mi-sir 6 sa ina abikti is-hi-tu-ma iskakku la ik-su-du-sü-nu-tü ina pi-hat unztha-ma-a-tü 
Jummanmz m&takkadiki ik-su-du-su-nu-ti-ma abikta-sü-nu is-ku-nu e-du amêtu ana mdti-sü ui 
itür &ina u^-mi-su-ma m.d.nabu-kudurri-usur m&tha-at-tü a-na gim-ri-sü ik-su-ud 9 21 sandtemt s 
m.d .nabu-apal-usur sarru-ut bah'ü'ü d e pusui 10 ina ar ah abi ümu <?kam simdte* nes ina arah^/^/ïm.d. 
nabu-kudurri-usur ana babilfei itür-am-ma 11 ina arah ululi ümu /kam ina babilfei ina kussi 
sarru-ü-tü ü-si-ib.” In the twenty-first year the king of Akkad remained in his country. Nabu- 
kudurri-usur, his eldest son, the son of the crown-prince’s palace of the king (the crown- 
prince) mobilized the army of Akkad and placed himself at the head of his army and marched 
to Karkemis on the banks of the Euphrates and crossed the river against the army from Egypt 

stationed at Karkemis and . they fought together and the army from Egypt withdrew 

from him. He brought about their defeat and beat them into oblivion. The rest of the Egyptian 
army, which had quickly fled on its defeat, so that it was beyond reach of weapons, was 
overtaken by the army from Akkad in the district of Hamath, where it was defeated so that 
not a single man returned to his country. During the same period Nabu-kudurri-usur con- 
cjuered the whole of the district of Hattu. Nabu-apal-usur reigned over Babylonia for twenty- 
one years. On the eighth day of the month Ab Nabu-apal-usur died. In the month Ululu Nabu- 
kudurri-usur returned to Babylonia and on the first day of the month Ululu he occupied the 
royal throne at Babylon 8Ö ). 

This proves that Nabu-apal-usur reigned for twenty-one years and was succeeded by his 
son Nabu-kudurri-usur. This occurred in Nabu-apal-usur’s twenty-first year so that the last 
part of Nabu-apal-usur’s twenty-first year was the year of accession of Nabu-kudurri-usur. 
However, it was included in Nabu-apal-usur’s reign and Nabu-kudurri-usur’s first full regnal 
year did not begin until the following new year. The battle of Karkemis took place during 
Nabu-apal-usur’s lifetime as Nabu-kudurri-usur learnt the news of his father’s death while he 
was away in Hattu. Consequently the battle of Karkemis took place during Nabu-apal-usur’s 
twenty-first year. This was in 605 as Nabu-apal-usur had acceded to the throne in 625 87 ). 

There is a record of Flavius Josephus on the battle of Karkemis: “Now, in the fourth 
year of Jehojakim’s reign, one whose name was Nebuchadnezzar came to reign over Babylonia 
and at the same time he went to Karkemis on the Euphrates with a large army according to a 
plan which he had drawn up to make war on Necho, king of Egypt, who also ruled over the 
whole of Syria in those days. When Necho understood the intentions of the king of Babylonia 
and that this expedition was directed against himself, he did not scorn this attempt but rushed 
off to the Euphrates with a large group of men in order to defend himself against Nebuchad¬ 
nezzar and after the war had been unchained he was defeated and lost many tens of thousands 
in the battle. Thus the king of Babylonia crossed the river Euphrates and took the whole of 
Syria right up to Pelusium with the exception of Judea” 88 ). In the Babylonian chronicle the 
name of the king of Egypt is not recorded but there is question only of the Egyptian army. 
Josephus however, records the name of the Egyptian king Necho and also that the battle took 


85 ) D. J. Wiseman, Chronicles of the Chaldaean 
Kings 626-556, London, 1956; The Biblical Archaeo- 
logist Vol. xix, 1956, No. 3, p. 50-60; BASOR 143 
Oct. 1956, p. 28-33; E. R. Thiele, New Evidence 
on the Chronology of the Last Kings of Juda, BA¬ 
SOR, 143 Oct. 1956, p. 22-28; Hayim Tadmor, 


Chronology of the Last Kings of Judah, JNES xv 
226-230. 

86 ) Wiseman, o.c., PI. xiv, xv, xvi. 

87 ) Wiseman, o.c. y p. 5-9. 

88 ) Flavius Josephus, Antiq. Jud. x, 6. 


place in the fourth year of Jehojakim, king of Judah. This is also to be found in the book of 
the prophet Jeremiah 89 ). Jehojakim now became a vassal of Nabu-kudurri-usur 90 ). As 
Nabu-kudurri-usur won the battle of Karkemis in the fourth year of Jehojakim it follows that 
Jehojakim acceded to the throne in 608. This was his first full regnal year. Jehojakim actually 
succeeded in 609 when Necho returned from the battle of the Euphrates in order to support 
Assuruballit in reconquering Harran 91 ). After the death of Josiah Necho deposed Jehoja¬ 
kim’s brother Joahaz who had been elected by the people 92 ). Josiah was killed in the battle of 
Megiddo when Necho marched to Harran. “In his (Josiah’s) days Pharaoh Necho, king of 
Egypt, marched to the king of Assur near the Euphrates and king Josiah went up against him, 
but he caused his death on meeting him” 93 ). ‘WK '•|Vö Vs? should here be translated: “to the 

king of Assur” and not “against the king of Assur”, as it appears from the Babylonian 
chronicle B.M. 21901 94 ) that the king of Egypt was allied to the king of Assur 95 ). Although 
the year-date is not indicated in this pericope, it should be placed between the sixteenth year 
of Nabu-apal-usur and the eighteenth, which is mentioned in the catchline, so that it is clear 
that this pericope records what happened in the seventeenth year. As 625 was Nabu-apal-usur’s 
first full year, his seventeenth year was 609. The Bible and Flavius Josephus both reveal that 
Necho was king of Egypt. This was the year of his accession as his father Psammeticus I had 
died in 609. 

Thanks to the Apis-stelae we can now determine how long Necho’s predecessor, Psam¬ 
meticus I, reigned. On the sixth day of the second month of Necho’s sixteenth year, an Apis- 
bull died. This Apis died at the age of sixteen years, seven months and seventeen days. Necho 
therefore, had reigned for fifteen years, one month and six days, when this Apis died. If 
this figure is deducted from the age of this Apis, one year, six months and eleven days are 
left, which is the length of time this Apis lived during Psammeticus I’s life-time. The Apis 
was born in Psammeticus I’s fifty-third year and was inaugurated in his fifty-fourth year 96 ). 
This accounts exactly for the year and a half that this Apis lived during Psammeticus I’s life¬ 
time, so that Psammeticus I reigned for fifty-four years, 663-609. Another Apis-stela records 
that an Apis was born in the twenty-sixth year of Taharqa and died in the twentieth year of 
Psammeticus I 97 ). Consequently this Apis lived for over twenty-one years, of which twenty 
under the reign of Psammeticus I and one year under Taharqa. Taharqa died in 664. Another 
Apis-stela again records the death of an Apis in the twenty-fourth year of Taharqa so that it 
may be concluded from these two stelae that Taharqa reigned for twenty-six years, 689-664. 
According to II Kings 19, 9, Taharqa (Tirhaqah) waged war on Sanherib 98 ). It is known that 
Sanherib besieged Jerusalem during his campaign of 701 99 ). Now how was it possible for Ta¬ 
harqa to come into conflict with Sanherib if he reigned for twenty-six years and did not come to 
the throne until 689? How can this be explained? Taharqa’s predecessor was Sabataqa, who 
reigned for fourteen years. Now the year when he began to reign depends on the date on 
which he died. In the stela for his sixth year Taharqa States that he was crowned king after 
the falcon, i.e. Sabataqa, had flown to heaven 100 ). He States that four miracles occurred in 
the sixth year, one of which was that he was crowned king, although there were several others 
who seemed to have better claims to the throne than himself. He was still a young man when 
he was summoned North, together with his royal brothers, by his brother, king Sabataqa, 


89 ) Jerem. 46, 2. 

90 ) II Kings 24, 1. 

91 ) II Kings 23, 34. 

92 ) II Kings, 23, 30-33- 

93 ) II Kings 23, 29. 

94 ) Wiseman, o.c., PI. ix-xn 66-76; C. J. Gadd, 
The Fall of Nineveh, PI. i-iv, 66-76. 

95 ) D. N. Freedman, The Bahylonian Chronicles, 
The Biblical Archaeologist xix, 1956, No. 4, p. 53, 
n. 10. 

96 ) Piehl, Inscriptions hiêroglyphiques I, xxi; 


Chassinat, Ree. Trav. 22, 1900, p. 21. 

97 ) Mariette, Le Sérapéum de Memphis, III, PI. 
36; Chassinat, Ree. Trav. 22, 1900, p. 19; Breasted, 
Anc. Ree. iv, 950-962. 

98 ) II Kings 19. 9. 

") Luckenbill, The Annals of Sennacherib, OIP, 
2, 1924; II Kings, 18, 13; Isa. 36, II. 

io°) m p Laming Macadam, The Temples of 
Kawa I, The Inscriptions, Texts, 1949, V, 15; J. M. 
A. Janssen, Que sait-on actuellemcnt du Pharaon 
Taharqa ? Biblica, 35, 1953, p. 29. 





86 


EGYPTE EN VOOR-AZIE 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 


87 


who raised him above all the others. He was twenty when he came to Egypt 101 ). The fact 
that he was crowned at Memphis in his sixth year, cannot mean anything else but that he had 
been coregent with his brother Sabataqa for six years. If these six years during which he 
was coregent with his brother, are deducted from the twenty-six years during which he reigned, 
he was in full royal power for twenty years and began to reign in 683, so that Sabataqa died 
in 684. 

Sabataqa reigned for fourteen years, so that he came to the throne in 697. Taharqa became 
coregent in 689 and was twenty when he left his mother and came to Lower Egypt with the 
king. Now the question arises, when did Taharqa come to Lower Egypt? Was it in the year 
when his brother Sabataqa became coregent or in the year when he became king? Sabataqa 
succeeded to the throne in 697 and occupied it for fourteen years. He was crowned in his 
third year so that he was coregent with Sabaqa, his predecessor, for two years; Sabataqa 
therefore, came into full royal power in 695 102 ). Sabaqa reigned for fifteen years 103 ), so 
that he acceded to the throne in 710, as he died in 696. If Taharka came to Egypt in the 
year when Sabataqa came into full royal power, in 695, he was born in 715, but if he came 
to Egypt when his brother became coregent in 697, he must have been born in 717. Whichever 
way it was, whether Taharqa was born in 717 or in 715, in either case he was too young to 
have been a general of the Egyptian army against Sanherib in 701. However, he is emphatically 
mentioned as having fought against Sanherib. This then must have happened during the time 
when he was coregent with Sabataqa, while Hezekiah was still alive, so before 686, the year 
in which Hezekiah died, so that we must assume that Sanherib undertook another campaign 
against Hezekiah, to prove which, more and more material is being brought forward 104 ). 

When Sabaqa came to the throne, he was determined actually to subdue the whole of 
Egypt, which so far had only been nominally subjected to him. He marched into Egypt and 
settled at Memphis. He captured Bocchoris who, according to Manetho and the Egyptian 
documents, had reigned for six years, and burnt him alive, according to Manetho. Informa¬ 
tion on the year of Bocchoris’s accession to the throne is obtained from the inscription of 
Sargon II and especially from a document VA 8424, published by E. F. Weidner in AFO 
XIV, 1941, pp. 40-53. In column B 5-11, in a damaged context, mention is made of the Wady 


of Egypt, followed in line 8-11 bij: 8 m si-il-kan-ni sar m&mu-us-ri sa . 9 pu-luh-tu 

me-lam-me sa dassur bêli-ia is-hu-pu-su-ma 10 12 sisê mes rabütimz s sa mat mu-us-ri sa i-na 
ma-a-ti la ib-su-ü tam-sil-su-un is-sa-a tamar-tus: “Silkanni, king of Egypt,.whom 


fear of the splendour of my lord Assur had cast down, brought 12 big horses from the land of 
Musri, the likes of which are nowhere to be found in the realm, as a present.” As to the identi- 
fication of Silkanni, Albright 105 ), following up von Bissing 106 ), has pointed out that in 
all probability we have to do here with Osorkon, that is to say Osorkon of the Twenty-third 
Dynasty. The fact that there is question of an Egyptian, i.c. Libyan monarch here, is even 
emphasized on account of the 12 big horses, the likes of which are nowhere to be found in the 
realm. Libyan horses were considered the best, even in the days of the Greeks. It is quite 
natural that Osorkon, the last sovereign of the Twenty-third Dynasty, on learning the news 
of the presence of the Assyrian army under the command of Sargon II on the Egyptian 
frontier, should have sent him presents, which the king of Assyria accepted as complimentary 
tributes. It was a difficult situation for Osorkon, as Piankhi’s armies were approaching from 
the South. There were various petty kingdoms in the Nile-Delta in those days, whose territories 
did not exceed that of a nome. One of the most powerful personalities was Tefnakht of Saïs, 
who was the first to bring the various petty kingdoms into his power, without however, 
dethroning their petty kings. When he had succeeded in doing this, he conceived the idea of 


subduing the whole of Egypt. Piankhi eventually proceeded against this and conquered the 
whole of Egypt, which came into his power nominally. This conquest must have occurred in 
716, as Sargon received Osorkon’s presents in the fifth year of his reign, 716. This must have 
been both Osorkon’s as well as Tefnakht’s last year, for mention is made in the story of 
Sargon U’s campaign in 715 of the pir’u of Egypt. There is not the slightest doubt but that 
Assyrian pir’u must be the description of Egyptian pero “Pharao” 107 ). The name of the 
Pharao is not mentioned but he must have been Tefnakht’s successor, Bocchoris, for the latter 
reigned for six years and was burnt alive by Sabaqa in 710, so that his first year was 715, 
from which it can be concluded that Tefnakht and Osorkon died in 716. 

An Apis-bull died in Bocchoris’ sixth year 108 ). lts age is not known, but can in all 
probability be calculated. No mention is made of an Apis-bull under his predecessor Tefnakht. 
The first to be mentioned before Bocchoris is in the thirty-seventh year of Sheshonq V. 
Tefnakht reigned for 10 years 725-716. We know that he decided to conquer the whole of 
Egypt when he came to the throne. He started with the Western Delta and then turned to the 
Eastern Delta. He deposed Sheshonq V, the last king of the Twenty-second Dynasty. The 
latter had ruled over the whole of Egypt and his removal probably occurred in 725. According 
to the Egyptian monuments he reigned for thirty-seven years 109 ). So his reign can be dated 
from 762-726. The thirty-seventh year, in which an Apis died, was 726. The death of the next 
Apis-bull occurred in 710, so that it had lived for sixteen years. The Apis-bull which died in 
Sheshonq V’s thirty-seventh year, was twenty-six years old and it was born therefore, in 
Sheshonq V’s eleventh year. The Apis-bull which died in Sheshonq V’s thirty-seventh year was 
the second to have died since the buil of Pami’s second year. The Apis-bull after Pami’s 
second year was buried in Sheshonq V’s eleventh year 110 ). According to the Egyptian mon¬ 
uments Pami reigned for six years 768-763 111 ). So the Apis-bull which had been buried in 
Sheshonq V’s eleventh year, was sixteen. The Apis-bull which died in Pami’s second year 
was twenty-six 112 ). This Apis-bull therefore, had lived under Pami’s predecessor Sheshonq 
III, for twenty-four years. The predecessor of this Apis-bull died in Sheshonq III’s twenty- 
eighth year, so that the latter reigned for fifty-two years, as it is also stated in the Egyptian 
documents 113 ). Consequently he reigned from 820-769. It is not known how long this Apis- 
bull lived. As there are no other Apis-stelae at our disposal, this resource for composing a 
chronology is now exhausted and we shall have to look out for another means, which is to be 
found in the id-festival. 

It is not known what sd actually means, however, that much is certain that it was a 
festival to be celebrated every thirty years. In the days of materialistic evolution the dogma 
prevailed that in the beginning regal power was granted for a period of thirty years, after which 
the king was deposed and probably killed. However, so far no one has ever been able to bring 
to the fore a historical fact, that is to say an actual, real event that it actually happened thus 
in Egypt. Therefore, with a view to the high cultural Standard in Egypt, it has later been 
interpreted to have been a compromise between a tenacious remnant of a barbaric tradition 
and the more humane ideas of more highly developed later generations. In lieu of being 
deposed, the king renewed his personification as king of Upper- and Lower Egypt and drew 
new energy from this ceremonial rejuvenation, on account of which he could begin a new 
period of sovereignty. It is very remarkable indeed, that from the oldest times onward, sd- 
festivals are found to be mentioned which are not recorded in a king’s thirtieth year, but long 
before. sd- festivals are recorded for the first time with the following kings of the First 
Thinite Dynasty, Usaphais, Miebis, Semempsis and Qa. It is not stated however, during what 


101 ) Laming Macadam, o.c., p. 17; Janssen, o.c., 
p. 20. 

102 ) Janssen, o.c., p. 23-40; Drioton-Vandier, 
3 ed., 1952, p. 563-564- 

103 ) Drioton-Vandier, o.c., 562; Albright, BA- 
SOR 141, 1956, p. 25. 


104 ) Albright, BASOR 141, 1956, p. 26-26; 

BASOR 130, 1953, p. 8-11. 

105 ) Albright, BASOR 141, 1956, p. 24; G. 
Ryckmans, AFO xiv, 1941, p. 54-56. 

106 ) Von Bissing, R. T. 34, p. 133, 141, 145; 
AFO xiv, 1941, p. 44. 


107 ) Albright, BASOR 141, 1956 p. 25, note 9. 

108 ) Mariette, o.c., PI. 34; J. M. A. Janssen, 
Over Pharao Bocchoris, Varia Historica, Assen, 
1954, 17-29. 

100 ) Gauthier, Le Livre des Rois III, p. 373-375. 
110 ) Mariette, o.c., La stéle d’Harpeson, Drioton- 


Vandier, o.c., p. 566, 3e ed. 1952., 

111 ) Gauthier, Le Livre des Rois, p. 570-573; 
Drioton-Vandier, o.c., p. 566. 

112 ) Drioton-Vandier, o.c., p. 366. 

1113 ) Drioton-Vandier, o.c., p. 366. 


L. 





EGYPTE EN VOOR-AZIE 


year of their reign the irf-festival was celebrated. It is far from likely however, whether any of 
these kings individually ever reigned as long as thirty years. 

During the Eleventh Dynasty Mentu-hotep II celebrated the id-festival in his thirty- 
ninth year 114 ). This was the thirtieth year after he had assumed power over the whole of 
Egypt. One might be inclined to conclude from this that it was only the dynasty reigning over 
the whole of Egypt, even though nominally only, which had the right to celebrate the sd - 
festival. Mentu-hotep II reigned for fifty-one years. His successor Mentu-hotep III reigned 
for twelve years and did not celebrate a id-festival. Then followed five years of wars of suc- 
cession. During the fifth year Mentu-hotep IV emerged as the victor. He reigned for two 
years and celebrated the id-festival in the second year. This was exactly thirty years after 
the last id-festival of Mentu-hotep II 115 ). From this succession during the Eleventh Dynasty 
it is clear that not every king celebrated the id-festival, but only the king actually in power 
thirty years after the last id-festival had been celebrated. This was also the reason why the 
id-festival could coincide with any regnal year of any king. Most kings of whom a record 
exists that they celebrated the id-festival, did so on a date preceding the thirtieth year of their 
reign and if it was actually celebrated in their thirtieth regnal year the reason was that they 
had succeeded to the throne just after a id-festival had been celebrated. It was a festival 
recurring every thirty years, as is evident from the Greek name rptaxovTa £TY)p^ 116 ), while 
the Rosetta Stone quotes the king who had celebrated as id-festival as xupi,o^ TptdcxovToc 
£TY]pÊ8oov Considering the conservative character of Egyptian culture it would have been 
greatly surprising if they had given up the tradition of celebrating the id-festival every thirty 
years, as is evident from the Eleventh Dynasty, in the succeeding period, only to résumé it 
again in the Ptolemaic period. So it is safe to conclude that it was maintained all during the 
period of existence of the Egyptian kingdom. But then it is also evident that in case a id- 
festival is found to be recorded of a certain king and in a period of which an established 
chronology is known to exist, it can be referred to in composing a chronology 117 ). Flinders 
Petrie had already realized this in 1906, Researches in Sinai p. 181. On account of Eduard 
Meyer’s statement however, it was not pursued. After an explanation of the ceremonies 
accompanying the id-festival he adds; „Die hier vorgetragene Erklarung der Brauche des 
Setfestes hat inzwischen auch Petrie, Researches in Sinai, 1906, p. 181 ff. aufgestellt; aber er 
halt es mit Unrecht für ein cyklisches Fest” 118 ). Without a shadow of evidence why Petrie 
wrongly takes it to be a cyclic festival, or even the slightest tracé of a fact why it cannot be a 
cyclic festival, Eduard Meyer rejects it and no one has since used the id-festival as a means 
of determining a chronology. Yet elsewhere Eduard Meyer writes: “Dasselbe (the id-festival) 
ist zwar ein dreissigjahriges Jubilaum aber es wurde keineswegs immer erst im 30 Regierungs- 
jahre gefeiert und kann daher für chronologische Ansatze nur mit Vorsicht verwendet 
werden” 119 ). The mistake made by Eduard Meyer is his being tied to the dogma, established 
a priori but unproved, of a materialistïc evolution according to which the id-festival should 
necessarily be the celebration of the thirtieth regnal year of the king, who was then deposed 
and probably murdered. The events during the Eleventh Dynasty quoted above and the fact 
that most of the kings did not celebrate it in the thirtieth year of their reign prove that it is 
not tied to the thirtieth year of the king’s reign, but that it was a cyclic festival, celebrated 
every thirty years. As long as it is not known what id actually means, it should not be tied up 
with theories. Not until the meaning of id has become clear will it perhaps be possible to 
make out what the nature and the origin of this festival were. It seems reasonable there- 
fore, to drop the theory of the dogma of materialistic evolution, established a priori but un¬ 
proved, and to confine oneself to the actual and real facts, from which it is evident that it is a 

114 ) JEA XXVI, p. 118; Naville I, 40; AJSL, 11T ) P. van der Meer, The Chronology of An- 
1940, p. 143-147, 153; H. E. WiNLOCK, The Risc and cient Western Asia and Egypt, 2d ed., 1955, p. 81-83. 
F all of the Middle Kingdom in Thebes, p. 33. 11S ) Meyer, Geschichte des Altertums, Erster 

ll15 ) JEA xxvi, 1940, p. 118; WiNLOCK, o.c., p. 55; Band, Zweite Halfte, 4te Auflage, 1921, § 220 p. 
JNES II p. 282. I 53 -I 5 S. 

*«) ZAS XXXVI p. 64, note 3. X1 D Meyer, o.c., § 212 A, p. 139. 


THE CHRONÖLOG1CAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 89 

festival which was celebrated every thirty years, irrespective of the king’s regnal year. In this 
case it can very well be used as a means of determining a chronology, as will become clear 
hereafter. 

As further Apis-stelae are lacking, we should try to pursue chronological investigations 
with the help of recorded id-festivals. It will be necessary for that purpose to try and find a 
id-festival in the period with an established chronology. On such a basis it will be possible 
to proceed with the composition of this chronology. 

A fixed date presents itself in Piankhi’s twenty-first year, in which the inhabitants of 
Hermopolis ask him to celebrate a id-festival. It was in his twenty-first year that Piankhi 
came to Egypt in order to march against Tefnakht and the other kings of the North. As we 
have seen above on p. 87, this campaign took place in 716 12 °). The next id-festival which we 
know of, occurred in Osorkon’s twenty-second year 121 ). He was a contemporary of Ahab 
of Israël, for an alabaster vase was found in the latter’s palace at Samaria, carrying the name 
of Osorkon II 122 ). Ahab reigned from 874-853. So we must try and find a id-festival round- 
about this time, in which Osorkon IPs twenty-second year can be placed. As a fixed date is 
known for the id-festival in Piankhi’s twenty-first year in 716, it will be necessary to add up 
thirty years each time from this date onward. The following id-festivals were celebrated in 
746, which came within the reign of Sheshonq V, in 776, under the reign of Sheshonq III 
and in 806, likewise under the reign of Sheshonq III. The preceding id-festival occurred in 
836. This was the twenty-second year of Osorkon II, who celebrated a id-festival in his 
twenty-second year, according to the monuments. Osorkon II reigned for twenty-eight years 
according to the monuments, for in the temple at Karnak Osorkon ITs twenty-eighth year is 
recorded as the fifth year of Takelot II 123 ). Consequently Osorkon II reigned from 857- 
830 and was contemporary with Ahab of Israël from 857-853. The wall of Osorkon IPs house 
of jubilees is found to be decorated with reliefs on one of which, beneath the throne of Osorkon 
II it says: “All the countries, all the regions, Upper-Retenu, Lower-Retenu, all the accessible 
districts are under the foot of the good god” 124 ). Upper- and Lower-Retenu are the territories 
North and South of the present-day river Lithaniyeh. As the letter L does not occur in Egyp¬ 
tian, it is substituted by N or R, as is evident from Kpn, Semitic Gubla in the Teil el-Amarna 
letters, Hebrew Gebeil in modern Arabic. Litanu became Retenu in Egyptian. The fact 

that this territory was already so named in antiquity, appears from the prisma of Sanherib, 
col. I, 48-49, where a series of peoples is listed, beginning with Hamranu, which is the Hauran, 
Hageranu, which is the Hegran, Nabatu, the Nabatees of Ammon and Moab, lïtanu, the 
inhabitants of the banks of the river Lithaniyeh, the Aramu, the Syrian Petty-States 125 ). 
According to the inscription at Karnak Osorkon IPs twenty-eighth year, 830, was Takelot IFs 
fifth year, so that the latter began to reign in 834. According to the Egyptian monuments he 
reigned for twenty-five years, from 834-810. His twenty-fifth year is recorded in an inscrip¬ 
tion at Karnak 126 ). 

During Takelot U’s fifteenth year there was a total eclipse of the moon, so that this 
eclipse occurred in 820 127 ). Astronomical omen were always considered as a warning against 
things about to happen. Mostly they were supposed to be concurrent with the events of the 
moment and eclipses of the moon were generally considered to have been of extreme importance 
after the event was over. In the fifteenth year of Takelot II, 820, there actually was an uprising 

12 °) The Piankhi Stela, Breasted, Ancient Records 26. 
of Egypt IV, p. 429 No. 848; Albright, BASOR 124 ) Breasted, Ancient Records iv, p. 372. 

141, 1956, p. 25. 125 ) Luckenbill, The Prisma of Sennacherib, OIP 

121 ) Ed. Naville, The Festival Hall of Osorkon 2, 1924, Col. 1, 48-49. 

II, in The Great Temple of Bubastis 1887-1889, 126 ) Legrain, Annales du Service, IV, 1903, p. 

London, 1892 PI. 8. 183; Maspero, ibid. p. 185-186; Breasted, Ancient 

122 ) J. A. Reisner, Cl. St. Fisher, D. J. Lyon, Records iv, 755. 

Harvard Excavations at Samaria igu, I, 81. 127 ) Breasted, o.c., 377-386; Albright, BASOR 

123 ) ZAS xxiv, 1896, p. 112; Breasted, Ancient 130, 1953, p. 4-11; Albright, BASOR 141; 1956, p. 

Records IV, 697; Albright, BASOR, 141, 1956, p. 26. 

Jaarbericht N° 15 7 



90 


EGYPTE EN VOOR-AZIE 


in Thebes against the high priest Osorkon, who had been inaugurated in Takelot U’s eleventh 
year. Osorkon was forced to fly but nevertheless the uprising spread quickly throughout the 
country. 

On p. 87 it was stated that Sheshonq III was Pami’s predecessor. By means of the Apis- 
stelae it was possible to determine that the latter came to the throne in 768, so that Sheshonq 
III must have died in 769. It was also possible, by means of the Apis-stelae, to conclude 
that Sheshonq III reigned for fifty-two years, from 820-769, so that a fixed chronology 
was obtained upto 820, bymeans of the Apis-stela. It is clear now that Takelot II reigned from 
834-810. Hence it follows that Sheshonq III was coregent with Takelot II for ten years, so 
that the latter, as he was coregent with Osorkon II for five years, was in full royal power for 
ten years only. The reason why he installed Sheshonq III as coregent in his fifteenth, year, 
was probably due to the uprising which quickly spread throughout the whole Egypt and to the 
eclipse of the moon, so that he wanted to secure the succession in case of emergency. 

From the facts that Takelot II was coregent with Osorkon II and he himself installed 
Sheshonq III as coregent, it can be concluded that there is just no room left for a Sheshonq 
II to have existed in between Osorkon II and Takelot II. Moreover, nothing special is known 
about this Sheshonq II, so that the line of succession ranges as follows: Osorkon II — Takelot 
II — Sheshonq III, who himself becomes Sheshonq II because Sheshonq II is omitted, — 
Pami — Sheshonq V, who becomes Sheshonq IV, because this imaginary Sheshonq II is 
omitted. 

Consequently we have a fixed, continuous succession so far, with a firmly established 
chronology up to 857. We should now try to establish a correct chronological order for the 
beginning of the XXII Dynasty. The following synchronous event of the Twenty-second 
Dynasty with sources outside Egypt, is supplied by I Kings 14, 25, where it says: “And it 
came to pass in the fifth year of king Rehoboam that Sisak, king of Egypt, came up against 
Jerusalem.” Biblical Sisak is Sheshonq, who can be nobody else but Sheshonq I, as Rehoboam 
reigned from 931-915. The entire reign of Sheshonq I, or either the first half of his reign or the 
second half, must therefore coincide with the first five years of Rehoboam. 

Osorkon IPs predecessor was Takelot I, to whom the Egyptian documents attribute 
twenty-three years. Frequent mention is made of coregencies in connection with the first 
kings of the Twenty-second Dynasty. In respect of Sheshonq Ps successors Albright writes: 
“Exactly such a coregency is attested for the next two Kings” 128 ). He gives no indication, 
however, where this can be proved. I went in search of information but could not find any, 
so I applied to Jozef Janssen. In a letter of 18 June 1956 he informed me: “that he did not 
know of any material either and that neither Drioton-Vandier in L’Égypte Ed. 3 1952, nor 
H. Gauthier, Le Livre des Rois, Le Caire, III, Première Partie, 319-334, mention anything 
either. W. M. Flinders Petrie actually mentions it in his “ A History of Egypt from the 
XIth to the XXXth dynasties”, London, 1918, p. 227 ff. If I am not mistaken, however, he 
takes these for granted, because he thinks he will otherwise get tied up over the length of the 
reigns. This may be so, but to my idea this does not explain anything about the length of these 
coregencies. I am also completely in the dark as to where he gets his figures for these on 
p. 228. It is necessary therefore, to be very cautious.” Consequently, as long as no new 
material presents itself, we shall have to adhere to the information given by the Egyptian 
monuments. As Osorkon II began to reign in 857, Takelot I’s last year was 858. As he 
reigned for twenty-three years according to the Egyptian monuments, his first year was 880. 
As the last sd- festival which was established, occurred in 836, the preceding festival must 
have been in 866, which is Takelot I’s fifteenth year. 

He was preceded by Osorkon I, who reigned for thirty-six years according to the 
Egyptian monuments. As his last year was 881, his first year occurred in 916. In 896 a 
id-festival must have taken place, in Osorkon Ps twenty-first year therefore. His predecessor 


128 ) Albright, BASOR 130, 1953, p. 6, note 10. 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVËS 91 

Sheshonq I reigned for twenty-one years, according to the Egyptian monuments. His last 
year was 917, so that his first year occurred in 937. There was a id-festival in 926, so in 
Sheshonq I’s twelfth year. He was a contemporary of Rehoboam of Judah, during whose 
fifth year he marched to Palestine, as we have seen above. As Rehoboam acceded to the throne 
in 932, 931 was his first full year and 927 his fifth year, hence Sheshonq marched into 
Palestine in 927, in the eleventh year of his reign. With Sheshonq I we find ourselves at the 
beginning of the Twenty-second Dynasty and a fixed, continuous chronology has been 
established so far. We shall now have to try and determine the chronological sequence of the 
Twenty-first Dynasty. 

There are certain indications that Sheshonq I did not accede to the throne until after his 
predecessor, the last king of the Twenty-first Dynasty, had died. He restored a statue of 
Psousennes II 129 ). He was married to the daughter of Psousennes II, Makare c , which made 
his claims to the Egyptian throne legitimate. Hence we can assume that the transition of the 
Twenty-first Dynasty to the Twenty-second Dynasty took place in a peaceful atmosphere and 
that Sheshonq I did not accede to the throne until after Psousennes II had died, so that the 
regnal years of Psousennes should be entirely ascribed to him alone. There is not a single 
indication according to the Egyptian monuments how long he reigned. According to Africanus 
however, Psousennes reigned for fourteen years. His last year was 938, so that he reigned 
from 951-938. Psousennes IPs predecessor was Siamon, who reigned for sixteen years ac¬ 
cording to the Egyptian monuments 130 ). His last year was 952, so that he reigned from 
967-952. We have noted that a irf-festival was celebrated in 926, so that the preceding festival 
must have occurred in 956, that is to say in Siamon’s twelfth year. According to the Egyptian 
monuments 131 ) his predecessor was Amenemope, Amenopthis with Manetho, with a forty- 
nine years’ reign. As his last year was 968, he reigned from 1016-968. In 986 a sd- festival 
was celebrated, which is Amenemope’s thirty-first year consequently. Another id-festival 
occurred in 1016, which is Amenemope’s first year. With Amenemope’s predecessor we are 
confronted with a highly confused situation. Manetho mentions a certain Nefercheres as his 
predecessor, of whom nothing is known in the Egyptian documents. Montet however, 
identified him with Neferkare, whose name was found by Montet on two gold cases dis- 
covered in the tomb of Psousennes I, and which probably served as a decoration of the 
extremities of a bow. On these cases Neferkare c ’s name was mentioned together with that of 
Psousennes I from which it might be concluded that he was coregent with Psousennes I 132 ). 
Nothing is known of Neferkare 0 in the Egyptian monuments. Manetho ascribes a four years’ 
reign to him. As the Egyptian monuments record nothing of him at all, he probably died 
before Psousennes I and the four years would come within the latter’s reign. On the other hand 
the Egyptian monuments mention a certain Pinedjem I, to whom they ascribe a sixteen years’ 
reign. He was married to a daughter of Psousennes I, Makare c . He had succeeded his father 
Piankhi as highpriest in Thebes. From a gold dish which Montet found in the tomb of 
Psousennes and on which the name of Pinedjem occurs, it may be concluded that he was 
coregent with Psousennes. That he actually carried on an independent reign of his own seems 
likely from two blocks excavated by Montet at Tanis, where Pinedjem’s cartouche is 
inscribed on one of these blocks while on the other it says: “the son of Re, who took the 
red crown and the white crown, the lord of the diadems, Pinedjem, the beloved of Ha- 
rakhti” 133 ). Consequently, until new material presents itself, the situation may probably be 
explained as follows, that Psousennes first took Neferkare 0 as coregent and when the latter 
died after four years, he installed Pinedjem as his coregent. It is not known for how long 
he was coregent. The Egyptian monuments ascribe a sixteen years’ reign to him 134 ). If 

129 ) Legrain, Cot. gén. du Mus. du Caire III, p. 131 ) Gauthier, o.c., p. 292-293. 

i ff.; Spiegelberg, Ree. Trav. 21, 1899, p. 12-21; 11:3)2 ) Montet, Drame d’Avaris, p. 190-194. 

Daressy, Ree. Trav. 38, 1916, p. 10. 133 ) Gauthier, o.c., p. 243-260; Montet, o.c., p. 

130 ) Gauthier, Le Livre des Rois III, 294-298; 190-194. 

Munier, Mélanges Champollion , p. 361-366. l:w ) Gauthier, o.c., p. 243-260. 







92 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 


93 


EGYPTE EN VOOR-AZlË 

these are taken to have been the years of his own, independent and personal reign, then he 
reigned from 1032-1017, as his last year was 1017. He was preceded by Psousennes I to 
whom the Egyptian monuments ascribe a seventeen years’ reign 135 ). As his last year was 
1033, he reigned from 1049-1033. As a irf-festival had been celebrated in 1016, the preceding 
festival occurred in 1046, which is Psousennes I’s fourth year. His predecessor was Smendes, 
the first king of the Twenty-first Dynasty. The Egyptian monuments do not supply a single 
regnal year of this king. Manetho however, ascribes a twenty-six years’ reign to him. If this 
be assumed, then he reigned from 1075-1050, as his last year was 1050. The Twenty-first 
Dynasty therefore, reigned for one hundred and thirty-eight years. 

The last king of the preceding Dynasty, the Twentieth, was Ramses XI. He reigned for 
twenty-seven years 136 ). His last year being 1076, he reigned from 1102-1076. As a sd- 
festival had been celebrated in 1046, the preceding festival took place in 1076, the twenty- 
seventh year of Ramses XI. His predecessor was Ramses X. The highest number of years 
recorded for his reign being the year three, it should be assumed that he reigned for three 
years, from 1105-1103 137 ). His predecessor was Ramses IX, of whom the documents positi- 
vely record nineteen years 138 ), so that he reigned from 1124-1106. As a id-festival had been 
celebrated in 1076, the preceding festival occurred in 1106, which is Ramses IX’s nineteenth 
year. His predecessor was Ramses VIII of whom no regnal years are known, so that we are 
faced with the difficulty how to proceed with our chronology. As it is known that a id-festival 
was celebrated in Ramses III’s twenty-ninth year 139 ), an attempt should be made to proceed 
with our chronology along this course. The last sd -festival was seen to have been celebrated 
in 1106, so that the preceding id-festival was celebrated in 1136. This cannot possibly have 
been Ramses III’s twenty-ninth year, for Ramses VII reigned for seven years 140 ). He was 
preceded by Ramses VI of whom no regnal years are known 141 ). He was preceded by 
Ramses V of whom the highest number of regnal years found, was the year four 142 ). His 
predecessor was Ramses IV with a six years’ reign 143 ). Consequently, since the last sd- 
festival of 1106 which occurred in Ramses IX’s nineteenth year, there are eighteen years of 
Ramses IX, ? of Ramses VIII, seven of Ramses VII, ? of Ramses VI, four years of Ramses 
V and six years of Ramses IV, altogether thirty-five years in addition to which there is a 
number of years for the two kings, the length of whose reigns is not known. This therefore, 
is more than thirty years, the lapse of time in between two sd- festivals, so that the sd -festival 
which is said to have been celebrated in 1136, cannot have been Ramses III’s. This then, must 
have been the id-festival of 1166. As it occurred in his twenty-ninth year, he acceded to the 
throne in 1195. He reigned for thirty-two years 144 ), so that he reigned from 1195-1164. 
Ramses IV with six years, reigned from 1163-1158. Ramses V with four years, from 1157- 
1154, so that twenty-nine years are left for Ramses VI, VII, VIII, seven of which are 
ascribed to Ramses VIL Ramses VIII reigned for a few years only, as he was a weak per- 
sonality, so that a long reign of some twenty years perhaps, remains for Ramses VI 145 ). 
Consequently these three kings reigned from 1153-1125. 

Ramses III’s predecessor was Sethnakht, who reigned for two years only, from 1197- 
1196. As there was a id-festival in 1196, this occurred in his second year. The preceding 
id-festival was in 1226. This was the second id-festival of Ramses II. His first id-festival 
occurred in his thirtieth year 146 ), which was celebrated in 1256 accordingly. In between he 
celebrated a whole series of sd- festivals, which must have been in repetition of the first, just as 


135 ) Montet, La nêcropole royale de Tanis II, 
Psousennes, Paris, 1951. 

üS'6) t £ Peet, Chronological Problems of the 
Twentieth Dynasty, JEA xiv, 1928, p. 52-73. 

137) Peet, o.c., p. 63-64. 

138 ) Peet, o.c., p. 61-63. 

139 ) JEA v, 1918, p. 192-193. 

14 °) Peet, o.c., p. 60-61. 


141 ) Peet, o.c., p. 59. 

142 ) p EEX> 0C} p 

143 ) Peet, o.c., p. 53. 

144 ) Peet, o.c., p. 53; J. M. A. Janssen, Ramses 

III, Leiden, 1948, p. 28. 

145 ) Peet, o.c., p. 53-59. 

14 ' 6 ) Gauthier, o.c., III, p. 42-46. 


with Amenophis III, of whom this feature is explicitly recorded 147 ). As Ramses U’s first sd- 
festival occurred in his thirtieth year, in 1256, he acceded to the throne in 1285. He reigned 
for sixty-seven years. As Sethnakht, the first king of the Twentieth Dynasty, began to reign 
in 1197, the remaining kings of the Nineteenth Dynasty reigned altogether for twenty-one 
years. The order of succession of these kings and the length of their individual reigns is by 
no means established yet 148 ). These kings cannot have reigned for long periods and there 
cannot have been a long interregnum in between the Nineteenth and Twentieth Dynasties, as 
Rowton 149 ) and Albright 15 °) like to assume 151 ). 

Although Ramses II was coregent with his father Sethi I, he probably did not begin to 
count his regnal years until the moment when he came to the throne in full royal power 152 ). 
His father Sethi I reigned for twelve years. He too had been coregent with his father Ramses 
I, who was already far advanced in years and had a long military career behind him when he 
came to the throne. He reigned for two years only 153 ). He probably appointed his son Sethi I 
as coregent straight from the begirming in order to secure the succession. Just like his son did 
later on, Sethi did not begin to count his regnal years either, until the moment when he came 
into full royal power. Sethi I reigned from 1297-1286. As a id-festival had been celebrated in 
1256, the preceding id-festival must have been celebrated in 1286, Sethi I’s twelfth year. This 
was the reason why Ramses II celebrated the iöLfestival in the thirtieth year of his reign. So 
far he is the first king we have noted to have celebrated the id-festival in the thirtieth year of 
his reign. Ramses I reigned from 1299-1298. 

Ramses I’s predecessor was Lloremheb. Nothing is known about his origin, as he never 
mentions his parents 154 ). He was a military man and a general of Akhenaten’s under the 
name of Paatenemheb. Towards the end of Akhenaten’s reign or a little af ter, he was sent to 
Asia and succeeded in maintaining Palestine for Egypt. He also acted as the faithful servant 
under Tutankhamen and Ay as well, but meanwhile he assured the priesthood of his loyalty 
to Amon. On Ay’s death they had him appointed the successor by means of an oracle of 
Amon. An inscription at Mes records Horemheb’s fifty-ninth year 155 ). It is absolutely 
certain however, that Horemheb never reigned for fifty-nine years. This date recorded in the 
inscription at Mes does not originate from the time of Horemheb, but from the days of the 
Ramses-Dynasty after his death, when the years of his heretical predecessors were ascribed 
to him 156 ). Horemheb never employed era-datings. This did not come into practice until 
after his death. Therefore the date of his twenty-seventh year, recorded in a graffito 157 ) 
cannot refer to the year of his accession, as though he had come to the throne twenty-seven 
years after the death of Amenophis III, but is to be explained as follows according to Seele, 


147 ) Hayes, Inscriptions from the Palace of Ame¬ 
nophis III, JNES x, 1951, p. 36, note 10, fig. 5, 
10-12. 

14S ) G. Lefebvre, A propos de la reine Taousert, 
Muséon lix, 1946, Mélanges L. Th. Lefort, p. 215- 
221; Cerny, Annales du Service des Antiquités 
xxvii, p. 199 et note 2.; Cerny, Ostraca hiératiques, 
Cat. géneral du Musée du Caire, 4 fase., Le Caire, 
1930-1935; Emery, The Order of Succession of the 
Close of the Nineteenth Dynasty, Mélanges Maspero 
I, Oriënt ancien, le Caire, 1934 p. 353-356; Drioton- 
Vandier, UÊgypte, 3me éd., 1952, p. 355-356 et p. 
377-378; L. A. Christophe, La fin de la XIX dy¬ 
nastie égyptienne, BiOr XIV, 1957, p. 10-13; Gar- 
diner, The Tomb of Queen Twosre, JEA 40. 1954, 
p. 40-44; W. Helck, Zur Geschichte der 19. und 20. 
Dynastie, ZDMG 105, Heft I, 1955, p. 32-39; Jür- 
gen von Beckerath, Die Reihenfolge der letzten Kö- 
nige der 19. Dynastie, ZDMG, 105, Heft 2, p. 241- 
251; R. H. Camino, Two Stelae in the Qurnah 
Temple of Sethos I, Agyptologische Studiën (H. 


Grapow z. 70 Geburtstag 1955), p. 17 ff. 

149 ) JEA 39, 1938, p. 63. 

T5°) AJA 54, p. 170, note 30; BASOR 130, 1953, 
p. 4 ff., note 19. 

151 ) Von Beckerath, Die Reihenfoige der letzten 
KÖnige der 19. Dynastie, ZDMG 105, Heft 2, p. 250. 

1152 ) K. C. Seele, The Coregency of Ramses II 
with Sethi I and the Date of the Gr cat Hypostyle 
Hall at Karnak, SAOC 19, iv, p. 23-49. 

153 ) Seele, o.c., p. 20. 

154 ) Helck, Militarführer p. 79. 

155 ) A. H. Gardiner, The Inscriptions of Mes in 
Sethe: Untersuchungen iv, 1905, p. 52 and 52; V. 
Loret, La grande inscription de Mes d Saqqara, 
ZAS xxxix, 1901, p. 10 and 4; U. Hölscher, Ex- 
cavations at Ancient Thebes, O.I.C. 15, p. 51 n. I. 

156 ) Frankfort, City of Akhenaten III, p. 158, 
n. 2. 

1! 57 ) hölscher, o.c., p. 51, 53, fig. 35; Hölscher, 
The Excavations of Medinet Habu II, The Temples 
of the Eighteenth Dynasty, 107, 108, fig. 90, PI. 61 c 







94 EGYPTE EN VOOR-AZIE 

that he paid a visit to his mortuary .temple in his twenty-seventh year 158 ). Consequently he 
reigned for at least twenty-seven years. The number of additional years during which he 
reigned, can however be established, if the regnal years of Amenophis III can be determined 
by means of the id-festivals. The last id-festival which was noted to have been celebrated, 
occurred in 1286, so that the preceding festival must have taken place in 1316, which must 
have occurred in the reign of Horemheb. The preceding festival must have occurred in 1346. 
The one preceding this festival was celebrated in 1376. This must have occurred in the reign 
of Amenophis III. Now as Amenophis III celebrated his first id-festival in his thirtieth 
year 159 ), and as the other, later festivals were only in repetition of this first festival, Ameno¬ 
phis IIFs thirtieth year must have occurred in 1376, so that he acceded to the throne in 1405. 
He reigned for thirty-eight years, so that his reign lasted from 1405-1368. Previously on pp. 
78 f. we have seen that Akhenaten became coregent with Amenophis III in the latter’s thirtieth 
year, so that he began to reign in 1375. He reigned for twenty-one years, from 1375-1355. In 
his last year, 1355, he appointed Tutankhamen as coregent, af ter Semenkhkare c who was married 
to Meritaten, had died. Tutankhamen reigned for nine years from 1354-1346. A id-festival 
occurred in this year, so that it was celebrated in the ninth year. He was succeeded by Ay, who 
reigned for four years from 1345-1342. His successor was Horemheb, who consequently 
reigned for fourty-one years, from 1341-1300. 


The object was to establish the fixed regnal years of the kings of the Teil el-Amarna 
period. As this has now been achieved, the piecing together of an Egyptian chronology can here- 
with be brought to a conclusion. It has become evident that by setting out from an established 
point by means of the Apis-stelae and later by assuming the id-festival to be a cyclic 
festival, celebrated every thirty years independent of the king’s regnal year, it is possible to 
build up a continuous, sound chronology for Egypt. Owing to new discoveries some minor 
changes may yet occur in connection with this chronology, but the main lines of Egyptian 
chronology are actually established. We shall now have to try and determine the exact years 
of the letters from Mesopotamia in the collection of the Amarna letters within this pattern. 

We have seen above that Amenophis III lived in Akhetaten, present-day Teil el-Amarna, 
where these, archives were discovered, from his thirtieth year onward, and so it follows that 
not a single letter from these archives is dated before the thirtieth year of Amenophis III’s 
reign. Sixteen letters from Mesopotamia have been preserved in the archives at Teil el-Amarna, 
six of which are from Amenophis or were addressed to Amenophis III. These letters must there- 
fore be dated between 1376-1368. There is a letter from Burnaburias to Amenophis III 160 ). 
1 a-na m [ni-ïb-mu-a-ri-ï]a sa[r rnat mi-is-ri-i] 2 ahi-ia qi-b[i-ma] 3 um-ma bu-ra-bu-ri-ia-as sar 
[mat kar-du-ni-as ] 4 ahi-ka-ma a-na ia-si su-ul-[mu\ 5 a-na ka-sa biti-ka assdti-mes-ka mdrê- 
mes-[ka] bmdti-ka zmi\rabütêmzs-ka sisême[s-ka] 7 isnarkabdtëmzs-ka lu su-ul-m[u\ 8 ki sa 
pa-na at-ta ü a-bu-u[a] 9 it-ti a-ha-mi-is ta-ba-tu-[ni] 10 i-a-an-na a-na-ku ü ka-sa it-[ti 
a-ha-mi-is lu ta-ba-nu ] H i-na bi-ru-un-ni a-ma-tu-[um-ma] 12 sa-ni-tu-um-ma la iq-[qa- ab- 
bi\ 13 ia ha-as-ha-ta i-na mdti-ia su-u[p-ra-am-ma ] 14 li-il-qu-ni-ik-ku 15 ü sa a-na-ku ha-as- 
ha-ku i-na mdti-k[a] 16 lu-us-pu-ra-am-ma li-il-qu-[ni.\ “To Nebmuria, king of Egypt, my 
brother, say thus, I Burnaburias, king of Kardunias, your brother, am welk To you, your 
house, your wives, your sons, your country, your nobles, your horses, your chariots, truly hail. 
Just as in former days yourself and my father were friends, let now myself and you be 
friends. No other words shall be spoken between the two of us. Whatever you need from my 
country, write for it to me so that it be taken unto you and whatever I need from your 
country, I shall write you, so that it be brought unto me.” 

The fragments of the first line, a-nam . a, allow for no other royal name to be 

filled in than ni-ib-mu-a-ri-ia, which is the Horus name of Amenophis III, nb m’ ’t-re. This 

158 ) Seele, Hawrün-em-hab or Haremhab, JNES 159 ) Gauthier, Le Livre des rois II, p. 310-312. 
iv, 1945, p. 238. 16 °) Knudtzon, Die El-Amarna-Tafeln, No 6. 


THE CHRONOLOGICAL DETERMINATION IN THE EL-AMARNA ARCHIVES 95 

letter seems to have been written on the accession of Burnaburias, since it begs to continue 
the good relationship which existed between the kings of Babylonia and Egypt. It must have 
been written towards the end of Amenophis IIEs life as all his other letters are addressed to 
Akhenaten and Tutankhamen, one of which deals with complaints of Amenophis III. This 
letter would certainly have been sent to Amenophis III himself if he had still been alive. If 
the former was actually meant to be a polite notification of Burnaburias’ to Amenophis III of 
his accession, it should be placed in Amenophis’ last year, 1368, and accordingly Burnaburias 
acceded to the throne in Babylon in 1368. This Burnaburias must have been Burnaburias III 
as no later Burnaburias occurs and Burnaburias II lived long before the days of Amenophis 
III. According to Knudtzon 9, BB 2, Burnaburias was the son of Kurigalzu. This was 
Kurigalzu I, as Nazimaruttas was the son of Kurigalzu II 161 ). As Burnaburias III acceded 
to the throne in 1368 and as the Teil el-Amarna archives contain letters of Kadasmanharbe, 
who is nobody else but Kadasmanharbe I, as Kadasmanharbe II reigned long after the death 
of Amenophis III, Kurigalzu I can only have reigned for a short period, as none of these 
letters are prior to 1376. Two letters of Amenophis III’s to Kadasmanharbe I and three of 
Kadasmanharbe I to Amenophis III have been preserved in the Teil el-Amarna archives. A 
much larger correspondence however, seems to have existed between these two kings, for 
Kn. I is an answer to a letter of Kadasmanharbe I in which the latter answered a letter 
of Amenophis III who had asked for the hand of a daughter of Kadasmanharbe I. These two 
letters are either lost from the Teil el-Amarna archives, or else, which seems more likely, they 
are in the archives of Medinet Habu and this then would be the first letter from Akhetaten 
after Amenophis III had moved there. Kn. 3 seems to point to this, in which letter Kadasman¬ 
harbe complains that he had not been invited to the festival of Amenophis. This was probably 
the ^-festival of 1376 162 ). In the same letter Kadasmanharbe invites Amenophis to the 
inauguration of his new palace and promises at the same time to give Amenophis his 
daughter. Kn. 5 is an answer to this, in which Amenophis III sends presents for the new 
house and promises to send more when the ambassador brings Kadasmanharbe’s daughter to 
be married to him. Here their correspondence ends. Probably Kadasmanharbe died, as between 
himself and Burnaburias III Kurigalzu reigned for a while. The latter must have acceded to 
the throne roundabout 1374 and reigned for five or six years only. Kadasmanharbe I however, 
seems to have reigned over a long period. Not from the beginning of the reign of Amenophis 
III though, for in Kn. I, 12 Kadasmanharbe writes that his father gave him, Amenophis III, 
in marriage the sister of Kadasmanharbe. This must have been in the beginning of the reign 
of Amenophis III. Karaindas I was already in power between the years 1416-1408, as he 
concluded a treaty with Assurbelnisesu 163 ) during these years, so that Karaindas I reigned 
before Amenophis III came to throne. Karaindas I probably died roundabout 1400, so that 
Kadasmanharbe reigned from 1400-1374. 

The first letter of Burnaburias dates from the last year of Amenophis III, 1368, as we 
have seen above. The remaining letters of Burnaburias except one, are all addressed to 
Akhenaten. The dates of two of them can be established, as we have seen above p. 74. Merita¬ 
ten is mentioned in them as the consort of Semenkhkare c , who was coregent during Akhena- 
ten’s nineteenth and twentieth years. Consequently this letter dates from Akhenaten’s nine- 
teenth year, 1357. In Knudtzon II the mistress of the palace is mentioned. As it was noted 
previously on pp. 75 f., this c Ankhesenpaaten, who was Akhenaten’s consort during Merita- 
ten’s lifetime. Meritaten however, does not receive a present, as she had not done anything 
for Burnaburias. This letter therefore, dates from Akhenaten’s twentieth year, 1356. Kn. 8 
must have been despatched shortly after the death of Amenophis, for he has now made friends 
with Akhenaten. Yet caravans seem to have travelled to Egypt already before this, for in Kn. 8 , 
13 ff., caravans are recorded to have been robbed in Canaan on their way to Egypt. This 
letter can be dated between 1368 and 1360. Kn. 14, containing a list of presents from Akhena- 

161 ) BE 14.39, P- 8-9. torisch oogpunt, § 247, p. 122. 

162 ) J. de Koning, Studiën over de El-Amarna- 103 ) CT 34, PI. 38, 1-4. 
brieven en het Oude-Tëstament inzonderheid uit his- 



96 


EGYPTE EN VOOR-AZIË, EL-AMARNA ARCHIVES 


ten to Burnaburias, can also be dated within this period. Kn. 7, 8 ff. records the illness of 
Burnaburias. This is also mentioned in Kn. II, 26 ff. This letter dates from 1356 as we have 
seen above, so that Kn. 7 should immediately precede it, probably in 1358. Kn. 9 protests 
against the fact that the king received ambassadors of the Assyrians. This letter is addressed 
to ni-ip-hu-ur-ri-ri-ia. This is the Horus name of Tutankhamen 164 ). The latter acceded to 
the throne in 1355. Of the Assyrian correspondence only two letters of Assuruballit I are 
known to exist. He reigned from 1362-1327. As these letters are addressed to Akhenaten, 
they must date from the last years of this king, as Burnaburias’ letter of protest is directed 
against Tutankhamen, maintaining that the Assyrians are his (Burnaburias’) subjects. Con- 
sequently the letters Knudtzon 15 and 16 may date from 1357 and 1356 in which case Knudt- 
zon 9 dates from 1333 or later. 

Thus the letters in the Teil el-Amarna archives originating from Mesopotamia, have been 
fitted into the pattern of chronology. With the help of events and personalities recorded in 
these letters it can now be attempted to incorporate the remaining letters in a chronological 
pattern. However, this is not the proper place to do so, but I hope to be able to publish 
more elsewhere. 

Amsterdam, 15 maart 1958. P. van der Meer 

i64) jnES vii 1948, p. 114-115. 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

DE WERKWOORDELIJKE ‘TIJDEN’ IN HET SEMIETISCH, 

EN IN HET BIZONDER IN HET HEBREEUWS 

Belangrijkste bibliografie. Elke referentie in de tekst verwijst naar de onderstaande num 
mering. 

1. Bauer en Leander, Historische Grammatik der hebrdischen Sprache, Halle a.S., 1922. 

2. G. Bergstrasser, Mitteilungen zur hebrdischen Grammatik , OLZ 26, 1923. 

3. G. Bergstrasser, Einführung in die semitischen Sprachen, München, 1928. 

4. F. R. Blake, A Resurvey of Hebrew Tenses, Roma, 1951. 

5. V. Christian, Das Wesen der semitischen Tempora, ZDMG, NF 6, 1927. 

6. V. Cpiristian, Untersuchungen zur Laut- und Formenlehre des Hebrdischen, Wien, 1953. 

7. G. R. Driver, Problems of the Hebrew Verbal System, Edinburg, 1936. 

8. A. Goetze, The Tenses of Ugaritic, JAOS 58, 1938. 

9. C. H. Gordon, Ugaritic Manual, Roma, 1933. 

10. F. Hammershaimb, Das Verbum im Dialekt von Ras Schamra, Kopenhagen, 1941. 

11. Z. S. Harris, Development of the Canaanite Dialects, New Haven, 1939. 

12. B. Landsberger, Marcel Cohen, Le système verbal sémitique et Vexpression du temps, 

Paris, 1924, OLZ 30, 1927. 

13. B. Landsberger, Principienfragen der semitischen, speziell der hebrdischen Grammatik, 

OLZ 29, 1926. 

14. J. Pedersen, Israël, its Life and Cidture, London, 1926. 

15. O. Rössler, Verbalbau und Verbalflexion in den semitischen Sprachen, ZDMG 100, 1951. 

16. W. von Soden, Grundriss der akkadischen Grammatik, Roma, 1952. 

17. T. W. Thacker, The Relationship of the Semitic and Egyptian Verbal Systems, Oxford 

1954 . 

18. A. Ungnad, Grammatik des Akkadischen, München, 1949. 

J. H. Kramers, De Semiotische talen, Leiden, 1949. 

I. DE ‘TIJDEN’ IN HET SEMIETISCH 

Dit artikel wil een overzicht geven van de geschiedenis van het Semietisch werkwoordelijk 
systeem sinds de Oersemietische periode. We behandelen in de volgende schets slechts de 
hoofdzaken. Naamwoordelijke vormen van het werkwoord, imperatief, kohortatief, energicus, 
de imperfectmodus op -a, evenals de afgeleide stammen en het passief worden daarbij buiten 
beschouwing gelaten. 

De vroegst geattesteerde Semietische taal is het Akkadisch. De sprekers van deze taal 
hebben zich het eerst van de Semietische gemeenschap afgescheiden. A priori is te verwachten 
dat het Akkadisch bij de rekonstruktie van het Oersemietisch een belangrijk aandeel zal bij¬ 
dragen. De Akkadische taalfeiten die we nergens elders aantreffen zijn waarschijnlijk innova¬ 
ties van deze taal; zijn ze ook nog in een andere Semietische taal bewaard, dan dateren ze uit 
de Oersemietische periode. Teoretisch moeten we ook rekening houden met de mogelijkheid, 
dat een Oersemietisch taalfeit in het Akkadisch verdwenen is en in enkele andere Semietische 
talen bewaard blijft; dit doet zich echter niet voor bij het materiaal dat we in dit artikel 
behandelen. 

A. Eerste Periode: Het Oersemietisch. 

Om het Oersemietisch paradigma te rekonstrueren, nemen we als uitgangspunt het 
Akkadisch. Deze taal heeft een suffix-vervoeging (permansief paris), en een prefix-vervoeging 
(preteritum iprus, presens iparras ); het preteritum doet ook dienst als jussief. 





9 8 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DE WERKWOORDELIJKE ‘TIJDEN’ IN HET SEMIETISCH 


99 


1. De suffix-vervoeging is in het Akkadisch een vorm met statische, meestal intransitieve 
betekenis. Ze drukt dus geen handeling uit, en is niet gebonden aan een bepaalde tijdssfeer. 
Een vorm katal(a) daarentegen, met transitieve betekenis, die ons uit andere Semietische 
talen bekend is, komt niet voor in het Akkadisch. In beide opzichten stemt deze taal overeen 
met het Oersemietisch: a. Het Oersemietisch had een suffix-vervoeging van het type katil(a), 
katul(a) met statisch-intransitieve betekenis, vgl. Hebr. *7M, )bj> Dit is zelfs pre-Semietisch, 

want met dezelfde statisch-intransitieve betekenis treffen we een suffix-vervoeging aan in het 
met het Semietisch verwante Egypto-Hamietisch (15, blz. 467). b. Het Oer-semietisch had 
geen vorm katal(a) met transitieve betekenis, want de funktie van deze latere vorm werd 
waargenomen door het preteritum jakt.l(u). Trouwens in het Egypto-Hamietisch ontbreekt 
deze vorm eveneens. 

2. Het preteritum , bv. iblut, isbat, ipkid , betekent volgens Ungnad (18, blz. 45) „die abge- 
schlossene momentane Handlung”. Volgens von Soden (16, blz. 103) heeft het oorspronkelijk 
de betekenis van een momentane, punktuele handeling, maar wordt dan de tijd van het ver¬ 
leden, ook als de handeling niet momentaan is. Volgens Rössler (15, blz. 477) drukt het een 
niet-durende handeling uit; het is een narratief. In zijn preteritum-betekenis is deze vorm ons 
ook bekend uit het Hebreeuws (slechts na het consecutieve wa- ), b.v.Vbj?^*) en het Arabisch 

(vooral na lam), b.v. lam jaktub. Aangezien in deze talen de normale betekenis van jaktulu 
(over de tind-u handelen we verder) imperfectum is, mogen we aannemen dat jaktul met pre- 
teritumbetekenis een restant is van het oude gebruik, en dat zich hieruit de imperfectum- 
waarde ontwikkeld heeft. Ook deze vorm jakt.l(u ) is pre-Semietisch; vgl. Akkadisch ilmad 
c hij leerde 0 met Berbers ilmed c hij leerde 0 (13, blz. 467). 

3. Het presens, b.v. ibalut, isabat, ipakid, drukt volgens Ungnad (18, blz. 45) een nog niet 
afgesloten momentane handeling uit, volgens von Soden integendeel (16, blz. 102) is het 
oorspronkelijk een duratief, die heden en toekomst, maar ook het verleden kan weergeven. Het 
presens zal wel beide betekenissen gehad hebben, zoals ook Thacker aanneemt (17, blz. 170): 
de handeling (of de toestand) door het presens uitgedrukt is „unfulfilled and incomplete’' of 
„continuous”. Deze vorm is Oersemietisch, want we kennen hem ook uit het Mehri en het 
Ethiopisch; hij is pre-Semietisch, aangezien hij ook in het Berbers bestaat: ilammed c hij leert 0 
(15, blz. 467). 

4. De jussief , die door dezelfde stam wordt uitgedrukt als het preteritum is eveneens 
Oersemietisch. 

Een afzonderlijk probleem is de -u op het woordeinde der prefix-vervoeging . Het Akka¬ 
disch gebruikt de -u vorm in bijzinnen, elders de vorm zonder -u. In het Arabisch integendeel 
is jaktulu indikatief imperfectum, jaktul preteritum en jussief. Het is niet goed denkbaar 
hoe een van deze twee gebruikswijzen der -u vormen uit de andere zou geëvolueerd zijn. Waar¬ 
schijnlijk werden in het Oersemietisch de vormen met en zonder -u door elkaar gebruikt, zoals 
later nog in het Kanaanietisch: Oegaritisch jsu ( *jissa’u) naast wj c n (*wa(j)ja c nê), He¬ 
breeuws: met -*u: preteritum nKIfll, jussief Ps. 108,7 «En zijn gebed zij tot zonde” nW) 5 
zonder -*u: preterium c gij zaagt' 0 , jussief \T c hij weze°. Het is een normaal taalverschijn¬ 
sel dat twee funktieloze varianten later geleidelijk een eigen gebruikssfeer krijgen, binnen de 
betekenis van de oude dubbelvorm. Een andere verklaring vinden we b.v. bij Harris (ii, 
blz. 49): Na de verdwijning van het preteritum zou uit de jussief jaktul een imperfectum 
ontstaan zijn. De -u zou toegevoegd zijn door analogie met de presens-vorm jakatalu. Deze 
evolutie is onaanvaardbaar: Dat het imperfectum onstaan is uit een jussief, is de teorie van 
H. Bauer en G. Bergstrasser (2, 3). Dezen meenden nl. ten onrechte dat na de jussief het 
imperfectum de oudste werkwoordelijke vorm was. In hun systeem was dus geen plaats voor 
een preteritum. Het imperfectum kon slechts uit de jussief ontstaan zijn aangezien er nog geen 
andere verbale vorm was, afgezien dan van de imperatief. Wanneer Harris aanneemt dat het 
preteritum ouder is dan het imperfectum, heeft hij geen reden meer om aan te nemen dat dit 
laatste uit een jussief ontstaan is. 

De preteritum-stam was reeds in het Oersemietisch in gebruik als jussief (vgl. Akkadisch 




liblut (< *lü iblut) c hij moge gezond worden 0 , Hebreeuws jiktol c hij moge doden 0 ). De 
vraag hoe deze stam aan dit dubbel gebruik gekomen is (preteritum en jussief), voert ons op 
pre-Semietisch terrein, en hoeft in de Semietische periode niet beantwoord te worden. 

Bergstrasser (2) denkt aan de mogelijkheid, dat het Oersemietisch reeds een presens- 
futurum bezat. Hiermee bedoelt hij niet een jakatd(u)-v orm, maar wel een jakt.lu, dat door zijn 
eindvokaal zou onderscheiden geweest zijn van het imperfectum (-jussief-preteritum) jaklut 
zonder eindvokaal. Tegen zijn presens-futurum spreekt dat het Oersemietisch een presens 
jakat.l(u) bezat. Tegen zijn verdelingsregel van u\- op het woordeinde spreekt dat, als we 
b.v. het Arabische preteritum (lam) jaktul voor Oersemietisch houden, we geen verklaring 
vinden voor de Oegaritische (en Hebreeuwse) preterita met -uj-, en dat we een afzonderlijke 
verklaring zouden moeten zoeken voor de Akkadische preterita met -u in bijzinnen. 

Landsberger (13) vindt het onwaarschijnlijk dat het perfectum katala in het West- 
Semietisch ontstaan is volgens Bergstrasser’s verder besproken ablautprincipe. Hij oordeelt 
evenals H. Bauer dat de vorm Oersemietisch is. Het perfectum zou dan in het Akkadisch 
verdwenen zijn. Dit overtuigt niet. Aangezien we ten aanzien van de suffix-vervoeging in het 
Hammietisch dezelfde toestand aantreffen als in het Akkadisch, zal dit vervoegingstype ook 
in het Oersemietisch, zelfs in het pre-Semietisch beperkt geweest zijn tot intransitieve werk¬ 
woorden, en een toestand, geen handeling hebben uitgedrukt. 

Om het ontstaan van de Oersemietische vormen te verklaren, volstaat het niet onze fantazie 
de vrije loop te laten zoals sommige Semitisanten doen, maar we zouden de Hamietische talen 
in ons onderzoek moeten betrekken. Dit behoort natuurlijk niet meer tot de stof van dit artikel. 
Ik wil er wel de aandacht op vestigen, dat het Oersemietisch aanvankelijk niet één tijdloze en 
aspektloze verbale vorm had (volgens Bergstrasser (2) jussief-imperfectum; volgens 
Thacker (17) perfectum), waaruit de overige vormen zich zouden ontwikkeld hebben, maar 
dat het over een volledig werkwoordelijk paradigma beschikte. De vraag of jakt.l(u) ouder of 
jonger is dan kat.l(a) of dan jakat.l(u) heeft dus geen zin, zolang we ons niet op pre-Semie¬ 
tisch gebied wagen en Hamietisch materiaal als kriterium gebruiken. De voorstelling als zou 
de imperatief de oudste werkwoordelijke vorm zijn (H. Bauer, overgenomen in Brockel- 
mann’s Grundriss, II § 70 vlg.), waaruit zich dan door prefigering van voornaamwoorden een 
imperfectum-vorm met jussieve betekenis zou gevormd hebben, voert ons terug naar een 
periode, toen de mensheid nog maar amper spreken kon. Zelfs al neemt men aan dat daarnaast 
reeds naamwoordelijke zinnen bestonden, kan zulke verklaring niet ernstig in overweging 
genomen worden binnen het kader van de Semietische werkwoordelijke ontwikkeling. 

Dat we aan het syntaktisch gebruik moeten merken waarom nu eens het voornaamwoord 
als prefix vóór het werkwoord geplaatst wordt en dan weer als suffix na het werkwoord, geldt 
voor een pre-Semietisch, agglutinerend taalstadium, want het Hamietisch kent reeds een prefix¬ 
en een suffix-vervoeging. Door vergelijking met het Hamietisch blijkt dat de suffix-vervoe¬ 
ging oorspronkelijk statisch, de prefix-vervoeging dynamisch was (15, blz. 507). In het Oer¬ 
semietisch hebben beide vervoegingssystemen reeds een lange evolutie meegemaakt, zodat hun 
syntaktisch gebruik toen vrij ingewikkeld kan geweest zijn. Samenvattend had het Oersemie¬ 
tisch de volgende vervoegde vormen: 
kat.l(a): statisch, intransitief. 

(preteritum (voltooide, punktuele handeling). 

jaküwr- (jussief 

(onvoltooide punktuele handeling. 

> duratief 


Tweede periode: Van de afscheiding van het Akkadisch tot de afscheiding van het Kanaa¬ 
nietisch. In deze periode zijn er twee zelfstandig evoluerende dialekten: 


B. Het Akkadisch. Deze taal hebben we reeds besproken in de eerste periode, 
nog hoofdzakelijk het Oersemietisch paradigma (We spreken hier niet over de 


Ze heeft 
afgeleid 








IOO 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


stammen, maar slechts over de vervoegde Tijden 0 ). De belangrijkste innovatie is, dat de prefix- 
vervoeging, die vroeger een funktieloos-variërend woordeinde bezat (u/-), voortaan de -u 
variant in bijzinnen gebruikt. 

C. Uit het tweede dialekt zijn later alle overige Semietische talen ontstaan. In de tweede periode 
blijft in dit dialekt de dubbele uitgang u\-, want in de volgende periode treffen we dit ver¬ 
schijnsel nog aan in het Kanaanietisch. Er ontstaat nu een West-Semietisch transitief per¬ 
fectum katala. 

Het is niet duidelijk hoe de vorm zelf ontstaan is. Rössler (15, blz. 510) denkt aan een 
aktief verleden deelwoord dat het Akkadisch met het Hamietisch gemeen had, b.v. Akkadisch 
sab(i)tum c gegrepen hebbend 0 , Bedauye kat(i)ba C geschreven hebbend 0 . Zoals elk predikatief 
gebruikt adjektief kon dit vervoegd worden volgens het suffix-systeem, en had dan statische 
betekenis. Bergstrasser (2, 3) verklaart de klinker a der tweede lettergreep van katala 
volgens het principe der polariteit uit het imperfectum: Naast het oude intransitieve perfectum 
met i, u wordt een imperfectum met a gevormd, als tegenstelling tot het oude transitieve imper¬ 
fectum met i, u. Omgekeerd wordt dan uit deze laatste transitieve imperfecta met i, u, een 
perfectum met a gevormd. De verklaring van Rössler dienaangaande kan niet juist zijn (15, 
blz. 511-2): Na de verdwijning van het preteritum zou de klinker van het perfectum zich aan 
die van het presens aangepast hebben. Zijn argument is het Mehri, waar het preteritum inder¬ 
daad verdwenen is. Maar dit verplaatst ons naar de volgende periode. Rössler laat in zijn 
studie het Kanaanietisch volledig buiten beschouwing, zoniet zou hij bemerkt hebben dat in 
deze taal, althans in het oudste stadium, preteritum en perfectum naast elkaar voorkomen. Nu 
is het niet bewijsbaar, maar wel waarschijnlijk dat het Oegaritisch perfectum reeds de vokali- 
satie katala had. De verklaring van Bergstrasser zal wel de juiste zijn. 

De betekenis van deze vorm katala heeft zich ontwikkeld uit die van katil(a), katul(a): 
Evenals deze statische vormen drukt een perfectum oorspronkelijk een toestand uit, soms 
een toestand die uit een voltooide handeling ontstaan is. Daarna geeft het perfectum deze vol¬ 
tooide handeling zelf weer. 

In het dialekt C heeft zich tenslotte deze toestand ontwikkeld: 

^katil(a), katul(a): statisch, intransitief. 

\katal(a) : transitief, voltooide handeling. 

C jaktol (u ) : intransitief^ ^preteritum (voltooide punktuele handeling). 

fjakti/ulfu ) : transitief ^ ^jussief. 

_ (onvoltooide, punktuele handeling. 

,aia,J(u) : 


Derde periode. Van de afscheiding van het Kanaanietisch tot de afscheiding van het Zuid- 
Arabisch (Mehri, Ethiopisch). Het dialekt C uit de vorige periode splitst zich in: 

D. Het Kanaanietisch. Dit wordt verder in het tweede deel samen met het Hebreeuws 
behandeld; 

E. De overige „West-Semietische” talen. Of in dit dialekt de uitgang uj- van de jussief in 
deze periode of in de volgende tot - gereduceerd is, kan niet achterhaald worden. 


Vierde periode. Na de afscheiding van het Zuid-Arabisch. In deze periode wordt het prete¬ 
ritum jakt.l(u) uit zijn funktie verdreven door het perfectum katctla, dat nu eveneens een vol¬ 
tooide handeling uitdrukt. De evolutie gebeurt echter verschillend in de twee nieuwe dialekt- 
groepen: 

F. In het Zuid-Arabisch (en Ethiopisch) is jakt.l(u) zich naast het oude presens 
jakat.l(u) tot een subjunktief-jussief gaan ontwikkelen. Het heeft geen preteritum-waarde 
meer. Het presens is gebleven. 

G. In de overige talen ( Arabisch, Aramees, Hebreeuzvs) heeft het preteritum geleidelijk de 
betekenis van een imperfectum gekregen. Zinnen als de volgende kunnen deze betekenisovergang 


De Werkwoordélijke 'tijden* in het sëmietisch lol 

duidelijk maken: Arabisch ga’ü, jabküna. Dit waren in deze periode van de evolutie twee ver¬ 
leden tijden: c ze zijn gekomen, ze weenden 0 . Waarschijnlijk gebruikte men suffix- en prefix- 
vervoeging samen omwille van de afwisseling, dus als stijlfiguur. Vervolgens wordt deze 
opeenvolging van katala/jakt.l(u) beperkt tot die gevallen, waar de tweede vorm een begelei¬ 
dende handeling weergeeft: c ze kwamen terwijl ze weenden 0 . Deze betekenis heeft het Arabisch 
vastgehouden. Hieruit ontstaat de tegenstelling: katala: voltooide handeling/jakt.l(u) : bege¬ 
leidende handeling in het verleden. Daarna wordt jakt.l(u) uitgebreid over de andere tijds- 
sferen (heden, toekomst) mits slechts de handeling begeleidend, imperfektief is. De betekenis¬ 
tegenstelling perfectum/imperfectum zoals we ze voor deze periode aannemen wordt voor het 
Hebreeuws treffend beschreven door J. Pedersen (14, blz. 112 vlg.): In het perfectum is 
een handeling een „independent, selfcontained whole”, in het imperfectum „something comple- 
menting another”. Deze betekenis blijft, maar daarnaast heeft het imperfectum ook de waarde 
gekregen van het onvoltooide, de duur. Deze betekenis is totaal tegengesteld aan de Oersemie- 
tische (vgl. het Akkadisch preteritum dat een voltooide, momentane handeling weergeeft). De 
overgang tussen beide tegengestelde betekenissen is wel de hoger beschreven begeleidende 
handeling. 

Aangezien het imperfectum nu ook voor het heden gebruikt wordt, is de oude presens¬ 
vorm jakat.l(u) overbodig geworden, en verdwijnt. Verder treedt er nog een differentiatie 
op tussen de vorm met en zonder -u: De laatste wordt beperkt tot die gevallen, die hun oude 
preteritum/jussief-waarde behielden: Arabisch lam jadrib c hij heeft niet geslagen 0 , lijaktub 
c hij schrijve 0 ; de vorm met -u is het nieuwe imperfectum. 

II. DE TIJDEN’ VAN HET KANAANIETISCH EN HET HEBREEUWS 

Het Oegaritisch schrijft alleen klinkers na de ’(alef). Elders is de vokalisatie der vormen 
even problematisch als in de overige konsonantenteksten: Zo wijst b.v. de volledige assimilatie 
van twee konsonanten er op dat ze niet door een klinker gescheiden werden. Nu heeft het 
Oegaritisch een vorm jktl die ongeveer dezelfde gebruikssfeer heeft als het latere Hebreeuwse 
imperfectum. Nochtans meende H. Bauer, later nagevolgd door A. Goetze (8) dat jktl de 
schrijfwijze was van twee vormen: presens jakat.l(u) en preteritum jakt.lfu). Hun argumen¬ 
ten blijken geen bewijskracht te hebben (b.v. E. Hammershaimb, 10, blz. 105 vlg.): Zo is het 
b.v. niet noodzakelijk dat jntn en jtn de schrijfwijze zijn van presens *janatan en preteritum 
*jittin. De eerste vorm zou een pi c el-v orm kunnen zijn. Zonder de argumenten van Goetze 
wordt het probleem herleid tot een principiële stellingname: Zullen we het Oegaritisch inter¬ 
preteren vanuit het Oersemietisch (en het Akkadisch), of vanuit het Hebreeuws? Laten we 
even nagaan wanneer het presens verdwenen kan zijn. Toen het Kanaanietisch zich afscheidde 
van dialekt C had het zeker nog een presens-vorm. Dit kan gebeurd zijn in ± 2500 voor Chr, 
Oegarit en Amarna hebben voorbeelden van het presens, die echter weggeredeneerd kunnen 
worden. Harris (ii, blz. 49), meent dat in de latere Kanaanietisch e inskripties blijkens de 
aanwezigheid van een perfectum het preteritum en dus ook het presens verdwenen was. Immers 
preteritum en presens horen samen als uitdrukking van een objektief aspektsysteem, perfectum 
en imperfectum als weergave van een subjektief aspektsysteem. De aanwezigheid van een 
perfectum wijst er dus op dat in dezelfde teksten niet meer een presens, maar wel een imper¬ 
fectum moet gelezen worden. Dit is geen stevige argumentatie, aangezien in de tweede periode 
(dialekt C) preteritum en perfectum naast elkaar bestonden, en bovendien nog het presens. 
Wat het bijbels Hebreeuws betreft, hier is het presens zeker verdwenen ten tijde der oude 
transkripties (Septuagint, Origenes, Hiëronymus) en der Massoreten. Maar wie zegt ons 
dat b.v. bij in-werkwoorden niet een aantal gevallen van presens kal uit de konsonantentekst 
(type * janatanu ) door de Massoreten zijn omgevormd tot imperfectum pi c el? Hoewel er geen 
bewijzen voorhanden zijn, menen we toch dat ten tijde van Oegarit naar alle waarschijnlijk¬ 
heid nog geen imperfectum bestond, en dat de /^/-gevallen moeten gevokaliseerd worden als 
presens en preteritum. Het is immers onwaarschijnlijk dat de niet-voor-de-hand-liggende evo¬ 
lutie van preteritum naar imperfectum zich parallel zou hebben voorgedaan in het werkwoor- 




102 


VOOR AZIATISCHE PHLLOLÖGIË 


DE WERKWOORDELIJKE ‘TIJDEN’ IN HET SEMIETISCH 


103 


delijk systeem van twee dialekten afzonderlijk. (Kanaanietisch en dialekt G). Daarnaast bestond 
ook het perfectum, waarvan de tweede lettergreep bij aktieve-transitieve werkwoorden waar¬ 
schijnlijk a was: katala. Preteritum en jussief hadden nog afwisselende u/-, zoals later spora¬ 
disch nog in het bijbels Hebreews. 

We mogen aannemen dat de bevolking van Palestina na de intocht der Hebreërs een 
gemengde was. Reeds vroeger was er sprake geweest van invallen in het land (de Habiru der 
Amama-teksten). De grammatika van Bauer en Leander (i, blz. 15-21) noemt het He¬ 
breeuws een c Mischsprache°. G. R. Driver (7, blz. 105) verklaart na een opsomming van 
allerlei dubbelvormen in het Plebreeuws: “The striking thing about these comparisons is that 
Hebrew has far more duplicate forms than any other Semitic language”. Aangaande de 
syntaxis van het Hebreeuwse werkwoord stelt hij vast (blz. 98), dat ze „represents two stra- 
tifications in the development of the language or rather two entirely different Systems”. Zijn 
besluit is het volgende (blz. 151): „Clearly the two main strands of which Hebrew is woven 
are Accadian and Aramaean”. Wanneer we c AkkadisdP vervangen door ‘Kanaanietisch 0 zullen 
we dichter bij de waarheid zijn. Wat in de tijd van beide aangehaalde werken slechts een waar¬ 
schijnlijk vermoeden was, aangezien de oud-Kanaanitische inskripties van na de intocht dateren, 
en het Oegaritisch nog niet volledig ontcijferd was, kan nu aan de hand van het Oegaritisch 
materiaal geverifieerd worden. Aangaande de verbale struktuur laat het Oegaritisch ons 
echter in het duister, zoals we zagen. 

De inwijkende Hebreërs hadden het hoger onder G beschreven perfectum-imperfectum- 
systeem. Het is waarschijnlijk dat in de periode na de intocht het Kanaanietisch presens-pre- 
teritum-systeem grotendeels verdwenen is. De G-vormen imperfectum jakt.lu, jussief jakt.l 
zijn gebleven, evenals het perfectum katala en de statisch-intransitieve vorm katijula, die in 
beide dialekten voorkwamen. Deze laatste intransitieve vormen zijn echter grotendeels ver¬ 
vangen door de vorm katala, b.v. pHS- G. R. Driver (7) oppert de mogelijkheid dat de presens¬ 
vorm jakat.l(u) moest verdwijnen omdat hij later klankwettig samenviel met de pi c el-vorm 
(jdkattel). Het is ook denkbaar dat hij geleidelijk verdwenen is, omdat hij overbodig geworden 
was: Het imperfectum had reeds in G de funktie van het presens overgenomen. 

Het Hebreeuwse imperfectum consecutivum is de voortzetting van de Kanaanietische 
preteritum-vorm, en niet van een overblijfsel van het oude preteritum in G, want: 1. De He¬ 
breeuwse vorm is + jakt.l(u) met wisselend woordeinde. Deze vorm is Kanaanietisch, 

want de overige G-talen hebben slechts een preteritum * jakt.l, blijkens Arabisch lam jakt.l. 

2. Het verschil in accentuatie van imperfectum mjr enerzijds en preteritum anderzijds 

is misschien hierdoor te verklaren, dat de eerste vorm tot het G-paradigma, de laatste tot het 
Kanaanietisch systeem behoren. Deze verklaring van treffen we aan bij G. R. Driver 

(7, blz. 89-90), met verwijzing naar H. Bauer, BASS VIII i, 37, als we zijn c Akkadisch° 
vervangen door Kanaanietisch 0 . De mogelijkheid dat de latere Hebreeuwse pausale en kon- 
tekstvormen, wanneer ze een verschillende betoning vertonen, uit de twee versmolten dialekten 
genomen zijn, worde hier slechts als een suggestie vermeld. Het onderzoek aangaande de Semie- 
tische klemtoon is nog niet genoeg gevorderd om in de geschiedenis van de grammatikale vor¬ 
men ook de evolutie der betoning te verwerken. Een hypotese als die van Thacker (17, blz. 
184): Oersemietisch preteritum /d&foJ/jussief jaktül met verschillende betoning lijkt ons 
minstens voorbarig. 

Driver geeft voor het accentverschil tussen perfectum en perfectum consecutivum een ge¬ 
lijke verklaring als bij het imperfectum. Brockelmann heeft er echter op gewezen dat dit on¬ 
mogelijk is, wegens de volle klinker na de eerste radikaal van rïVüj?} vergeleken men Üftbvp. Het 

Hebreeuwse perfectum consecutivum is waarschijnlijk een zeer jonge vorm. G. Bergstrasser 
(2) geeft de volgende verklaring: Analoog met de opeenvolging perfectum + wa + imper¬ 
fectum met verschoven klemtoon (type £*??£)> heeft het Hebreeuws de nieuwe reeks 

imperfectum + wo + perfectum met verschoven klemtoon gevormd (type D^pfi). 


De Kanaanietische preteritum-jussief jakt.l(u) met variërend woordeinde heeft sporen 
nagelaten in het bijbels Hebreeuws, maar de G-vorm zonder vokalisch woordeinde ( preteritum- 
jussief jaktul) heeft tenslotte de vorm met -u haast volledig verdrongen: Hebreeuws preteritum 
*wajjaktul, jussief *jaktul. Het Samaritaans daarentegen heeft de -u vorm veralgemeend na 
wa-. De Kanaanietische preteritumvorm wajjakt.l (u) heeft dus meestal zijn auslaut aan¬ 
gepast aan de G-preteritum-vorm jakt.l. 

Antwerpen, maart 1958. G. Janssens 


HET HEBREEUWS VAN DE TWEEDE KOLOM 
VAN ORIGENES’ HEXAPLA 

Het Hebreeuws is zoals elke andere taal in de loop der tijden onderhevig geweest aan 
allerlei taalkundige wijzigingen. Ook nadat het als volkstaal door het Aramees, het Grieks 
en andere talen verdrongen was, en nog slechts als litteraire en godsdienstige taal gebruikt 
werd, schijnt zich de taalkundige evolutie van het Hebreeuws te hebben voortgezet. Aangezien 
nu het vokalische bestanddeel van het Hebreeuws veel meer geëvolueerd is dan het konsonan- 
tische, zou onze bijbeltekst voor elke historische periode een ander taaltype vertoond hebben, 
indien de schrijvers de klinkers aan het woordbeeld hadden toegevoegd. Ze schreven echter 
alleen de medeklinkers, en toen de Massoreten de tekst van klinkers voorzagen in de 8e-ioe 
eeuw na Chr., wekten ze door een eenvormige vokalisatie van alle teksten de indruk dat deze 
alle tot eenzelfde taaltype behoorden. Al onze Hebreeuwse grammatika’s zijn gebaseerd op 
de massoretische bewerking van de bijbel. Willen we ons een voorstelling maken van de pre- 
massoretisch Hebreeuwse vokalisatie, dan zijn we, af gezien van het Oegaritisch en de gegevens 
die ons een konsonantentekst kan verstrekken (b.v. de matres lectionis), aangewezen op een 
aantal oude transkripties, b.v. de eigennamen in de oude vertalingen. De oudste transkriptie van 
een Hebreeuwse doorlopende tekst is die van Origenes’ Hexapla. 

Origenes was een christen van Egyptische oorsprong, en bracht het laatste deel van zijn 
leven door in Caesarea, waar hij stierf in 254 na Chr. Hij vervaardigde een bijbel in zes 
kolommen: naast de originele Hebreeuwse tekst en een aantal Griekse en Latijnse vertalingen 
leverde hij een Hebreeuwse tekst in Griekse transkriptie. Dit is de tweede kolom van zijn 
Hexapla, ook secunda genoemd (afkorting: Sec.) Van dit werk zijn slechts enkele fragmenten 
bewaard op een palimpsest dat door de kardinaal Mercati in de Bibliotheca Ambrosiana te 
Milaan werd ontdekt en aan de publikatie waarvan hij een groot aantal jaren werkzaam ge¬ 
weest is. Zolang zijn werk nog niet posthuum verschenen is, moeten we ons behelpen met 
een aantal voorlopige bronnen. De teksten in transkriptie zijn uitgegeven door F. Wutz in: Die 
Psalmen textkritisch untersucht, München, 1925. Het materiaal is verwerkt tot lijsten door 
H. A. Redpath in het supplement van de septuagint-konkordans van E. Hatch en H. A. 
Redpath, Oxford, 1906, en door A. Sperber in Hebrew Brned upon Greek and Latin 
Transliterations, Cincinnati, 1937-8. Het meest betrouwbaar zijn de vormep bij Einar Bronno, 
Studiën über hebrdische Morphologie und Vokalismus, Leipzig, 1943. Deze heeft nl. een lijst 
van dubieuze vormen opgesteld, en deze aan Mercati ter verifikatie voorgelegd. 

Hoe is nu deze transkriptie ontstaan? Naar alle waarschijnlijkheid is ze niet het werk 
van Origenes zelf, en is ze ouder dan de derde eeuw na Chr. F. Wutz, Die Transkriptionen 
von der Septuaginta bis zu Hieronymus, Stuttgart, 1925, 1933, meent dat in sommige Joodse 
gemeenten bijbelteksten in transkriptie in gebruik waren. Of de Septuagint een Griekse ver¬ 
taling is van zulke getranskribeerde tekst, zoals hij tracht aan te tonen, willen we hier in het 
midden laten. Ook Paul Kahle ( The Cairo Geniza, London, 1947) en Einar Bronno 
plaatsen de Sec. vóór Origenes’ tijd. De laatste meent dat ze niet vóór 100 na Chr. ontstaan 
is. De vokalisering van deze tekst is ouder dan de Tiberiënsische (van de gewone bijbel- 
edities), de Babylonische en de Palestijnse vokaliseringen. 

Een moeilijkheid bij het onderzoek van de tweede kolom is, dat de vormen niet zonder 






V O O R A21 ATLSC11E PI I l LO LOG IE 


DE WERKWOORDELIJKE ‘TIJDEN* IN HET SEMIETISCH 


105 


104 

meer bruikbaar zijn als taalkundig materiaal; ze moeten geïnterpreteerd worden. Zo kan men 
zich b.v. afvragen of de vorm Oe^opvjvt ps. 18, 40 beantwoordt aan de massoretische pi c el-vorm 
of dat we een kal-vorm '’TITNr) moeten veronderstellen. Het antwoord op deze en 

dergelijke vragen kan pas gegeven worden na een voorafgaandelijk onderzoek betreffende de 
fonologie van de Sec. Overigens bevindt zich de taalkundige interpretatie van deze teksten nog 
in een beginstadium. Rudolf Meyer, die Georg Beer’s Hebrdische Grammatik opnieuw 
bewerkt heeft, verwijst graag naar hexaplarische vormen. Gezien het belang van deze vormen 
is het volkomen verantwoord dat een grammatika er de aandacht op vestigt, maar anderzijds 
blijft het waar, dat deze vormen geen diepere achtergrond aan de grammatika kunnen geven 
zolang hun eigen klankwetten niet gevonden zijn. 

De oudste publikaties over de hexapla gingen uit van de veronderstelling dat de hexapla 
een transkriptie was van onze massoretische tekst (Afkorting: mt.). Zo ook nog E. A. Speiser, 
The Pronunciation of Hebrew According to the Transliterations in the Hexapla (JQR, NS 
XVI, 1925-6, XXIII 1932-3, XXIV 1933-4). Wanneer de Sec. afwijkt van de mt. berust 
dit volgens hem grotendeels op schrijffouten van de kopisten. Een tweede fundamentele tekort¬ 
koming van dit werk bestaat hierin, dat volgens Speiser’s opvatting Origenes zelf de 
transkriptie gemaakt heeft, en dat we bijgevolg de uitspraak van de Sec. kunnen afleiden uit 
hetgeen we weten over de uitspraak van het Grieks in zijn tijd. 

W. E. Staples, The Secund Column of Origeris Hexapla, JAOS 59, 1939, meent even¬ 
eens nog dat de Sec. een transkriptie is van de mt. Afwijkingen in de vokalisatie zijn volgens 
hem het gevolg van slordigheid van de transkriptor, die alleen belang zou gehecht hebben aan 
het konsonantische bestanddeel van de tekst, aangezien hij dit in zijn origineel vond. Alleen 
een Jood kon zich zulke slordigheid veroorloven: Hij kende de taal en wist welke vormen 
bedoeld waren. Een Grieks-sprekende christen zoals Origenes zou nauwgezet de klinkers die 
hij hoorde getranskribeerd hebben. 

Sindsdien is het inzicht doorgebroken, dat de hexapla een ouder taalstadium vertegen¬ 
woordigt. Bij het zoeken naar klankwetten zou men bijgevolg, uitgaande van het Oersemie- 
tisch, een klankevolutie moeten opsporen die zich over de hexaplarische naar de massoretische 
vormen ontwikkelt. 

Alexander Sperber heeft een vrij uitvoerige studie gewijd aan de transkripties: Hebrew 
Based upon Gr eek and Latin Transliterations, Hebrew Union College Annual, XII-XIÏI, 
Ï937-8. Hij behandelt er samen het transkriptiemateriaal van de derde eeuw v. Chr. tot de 
vijfde eeuw na Chr., nl. de transkripties van de Septuagint, van de Hexapla en van Hiërony- 
mus. Geen dezer drie bronnen weerspiegelt volgens Sperber de uitspraak van een bepaalde 
periode, want de Septuagint-transkripties kunnen later ten dele gewijzigd zijn, en de transkrip¬ 
ties der beide andere bronnen waren ten dele reeds verschillende eeuwen oud vóórdat ze door 
Origenes en Hiëronymus werden opgenomen. Nochtans meent hij dat Codex B van de 
Septuagint globaal een oudere schrijfwijze volgt dan Codex A, en dat deze laatste zich meestal 
aansluit bij de Sec. Zo wordt b.v. de beginkonsonant van een substantief in Codex B nog 
niet verdubbeld na een lidwoord, in Codex A wel: flpn, B axco^, A axxax;; de Sec. ver¬ 
dubbelt meestal de beginkonsonant, maar niet altijd; zelfs ten tijde van Hiëronymus was de 
verdubbeling nog niet volledig doorgevoerd: Q TTH adagim. Hoewel Sperber dus wel inziet 
dat het mogelijk is een historische evolutie vast te stellen in zijn bronnen, beproeft hij toch 
niet de kriteria te vinden om een chronologische rangschikking van het materiaal te bekomen, 
maar op grond van het gemengde karakter van zijn bronnen behandelt hij ze zonder onder¬ 
scheid dooreen. Nu zouden we hem misschien kunnen volgen in zijn argumentatie waar het 
Septuagint en Hiëronymus betreft, aangezien de transkripties daar geïsoleerde woorden zijn; 
maar een samenhangende tekst als die van de Sec. kan mijns inziens bezwaarlijk opgebouwd 
zijn uit woorden, waarvan de getranskribeerde uitspraak niet het taalgebruik van dezelfde 
periode weergeeft. Trouwens Einar Bronno merkt in zijn kritiek op Sperber terecht op 
{op. cit., blz. 466) dat, wanneer de Sec. nu eens met Codex A, dan weer met Codex B overeen¬ 
stemt, hieruit nog niet volgt dat ze een gemengde tekst is, aangezien beide Codices gemengd 


materiaal bevatten. Daarom lijkt het me wenselijk dat de Sec. apart behandeld wordt. Het 
blijft natuurlijk mogelijk dat de transkriptie van sommige psalmen ouder is dan die van 
andere, maar in één psalm zullen alle woorden wel gelijktijdig getranskribeerd zijn. 

Sperber verklaart in zijn artikel dat hij gezocht heeft naar een middel om verschillende 
teksttypes op te sporen, maar de resultaten van dit werk deelt hij niet mee, want het c mixed 
type 3 van de bronnen doemen elke dergelijke poging tot mislukking. We zijn geneigd het uit¬ 
blijven van resultaten te wijten aan het feit dat Sperber geen begrip voor klankwetten heeft. 
Zeer veel talen hebben afzonderlijke klankwetten voor betoonde en onbetoonde lettergrepen. 
Nu ware het te verwachten dat de tegenstelling tussen de vokalisatie van "p‘7 Sep^ c weg 3 en 
DD*T7 Socp/ocpi c hun weg 3 , van T is& c hand 3 en 1T loc&o) c zijn hand 3 in verband zou gebracht 
worden met de accentverschuiving, door de gesuffigeerde voornaamwoorden teweeggebracht. 
Sperber integendeel noemt Ssp^ een kitl-v orm en Socp^ocp een katl-v orm. (Merk op dat 
kitl en katl bij hem geen Oersemietische woordvorm voorstellen, maar een vorm zoals die 
volgens normale opvattingen resulteert door inwerking van klankwetten). Nu mogen we naast 
lsS een vorm * teSco rekonstrueren, naast locSg) een vorm * iocS, want Sperber heeft kunnen 
vaststellen (blz. 135, General Results, a) that the vocalization of the noun does not undergo 
any changes ... when suffixes are added to it...” Vervolgens zoekt hij, aannemend dat lsS en 
* locS twee parallele formaties zijn, teksttypes op grond van het voorhanden zijn van deze 
varianten en # loc§, natuurlijk zonder resultaat. Zelfs van de klankwetten volgens dewelke 
de grammatici de massoretische vormen verklaren moeten we voortaan afzien. Want TfltpS 

(i in onbetoond gesloten lettergreep is hier volgens normale opvatting ontstaan uit *a) en de 
pausale vorm ]D 3 zijn kitl- en katl-v ormen (blz. 141), en zijn dus de voortzetting van een 

afzonderlijk uitspraaktype, die we beide reeds in de Sec. vinden. In een ander verband (blz. 
150) meent hij in de kitl- en katl-vormtn en •’Snn de voortzetting te vinden van de twee 

Hebreeuwse dialekten: het Israelietisch en het Judees. Deze laatste bewering is even moeilijk 
te weerleggen als te bewijzen. Sommige fonologische onregelmatigheden, b.v. het feit dat in het 
massoretisch Hebreeuws aan een Oersemietische in een gesloten onbetoonde lettergreep 
zowel i als a beantwoordt, zouden gebeurlijk uit een dubbele traditie kunnen verklaard worden. 
Maar de veralgemening van dit verklaringsprincipe ten koste van de klankwetten is een grote 
tekortkoming in het werk van Sperber. 

Nog enkele details uit de teorieën van Sperber wil ik hier aanhalen. Vooreerst lijkt 
me de hoger geciteerde regel, volgens dewelke een naamwoord zijn klinkers niet wijzigt wan¬ 
neer een suffix wordt toegevoegd, onhoudbaar. Sperber veronderstelt waarschijnlijk wel 
naast de vrouwelijke passieve participiumvorm HSTIS crepoi^oc een mannelijke vorm * aspoucp, 
aangezien hij meent dat ten tijde der Sec. nog geen hwa bestond, en e een volle klinker, nl. 
i aanduidde. Deze vorm *cr£pou9 is in strijd met al wat we van het verleden deelwoord in het 
Hebreeuws weten. Hoe stroken verder aktieve meervoudige participia als pcoTsstp, 

□‘’üVn coAepup, met hun enkelvoud als Htm (Som), nsï vcocr/jp? Sperber denkt hier aan de 
mogelijkheid dat 77 en e in deze periode niet langer gedifferentieerd waren (Einar Br 0 nno 
heeft integendeel definitief bewezen dat r; en e in kwantiteit verschillen), ofwel, en dit 
verrast ons na het hoger gezegde, is het verschil van klemtoon de oorzaak van de verschil¬ 
lende vokalisatie. 

Tweelettergrepige naamwoorden (dikwijls ontstaan uit eenlettergrepige katl-, kitl-, 
kutl-v ormen) hebben vaak in de eerste lettergreep een afwisselende a/e-vokaal, b.v. SHT zaraj 
zera. Hieraan geeft Sperber twee elkaar overbodigmakende verklaringen, die hij toch tegelijk 
schijnt aan te nemen: 1. De klemtoon lag op de tweede lettergreep, vandaar dat de vokaal in 
de eerste lettergreep niet konstant was. 2. Het onderscheid a\e berust op een dialektverschil 
(blz. 136-7). Het komt ons voor dat Sperber het verschijnsel a/e niet in zijn volle omvang 
onderzocht heeft. Dat het hem uitsluitend bij tweelettergrepige naamwoorden is opgevallen 
is misschien het gevolg van de wijze waarop hij zijn materiaal rangschikt: niet volgens foneem- 
verschijnselen, maar volgens woordsoorten en grammatikale kategorieën. (Einar Bronno 

Jaarbericht N°. 15 


8 



1 


IOÓ VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

meent dat de afwisseling aje wel voorkomt bij naamwoorden die oorspronkelijk tweeletter¬ 
grepig waren, niet echter bij de segolata; bij deze is volgens hem kat el ontstaan uit * katl, en 
ketel uit *j kitl. Dit houdt verband met zijn korte teorie over de *a-vokaal in betoonde lettergreep, 
die verder in dit artikel nog ter sprake komt). 

We kunnen ons verenigen met Einar Bronno’s oordeel over Sperber’s metode: deze 
is onhistorisch en dus onwetenschappelijk. Hij plaatst materiaal bijeen dat er hetzelfde uitziet 
maar een andere oorsprong heeft. Zijn rangschikking van de vormen gebeurt “according to 
their own laws”, maar hij stelt geen onderzoek in naar deze wetten. 

Interessant is Sperber’s opvatting over de zvazv-consecutivum : ü- + imperfectum is 
ouder dan zm-. De Sec. is een overgangsstadium; oi)0sO0£V is ouder dan massoretisch 

maar nog in de massoretische bijbel zijn resten van het oude gebruik. De tegenstelling tussen 
het Samaritaanse en het massoretische konsekutief imperfectum (respektievelijk indikatief en 
jussief) vat hij weer op als een dialektverschil. 

Het belangrijkste werk over de tweede kolom der hexapla is tot nu toe van de hand van 
Einer Broimo: Studiën über hebrdische Morpholoqie und Vo kalismus au f Grundlage der 
mercatischen Fragmente der Zweiten Koïumne der Hexapla des Origenes, Leipzig, 1943. 
Einar Br0nno bewijst er op volkomen overtuigende wijze dat de kwantiteit der klinkers in 
de Sec. reeds in hoofdzaak dezelfde is als in het latere massoretische vokalisatiesysteem. 
Het belang hiervan kan niet genoeg onderlijnd worden. De laatste tijd immers heeft Paul Kahle 
de massoretische vokalisatie in diskrediet gebracht door zijn teorie over het willekeurig in¬ 
grijpen der massoreten in de fonologische struktuur van het Hebreeuws. Deze teorie, die 
Kahle baseert op zijn studies aangaande de Palestijnse en de Babylonische vokalisatiesys- 
temen, is niet altijd vast gefundeerd. De kritiek van Einar Bronno, Zu den Theorien Paul 
Kahlcs von der Entstehung der tiberischen Grammat ik, ZDMG 100, 1950, toont aan dat 
Kahle’s werk in menig opzicht zwak is. Volgens Harry M. Orlinsky, in zijn bespreking 
van Paul Kahle’s The Cairo Geniza, JAOS, 69, 1949, is het wachtwoord van Kahle en 
zijn school: Het werk der massoreten was willekeurig, onnauwkeurig, af brekend, waardeloos. 
Inmiddels zijn Kahle’s opvattingen doorgedrongen in onze grammatika’s: b.v. Rudolf 
Meyer’s bewerking van de Hebrdische Grammatik van Georg Beer wijst er op (blz. 53), 
„dass jedes System, auch das tib., aus heterogenen Elementen besteht. Neben altüberlieferten 
Formen stehen mas. Restitutionsformen.” En verder: „..., so wird man von einer Lautlehre 
nur mit Vorbehalt reden dürfen...” Deze grammatika aanvaardt ook Kahle’s zienswijze dat 
de laryngalen ten tijde der transkripties verdwenen waren, en later door de massoreten 
gerestitueerd werden. 

Keren we nu terug naar Einar Bronno. Niettegenstaande de onoverzichtelijke wijze 
waarop hij zijn materiaal rangschikt, bereikt hij merkwaardige resultaten. Als werkmetode is 
zijn induktieve metode misschien de juiste, maar zijn konklusies zouden op het eerste zicht 
overtuigender geweest zijn, als het materiaal volgens de resultaten gerangschikt was. 

In de massoretische vokalisatie is de kwantiteit alleen merkbaar bij de a (deze is nl. kort 
als ze patah, en lang als ze kames geschreven wordt), niet echter bij e en o. Dat sere en 
holem altijd lang zouden zijn is een late teorie der Joodse grammatici, die teruggaat op Jozef 
Kimhi. In de Sec. integendeel is er maar één teken voor lange en korte a, nl. a. De e en o 
worden er, als ze kort zijn s en o, en als ze lang zijn, tj en w geschreven. Wanneer we nu de 
grammatikale vormen der Sec. vergelijken met dezelfde vormen der massoreten, maar we 
plaatsen telkens een massoretische «a-vorm naast een e- of een o-vorm der Sec., dan zien we 
dat de twee vokalisatiesystemen in dezelfde vorm dezelfde klinkerkwantiteit hebben. Hier 
volgen voorbeelden: Een naamwoord heeft een lange klinker in de betoonde lettergreep: 
vcooTjp (-123 31, 24, de cijfers verwijzen naar de nummering der psalmen in de gewone masso¬ 
retische editie) met lange rj naast met lange kames ; een werkwoord heeft een korte 
klinker in de betoonde lettergreep: i 8 a( 3 (ïsp ( 13 T 49,4) met korte e naast TM 1 ; met korte 
patah, maar in de pausa is deze klinker lang: OtqXtjx 32,8) met lange tj naast 


de werkwoordelijke ‘tijden’ in het semietisch 107 

met lange kames. Uit deze en dergelijke voorbeelden blijkt het volgende: 1. rj en cd duiden 
werkelijk een lange klank aan, e en o een korte. 2. We hebben het recht in de Sec. de kwanti¬ 
teit der a af te leiden uit de kwantiteit van parallelle e- en o-vormen, en omgekeerd, in de mt. 
is de kwantiteit van sere en holem analoog met die van de a. 3. De klemtoon lag in de tijd van 
de Sec. meestal op dezelfde lettergreep als in de massoretische vokalisatie. 4. Er bestaat in 
de Sec. reeds rekking van de betoonde lettergreep (althans bij naamwoorden), en van de open 
lettergreep die de betoonde voorafgaat. (Een vb. van dit laatste: y]Xocd (pVk 32, 6) met lange 

rj, naast YHtt met lange a). 5. De Sec. heeft reeds pausale vormen. 6. Wanneer de verdubbeling 

van een laryngaal of r vervangen wordt door wijziging van de vorige klinker, is dit niet slechts 
een kwalitatieve verandering zoals men soms meent, maar er treedt rekking op. Dit blijkt b.v. 
uit de pi c el-v orm 7]pcpou 89, 32. 7. De klinker die in het imperfectum wordt ingelast 

vóór een suffix, blijkt lang te zijn volgens Sec. —t)vl 

De mt. is dus veel meer betrouwbaar dan men meende na de ontdekking der Palestijnse en 
Babylonische teksten. Een opmerkelijk verschil tussen de twee taalstadia is, dat in de Sec. 
een dubbel gesloten betoonde lettergreep kort blijft, ook in pausa, terwijl de mt. voor dit 
soort lettergrepen getuigt van een aarzelende overlevering. B.v. het kitl-type IflO cȣ 0 p 32, 7, 

het kill-type üVs ( 3 Xe (3 46, 3, in pausa sV Ae (3 32, 11. Vergelijk hiermee de massoretische kall- 
vormen D 37 en Qtt (deze laatste komt vooral voor na disjunktieve accenten en na het lidwoord); 
soms heeft de massoretische vokalisatie ook een kort klinker in pausa b.v. BK. Andere 

punten van verschil worden opgesomd in ’t reeds vermelde artikel in ZDMG 100, 1950; b.v. 
terwijl de mt. één teken heeft voor a en o, nl. kames, onderscheidt de Sec. tussen a en o: 
rp*n pouO 31, 8, i^Mj^ocppco 49, 8. Dit toont aan, dat a toen nog zuiver uitgesproken werd. 

Dit alles behoort tot het meest betrouwbare in Einar Bronno’s werk. Minder over¬ 
tuigend zijn teorien aangaande de vaak voorkomende afwisseling van a en s. Hij verwerpt 
de opvatting als zouden dit twee benaderende schrijfwijzen zijn van dezelfde klank, zoals 
Pretzl beweert (O. Pretzl, Die Aussprach'e des Flebrdischen nach der zzveiten Kolumne 
der Hexapla des Origenes, BZ 1932). 

A. In een onbetoonde, gesloten lettergreep zijn Semietische en *i in de massoretische 

vokalisatie samengevallen, en wel zo dat elk van beide als a, als i of als e kan optreden, b.v. 
*darkï > met a, *batnï > *» 3 üa met i, *nagdï > ‘’TO met e. Hetzelfde gebeurt in de 

Sec., met dezen verstande: 

1. dat i meestal slechts voorkomt nabij een sisklank: b.v. JT’Sttfü pucrpd) 46, 10, vmpocO 

89, 50. 

2. dat a en e anders verdeeld zijn dan massoretisch a, e, i: b.v. Oersemietisch *a > Sec. a mt. 

a : iSocPftep ; Sec. a mt. e : IH?? aSico 32, 9 ; Sec. a mt. i : N2/0*? Aapcrco 36, 3 ; Sec. e mt. a: 

SspTj 18, 33; Sec. e mt. e: '’TO vsySi 89, 37; Sec. e mt. i: leÖsv 49, 8. Oersemietisch 

*i > Sec. e mt. a: 'bxi peyAat 18, 34; Sec. e mt. e : ou 0 £ 00 ev 18, 36; Sec. e mt. i: 

'ïb AsP(3t, 28, 7. Hier zij terloops op gewezen dat Einar Bronno geen poging aanwendt om 

de vormen met Oersemietische '*a en die met Oersemietische op afzonderlijke lijsten te 
plaatsen; hij vermeldt ze dooreen. 

B. In een betoonde lettergreep staat eveneens vaak e waar we a verwachten, maar dit 
verschijnsel moet volgens Einar Bronno anders verklaard worden dan in een onbetoonde 
lettergreep: 

1. De wet van Philippi, volgens dewelke een betoonde *i in gesloten lettergreep a wordt, is 
niet geldig in de Sec. 

a. een voorbeeld bij het naamwoord: jSscrs 30, 10. Dit beantwoordt niet aan van de mt., 

want ftecre is een kitl-v orm zoals het verwante Arabische bid c un, terwijl het massoretische 
17^5 p p.n uit deze kitl-v orm volgens de wet van Philippi ontstane katl-v orm is. Jammer 




io8 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DE WERKWOORDELIJKE ‘TIJDEN’ IN PIET SEMIETISCH 


IO9 


genoeg kunnen we niet voor elk naamwoord uit de lijst (blz. 127-8, Sec. e mt. Segol) een 
parallel uit een verwante taal vinden, die zou aantonen dat e uit *i ontstaan is. Een argument 
als: ,,cps<roc(= SNtfö) is kitï-v orm, vgl. OSNZte”gaat natuurlijk niet op, als men rekening houdt 

met de klankafwisseling in de onbetoond gesloten lettergreep. 

b. Een voorbeeld bij het werkwoord: In het perfectum pi c el (althans de pausale vorm) en 
hip Q ïl is de derde persoon gevormd met een i-klinker, analoog met het imperfectum: VtDj? 

(naast de kontext-vorm ^tëj?) en In het Aramees is deze i-klinker ook uitgebreid tot 

de overige personen, b.v. pa c el KSD**?? en °ap c el Nra^rpN. Geldt dit laatste ook voor het 
Hebreeuws, dan is hier toch achteraf de weer in een a gewijzigd volgens de wet van 
Philippï : rDfllp en Mrpfi. In de Sec. echter is deze wet volgens Einar Bronno niet toepasse¬ 
lijk, en bijgevolg treffen we er vormen met *i > £ aan als: sXXsX0 89, 40, rnfiOH 

ec 70 £p 0 a 30, 8. (Vgl. hiermee de kal-v orm met Oersemietische iXi a: Aramees KrorD, mt. fiSHS 

Sec. cpapacj 0 89, 41). Ofwel, zegt Einar Bronno, kunnen we de e van eXXeX 0 en ea 0 ep 0 a 
begrijpen, doordat de i-klank van de derde persoon in de overige vormen doorgedrongen is 
in het Hebreeuws van de Sec., maar niet in de traditie waarvan de latere mt. de voortzetting 
is. Beide verklaringen zijn natuurlijk mogelijk. Maar we kunnen tegen Einar Bronno aan¬ 
voeren, dat, als de i-klinker niet is doorgedrongen in de eerste en de tweede persoon, de e 
van de 6Vc.-vormen rechtstreeks ontstaan is uit *a. Er zijn trouwens van dit alles slechts 
enkele voorbeelden. Bovendien is er de uitzondering fnaö payap 0 89, 45, die Einar Bronno 

zonder meer als kal interpreteert. Maar als deze vorm inderdaad een pi c el is, zou hij kunnen 
aantonen dat de afwisseling aje in betoonde lettergrepen evenals in onbetoonde normaal was. 
2. Tenslotte zijn er een aantal gevallen met s in betoonde lettergreep waar ook Einar Bronno 
geen verklaring schijnt te weten, b.v. Vw tsySsX 35, 27, pS psx 32, 6. Zulke gevallen schijnen 

er op te wijzen dat e in betoonde lettergreep wel uit *0 ontstaan kan zijn in tegenstelling met 
Einar Bronno’s opvatting. Einar Brpnno wil zelfs op grond van de 6Vc.-vormen -£^. 
-£7X a een energicus-uitgang *-en rekonstrueren, zodat massoretisch niet langer uit *-anka, 

maar uit *enka zou moeten verklaard worden. 

Wanneer we nog even de vorige paragrafen doorlopen, moeten we vaststellen dat Einar 
Bronno niet bewezen heeft dat e nooit ontstaan is uit *a. Indien *a > e mogelijk is, dan is de 
wet van Philippï ook toepasselijk op de Sec., dan is §spx& een katl-v orm zoals en dan is 

ecj 0 £p 0 oc regelrecht ontstaan uit *histarta of *hastarta. Mogelijk heeft Pretzl gelijk, en stellen 
e en a in deze gevallen dezelfde klank bij benadering voor. In dit verband wil ik er op wijzen 
dat de Babylonische vokalisatie geen onderscheid maakt tussen segol en patah. De opvatting 
van Pretzl, dat de la-klank in een bepaalde fonetische omgeving naar de e omgekleurd wordt, 
is door Einar Bronno afdoende weerlegd. 

De murmelvokaal, die in de grammatika’s van het massoretisch Hebreeuws sawa genoemd 
wordt, is een der meest omstreden punten der Sec. 

Max L. Margolis, The Pronunciation of the According to New Hexaplaric Material 

(AJSL XXVI, 1909/10, blz. 62-70), plaatst zich op het standpunt dat de Sec. de massoretische 
tekst transkribeert. Maar waar het de hwa betreft wijkt hij hiervan af: een vorm als 

werd zonder murmelvokaal uitgesproken, want deze ontbreekt in de transkriptie ap.pou : de 
hzvd is hier quiescens. Alleen een geschreven hwa werd uitgesproken, b.v. 'O?** oi£( 3 ai. 

Alexander Sperber meent dat er ten tijde der Sec. nog geen murmelvokaal bestond. Een 
vorm als “DT ï^op werd eenlettergrepig, dus zonder o uitgesproken. De klinker e (aan de 

mogelijkheid dat nog een ander klinkerteken de o zou weergeven denkt hij zelfs niet), is steeds 
een volle klinker, nl. i. Bijgevolg beantwoordt aan het vrouwelijk verleden deelwoord HDVtS 

<7£pou9oc (eerste lettergreep *si~) de mannelijke vorm *orspou<p. 

De enige aanvaardbare opvatting is mijns inziens die van Einar Bronno. Aangezien het 


Griekse alfabet geen teken bezat om de murmelvokaal adekwaat uit te drukken, wordt deze 
soms uit het schriftbeeld weggelaten, en soms aangeduid door een a e of o. Zo schrijft de 
Sec. b.v. het voorzetsel als X-, \a-, Xe-. Of een niet-geschreven hwa uitgesproken werd 

of niet, moet door rekonstruktie achterhaald worden. Wanneer Einar Bronno echter de 
weergave van de murmelvokaal door a , e, o verklaart als analoge schrijfwijze met andere vor¬ 
men van hetzelfde woord, waarin een volle klinker gehoord wordt, overtuigt hij ons niet, aan¬ 
gezien deze zienswijze slechts door een deel (ongeveer de helft) van het materiaal gesteund 
wordt. Hij bedoelt het volgende: de status constructus keröb wordt xapcop getranskribeerd, 
niet omdat men een a hoort, maar omdat de eerste lettergreep in de status absolutus eveneens 
een a bevat :xapco( 3 . De a in de status constructus is bijgevolg „ïndiiekt lauthistorisch bedingt”, 
want ze gaat langs de a van de status absolutus om terug op een Oersemietische *o. Ook de 
Babylonische vokalisatie heeft vaak een volle klinker waar we op grond van de mt. een hwa 
verwachtten. Kahle meent dat het hier gaat om korte volle klinkers; Einar Br 0 nno integen¬ 
deel verklaart deze gevallen zoals die in de Sec. : ze zijn „indirekt lauthistorisch bedingt”. We 
menen dat Kahle het hier bij het rechte eind heeft. De oudste Joodse grammatici geven 
trouwens regels op aangaande de uitspraak van de hwa ; deze zou nl. zoals de hatef-vdkAtn 
een korte volle klinker aanduiden. Margolis geeft in zijn hoger geciteerd artikel de uitspraak¬ 
regels der hzvd volgens Ben Aser en Hajjüg. Uit mijn persoonlijk nog niet gepubliceerd 
werk op dit gebied is me gebleken dat de vokaalkleur van deze korte klinker bepaald wordt 
door zijn fonetische omgeving, b.v. door invloed van een laryngaal, door assimilatie aan de 
omgevende klinkers. 

Een aantal Semietische korte klinkers in open, onbetoonde lettergreep zijn in het He¬ 
breeuws verzwakt tot murmelvokaal, en tenslotte geheel weggevallen. Een woord als de status 
constructus meervoud *malakë is in de mt. •O 1 ??- Meestal neemt men aan dat de hwa in 

deze vorm quiescens is. Anderen integendeel menen dat ze uitgesproken werd, aangezien de 
volgende D geen dages bevat, en spreken dan liever van hwa medium. We kunnen hier op dit 
probleem niet dieper ingaan. Alleen vestigen we de aandacht op de mogelijkheid dat, gesteld 
dat deze vokaal ten tijde der massoreten geheel verdwenen was, hij nog wel kon gehoord 
worden in het Hebreeuws der Sec. Einar Bronno houdt geen rekening met deze mogelijkheid, 
rangschikt alle vormen met hwa medium op zijn lijsten met hwa quiescens, en behandelt 
vormen met klaarblijkelijk uitgesproken hzva medium, als b.v. rHDK spiapa0 18, 31 als afwij¬ 
kende vormen. Het gevolg hiervan is dat hij de vorige lettergreep, als de hzva niet geschreven 
wordt, als een gesloten lettergreep opvat; en dit is ze toch eigenlijk niet gesteld dat de hwa 
wordt uitgesproken, b.v. de eerste lettergreep van DMVa PaX^a^ap, 35, 25. 

Aanvaardt men in de massoretische vokalisatie geen hwa medium, dan moet men ook 
een overgang van hwa mobile naar hwa quiescens aannemen na een konsonant waarin een 
dages forte wegvalt (b.v. Bauer en Leander § 24111), en dan is b.v. de hwa van *1npy 

quiescens. Nu schijnt Einar Bronno een dubbele medeklinker van de Sec. gelijk te stellen 
met een massoretische medeklinker met dages forte, een enkele medeklinker met een masso¬ 
retische medeklinker zonder dages forte of met weggevallen dages forte. Vervolgens transpo¬ 
neert hij de hoger geformuleerde opvatting over de hzvd van vormen als inj?? naar het 

vokalisatiesysteem van de Sec., en komt zo tot de konklusie dat e0vy]ou 89 , 28 eigenlijk een 
IiWïK* voorstelt i.p.v. het massoretische Deze redenering lijkt me niet overtuigend, 

af gezien nog van de vraag of de hogervermelde interpretatie van de hwa van het massoretische 
ffipy aanvaardbaar is. In dit verband verwijs ik naar Bergstrasser’s opvatting, dat het niet 
uitspreken van de hwa medium op latere schematisering berust. 

Aangaande de laryngalen willen we twee problemen onderscheiden: 

1. Werden ze ten tijde der Sec. nog uitgesproken? 2. Werden ze in de Sec. geschreven? Deze 
twee problemen staan los van elkaar. Zo is het b.v. denkbaar dat een niet uitgesproken laryn¬ 
gaal getranskribeerd wordt: Immers deze laryngaal staat er in het origineel, en helpt het woord 






IIO 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DE WERKWOORDELIJKE ‘TIJDEN’ IN HET SEMIETISCH 


III 


onderscheiden van andere woorden, die op de laryngaal na gelijk zijn. Anderzijds bestaat de 
mogelijkheid dat een uitgesproken 'laryngaal niet geschreven wordt: Als de transkriptor geen 
enkele Griekse letter geschikt achtte als weergave der laryngalen, kan hij ze liever weggelaten 
hebben dan een noodoplossing, b.v. het transkriberen van een laryngaal door een klinker zoals 
we dat soms aantreffen in de Septuagint, te aanvaarden. Deze twee problemen zijn nog nooit 
scherp afzonderlijk gesteld; men verbindt ze gewoonlijk met elkaar, en leidt uit de schrijfwijze 
de uitspraak af. Paul Kahle ziet in de Sec. geen laryngalen, en meent dus dat ze niet uitge¬ 
sproken werden. Dit moeten we zo begrijpen, dat hij een teorie, waartoe hij gekomen was op 
grond van teksten met Babylonische en Palestijnse vokalisatie, zonder bewijs van het tegen¬ 
deel ook op de Sec. toepasselijk acht. Kahle’s laryngaalteorie treffen we b.v. aan in de gram- 
matika van Beer-Meyer (blz. 62, met verwijzing naar Paul Kai-ile, The Cairo Geniza, 
86-95) : ,jDie Laryngale haben sich im grossen und ganzen bis in die Zeit von G. (= Septua¬ 
gint) erhalten. Spater verlieren sie weithin ihren konsonantischen Wert. Diesen Lautstand 
setzen Sek. und die pal. Punktation voraus. Beseelt von einem sprachlichem Ideal nach Art 
der arab. Koranaussprache, steilte man tib. und babyl. auf verschiedene Weise und mit unter- 
schiedlichem Ergebnis die Kehllaute als °, h, h, c wieder her”. Daaruit volgt dat ook een hwa 
of een hatep na een laryngaal op het einde der lettergreep gerestitueerd zijn: b.v.T'W» ïnK2- 

Ook de vokalisatie der naamwoorden van het type *?N$ is een massoretische innovatie: Vk$ 

staat voor söl, vgl. Sec. crooA en Palestijns sol. We denken hierbij ook aan de Aïn-Fesha-v orm 

DKIï voor massoretisch DN2- Is dit alles nu bewezen ? Ik meen van niet. Als naast DK2 

\ : \: 

bewijst dat 0 niet meer werd uitgesproken, dan zou $37 naast Arabisch dibs bewijzen dat de 
b in dit woord niet meer werd gehoord. Ik neem aan dat aan het paar $37 / dibs ook 3 alef- 
parallellen beantwoorden, zoals / Oegaritisch ri°s riioofd 3 , en dus ook DN2 / DK12- De varian¬ 
ten met de klinker na de tweede radikaal, zoals $37 en ÖN2, berusten op Aramese invloed, 
die al werkzaam was van in de bijbelse periode. In DK12 is waarschijnlijk K in de uitspraak 
verdwenen, zoals in evenals in het hoger vermelde Palestijnse söl. Sec. crcoA kan de 
transkriptie zijn van beide varianten: h°öl en söl (uit *?ö D /). Bovendien vragen we ons af, als 
*nüm door de massoreten omgevormd wordt tot DK 2 , waarom dan ook niet tot JKS # ? 

De mening van Pretzl, dat de laryngalen in de Sec. worden weergegeven door spiritus 
en accent, wordt afdoende weerlegd door Einar Bronno. 

Spereer is van oordeel dat de laryngalen, voordat ze verdwijnen, vokalisch worden. Ze 
worden dan e of e getranskribeerd; b.v. rnj is in de Septuagint 1 Chron. 4,24, Codex A 

Oxpae. Nu komt het ons voor dat in zulke voorbeelden de e de regelrechte transkriptie is van 
de laryngaal. Vergelijken we b.v. de twee ,SVc.-vormen paPfkp. 32, 10 en 

appcoTssLfji 49, 7, dan is het duidelijk dat de meervoudsuitgang - tp getranskribeerd wordt. De 
eerste e van ocpgcoTssap is de hwa, de tweede stelt de laryngaal voor, zoals in Sperber’s voor¬ 
beeld Roepas. Nu is het m.i. onmogelijk dat de laryngaal in een vorm alsocppcoTseip intervoka- 
lisch zou overgaan in een klinker, bijgevolg is het de bedoeling van de transkriptor geweest 
bij gebrek aan laryngaaltekens in het Grieks, de konsonant n door een e aan te duiden. 
Zoals te verwachten was wordt de uitgang -lm na een niet-laryngaal altijd - tp geschreven 
(althans in de Sec.), maar na een naamwoord op laryngaal staat zowel -ip als -sip, met andere 
woorden, de laryngaal wordt voor deze uitgang niet altijd e geschreven. 

De laryngalen worden bijgevolg soms geschreven, maar gewoonlijk niet. Werden ze nu 
ook uitgesproken? Verschillende gegevens schijnen inderdaad in die richting te wijzen: 1. Na 
een laryngaal schrijft de mt. in plaats van een hwa mobile een hatep, de Sec. een volle 
klinker: a, e, o; na een andere medeklinker schrijft de mt. een hwa, in de Sec. ontbreekt 
de (uitgesproken) hwa in het schriftbeeld. Dit wijst duidelijk op invloed van de laryngalen 
op het vokalisme. 2. Een korte klinker die na een laryngaal de plaats van een hwa quiescens 
inneemt, trekt niet samen met de vorige klinker, hetgeen wel zou gebeuren als de intervokali- 
sche laryngaal verdwenen was; b.v. nrifcH pocaOoc 35, 21, ezkix 36, 3, # 0 aays 


35, 28. 3. Uit mijn eigen onderzoek op dit gebied ontleen ik nog de volgende vaststellingen: 
Een hwa mobile die op een der laryngalen, h, h. , c volgt, wordt een a-hatep; na de laryngaal 3 
wordt ze a als de volgende klinker a is, en e als de volgende klinker e is. Een hwa quiescens 
na een laryngaal wordt eveneens hatep, en wordt geassimileerd aan de vorige klinker. Deze 
regels zijn (behalve die van de hwa mobile na 3 ) gelijk aan die der massoreten. Dit bewijst 
dat dezen een stevige traditie bezaten aangaande de laryngalen en de begeleidende hatep en, 
zodat de teorie van Kahle onhoudbaar blijkt. (Een klein verschil tussen Sec. en mt. willen 
we echter aanstippen: In tegenstelling tot de massoretische vokalisatie kent de Sec. geen 
patah furtivum, b.v. HDiSini ouoc( 3 Pcoty] 32, 10). Einar Bronno heeft geen onderzoek ingesteld 

naar de invloed der laryngalen op het vokalisme der Sec. Aangaande de uitspraak der laryn¬ 
galen zegt hij (blz. 414) : „Am ehesten ist der Sachverhalt wohl derjenige, dass die Laryngale 
in einigen Pallen ausgesprochen wurden, in anderen dagegen nicht.” Waarschijnlijk heeft hij 
zich laten beïnvloeden door de omstandigheid, dat ze soms geschreven worden en soms niet. 
Het is natuurlijk niet uitgesloten dat de laryngalen onder bepaalde fonetische omstandigheden 
verdwenen waren, alleen is het de vraag hoe dit te achterhalen is. In hoofdzaak wijst het 
vokalisme er echter op dat de laryngalen nog wel werden uitgesproken. 

De vormleer stemt meestal overeen met die van de mt. Hier volgen enkele der belang¬ 
rijkste afwijkingen: 

De segolata hebben slechts uitzonderlijk een hulpklinker, b.v. ^3? Y a Pp 89, 49, *lp$ crexp 
35, 19, uitzonderlijk "W izQsp 31, 24. Is echter een der twee laatste radikalen een laryngaal, 
dan is er gewoonlijk wel een hulpklinker, b.v. IHS cpaocS 36, 2, S 7 $Ö epsaa 36, 2. 

De mt. heeft in grote omvang een oud imperfectum met 1 (Sec. ou — *ü-) omgevormd 
in een imperfectum consecutivum met 1. 

De uitgang van de tweede persoon van het mannelijk enkelvoud perfectum is in de Sec. 
of &a. Voor Sperber is dit een der kriteria die aantonen dat de Sec. samengesteld is uit 
woorden van verschillende ouderdom. Einar Bronno integendeel meent dat in de taal die in 
de Sec. getranskribeerd wordt beide vormen afwisselden; het is immers denkbaar dat een taal 
tegelijk vormen van ongelijke ouderdom gebruikt. Het suffix van de tweede persoon mannelijk 
enkelvoud na naamwoorden heeft eveneens de dubbele vorm -ocx, -a jol. (Vgl. verder nog het 
reeds besproken verbale suffix -exx° 0 - Waarschijnlijk zijn beide vormen later elk in een 
verschillende traditie veralgemeend: de vorm zonder -a in de door Kahle bestudeerde Pales¬ 
tijnse overlevering, b.v. Pal. iadak c uw hand 3 ; die met -a, die trouwens ook in Aïn-Fesha- 
teksten voorkomt, b.v. HDT iadaka, in de Tiberiënsische overlevering, b.v. In de mt. 

hoeft de -a dus geen massoretische restitutie te zijn, zoals Kahle meent. Anderzijds pleit voor 
Kahle’s opvatting dat de vormen met -a in de Sec. slechts enkele malen geattesteerd zijn. 
Dit zou kunnen betekenen, dat de transkriptor alleen dan de a-klank toevoegde, wanneer hij 
in zijn origineel de mater lectionis H aan het woordeinde aantrof. In dit geval was de vorm 
met -a in de tijd van de Sec. misschien reeds een archaïsme, en zou de Tiberiënsische vorm 
op een massoretische restitutie kunnen berusten. 

Het suffix -ocx wordt ook gebruikt na een meervoudig substantief, zodat de verschillende 
numeri vaak in vorm samenvallen; dit is ook het geval in het Aramees. 

Antwerpen, maart 1958. G. Janssens 




112 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


KANTTEKENINGEN 


KANTTEKENINGEN BIJ HET ONDERZOEK VAN DE 
WESTSEMITISCHE EPIGRAFIE 


Het gebied van de Westsemitische epigrafie vertoont taalkundig en inhoudelijk zo’n grote 
verscheidenheid, dat het ondoenlijk is het als een ook maar enigermate gesloten of eenvormig 
geheel te behandelen. Van elke taal of dialect zal dan ook, zoveel als doenlijk, een apart over¬ 
zicht worden gegeven. Hierbij is gestreefd, een algemene indruk van deze gebieden te geven. 
Dit past mijns inziens beter bij het doel van een opstel als dit, dan een gedetailleerde opsomming 
van elke publicatie en elk gegeven. De traditionele indeling van de Westsemitische talen in een 
Kanaanese en een Aramese groep, is hier bij de indeling van de stof om practische redenen 
aangehouden. De vraag echter, in hoeverre deze scheiding bij de huidige stand van het onder¬ 
zoek nog houdbaar is, zal in de loop van het opstel ter sprake komen, tezamen met de proble¬ 
men die de taal van het rijkje SanPal, het Jaoedisch, opwerpt. 

Van de Kanaanese groep is de taal, die de grootste bekendheid geniet, ongetwijfeld het 
Hebreeuws. Zijn bijdrage aan de Westsemitische epigrafie is, naar de omvang gezien, echter 
betrekkelijk gering. In 1934 heeft Diringer een goed werk verricht, door al het toen 
bekende materiaal uit de tijd voor de Babylonische ballingschap in één bundel uit te geven, met 
verwijzingen naar de er over bestaande, zeer uitvoerige, literatuur 1 ). Hierbij bevinden zich 
slechts twee teksten van enige omvang: de zgn. boerenkalender van Gezer (gebruikelijke date¬ 
ring: tweede helft tiende eeuw v. Chr.) en de Siloa-inscriptie, die vertelt over de aanleg van de 
Siloa-tunnel, waarschijnlijk tijdens de regering van koning Hizkia, dt 700 v. Chr. De rest zijn 
zeer korte teksten: leverantiebewijzen (de zgn. Samaria-ostraca), opschriften op zegels en ge¬ 
wichten, stempels, enz. Een verrassing waren de kort voor de oorlog door Torczyner gepu¬ 
bliceerde Lachisj-brieven, brieven door een ondergeschikte aan een Israëlitisch commandant 
geschreven ten tijde van de Babylonische invallen, d= 600 v. Chr., documenten van grote 
taalkundige en historische waarde 2 ). Een stroom literatuur volgde: verschillende auteurs, 
waaronder Albright, Cassuto, Ginsberg, Gordon genoemd moeten worden 3 ), wisten vaak 
belangrijke verbeteringen, in de vorm van andere vertalingen en lezingen, aan te brengen. 
Jammer genoeg nam na enige jaren de literatuur op dit terrein aanmerkelijk af, hoewel zeker 
niet voor alle problemen een bevredigende oplossing was gevonden. Dat het echter toch mogelijk 
is nieuwe resultaten te boeken, bewijzen studies van May en Cross over de vierde brief, die 
de uitleg bepaald bevorderd hebben 4 ). Een desideratum blijft een nieuwe editie van deze 
teksten met een verwerking van alle literatuur en een philologisch commentaar: Torczyner’s 


Afkortingenlijst. 

AfO — Archiv für Orientforschung. 

AJSL = American Journal of Semitic Languages 
and Literature. 

BASOR = Bulletin of the American Schools of 
Oriental Research. 

BiOr = Bibliotheca Orientalis. 

JA = Journal Asiatique. 

JAOS = Journal of the American Oriental 

Society. 

JKF = Jahrbuch für Kleinasiatische For- 
schungen. 


JNES = Journal of Near Eastern Studies. 
MAOG — Mitteilungen des altorientalistischen 
Gesellschaft. 

MUSJ = Mémoires de 1 ’Université Saint-Joseph. 

RB = Revue Biblique 

MVAG = Mitteilungen des vorderasiatisch-aegyp- 
tischen Gesellschaft. 

RA = Revue d’Assyriologie. 

REJ Revue d’Etudes juives. 

RHR = Revue de FHistoire des Religions. 

SOLDV = Studi Orientalistici in onore di Giorgio 
Levi Della Vida. 

VT = Vetus Testamentum. 


1 ) D. Diringer, Le Iscrizioni antico-ebraiche pa- 
lestinesi, Firenze, 1934. 

2 ) H. Torczyner, Lachish I, The Lachish Letters, 

London/New York/Toronto, 1938. 


3 ) Zie N. 7 . 

4 ) H. G. May, Lachish Letter iv 7-10, BASOR 
xcvii, 22-25; F. M. Cross, Lachish Letter iv, BA¬ 
SOR CXLIV, 24-26. 


ri 3 


editie is op te veel punten achterhaald, om nog te kunnen voldoen 5 ). Hoe begrijpelijk op zich¬ 
zelf ook, het blijft te betreuren, dat aan dit verlangen niet is voldaan in de bundel van Moscati, 
die het initiatief van Diringer voortzette en alle nieuwe literatuur en nieuwe teksten die tot en 
met 1950 verschenen, hierin verzamelde 6). I n dit overigens voortreffelijke werk mist men de 
Lachisj brieven smartelijk. Voor een zeer bruikbare transcriptie en vertaling (waarin ook veel 
resultaten van het onderzoek zijn verwerkt) zie men die van de hand van Diringer in de 
bundel Lachish III 7 ). 

Een grote bijdrage tot de kennis van de Hebreeuwse orthographie hebben twee Amerika¬ 
nen Cross en Freedman geleverd, die onderzocht hebben, in hoeverre er in het consonanten¬ 
schrift van de Hebreeuwse inscripties ook klinkers worden aangegeven 8 ). Uit het Oude Testa¬ 
ment kennen wij het gebruik van de zgn. leesmoeders (matres lectionis ): bepaalde medeklin- 
kertekens duiden niet alleen de desbetreffende medeklinker aan, maar kunnen ook bepaalde 
klinkers aangeven. Bijv. de letter jod is niet slechts het teken voor de j, maar ook voor de 
klinkers ï en ë. (De werkelijke klinkertekens die wij in de tegenwoordige tekst van het Oude 
Testament vinden, zijn van veel latere datum). Uit de onderzoekingen van beide auteurs blijkt 
nu, dat de leesmoeder eerst in de loop van de negende eeuw voor Chr. in de Hebreeuwse ortho¬ 
graphie werd ingevoerd (in de Gezerkalender ontbreekt ze nog volkomen), maar dan alleen 
voor klinkers aan het slot van een woord. In Aramese inscripties drong de leesmoeder in de 
loop van de zevende eeuw ook in het midden van het woord binnen; indien dit ook in de 
Hebreeuwse teksten het geval was (een enkel geval zou in deze richting kunnen wijzen), dan 
betrof dat echter in de tijd voor de ballingschap een uitzondering. In de daarop volgende eeuwen 
moet dit proces zich hebben voortgezet. Dit onderzoek (Cross en Freedman hebben het mate¬ 
riaalonderzoek bij de Lachisj-brieven afgesloten) kan ook van grote betekenis zijn voor de ge¬ 
schiedenis van de tekst van het Oude Testament: in teksten waar wij nu leesmoeders vinden, 
kunnen (en moeten) zij in bepaalde gevallen niet gestaan hebben. Zij moeten dus in de loop 
van de tijd zijn Ongevuld 3 . Dit kan een vrij lange tijd geweest zijn, daar bijv. uit Joodse munten 
uit de eerste eeuw blijkt, dat het gebruik van leesmoeders binnen een woord nog steeds facul¬ 
tatief was. Dit wordt onder meer bevestigd door het feit, dat bepaalde afwijkingen van de 
Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuaginta) van de ons overgeleverde He¬ 
breeuwse tekst, alleen verklaard kunnen worden uit het ontbreken van leesmoeders, die wel in 
onze tekst staan. 

Buitendien is het onderzoek van deze twee Amerikaanse geleerden ook van belang ge¬ 
weest voor het bepalen van sommige eigenaardige verschillen tussen een Noord- en Zuid- 
israelitisch dialect (het laatste speciaal voor Juda). 

Van de latere Hebreeuwse inscripties (bijvoorbeeld op ossuaria) vindt men een aantal 
bijeen in Frey’s Corpus Inscriptionum Iudaicarum , dat ook Aramese en Griekse teksten van 
Joodse oorsprong bevat 9 ). Wie zich interesseert voor Joodse munten van de Maccabeeëntijd 
tot en met de tweede opstand onder Bar Kochba (d= 135 n. Chr.), vindt een verdienstelijk 
overzicht in het populaire werkje van Reifenberg, die ook een goede verhandeling over 
Hebreeuwse zegels heeft geschreven 10 ). 

In de laatste decennia zijn er op het gebied van het Phoenicisch (en zijn jongere uitloper, 
het Punisch, dat in Carthago, benepens omliggende gebieden en koloniën gesproken werd) 
twee grammatica’s verschenen. In 1936 een meer beknopte, in het Engels geschreven, studie 


5 ) Dit geldt ook voor de nieuwere uitgave van 
Torczyner, The Lachish Ostraca, Letters of the 
Time of leremiah transcribed and interpreted, Jeru- 
salem, 1940 [Hebreeuws]. 

6 ) S. Moscati, L’Epigrafia ebraica antica 1935- 
1950, Roma, 1951. 

7 ) O. Tufnell, Lachish in, The Ir on Age (in 
samenwerking met M. A. Mürray & D. Diringer). 
De Lachisj brieven staan op p. 331-339. Hierbij zijn 


ook de 3 sinds Torczyner’s eerste editie verschenen 
nieuwe brieven. Voor een literatuurlijst zie p. 21-23. 

8 ) F. M. Cross and D. N. Freedman, Early He- 
brew Orthography, Baltimore, 1952. 

9 ) J. B. Frey, Corpus Inscriptionum Iudaicarum, 
Vol. 1, Roma, 1936, Vol. 11, Roma, 1952. 

10 ) A. Reifenberg, Ancient Hebrew Seals, Lon- 
don, 1950; id., Israels History in Coins. Fr om the 
Maccabees to the Roman Conquest, London, 1953. 





VOORAZIATISCHE PHILOLOG1E 


KANTTEKENINGEN 


II4 


“5 


van Harris; in 1951 een uitgebreide, Duitse, van de hand van Friedrich H). Hoewel beide 
auteurs gedegen werk hebben geleverd, heeft laatstgenoemde zijn voorganger enigermate in 
de schaduw gesteld. Niet alleen door de verwerking van nieuw, sinds 1936 verschenen mate¬ 
riaal, maar ook door ruimere documentatie, uitgebreidere bespreking van het phonologisch 
gedeelte en in het bijzonder door een schets van een syntaxis. Dit laatste mag reeds een pre¬ 
statie heten, vooral wanneer men bedenkt, dat bij het Hebreeuws, dat veel meer teksten biedt 
en meer bestudeerd is, de syntaxis één van de minst onderzochte gedeelten van de grammatica 
is. Bij het doornemen van deze grammatica’s blijkt, dat nu zoveel van het Phoenicisch bekend 
is, dat een algemene grammaticale schets van dit gebied (het Punisch inbegrepen) mogelijk is. 
Leemten zijn er uiteraard, doch dit neemt niet weg, dat men zich een totaalbeeld vormen kan. 

In zijn grammatica heeft Friedrich de Phoenicische teksten (die uit Byblos, die apart 
besproken zullen worden, niet meegerekend) in twee groepen verdeeld: altphönizisch en phö- 
nizisch. De eerste groep omvat het betrekkelijk geringe aantal teksten, dat in de zesde eeuw 
v. Chr. of eerder gedateerd moet worden, de tweede, de grote massa uit later tijd. Nu hebben 
er zich in het Phoenicisch enige verschuivingen voorgedaan (hetzij in taal, hetzij in schrijf¬ 
wijze), die voor ons nog waarneembaar zijn. Maar deze vallen niet samen met de door 
Friedrich getrokken grens. In de Kilamuwa-inscriptie bijv. (tweede helft negende eeuw 
v. Chr.), vindt men aanduidingen van enige oudere taalvormen, die men in de Karatepe- 
inscripties een eeuw later niet meer aantreft. Een andere belangrijke verschuiving — ditmaal 
de schrijfwijze betreffend — heeft plaats gehad tussen genoemde Karatepe-inscripties en de 
zgn. Urtekst en de magische tekst van Arslan Tash, beide uit de zevende eeuw v. Chr. Bij het 
gebruik van Friedrich’s grammatica kan de door hem gemaakte onderscheiding dan ook 
misleidend werken, wanneer men haar beschouwt als de afscheiding tussen een jonger en 
ouder taaltype. 

Een bijzondere plaats binnen het Phoenicisch nemen de Cyprische inscripties in, die enige 
opvallende trekken vertonen. Merkwaardig is bijv. de wisseling van l en n. Het is echter 
de vraag, in hoeverre men hier nog van een echt Phoenicische ontwikkeling kan spre¬ 
ken: het lijkt waarschijnlijker, dat hier eigenaardigheden van een andere, autochtone, 
taal het Phoenicisch zijn binnengedrongen. De meeste Cyprische inscripties zijn van tame¬ 
lijk recente datum: twee bekende inscripties bijv., de teksten Larnax I en II, horen waarschijnlijk 
in de derde en tweede eeuw v. Chr. thuis 12 ). Een nieuwe, door Honeyman gepubliceerde tekst, 
Larnax III, stamt waarschijnlijk uit de tweede helft van de vierde eeuw v. Chr. (deze bevat 
een lijst van door zekere Param aan diverse tempels geschonken gaven) 13 ). Het is buiten¬ 
gewoon jammer, dat de oude, ook door Honeyman uitgegeven, Cyprische inscriptie, uit de 
negende eeuw v. Chr., zo fragmentair is overgebleven, dat er vrijwel niets uit geconcludeerd 
kan worden, behalve het overigens ook zeer interessante feit, dat er toentertijd reeds Phoeni¬ 
cische invloeden op dit eiland waren 14 ). 

Een probleem op zichzelf vormt de ontwikkeling van het Punisch. Er zijn teksten, waarin 
het zich (voor zover het schrift het ons toelaat te zien) niet of vrijwel niet van het Phoenicisch 
onderscheidt. Wie echter de grote massa van de teksten doorziet, ontdekt weldra, dat zich hier 
grote verschuivingen op orthographisch en ook taalkundig gebied hebben voorgedaan. Het 
moeilijke probleem is hier, hoe men onderscheidingen moet aanbrengen. Over het algemeen 
werkte men bij deze teksten met de onderscheiding (die ook PIarris nog gebruikt): Punisch/ 
Neopunisch. Hierbij gaat men uit van de twee schrifttypen, die men bij Punische teksten aan¬ 
treft. Een dergelijke onderscheiding is echter beslist onvoldoende, om verschuivingen in taal 
of spelling te registreren. Terecht heeft Friedrich haar dan ook verlaten: hijzelf voert nu de 
onderscheiding: panisch/vul gür panisch in. De eerste groep omvat die vormen, die, voor zover 


11 ) Z. S. Harris, A Grammar of the Phoenician 
Language, New Haven 1936; J. Friedrich, Phöni- 
zisch-Punische Grammatik, Roma, 1951. 

12 ) Zie voor deze inscripties: G. A. Cooke, A 
Text-Book of North-Semitic Inscriptions, Oxford, 
1903, n° 28 en 29. 


13 ) A. M. Honeyman, Larnax tës Lapëthou , a 
third Phoenician Inscription, Le Muséon Li 285-298. 

14 ) Honeyman, The Phoenician Inscriptions of the 
Cyprus Museum, Iraq vi 104-108. Zie nog Albright, 
BASOR Lxxxni 14-22; Dupont-Sommer RA xli, 
201-211. 


men op het schrift kan afgaan, zich in niets of vrijwel niets van het Phoenicisch onderscheiden; 
de tweede die, waar men meer ingrijpende afwijkingen in de orthographie vindt. Hoewel ze 
ongetwijfeld veel beter voldoet, dan de indeling Punisch/Neopunisch, lijkt ook deze afbakening 
niet afdoende. Ten eerste betreft het hier wijzigingen in de orthographie, die nog niet alle 
wijzigingen in de taal betekenen. Een tweede, ernstiger, bezwaar, is het volgende. In het Punisch 
hebben de beide keelklanken, de alef en de ajin in de uitspraak langzamerhand hun afzonder¬ 
lijke waarde verloren, en zijn waarschijnlijk tenslotte verloren gegaan. Het gevolg nu was, 
dat in de spelling het onderscheid tussen beide verloren ging en zij in eikaars plaats gebruikt 
werden. Een vorm nu bijv., waar een ajin in plaats van een oorspronkelijke alef geschreven 
wordt, geldt bij Friedrich als vièlgar panisch. Maar het komt herhaaldelijk voor, dat men in 
een inscriptie met dergelijke c vulgaire° vormen, andere aantreft die c correct° geschreven zijn. 
Volgt men nu Friedrich’s indeling, dan zou men panisch en valgdrpanisch in één inscriptie 
aantreffen. Hier toch deze indeling te handhaven, lijkt kunstmatig en kan alleen geschieden, 
door een woord geheel van de tekst, waarin het staat te isoleren en geen rekening te houden 
met hetgeen men uit het overige deel van de tekst kan concluderen. Een schrijver immers, die 
zelf het verschil tussen alef en ajin niet meer voelde, stond voor een keus: schreef hij nu, zoals 
in vele gevallen het geval was, de oorspronkelijke c correcte° vorm, dan geschiedde dit door een 
vaste schrijftraditie en niet door een perfecte kennis van de oorspronkelijke uitspraak zijner¬ 
zijds. Een c correcte° vorm in een tekst, die ook c vulgaire° vormen bevat, is daarom noch 
de aanduiding van een bepaald taaltype, dat niet door c vulgaire 0 vormen vertegenwoordigd 
wordt, noch van een bepaald type schrijfwijze, dat de verwarring tussen sommige medeklinkers 
nog niet kent. 

Een vaste regel te vinden om het Punische materiaal in groepen te scheiden, lijkt niet 
eenvoudig. Er is inderdaad een ontwikkeling geweest, waarbij de Punische orthographie zich 
— mede onder taalinvloeden — steeds verder van de Phoenicische verwijderde. Maar deze 
ontwikkeling is waarschijnlijk zeer geleidelijk gegaan en het zal moeilijk zijn — zo niet 
ondoenlijk —, maatstaven te vinden, om strakke onderscheidingen — zoals men tot nu toe 
gekend heeft — te kunnen doorvoeren. Het feit, dat het materiaal veelal ongedateerd is, werkt 
hier ook niet toe mee. 

Een groot deel van het Punische materiaal bestaat uit de zeer stereotype votiefteksten. 
Toch zijn deze voor het onderzoek van groot belang en dit niet alleen wegens de grote ver¬ 
scheidenheid van eigennamen, die zij bieden. Plet Punisch bereidt de onderzoeker zeer grote 
moeilijkheden: de bovengenoemde grote verschuivingen zijn hier zeker debet aan. Men merkt 
dit vooral, wanneer men bewerkingen ziet van teksten die buiten het stereotype genre vallen. 
Een groot aantal woorden en tekstgedeelten missen tot op heden een bevredigende verklaring. 
Het onderzoek kan hier slechts stap voor stap voorwaarts komen. In dit verband mogen zeker 
de tekstuitgaven en -bewerkingen van Levi Della Vida en Février genoemd worden 15 ). 
Kunnen nu de votiefinscripties door hun stereotype inhoud voor de vertaling van woorden 
vrijwel niet helpen, voor de kennis van de grammatica en de orthographie kunnen zij zeer 
grote diensten bewijzen. Meestal weet men wel met welke woorden men te doen heeft en zo is 
men in staat belangrijke conclusies over de mogelijkheden binnen taal en orthographie te trek¬ 
ken. Zo bieden het nieuwe deel van het Corpus Inscriptionum Semiticaram (dat behalve enige 
andere, ongeveer 1300 votiefteksten bevat) en de door Charlier en Berthier uitgegeven 
bundel (met enkele honderden dergelijke teksten) weer een niet onbelangrijk aantal aanvullin¬ 
gen op Friedrich’s grammatica, waarin beide nog niet verwerkt zijn 16 ). 

Belangwekkend materiaal binnen deze votiefteksten vormen de, nog niet allen ver¬ 
klaarde, termini voor offers. Het woord mik heeft hier grote bekendheid verworven, door een 
studie van de hand van Eissfeldt 17 ), die het woord wilde uitleggen als Toezegging (gave) 
van een offer 0 en aan de hand van het Punische materiaal de in het Oude Testament voor- 


15 ) Een deel van deze publicaties staat vermeld in 
J. G. Février, Les découvertes épigraphiques puni- 
ques et néopuniques depuis la guerre, SOLDV 1, 
Roma, 1956, 274-286. 


16 ) Corpus Inscriptionum Scmiticarum 1, tomus in, 
fase. 2, Paris 1947; A. Berthier & R. Charlier, 
Le sanctuaire punique d’El-Hofra d Constantine, 
Paris, 1955. 









iï6 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


KANTTEKENINGEN 


komende god Molech wilde elimineren. Bestrijdingen zijn niet uitgebleven, waarbij wel eens uit 
het oog verloren wordt, dat, ook al beschouwt men Eissfeldt’s these voor het Oude Testament 
als niet aannemelijk, ze toch zeker waarde voor de uitleg van het Punische materiaal heeft. 

Op grond van de historische overlevering kan als vaststaand worden beschouwd, dat er in 
Carthago mensenoffers gebracht werden, in het bijzonder kinderen. Het is een interessante 
vraag, in hoeverre men in de Punische teksten hier een bevestiging van vindt. De twee auteurs, 
die zich het meest met vragen betreffende offerterminologie hebben beziggehouden, Eissfeldt 
en Février hebben uit de teksten wel het bestaan afgeleid van plaatsvervangende offers, 
die als substituut voor het kinderoffer zouden hebben gediend. Dit overigens op grond van zeer 
uiteenlopende interpretaties van de desbetreffende termen. In een enkel geval wil Février 
van een mensenoffer spreken 18 ). Het lijkt mij, dat in meergenoemde bundel van Bertitier 
en Charlier voorkomend nieuw materiaal duidelijke epigraphische bewijzen voor het 
Karthaagse kinderoffer levert. 

Tot nog toe is de vraag naar het bestaan van mogelijke dialectverschillen binnen het 
Phoenicisch(/Punisch) buiten beschouwing gebleven. Het enige dialect, dat men onderscheiden 
kan, is het stadsdialect van Byblos, dat enige kenmerken vertoont, die het van het overige 
Phoenicisch scheiden. In dit dialect zijn verschillende inscripties over, die zich in enige groepen 
laten onderscheiden. 

De oudste groep bevat een aantal teksten, die van ± 1000 tot ± 900 v. Chr. gedateerd 
kunnen worden. Men heeft de oorspronkelijke dateringen, die aanmerkelijk hoger lagen, laten 
varen: een datering van de grafinscriptie van koning Ahirarn bijv. in de I3 e eeuw v. Chr. — 
deze datering vindt men nog bij Harris — is beslist onjuist gebleken. Een deel van deze 
teksten vindt men reeds bij Harris vermeld: bovengenoemde Ahiraminscriptie en die van de 
koningen Jehimilk, Abibaal en Elibaal. Sindsdien zijn er nog enige aan het licht gekomen: een 
inscriptie van koning Shipitbaal, zoon van Elibaal, kleinzoon van Jehimilk, een korte inscriptie 
van een particulier Abdo en één op een bronzen spatula, waarschijnlijk een soort brief, maar 
de inhoud is niet met zekerheid te bepalen 19 ). 

De tweede groep omvat enige koningsinscripties uit later tijd: weer één van een koning 
Shipitbaal (aan Harris nog onbekend) uit 500 v. Chr., de Jehawmilk-inscriptie uit het eind 
van de vijfde eeuw v. Chr. en het graf opschrift van de koningin-moeder Batnaam uit ± 350 
v. Chr. Verder is ons uit de tijd omstreeks het begin van onze jaartelling nog een inscriptie 
van een particulier bewaard 20 ). 

Al deze, uit uiteenlopende tijdperken stammende, inscripties vertonen toch enige gemeen¬ 
schappelijke eigenaardigheden (ondanks de ook binnen het Byblisch voorkomende verschui¬ 
vingen), die hen van al het andere, van elders stammende, Phoenicische materiaal onderschei¬ 
den. Men kan dan ook als vaststaand aannemen dat de bevolking van Byblos een eigensoortige 
taal bezat. 

Met dit Byblische dialect betreden wij echter ook een terrein, dat voor het onderzoek 
zeker niet zonder voetangels en klemmen is, namelijk de vraag in hoeverre de traditionele 
onderscheiding tussen Kanaanese en Aramese talen nog opgaat. Wanneer wij bijv. het ons 
overgeleverde Hebreeuws vergelijken met het Aramees, zoals wij dit kennen uit de uit Egypte 
afkomstige contracten (zie onder), uit het Oude Testament of uit rabbijnse geschriften, dan is 
de conclusie zeker gerechtvaardigd, dat elk van beide groepen, ondanks innerlijke verscheiden¬ 
heid, een eigen type en eigen characteristica vertoont, die hem van de andere duidelijk onder¬ 
scheiden. Deze characteristica zijn betrekkelijk gering van aantal, maar toch laten zij over het 
bestaande onderscheid geen twijfel bestaan. Ook wanneer men het Phoenicisch in het beeld 


17 ) O. Eissfeldt, Molk als Opferbegriff im Puni- 
schen und Hebrdischen und das Ende des Gottes 
Moloch, Halle (Saaie), 1935. 

18 ) J. G. Février, Un sacrifice d’enfant chez les 
Numides, Annuaire de 1 ’Institut de Philologie et 
d’Histoire Orientales et Slaves tome xni (== Mé¬ 
langes Isidore Lêvy, Bruxelles, 1955), 161-171. 

19 ) Voor een overzicht van deze oudste groep 


inscripties zie W. F. Albright, The Phoenician In- 
scriptions of the Tenth Century B. C. } JAOS lxvii, 
153-160. 

20 ) Men zie Harris, o.c. p. 159 (Bybl. 5, 6, 7) voor 
verwijzingen. Voor een publicatie van de tweede 
Shipitbaalinscriptie zie M. Dunand, Fouilles de By¬ 
blos, Paris, 1939, p. 31S. 


ii 7 

betrekt en het met het verwante Hebreeuws één groep laat vormen (een Kanaanese taalgroep), 
verandert het beeld niet. Men stoot evenwel op moeilijkheden, wanneer men ook het Byblisch 
beschouwt: dit kent namelijk niet alleen niet de vorm voor het aanwijzend voornaamwoord, die 
als een characteristicum voor de Kanaanese talen geldt, maar de vorm, die het wel heeft, geldt 
als typisch voor Aramese talen. Dit verschijnsel staat niet op zichzelf. In het Moabitisch, een 
taal, waarvan wij slechts één inscriptie de Mesasteen over hebben 21 ), heeft het mannelijk 
meervoud niet de voor Kanaanese talen karakteristieke vorm, maar die, die men algemeen in 
het Aramees aantreft. Hieruit blijkt reeds dat het traditionele onderscheidingsschema Ka- 
naanees/Aramees voor bepaalde taalgroepen binnen het Westsemitische materiaal (en juist die 
waarvan de meeste teksten bewaard zijn) wel opgaat, maar geen absolute geldigheid bezit voor 
het gehele materiaal. 

Deze indruk wordt slechts versterkt door de taal van het in Cilicië gelegen koninkrijkje 
SanPal, over welks geschiedenis Landsberger een knappe en doorwrochte studie heeft ge¬ 
schreven 22 ). Uit dit rijkje zijn verschillende inscripties bekend. De oudste, de bovengenoemde 
Kilamuwa-inscriptie, is in het Phoenicish geschreven. Inscripties en fragmenten uit de tijd 
van één van de laatste koningen: Barrakkab (d= 725 v. Chr.) zijn in het Aramees gesteld. 
Daartussen evenwel liggen twee teksten: de Hadad-stèle van koning Panamuwa I, ± 750 
v. Chr.? en de Panamuwa-stèle, door bovengenoemde Barrakkab aan zijn vader Panamuwa II 
gewijd 23 ). Deze twee teksten zijn in een taal geschreven, die noch Kanaanees, noch Aramees 
is, trekken van beide heeft, maar daarnaast ook geheel eigen characteristica bezit. Hetzelfde 
taaltype treft men hoogstwaarschijnlijk ook aan in een nieuwe, vrij beknopte inscriptie van 
koning Kilamuwa, die door Dupont-Sommer is gepubliceerd 24 ). Friedrich heeft deze tekst 
in zijn grammatica als een Phoenicische tekst behandeld, wat m.i. echter niet houdbaar blijkt. 
Een goede schets van deze taal vindt men in een aanhangsel bij Friedrich’s grammatica en 
in een nieuwe, aan het Oudaramees gewijde studie van Garbini (zie onder) 25 ). Men heeft 
wel gepoogd dit merkwaardig verschijnsel als een overgangsstadium tussen Phoenicisch en 
Aramees te beschouwen: het Phoenicisch zou dan de oude rijkstaal zijn geweest, die langzaam 
aan door het Aramees werd verdrongen. Maar het Jaoedisch vertoont te eigen kenmerken, dan 
dat een dergelijke theorie ook maar enigermate aannemelijk zou zijn. De waarschijnlijkste op¬ 
lossing is dat men hier met een eigensoortige taal te doen heeft, een taal, die zich onmogelijk 
in het traditionele indelingsschema laat passen, ook niet, wanneer men wijzigingen aanbrengt 
of één of meer characteristica laat vallen: een oplossing, waaraan men — had men alleen te 
doen met de moeilijkheden van Byblisch en Moabitisch — nog zou kunnen denken. 

Ook historisch is het beeld, dat ons door de inscripties uit SanPal geboden wordt, nog 
verre van volledig en eerder fragmentair te noemen. Mede door zijn grote kennis van het 
Akkadische materiaal is Landsberger in staat geweest, in zijn bovengenoemde boek, deze 
gegevens in een ruimer historisch verband te plaatsen. Dit neemt niet weg, dat op grond van 
het toevallige en fragmentaire karakter van het materiaal, vaak niets anders dan een non liquet 
overblijft. Zo tast men bijv. over de reden van de ondergang van het rijkje en van de ver¬ 
vanging van de vorst door een Assyrische gouverneur, volkomen in het duister; alles wat men 
er over zeggen kan, hoe aannemelijk op zichzelf ook, blijft voorshands slechts hypothese. Op 
dit punt hebben de Karatepe-inscripties 26 ), hoe belangrijk zij overigens ook mogen zijn, 
weinig nieuw licht gebracht. Deze teksten zijn door koning Azitawaddu van de Dnnm aan zijn 


21 ) Voor een uitgave van de Mesasteen, zie Cooke, 
Textbook, n° 1. 

22 ) B. Landsberger, Sambal, Studiën zur Ent- 
deckung der Ruinenstaette Karatepe, Ankara, 1948. 

23 ) Voor een goede publicatie van de Kilamuwa- 
inscriptie zie M. Lidzbarski, Ephcmeris fiir Semi ¬ 
tische Epigraphik ui, Giessen, 1909/15, p. 222S. ; voor 
de overige teksten zie de grammatica van Garbini 
(vgl. n. 25) p. 257 n. i en 273 n. 1. Voor een nieuw 
fragment van een aramese inscriptie van koning Bar¬ 
rakkab zie H. Donner in Mitteilungcn des Instituts 


f iir Orientforschung in, 73-98. 

24 ) A. Dupont-Sommer, Une Inscription nouvelle 
du roi Kilamou et le dieu Rekoub-El, RHR cxxxm, 
19 - 33 . 

25 ) G. Garbini, L } Aramaico Antico, Roma, 1956 
(Memorie della Academia nazionale dei Lincei, 
Classe di Scienze morali, storiche e filologiche, Serie 
8, Vol. 7, fase. 5). 

26 ) Voor een publicatie, zie Dupont-Sommer, RA 

XLI, l6l-l88. 









VOOR AZIATISCHE PHILOLOGIE 


god Baal opgedragen. Op grond van een vergelijking met Assyrisch materiaal, is het waar¬ 
schijnlijk, dat deze vorst in het laatste derde deel van de achtste eeuw v. Chr. gedateerd moet 
worden. De teksten zijn — zoals de naam reeds aanduidt — te Karatepe — slechts acht uur 
gaans van de vindplaats van de SanPal-inscripties: Sendsjirli — gevonden. Dit feit illustreert 
de geringe omvang van het staatje Sambal. Bovendien kan men nu het rijk der Dnnm, dat 
sinds het vinden van de grote Kilamuwa-inscriptie wel bij name bekend was, doch met welks 
ligging men onbekend was, enigermate plaatsen. 

Voor het onderzoek van de oudste Aramese inscripties zijn wij veel verschuldigd aan 
Garbini, die een goede grammaticale schets van hen (het Jaoedisch inbegrepen) gegeven 
heeft. Het mag als een grote verdienste van de auteur gelden, dat hij het behandelde materiaal 
(de teksten tot 700 v. Chr.) niet als een eenheid heeft besproken, maar ze heeft onderscheiden 
naar plaats van herkomst. Zo wordt een overzichtelijk beeld van overeenkomsten en verschillen 
mogelijk. 

In vergelijking tot de overige behandelde inscripties toont het uit Arpad afkomstige staats¬ 
verdrag van Sefire-Sudjin (± 750 v. Chr.) zeker eigen trekken 27 ). Om dit eigen karakter 
reeds, zou het wenselijk zijn, dat er nieuwe foto’s en een nieuw afschrift van deze tekst 
gemaakt en gepubliceerd werden: een wens, die sinds de eerste publicatie door Ronzevalle, 
bijna 30 jaar geleden, wel verschillende malen geuit, maar nooit vervuld is. Dan zou moge¬ 
lijkerwijze ook de bij de huidige stand van zaken ontoegankelijke kolom B benaderbaar worden. 
Uit wat nu toegankelijk is, kan men concluderen, dat de eigenaardigheden van deze taalvorm, 
zeker niet aan invloeden van c Kanaanese° zijde te danken zijn; hierop heeft Garbini mijns 
inziens terecht grote nadruk gelegd. Bovendien moet men het feit beklemtonen, dat, ook al 
zijn deze eigenaardigheden (althans voor zover het vaak zeer schaarse materiaal ons toelaat 
te beoordelen) niet vertegenwoordigd bij de andere door Garbini behandelde taalgroepen, 
ze wel vertegenwoordigd zijn in latere Aramese talen. Men heeft hier dus niet te doen met 
trekken, die de taal van Arpad op deze speciale punten onderscheiden van al het andere 
Aramese materiaal. 

Een dergelijke trek vindt men wel in de inscriptie van lconing Zakar van Hamat en Lu c asj 
(geschreven in het dialect van Hamat??) 28 ). Hier vindt men het bij het overige Aramese 
materiaal volkomen onbekende verschijnsel van het imperfectum consecutivum (dit: behelst, 
ruw geschetst, dat die bepaalde vorm van het werkwoord, imperfectum genaamd, die door¬ 
gaans toekomstige feiten aanduidt, wanneer ze door het woordje w e (= en) wordt vooraf¬ 
gegaan, op voorbije feiten slaat). Men heeft dit algemeen aan Kanaanese invloed toegeschre¬ 
ven; ook Garbini, die op dit punt overigens zeer voorzichtig is, spreekt hier van een Ka¬ 
naanees element. Nu vindt men dit verschijnsel inderdaad overigens alleen in Kanaanese talen, 
te weten in het oudere Hebreeuws en het Moabitisch, maar men mag het feit niet veronacht¬ 
zamen, dat het in het Phoenicisch ontbreekt. Dit moet ons voorzichtig maken met de aandui¬ 
ding Kanaanees (een aanduiding, die, zoals wij boven zagen, toch slechts een betrekkelijke 
waarde kan hebben) in dit verband. Maar zelfs een beïnvloeding van buitenaf mag men hier 
m.i. niet zonder meer aannemen. Men moet de mogelijkheid openlaten, dat we hier met een 
verschijnsel te doen hebben, dat in hoofdzaak voorkomt bij talen van de ene groep, maar daar¬ 
naast ook een enkele maal in de aan de andere groep toegeschreven talen optreedt. De boven¬ 
genoemde voorbeelden van het Byblisch en het Moabitisch leren ons, dat de grenzen niet zo 
strak getrokken mogen worden, zeker niet in oudere tijd, om van het Jaoedisch niet te spreken. 

In het overige door Garbini besproken materiaal vinden wij geen opvallende afwijkingen. 
Het betreft hier de door Dunand ontdekte en voor het eerst gepubliceerde Bar-Hadad 
inscriptie uit Damascus (± 850 v. Chr.) 29 ), de boven reeds genoemde inscripties vap koning 
Barrakkab van SanPal en enige uit Assyrië afkomstige notities op quitanties uit de achtste 
eeuw. Het is een nu wel algemeen erkend feit, dat Aramees in Assyrië, in de achtste eeuw 

27 ) Voor een literatuuroverzicht zie Rosenthal, xxxv 353-369. 

Die Aramaistische Forschung, Leiden, 1939, p. 13 n. 5. ®°) Voor de hierover verschenen literatuur zie de 

' 28 ) Voor een editie van de Zkr-inscriptie zie C. C. grammatica y. Barbini, p. 244 n. 2. 

Torrey, The Zakar and Kalamu Inscriptions, JAOS 


KANTTEKENINGEN 


II 9 

reeds, een soort officiële taal was, naast de landstaal; waarschijnlijk deed het ook dienst in 
het diplomatieke verkeer. Dit laatste wordt geïllustreerd uit het vaak geciteerde voorbeeld uit 
het Oude Testament, dat de vertegenwoordigers van koning Hizkia, tijdens het beleg van 
Jeruzalem door de Assyriërs, de Assyrische onderhandelaars vroegen niet Judees, maar Ara¬ 
mees te spreken 30 ). Het meest spectaculaire voorbeeld van het gebruik van Aramees in het 
Assyrische rijk is een officieel schrijven van een ambtenaar, Bel-etir, aan een collega, (de zgn. 
Assurbrief), een tekst, het laatst door Dupont-Sommer bewerkt 31 ). Het voordeel van een 
dergelijke meer omvangrijke tekst — de overige teksten zijn korte quitanties en notities — 
is, dat het nu mogelijk is, zich een beter oordeel te vormen van het karakter van de taal. Het 
hier gebruikte Aramees blijkt een — wat oudere — vorm te zijn van dat Aramees, dat onder 
de Perzen, als officiële rijkstaal in gebruik was, en algemeen met Rijksaramees wordt aange¬ 
duid en waarmee verschillende latere vormen van Aramees sterk verwant zijn. Gezien de rol, 
die Aramees, waarschijnlijk reeds in de achtste eeuw v. Chr., in het Assyrische rijk speelde, is 
het zeker niet ondenkbaar, dat de Assyrische expansie de verbreiding van dit type Aramees 
in de hand heeft gewerkt. Dit is vooral door Ginsberg en Bowman beklemtoond 32 ), hoewel 
te eenzijdig: men betoogde zelfs dat het Aramees opkwam in Assyrië en van daar uit — met 
de uitbreiding van de Assyrische macht — zijn opmars naar het Westen begon. Die inscripties, 
wier taal niet overeenkomt met de in Assyrië gebruikelijke vorm van Aramees, gelden dan als 
niet geheel geslaagde pogingen, zich aan dit nieuwe idioom aan te passen. Waar de taal van 
een tekst niet of nauwelijks een eigen karakter vertoont, heeft men zich reeds geheel geassimi¬ 
leerd. De sindsdien gepubliceerde Bar-Hadad-tekst, die geen afwijkingen vertoont, past even¬ 
wel niet in dit schema. Zij stamt uit een tijd, dat Damascus nog zelfstandig was en deel uit¬ 
maakte van een anti-Assyrische coalitie (er zelfs één der voornaamste partners van was), die 
de tegenpartij handen vol werk gaf. Daarom heeft Garbini terecht — in het spoor van Du¬ 
pont-Sommer — betoogd, dat er zich in het Westen op het moment van de Assyrische opmars 
reeds inheemse Aramese dialecten bevonden, waarvan wij nog enige sporen overhebben. Boven¬ 
dien maakte zijn onderzoek van de teksten het hem onmogelijk, bv. in de inscripties van Sefire- 
Sudjin en die van koning Zakar, een mengsel van Kanaanees en Aramees te vinden. Toch blijft 
de mogelijkheid zeer aannemelijk, dat het opdringen van de Assyrische macht, de verbreiding 
van het in Assyrië gangbare type Aramees heeft bevorderd, ten koste van plaatselijke idiomen. 
Zeer waarschijnlijk is dit voor SanPal, waar de Aramese inscripties van koning Barrakkab, 
van wie ook nog een Jaoedische inscriptie bekend is (zie boven), in een taaleigen geschreven 
zijn, dat zich, behoudens een enkele uitzondering, van de oudere vormen van Rijksaramees niet 
onderscheidt. Vanwaar de Assyriërs deze vorm van Aramees ontleend hebben, is niet duidelijk. 
Men zou aan de taal van Damascus kunnen denken; de uit dit gebied afkomstige inscriptie van 
Bar-Hadad vertoont een zelfde taaleigen, dat niet aan Assyrische invloeden ontleend schijnt te 
zijn (zie boven). Maar het materiaal is te gering om hier met enige zekerheid een oordeel te 
kunnen uiten. 

De studie van Garbini heeft eens te meer duidelijk gemaakt, dat er ook in het Westen 
in oudere tijd verschillende vormen van Aramees hebben bestaan, waarvan wij slechts een 
enkele, schaarse, rest overhebben. Men kan slechts vermoeden, dat er een nog grotere ver¬ 
scheidenheid geweest is. Politiek gezien moet dit gebied ook een bont geheel geweest zijn. Alt 
heeft in een helder artikel aangetoond, dat het niet grote aantal staten, dat, volgens Assyrische 
annalen, in deze gebieden lag, in werkelijkheid conglomeraten waren, bestaande uit een meer 
centrale staat, omringd door grotere en kleinere vazallen 33 ). Ook hier is het beeld, dat wij 
bezitten, slechts fragmentair. 

Garbini laat zijn studie ophouden, op het ogenblik dat de Aramese statenwereld definitief 
inéénstort, dus met de ondergang van Damascus. Voor deze indeling is veel te zeggen: dit is 

30 ) Zie 2 Koningen , xvin 26. and the Bible, JNES vu, 65-90. Ginsberg beschouwt 

■ 31 ) A. Dupont-Sommer, UOstracon aramêen het Jaoedisch wel als een autochtone taal. 
d’Assour, Syria xxiv, 24-61. 33 ) A. Alt, Die syrische Staatenwelt vor dem 

3:2 ) H. L. Ginsberg, Aramaic Dialect Problems, Einbruch der Assyrer, ZDMG lxxxviii, 233-258. 
AJSL l, 1-9; R. A. Bowman, Aramcans, Aramaic 





120 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


het moment, waarop het in Assyrië geldige Aramees zich volledig kan doen gelden. Toch 
blijft er een enkel bezwaar: het Assyrische Aramees moet op dat moment reeds hier en daar 
zijn binnengedrongen, gezien de Aramese inscripties van Barrakkab; dit proces was dus zeker 
niet afhankelijk van de ondergang van Damascus alleen. Bovendien worden nu teksten van 
hetzelfde taaltype op grond van een historisch argument gescheiden: de uit Assyrië afkomstige 
teksten uit de achtste eeuw worden nu gescheiden van de overeenkomstige teksten uit de 
zevende eeuw, waarvan de bovengenoemde Assurbrief de voornaamste is, bij welke teksten 
zij, taalkundig gezien, in de eerste plaats horen. 

Het Rijksaramees is ons het best bekend uit documenten uit de Perzische periode, namelijk 
uit de zgn. Elephantine-papyri uit de vijfde eeuw v. Chr. Evenwel uit de tussenliggende periode, 
dus sinds de val van Assyrië, zijn ook nog enige soortgelijke documenten bekend. Men 
behoeft slechts te denken aan de twee bekende grafinscripties uit Nerab (eind zevende eeuw) 
en de sinds de oorlog bekend geworden Adon-brief, de brief van een Philistijns vorst 34 ), 
wiens naam helaas niet volledig bewaard is, aan de Pharao, om bijstand tegen de Babylonische 
aanvallen. Deze brief moet dus ± 600 v. Chr. gedateerd worden en een tijdgenoot van de 
Lachisj-brieven zijn. Hier heeft men een duidelijke aanwijzing dat het Aramees dienst deed 
in het diplomatieke verkeer met Egypte, zoals in vroeger tijd het geval was met het Akkadisch. 
Daarnaast kan men nog het pachtverdrag noemen, dat in de tijd van Darius I gedateerd is. 
Een nieuwe bewerking van deze tekst, sinds de uitgave door Bauer en Meissner, is ver¬ 
zorgd door Dupont-Sommer 35 ). Het is dus wel waarschijnlijk, dat ondanks de betrekkelijk 
geringe omvang van het uit deze periode overgeleverde materiaal — men kan naast het boven¬ 
genoemde nog de Aramese aantekeningen op Babylonische contracten noemen — het Aramees 
toch een belangrijke rol moet hebben gespeeld. 

De grote massa van de ons bewaarde teksten, stamt evenwel uit de vijfde eeuw v. Chr. 
Het ons tot voor kort bekende materiaal was verzameld in de bundel van Cowley 6 ), die een 
groot aantal contracten, brieven (of fragmenten daarvan) bevatte, benevens een spreuken¬ 
verzameling (de wijsheid van Ahiqar) en afschriften van de zogenaamde BeJiistun-inscriptie. 
Het betreft hier in hoofdzaak documenten van een Joodse kolonie in de vesting Jeb ( = 
Elephantine). Sinds enige jaren zijn echter nieuwe teksten bekend geworden. Tegen het einde 
van de vorige eeuw had de Egyptoloog Wilbour een aantal Elephantine-papyri in zijn bezit 
gekregen, die hij, mede door zijn vrij spoedige overlijden, nooit heeft kunnen uitgeven. 
Pas bij de dood van zijn dochter, die ze aan het Brooklyn Museum vermaakle, werd het be¬ 
staan van deze documenten weer bekend. Eerst toen, in 1947, werd met de uitgave begonnen 
en in 1953 werden ze door Kraeling gepubliceerd 37 ). 

Ook de andere bundel onlangs gepubliceerde documenten is jarenlang ongepubliceerd ge¬ 
bleven. Het betreft hier brieven van de satraap van Egypte, Arsames, die zijn functie tijdens 
het einde van de vijfde eeuw v. Chr. uitoefende. Toen hij deze brieven schreef, was hij zelf 
niet in Egypte aanwezig, maar waar hij precies was, is niet met zekerheid uit: te maken. Zij 
bevatten aanwijzingen aan ondergeschikten, hoe te handelen tijdens zijn afwezigheid. Deze 
brieven waren reeds in 1932 door Borchardt in Egypte gekocht en aan Mittwoch en 
anderen ter bewerking gegeven. Door allerlei redenen, onder meer MittwochY. dood, is deze 
uitgave vertraagd, tenslotte werden ze in 1954 door Driver gepubliceerd 38 ). 

Bovengenoemd materiaal heeft een grote historische en taalkundige waairde. Wat het 
laatste betreft, hier bestaan nog enige desiderata. In 1928 heeft Leander zijn grammatica 

34 ) Voor een publicatie van de beide Nerabteksten, 36 ) A. Cowley, Aramaic Documents of the fifth 

zie Cooke, Textbook, n° 64 en 65. Voor een publi- Century B.C., Oxford, 1923. 

catie van de Adonbrief, zie A. Dupont-Sommer, Un 37 ) E. G. Kraeling, The Brooklyn Museum Ara- 
Papyrus aramécn d’époque sdite dé couvert a Saqqarah, maic Papyri > New Haven, 1953. 

Semitica I, 43-68. 38 ) G. R. Driver, Aramaic Documents of the fifth 

35 ) Voor een publicatie over het Pachtverdrag, zie Century B.C., Oxford, 1954; 2de editie (zonder de 

Dupont-Sommer, Mémoires présentés par divers foto’s en de fragmenten), Oxford, 1957. Een an- 
savants a VAcadémie des Inscriptions et Belles Let- dere editie van fragmenten is N. Aimé-Giron, Textes 
tres de ITnstitut de Trance xiy/2, 1951, p. 61-106. araméens d’Egypte, Le Caire, 1931. 


KANTTEKENINGEN 


121 


uitgegeven, die gebaseerd was op het door Cowley verzamelde materiaal 39 ): een werk, dat, 
zonder overdrijving, voortreffelijk genoemd mag worden. Evenwel, nu er zoveel nieuw mate¬ 
riaal verschenen is, lijkt een hernieuwde bewerking zeker niet overbodig: men zou aldus 
Leander’s materiaal kunnen aanvullen en op sommige plaatsen herzien. Bovendien bevat ge¬ 
noemde grammatica geen syntaxis. Het enige wat op dit gebied gepubliceerd is, is een uitvoerig 
artikel van Joüon, dat zeer grote verdiensten heeft, maar slechts incidentele kwesties be¬ 
handelt 40 ). Wie zich met dit soort teksten bezighoudt, beseft al spoedig, hoe nuttig een 
systematisch overzicht van de syntactische mogelijkheden van dit idioom zou kunnen zijn. 
Bovendien zou, mogelijkerwijs, bij de onderlinge vergelijking van Aramese en Kanaanese 
talen, de syntaxis een grotere rol kunnen spelen, dan tot heden het geval is. Bij een dergelijk 
ingewikkeld probleem, zou men deze mogelijkheden zeker niet onbenut mogen laten. Een 
onderzoek naar de syntaxis is gedaan door de Amerikaanse pater Fitzmyer als dissertatie¬ 
onderwerp. Dit werk is evenwel niet gepubliceerd, slechts een klein — meer uitgewerkt — 
onderdeel ervan is verschenen 41 ). Hoewel tegen dit nu bekende onderdeel zeker bezwaren 
zijn in te brengen, zou een publicatie van de gehele tekst zeer nuttig kunnen zijn, op zijn minst 
als basis voor verder onderzoek. 

Buiten het bovengenoemde is er nog vrij veel, ten dele niet gepubliceerd, materiaal, even¬ 
eens uit dezelfde tijd en uit Egypte afkomstig. Men kan hier in de eerste plaats denken aan 
de acht papyri van Hermopolis, die aan Murad Kamil ter bewerking zijn toevertrouwd, doch 
waarvan tot op heden, behoudens een enkele losse publicatie, geen complete uitgave verschenen 
is. Verder is er een betrekkelijk groot aantal ostraca, wier uitgave aan Dupont-Sommer is 
toevertrouwd, die reeds in verschillende artikelen onbekende heeft gepubliceerd en reeds 
bekende opnieuw bewerkt. Men kan ook hier slechts wensen, dat een volledige uitgave van 
het aanwezige materiaal zo spoedig mogelijk zal volgen. Op dit gebied zal niet spoedig een be¬ 
trekkelijke communis opinio bestaan aangaande de interpretatie, zoals bij de contracten en ove¬ 
rige papyri het geval is. Door hun beknoptheid en het feit, dat het vaak onduidelijk is, waarover 
gesproken wordt, maken zij het de onderzoeker niet gemakkelijk. Men kan dan ook bij be¬ 
paalde interpretaties, hoe knap op zichzelf ook, de gedachte niet onderdrukken, dat men hier 
met een vaak eenzijdige en niet altijd geslaagde poging tot interpretatie te doen heeft, zonder 
dat men zelf in staat is een meer bevredigende te geven. Hier zal, zoals bij de Punische 
inscripties, de ontcijfering ook stap voor stap moeten geschieden. 

Voor de historische en maatschappelijke situatie in de Joodse kolonie te Elephantine, 
zijn de werken van Vincent en de Nederlander Wagenaar nog altijd van het grootste be¬ 
lang 42 ). Aan het probleem van het Paasfeest bij deze groep heeft Dupont-Sommer een 
interessante studie gewijd; in dit verband moet ook het onderzoek van Grelot genoemd 
worden 43 ). 

De teksten uit Elephantine en die van Driver bevatten nog een rijk gebied voor het 
onderzoek, dat dan ook, vooral sinds de verschijning van de twee nieuwe edities, belangrijk 
is toegenomen. Er zijn nog tal van grote en kleine problemen, die een benadering waard zijn. 
Het is dan ook te hopen, dat de vernieuwde belangstelling een meer blijvend karakter zal 
dragen en niet, zoals vaak het geval is, van tijdelijke aard zal zijn. 

Een belangrijke vraag, het Rijksaramees betreffende, is ook de verhouding van het Per¬ 
zisch tot deze officiële taal. Men vindt in bovengenoemde Egyptische documenten verschil¬ 
lende Perzische leenwoorden. De beste studie op dit gebied, is nog altijd die van Schaeder, 

,39 ) P. Leander, Laut- und Formenlehre des dgyp- 42 ) A. Vincent, La religion des Judéo-Araméens 

tisch-aramdischen, GÖteborgs Högskolas Arsskrift d’Eléphantine, Paris, 1937; C. G. Wagenaar, De 
xxxiv, 1928 : 4. Joodsche Kolonie van Jeh-Syene in de 5de eeuw voor 

40 ) P. Joüon, Notes grammaticales, lexicographi- Christus, Groningen/den Haag, 1928. 

ques et philologiques sur les papyrus araméens 43 ) A. Dupont-Sommer, Sur la fête de la Pdque 

d’Egypte, MUSJ xviii, 3-89. dans les documents d’Eléphantine, REJ cvn, 39-51; 

41 ) J. A. Fitzmyer, The Syntax of kl, kl° in the P. Grelot, Etudes sur le „Papyrus Pascal” d’Elé- 
Aramaic Texts from Egypt and in Biblical Aramaic, fantine, VT iv, 349-384. 

Biblica xxxvm, 170-184. 

Jaarbericht N° 15 


9 



122 


VOORAZIATISCHE PHILÖLOGIE 


KANTTEKENINGEN 


123 


die geheel op het materiaal van Cowley gebaseerd is 44 ). Voor de bespreking van dergelijk 
materiaal uit de nieuwe edities mogen namen als van Benveniste en de Menasce genoemd 
worden 45 ); evenmin mogen de aantekeningen van Driver, speciaal die in zijn herziene 
tweede editie, die hij met behulp van bekende Iranisten opstelde, hier vergeten worden. 

De beïnvloeding is evenwel niet eenzijdig geweest. Ook het Perzisch heeft op zijn beurt 
invloed van het Aramees ondergaan, de zgn. Aramese ideogrammen zijn hier een getuige van. 
Het betreft hier Aramese woorden, die in het Perzische schrift werden opgenomen, maar bij 
het lezen door Perzische woorden werden vervangen. Een groot aantal van deze ideogrammen 
vindt men in het woordenboek Phrahang-i-Pahlavik en in de woordenlijst bij de uitgave van 
de Paikuli-inscriptie die door Herzfeld verzorgd is 46 ). Een zeer goede en toegankelijke 
uitgave van het eerstgenoemde werk is verzorgd door Ebeling, die grote nadruk heeft gelegd 
op het aantal Akkadische leenwoorden, dat zich hierbij bevond 47 ). Een verschijnsel, dat zich 
goed verklaren laat, wanneer men bedenkt, dat ook reeds in het Assyrische rijk deze vorm van 
Aramees officiële taal was. Deze ideogrammen kunnen grote diensten bewijzen, onder meer 
bij de aanvulling van de ons altijd nog betrekkelijk gebrekkig bekende woordenschat van het 
Rijksaramees. Men vindt hier woorden terug die ons overigens alleen uit latere vormen 
van Aramees bekend waren. 

Van de verspreiding van het Aramees onder invloed van de Perzische heerschappij leg¬ 
gen inscripties getuigenis af, die stammen uit alle hoeken van het Perzische Imperium. Men 
kent dergelijke teksten uit Armenië, Cilicië, Cappadocië, een Lydisch-Aramese bilingue uit 
Sardis, een inscriptie uit Georgië, teksten uit Voor-Indië en Afghanistan en sinds kort een 
grote groep leverantiebewijzen uit Turkestan (eerste eeuw v. Chr.), waarvan tot heden een 
beperkt aantal gepubliceerd is. Het Aramees van deze teksten is vaak zeer gebrekkig en heeft 
duidelijk Perzische invloeden ondergaan. 

Sterk verwant met dit Rijksaramees is het Bijbelsaramees, dat uit de aard der zaak buiten 
het bestek van dit opstel valt. Als voortzettingen van het Rijksaramees gelden twee talen, die 
men in verschillende inscripties vertegenwoordigd vindt: het Nabatees en het Palmyreens. Het 
eerste was de taal (in ieder geval de officiële taal) van het koninkrijk der Nabateeërs (ten Zuid- 
Oosten van de Dode Zee). De Nabatese inscripties kunnen van de eerste eeuw v. Chr. tot 
omstreeks de verovering van Petra, de hoofdstad, door de Romeinen (106 n. Chr.) gedateerd 
worden. Na deze tijd vindt men nog slechts enkele grafiti. De taal, die zeer nauw met het 
Rijksaramees verwant is (behoudens enige Arabische invloeden), is besproken in de gram¬ 
matica van Cantineau, die daarbij een voortreffelijke woordenlijst heeft uitgegeven 48 ). 
Sinds de publicatie van dit tweedelige werk van Cantineau is er weinig nieuw materiaal bij 
gekomen; het beeld, dat in bovengenoemde grammatica geschetst wordt, is niet noemenswaard 
veranderd. Onder de aanwinsten, grafiti en een enkele inscriptie, mag de sinds kort bekende 
Nabatese tekst uit de omgeving van de Dode Zee genoemd worden. Het betreft hier een door 
Starcky gepubliceerd contract, dat naar inhoud en vorm sterk afwijkt van de overigens 
stereotype Nabatese teksten 49 ). Het is ook de eerste maal, voorzover mij bekend, dat men 
geschreven en niet in steen gegrift Nabatees aantrof. 

Het Palmyreens, de taal die gold in het koninkrijk Palmyra, vindt men voor het eerst 
op inscripties uit de eerste eeuw v. Chr., zij verdwijnt uit het beeld kort na de inname van 
Palmyra door de Romeinen in 272 n. Chr. Zij is, evenals het Nabatees, sterk verwant met het 
Rijksaramees, maar toont grotere afwijkingen (zie onder). Het materiaal uit dit gebied is ook 


zeer stereotyp: veel grafinscripties en opdrachten aan personen die men eren wil, van een zeer 
eenvormig karakter. Ook de nieuwe bundel van het Corpus Inscriptionum Semiticarum, dat 
na de oorlog verschenen is, vormt hier geen uitzondering op 50 ): het bevat een groot aantal 
zeer beknopte rouwinscripties. Een tekst, die afsteekt bij dit eenvormige geheel is de reeds 
lang bekende, tweetalige (Grieks/Palmyreense) tarief inscriptie, waarop de belastingtarieven, 
volgens welke de belastinggaarder moest rekenen, nauwkeurig zijn vermeld en die een goed 
beeld geeft van de economische verhoudingen in dit rijk. Onder de publicaties die verschenen 
zijn, sinds Cantineau en Rosenthal kort voor de oorlog hun taalkundige overzichten ge¬ 
schreven hebben 51 ), mogen de publicaties van grafinscripties door Ingholt genoemd worden, 
teksten, welke reeds aan Cantineau ter verwerking in zijn grammatica waren gegeven. Behalve 
van taalkundig belang, zijn zij ook belangrijk, om zich een beeld te vormen van de economische 
teruggang van Palmyra, sinds het einde van de tweede eeuw n. Chr. 52 ). Het betreft hier grote 
graf constructies door aanzienlijke lieden, in de loop van deze eeuw, voor zichzelf en hun ge¬ 
slacht aangelegd. Maar reeds enige generaties later, begonnen erfgenamen blijkens later toe¬ 
gevoegde teksten delen van de graven aan buitenstaanders te verkopen, die ze soms op hun 
beurt weer aan derden van de hand deden. Er zijn graven, waarbij de bovendrempels van de 
graf ingang langzamerhand volgeschreven zijn met steeds nieuwe vermeldingen van verdere 
transacties. 

Vermeldenswaard zijn ook de inscripties door Ingholt en Starcky als aanhangsel bij 
Schlumberger’s archaeologische studie La Palmyrène du Nord-Ouest uitgegeven, en de ver¬ 
zameling van Palmyreense tesserae door beide geleerden in samenwerking met Seyrig gepu¬ 
bliceerd. Dit laatste is ook van groot belang omdat het hier om materiaal gaat, dat her en der 
in de literatuur verspreid was, voor zover het was uitgegeven 53 ). Caquot heeft aan het slot 
lexicographische en philologische notities gegeven. 

Taalkundig biedt het Palmyreens ook enkele vermeldenswaardige trekken. Men vindt 
hier vormen die men als Oostaramees moet qualificeren. De indeling van het Aramees in een 
West- en een Oostaramees deel is een probleem op zichzelf. Rosenthal in zijn bekende schets 
van het Aramese onderzoek 54 ), gaat er van uit, dat de scheiding van het Aramees in deze twee 
groepen niet van oudsher bestond en dat pas na de tijd van het Rijksaramees deze splitsing 
realiteit werd. Westaramees zijn dan die latere talen, die op essentiële punten aan het Rijks¬ 
aramees gelijk blijven en er zich niet van verwijderen. Oostaramees, die, die op enkele belang¬ 
rijke punten het Rijksaramees niet meer volgen. Volgens Rosenthal zouden deze afwijkingen 
aan het Akkadisch ontleend zijn en dan ook tamelijk oud zijn, maar van een aparte taalgroep 
die zich door deze kenmerken onderscheidt, zou pas laat sprake zijn. Hij acht het dan ook 
onjuist het Rijksaramees als Westaramees te qualificeren, al stemt het daarmee in hoofdzaak 
overeen, omdat in die tijd een Oostaramees idioom niet bestond. Toch blijft deze voorstelling 
van zaken niet bevredigend: reeds Ginsberg heeft in een bespreking van Rosenthal’s boek 
bezwaren geopperd 55 ). Terecht heeft hij opgemerkt, dat deze kenmerken, éénmaal in de taal van 
een bepaalde groep opgenomen, een nieuw Aramees idioom scheppen: wil men dus aannemen 
dat in betrekkelijk vroege tijd dergelijke kenmerken zijn overgenomen, dan moet men ook tot 
een vroegere scheiding tussen Oost- en Westaramees concluderen dan Rosenthal gedaan 
heeft. Dat men voor de oudere tijden in de ons overgeleverde teksten geen spoor van Oost- 
Aramese kenmerken vindt, kan niet als bewijs gelden, dat een idioom met dergelijke ken¬ 
merken toen niet bestaan kan hebben. Rosenthal beschouwt de Palmyreense teksten als de 


H. H. Schaeder, Iranische Beitrdge I, Schrif¬ 
ten der Königsberger Gelehrten Gesellschaft, 6. Jahr 
Heft 5, Halle (Saaie), 1930. 

45 ) E. Benveniste, Eléments pers es en araméen 
d’Egypte, JA ccxlii, 297-310; J. de Menasce, Mots 
d’emprunt et noms pro pres iraniens dans les nouveaux 
documents araméens, BiOr xi 161-166. 

46 ) E. Herz,feld, Paikuli, Monument and Inscrip- 


tion of the early History of the Sasanian Empire, 
Berlin, 1924. 

47 ) E. Ebeling, Das aramdisch-mittelpersische 
Glossar Frahang-i-Pahlavik im Lichte der assyriolo- 
gischen Forschung, MAOG xiv/i, Leipzig, 1941. 

48 ) J. Cantineau, Le Nabatêen, 1 Paris, 1930; 11 
Paris, 1932. 

49 ) J. Starcky, Un contrat nabatêen sur Papyrus, 
RB lxi, 161-181. 


50 ) Corpus Inscriptionum Semiticarum 11, Vol. IH, 
fase. 2, Paris, 1947. 

51 ) J. Cantineau, Grammaire du Palmyrénien 
épigraphique, Le Caire, 1935; F. Rosenthal, Die 
Sprache der palmyrenischen Inschriften und ihre 
Stellung innerhalb des aramdischen, MVAG 41/1, 
Leipzig, 1936. 

52 ) Voor deze publicaties, zie Berytus 11, p. 57-120, 
m 83-125, v 93-140. 

53 ) D. Schlumberger, La Palmyrène du Nord- 


Ouest (suivi du recueil des inscriptions sémitiques de 
cette région par H. Ingholt, J. Starcky, avec une 
contribution de G. Ryckmans), Paris, 1951; H. Ing¬ 
holt, H. Seyrig, J. Starcky, Recueil des tessères de 
Palmyre, Paris, 1955. 

54 ) F. Rosenthal, Die aramdistische Forschung, 
Leiden, 1939. 

55 ) H. L. Ginsberg, Aramaic Studies Today, 
JAOS LXii, 229-238. 



124 


VÓÖRAZIATÏSCHË philölögie 


KANTTEKENINGEN 


125 


eerste schriftelijke bewijzen van Oostaramees taalgebruik. Dupont-Sommer evenwel, heeft 
bij zijn bespreking van de in spijkerschrift geschreven Aramese tekst van Warka (derde eeuw 
v. Chr.) er duidelijk op gewezen, dat men hier Oostaramese eigenaardigheden aantreft 56 ). 
Hoe de verhoudingen in de vorige eeuwen lagen, is bij gebrek aan materiaal zeer moeilijk te 
beslissen. 

Overigens is ook de plaats van de Oostaramese bijzonderheden in het Palmyreens verre van 
eenvoudig. Men vindt hier van de twee meest sprekende Oostaramese kenmerken slechts één 
en deze lang niet in alle gevallen (in de overige vindt men de Westaramese pendant). Het is 
moeilijk dit verschijnsel juist te waarderen. De opvattingen van Cantineau en Rosenthal 
staan hier tegenover elkaar. Cantineau gaat ervan uit, dat er in Palmyra twee Aramese talen 
waren: een Westaramees georiënteerde schrijftaal en een Oostaramees georiënteerde spreek¬ 
taal, die af en toe in de schrijftaal doordrong. Rosenthal vindt hier maar één taal, die lang¬ 
zamerhand in Oostaramese richting verschuift, hoewel deze taal, zolang wij hem kunnen 
volgen, in hoofdzaak Westaramees georiënteerd blijft 57 ). Het is zeer moeilijk hier een be¬ 
slissing te treffen. Eén punt lijkt zeer belangrijk, één van de twee meest sprekende kenmerken 
van het Oostaramees vindt men hier niet. Welke twee van de oplossingen men ook kiest, dit is 
een opvallend verschijnsel: bij Rosenthal’s theorie moet men aannemen, dat het Palmyreens 
zich op dit punt juist niet bij het Oostaramees heeft aangepast, terwijl het op het andere punt 
bezig was dit wel te doen. Bij Cantineau’s opvatting blijft het merkwaardig, dat, zoo er een 
geheel Oostaramese spreektaal geweest zou zijn, deze op dit punt in het geheel niet in de 
schrijftaal zou zijn doorgedrongen, waar dit op andere punten wel het geval was. Mogelijk 
vinden wij hier een aanwijzing, dat de scheiding tussen Oost- en Westaramees niet in alle 
gevallen houdbaar is en dat ook hier tussenvormen bestaan hebben. 

Een taal met opvallende Oostaramese trekken is de taal van het stadje Hatra, (in Noord- 
Mesopotamië), waarvan onlangs een tamelijk groot aantal teksten bekend is geworden. Deze 
teksten zijn eerst door Safar en daarna door Caquot uitgegeven 58 ). Een desideratum bij de 
bestudering van deze interessante teksten is de uitgave van betere foto’s, een deel van de 
tegenwoordige is vrijwel onbruikbaar. Deze teksten uit dit plaatsje stammen uit de eerste 
eeuwen na Chr. Zij zijn vaak zeer kort en voor een deel niet bevredigend ontcijferd. Zij zijn 
nog niet volledig grammaticaal ontleed, maar één ding mag als zeker gelden, namelijk dat zij 
een veel sterker Oost-Aramees karakter hebben, dan de Palmyreense teksten. Zij zijn een 
interessante bijdrage tot de kennis van de latere Aramese taalvormen. Caquot heeft er ook 
op gewezen, dat een voorheen reeds door du Mesnil du Buisson gepubliceerde tekst 59 ), 
die uit Doura-Europos afkomstig was en die men niet goed wist te plaatsen, in het schrift en 
het taaleigen van Hatra geschreven is. Men krijgt zo ook een duidelijk beeld van de bonte ver¬ 
scheidenheid van talen, die elkaar in Doura-Europos raakten. Naast bovengenoemde heeft 
men er ook Griekse, Joods-Aramese, Palmyreense en Parthische aangetroffen. Voor het Joods- 
Aramees zijn belangrijk de daar gevonden inscripties van de synagoge. De grotere inscripties 
hebben hun beste bewerker in Obermann gevonden 60 ): het is merkwaardig, dat het boven¬ 
genoemde verzamelwerk van Frey deze publicatie niet vermeldt en blijkbaar niet kent. Het 
Joods-Aramees heeft onlangs twee belangrijke aanvullingen gekregen in twee door Miliic 
gepubliceerde contracten uit de omgeving van de Dode Zee 61 ). Het overige, ook het Aramese, 
materiaal van Qumran valt buiten het bestek van dit opstel. 


56 ) A. Dupont-Sommer, La Tablette cunéiforme 
de Warka, RA xxxix, 35-62. 

57 ) Ginsberg in het n. 55 genoemde artikel richt 
zich ook tegen Rosenthal’s opvatting. 

58 ) Voor de publicatie van deze teksten, zie Syria 
xxix, 89-118; xxx, 234-246; xxxii, 49-58, 261-272. 

59 ) Comte du Mesnil du Buisson, Un bilingue 
araméenlgrec de !époque parthe a Doura-Europos, 
Syria, xix, 147-152. 

60 ) T. Obermann, Inscribed Tiles from the Syna- 
gogue of Dura, Berytus vii, 89-138. 


61 ) Voor een publicatie van beide teksten zie: J. T. 
Milik, Deux Documents inédits du Désert de Juda, 
Biblica xxxvin, 245-268; in dit artikel wordt de ene 
tekst voor het eerst, de ander voor de tweede maal 
door Miliic gepubliceerd. Een andere interessante 
nieuwe publicatie betreffende het Joods-Aramees is: 
A. Dupont-Sommer. Deux lamelles d'argent d in- 
scription hébréo-araméenne trouvée d Aga beyli 
(Turquie ), JKF 1, 201-217. 


Wanneer wij het hier genoemde samenvatten, kunnen wij het volgende opmerken. Op grond 
van het huidige materiaal kan men de geldende onderscheiding Kanaanees/Aramees slechts 
(speciaal voor de oudere tijden) betrekkelijke geldigheid toekennen. Een beeld, dat overigens 
door het veel oudere Oegaritisch, dat zich in geen van beide schema’s laat vatten, bevestigd 
wordt. Wie hierover verder wil lezen, zie de artikelen van Friedrich en Moscati over dit 
probleem 62 ). Voor later tijd heeft bovengenoemde onderscheiding, althans voor zover wij 
kunnen zien, grotere geldigheid. Misschien heeft de vorming van officiële talen (ook bij het 
Phoenicisch kan men hier aan denken) hier meegewerkt. Binnen het Aramees zelf zijn de 
onderscheidingen ook verre van eenvoudig, verder onderzoek zal hier meer licht moeten 
brengen. Het gebied van de Westsemitische epigraphie is geen terrein, waar de problemen 
eenvoudig oplosbaar zijn: elk nieuw gegeven kan nieuwe aanwijzingen geven, maar evenzeer 
een tot op dat ogenblik aanvaarde oplossing op losse schroeven zetten. Het altijd toevallige 
en fragmentaire van het materiaal, waarmee men werkt, geeft elk onderzoek een sterk relatief 
karakter. Maar juist dit bewegelijke, niet statische karakter van de stof, kan vóór hem, die 
zich er in verdiept, zeer stimulerend werken en een prikkel zijn voor een steeds hernieuwd 
pogen, iets van de problemen te ontsluieren 63 ). 

Leiden, 15 maart 1958 J. Hoft ijzer 


DE LITERATUUR OVER HET ARAMEES NA 1940 

De laatste bijdrage die in het JEOL werd opgenomen over het Aramees is geschreven 
door P. A. H. de Boer in 1944 1 ), in welk artikel vooral de nadruk wordt gelegd op het latere 
Aramees, in het algemeen dus het Aramees tijdens en na het N.T., waarbij de targumim en de 
overige schriftelijke overleveringen behandeld worden, alsmede het Syrisch. Het is nu onze 
bedoeling de hieraan voorafgaande periode te bezien en een overzicht te geven van de gege¬ 
vens over het Aramees, zoals dat kenbaar is uit de inscripties, papyri en ostraka tot ongeveer 
de N.T.-ische tijd. In hoofdzaak beperken we ons daarbij tot de tijdens en na de 2e wereld¬ 
oorlog verschenen literatuur, waarbij we, in zoveel mogelijk chronologische volgorde van 
de teksten, nagaan wat hierover in de laatste tijd is gepubliceerd. 

Het grondleggende werk over dit gehele onderwerp is de Aram'distische Forschung van 
F. Rosenthal 2 ), dat wel nog juist vóór de oorlog verscheen, maar toch nog steeds zijn grote 
belangrijkheid behouden heeft. Daarna heeft A. Dupont-Sommer een zeer instructief boek 
geschreven dat over de Arameeërs in het algemeen handelt 3 ), maar ook in ruime mate de 
teksten bespreekt. Alles wat tot 1949 bekend kon zijn, is hierin verwerkt op een bovendien 
zeer aangenaam leesbare wijze. Hiernaast vinden we een algemene bespreking over het Aramees 
in het Handbuch der Orientalistik van de hand van de nu overleden grote Semitist Carl 
Brockelmann 4 ). Voor het in ruimere kring bekend maken van enkele dezer teksten hebben 
ook bijgedragen H. L. Ginsberg en F. Rosenthal door hun vertalingen in het bekende boek 


6!2 ) J. Friedrich, Kanaandisch und westsemitisch, 
Scientia lxxxiv 220-223; S. Moscati, II Semitico 
di Nord O vest, SOLDV 11, Roma, 1956, 202-221. 

63 ) Wie zich met dit gehele gebied bekend wil 
maken, vindt een goede bloemlezing in Cooke’s bo¬ 
vengenoemde Textbook. Een zeer bruikbare bloemle¬ 
zing van Phoenicische en Hebreeuwse (benevens 
enige Joods-Aramese) teksten vindt men in Th. C. 
Vriezen & J. H. Hospers, Palestine Inscriptions 
(Textus Minores Vol. xvn), Leiden, 1951. In het 
woordenboek van Ch. F. Jean, Dictionnaire des in¬ 
scriptions sémitiques de l 3 Ouest zal een zo volledig 
mogelijke bibliographie op dit terrein gepubliceerd 
worden. 


1 ) P. A. H. de Boer, Aramaica : JEOL, III, 1, 
1944, iio-ii6. (III verscheen compleet in 1952). 

2 ) Fr. Rosenthal, Die aramdistische Forschung 
seit Th. Nöldeke’s Veröffentlichungen. Leiden, 1939. 

3 ) A. Dupont-Sommer, Les Araméens. Paris, 1949. 
cf. ook: R. A. Bowman. Aram and Aramaic in the 
Bible, JNES, 7, 1948, 65-90. 

4 ) C. Brockelmann, Das Aramdische, einschliess- 
lich des Syrischen in: Handb. d. Orientalistik, III, 
2/3, Leiden, 1954, 135-162. ree. E. Bertels in: BiOr 
XII, 1955, 57-59 cf. verder: O. Eissfeldt, Zur ge- 
genwdrtigen aramdischen Forschung. Ev. Theol. 
1956. H. L. Ginsberg, Aramaic Studies Today, 
JAOS, LXII, 1942, 229-238. 




I2Ó 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DE LITERATUUR OVER HET ARAMEES NA I94O 


I27 


van Pritchard, de Ancient Near Eastern Texts relating to the Old Testament 5 ). Over de 
godsdienst van de Arameeërs schreef J. P. Lettinga 6 ). 

De onderzoekingen omtrent het oudste voorkomen van de Arameeërs beginnen meer 
positieve gegevens op te leveren. Mogelijk is dat ze reeds in ca 2250 v. C. vermeld worden in 
de Akkadische literatuur, en daarna in ca 2000, maar groter wordt hun invloed tijdens de 
periode van Zimrilin ca 1700, zoals die bekend is geworden uit de tabletten van Mari. Ook in 
El-Amarna en Ugarit ontmoeten we hen 7 ). Maar nog niet geheel opgelost is de vraag of hier 
overal van hetzelfde volk sprake is. Over het volk heeft O’Callaghan het belangrijke boek 
Aram Naharaim geschreven in 1948 8 )> terwijl in het bijzonder over de vroegste gegevens 
gehandeld wordt door S. Moscati en door A. Dupont-Sommer 9 ) in 1953. Over de Ara- 
meese taal handelden in het algemeen H. Fleisch 10 ) en J. H. Kramers 11 ). 

Als oudste teksten dienen hier vermeld te worden de Zengirli-inscripties uit de ixe en 
vuie eeuw v. C, waarin men nog ziet de worsteling tussen het Fenicisch en het Aramees als 
officiële taal. Van belang voor de taal hiervan is vooral de Grammatica van J. Friedrich 12 ), 
die hierin niet alleen voor het Fenicisch, maar ook voor de eigenaardige taal van de inscripties 
van Hadad en van Panammu II geheel nieuwe gezichtspunten heeft geopend. Het blijkt dat deze 
beide inscripties niet in het Aramees, maar in een afzonderlijke taal geschreven zijn, die ook 
elementen van het Akkadisch en het Arabisch bevat. Ze wordt daarom door hem Ja’udisch 
genoemd naar de naam van de plaats waar deze inscripties gevonden zijn (Sam’al of Ja’udi is 
ongeveer het tgw. Zengirli 13 ). Bij een tweede inscriptie van koning Kilamuwa van Ja’udi, 
die in 1943 gepubliceerd is 14 ), kan men denken aan dit Ja’udisch, maar evengoed aan gewoon 
Aramees. Deze inscriptie is o.a. bewerkt door A. Dupont-Sommer 15 ) en K. Galling 16 ). 
Voor de Fenicische teksten van deze groep is nu veel vergelijkingsmateriaal ter beschikking 
gekomen door de ontdekking van de grote inscriptie van Karatepe, dat in dezelfde omgeving 
ligt als Zengirli. Over een der Arameese inscripties van Bar-rakub schreef H. Donner 17 ). 

Van groot belang zijn ook de vergelijkende grammaticale studiën van F. M. Cross en 


5 ) J. B. Pritchard, Ancient Near Eastern Texts 
Relating to the O.T. (= ANET), Princeton, 1950. 
Hierop verscheen een supplement: New Material 
from the second revised edition of ANET, 1955, en 
een 2e druk 1955 ree. A. Haldar. in: BiOr VIII, 
1951, 141-142. 

6 ) J. P. Lettinga, De Godsdiensten van Kanad- 
nieten en Aramaeërs in: Van der Leeuw-Bleeker, 
De Godsdiensten der Wereld, II, Amsterdam, 3 1956, 
308-342 (over de Ar. 339-342). 

7 ) Koning Naram-Sin (ca 2250 v. C.) bestrijdt 
een koning van Aram, waarschijnlijk van Aram 
Naharaim. In 2000 wordt op een kleitablet vermeld 
een Aram aan de Beneden-Tigris. In de literatuur 
van Mari komen Aramu Ahlamu als personen voor, 
terwijl de Ahlamu in de Amarnabrieven in nauw ver¬ 
band met de Arameeërs genoemd worden. In Ugarit 
(XIVe eeuw) komt de naam Aramu voor. In ca 
1100 vermeldt Tiglat-Pilesar I Arameeërs tussen 
Tadmor en de Eufraat. 

8 ) R. T. O’Callaghan, Aram Naharaim. Rome, 
1948. F. M. Th. de Liagre Böhl in: BiOr VII, 
1950, 1-7. Men vergelijke ook N. Schneider, Aram 
und Aramder in der Ur-III-Zeit, Biblica 30, 1949, 
109-m. A. Malamat. The Aramaeans in Aram Na¬ 
haraim and the Rise of their States. Jerusalem, 1952 
(in modern Hebr.); A. Jepsen. Israël und Damascus, 
Af O, XIV, 1942, 153-172. 

9 ) S. Moscati, Sulle Origini degli Aramei. Ri- 

vista degli Studi Orientali, XXVI, 1951, 16-22. A. 

Dupont-Sommer. Sur les Dêhuts de VHistoire ara- 


méenne, VT Suppl. I, Leiden, 1953, 40-49. 

10 ) H. Fleisch, Introduction d rÉtude des Langues 
Sémitiques. Paris, 1947. 

- 11 ) J. H. Kramers, De Semietische Talen, Leiden, 
1949. ree. J. H. Hospers in: BiOr VII, 1950, 150- 

151 

12 ) J. Friedrich, Phönizish-Punische Grammatik. 
Rome, 1951. ree. A. Dietrich in: BiOr VIII, 1951, 
147-149. 

13 ) B. Landsberger, Sam’al, Veröffentl. d. Türk. 
Hist. Ges. VII, 16, Ankara 1948. 

14 ) De oorspronkelijke oplage van het werk van 
L. von Luschan, Ausgrabungen in Sendschirli V 
(= Mitt. a.d. oriënt. Samml. d. Staatl. Museen in 
Berlin XV), hrsg. v. W. Andrae, Berlin, 1943, is 
door oorlogsgeweld vrijwel geheel vernietigd, zodat 
er slechts enkele exemplaren meer van bestaan. Men 
vgl. daarom de uitvoerige ree. van K. Galling in 
BiOr V, 1948, 115-120. 

15 ) A. Dupont-Sommer, Une Inscription nouvelle 
du Roi Kilamou et le Dieu Rekoub-El in: RHR, 
133, 1947-1948, 19-33* 

16 ) K. Galling, The Scepter of Wisdom. Notes 
on the Gold Sheath of Zendjirli and Ecclesiastes 12 : 
11. BASOR, 119, 1950, 15-18. 

17 ) Voor de Karatepe-inscriptie vergelijke men 
o a.: M. J. Mellink. Karatepe. More Light on the 
Dark Ages, BiOr VII, 1950, 141-150., waar verdere 
lit. H. Donner, Mitt. d. Inst. f. Orientforschung 
UI, 1955, 73-98. 


D. N. Freedman in hun werk van 1953 18 ), waarin ze de oudste Hebreeuwse orthographie 
behandelen, waarbij ook enkele dezer oudste inscripties besproken worden en verschillende 
taal- en spellingverschijnselen worden verduidelijkt, zo o.a. het gebruik van de matres lectionis. 
Met verlangen zien we uit naar het (immers beloofde?) tweede deel van dit boek. 

Terwijl de Ja’udische inscripties van Zengirli reeds een overgang vormen naar het Ara¬ 
mees, is de tot nu toe oudste de nog wat onduidelijke en zeer korte inscriptie van Teil Halaf, 
die in de ixe, misschien in de xe eeuw gedateerd kan worden 19 ). Vlak vóór de oorlog ge¬ 
vonden, en tijdens de oorlog gepubliceerd is de inscriptie op een stele van Bar-Hadad I van 
Damascus, welke koning regeerde in het 2e kwartgedeelte van de ixe eeuw. O.a. M. Dunand 20 ), 
W. F. Albright 21 ), G. Levi Della Vida 22 ) en A. Jepsen 23 ), hebben deze inscriptie be¬ 
sproken. Aan de verklaring van de inscriptie van Hazaël, van Zaicir, en helaas ook van de 
grote inscriptie van Sefire-Sugin is er in de laatste tijd weinig toegevoegd 24 ). Vooral wat 
de laatste betreft, zou een goede collatie met het origineel, dat zich nu in het Museum van 
Damascus bevindt, zeer noodzakelijk zijn, daar de tot nu toe bestaande foto’s nog te onduide¬ 
lijk zijn en, mede daardoor, ook de verklaring van de tekst nog veel te wensen overlaat. 

Het grote Ostrakon van Assur bevat een brief van een Assyrische functionaris Bel-Etir 
aan een collega Pir-°Awur. Daaruit blijkt dat het Aramees reeds in de vue eeuw geschreven 
werd door Assyriërs onderling. Tijdens de oorlog heeft Dupont-Sommer hieraan een studie 
gewijd 25 ). 

Terwijl er in Saqqara (bij Memphis), al eerder Arameese teksten gevonden waren, werd 
in 1942 de Papyrus van Adon gevonden, uit ca 605 v. C. Deze Adon was vermoedelijk koning 
van Askelon, en ook hier blijkt weer het belang van de Arameese taal voor de correspondentie 
tussen deze vazalkoning en de Egyptische Pharao (Necho II, 609-595). Van verschillende 
zijden trok deze brief de aandacht, o.a. werd ze behandeld door Dupont-Sommer 26 ), 
H. L. Ginsberg 27 ), J. Bright 28 ), A. Bea en R. Meyer 29 ). 

De inscriptie van Nerab uit de Vlle eeuw en het Pachtcontract van 515 v. C. werden reeds 
vóór de oorlog behandeld, en uit de periode daarna noemen we hier alleen de studie over 
laatstgenoemde tekst van Dupont-Sommer uit 1944 30 ). 

In de laatste jaren zijn twee belangrijke boeken verschenen over Egyptische Arameese 
papyri, die een aanvulling vormen van de reeds door A. Cowley in 1933 verzamelde Aramaic 
Papyri of the Fifth Century B.C. 31 ). Het zijn het boek van E. G. Kraeling van 1953 32 ) 


18 ) F. M. Cross-N. Freedman, Early Hebrew 
Orthography. New Haven, 1952, ree. W. von Soden, 
in: BiOr X, 1953, 218. 

19 ) cf. o.a.: R. A. Bowman, The Old Aramaic 
Alphabet at Teil Halaf: The Date of the „Altar” 
inscription. AJSL, 58, 1941, 359-367. R. Dussaud, 
Syria XXIII, 1943, 106-108. 

20 ) M. Dunand, Stele Araméenne dédiée d Mel- 
qart. Buil. du Musée de Beyrouth, III, 1939, 41, 
65-76. en: Apropos de la Stéle de Melqart du Mu¬ 
sée d’Alep. VI 1942-1943), 1946, 41-45. 

21 ) W. F. Albright, A Votive Stele erected by 
Ben-Hadad I of Damascus to the God Melcarth. 
BASOR, 87, 1942, 23-29. 

22 ) G. Levi Della Vida, Some Notes on the Stele 
of Ben-Hadad. BASOR, 90, 1943, 30-32, met na¬ 
schrift van Albright 32-34. H. L. Ginsberg, in: 
Louis Ginsberg Jubilee Volume. New York 1945, 

159-171* 

23 ) A. Jepsen, Israël und Damascus, in: Af O 
XIV, 1942, 153-172, en: Zur Melqart-Stele Barha- 
clads, AfO XVI, 1953, 315-317. R. Dussaud, Mel¬ 
qart, Syria XXV 3/4, 1946-1948, 205-230. A. Herd- 
ner, Dédicace araméenne au Dieu Melqart, Syria 
xxv, 3/4,1946-1948,329-330. 

’ 24 ) Over de zakelijke inhoud schrijven o.a.: G. 


Dossin, BRG’YH, Roi de KTK., Le Muséon, LVII, 
1944, 147-155 en: G. E. Mendenhall. Covenant 
Forms in Israelite Tradition. BA, XVII, 1954, R. 
Yaron. The Scheme of the Aramaic Legal Docu- 
ments. JSS II, 1957, 33-61. 

25 ) A. Dupont-Sommer, UOstracon Araméen 
d’Assur. Syria XXIV, 1/2, 1944-1945, 24-61. 

26 ) A. Dupont-Sommer, Un Papyrus Araméen 
d’Epoque Sdite découvert d Saqqarah Semitica I, 
1948, 43-68, cf. Syria, XXVII, 1950, 152. 

27 ) H. L. Ginsberg, An Aramaic Contemporary 
of the Lachish Letters, BASOR ui, 1948, 24-27. 

28 ) J. Bright, A New Letter in Aramaic Written 
to a Pharao of Egypt, BA XII, 1949, 46-52. 

29 ) A. Bea, EpistUla Aramaica sec. VII exeunte 
ad Pharaonem scripta, Biblica XXX, 1949, 514-516. 
R. Meyer, Ein aramdischer Papyrus aus den ersten 
Jahren N ebukadnezars II in: Festschrift f. Fr. Zuc- 
ker, Berlin, 1954, 255-262. 

30 ) A. Dupont-Sommer, Un contrat de Métayage 
égypte-araméen de !an 7 de Darius I, MAI (= Mém 
... a 1 ’Ac. d. Inscr. ...) XIV, 1944, 61-106. 

31 ) A. Cowley, Aramaic Papyri of the fifth Cen¬ 
tury B.C. Oxford, 1923. C. G. Wagenaar, De Jood- 
sche Kolonie van Jeb-Syene in de 5e eeuw voor Chris¬ 
tus, Groningen, 1928. 



128 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DE LITERATUUR OVER HET ARAMEES NA I94O 


129 


en dat van G. R. Driver van 1954, terwijl naast dit laatste een kortere uitgave verscheen in 
I 957 33 )» die de afbeeldingen en de kleinere fragmenten mist, maar in de commentaar vele 
aanvullingen en verbeteringen geeft van de grote uitgave. Dank zij een gelukkige samen¬ 
werking met deskundigen op het gebied van de Perzische taal kon hier veel verduidelijkt wor¬ 
den. Beide werken zijn van grote waarde voor de diepere kennismaking met het Rijksaramees, 
zoals dat (sinds J. Markwart) tegenwoordig genoemd wordt, de kanselarijtaal van het Per¬ 
zische rijk. Daarnaast zijn in 1944 ook in het Egyptische Hermopolis (= Tuna el-Gebel) 8 
Arameese papyri gevonden, die eveneens handelen over een Joodse nederzetting in de Ve eeuw 
v. C. Deze papyri zijn nog niet gepublieceerd. De “koningin des Hemels ,, (cf. Jer. 44: 17) wordt 
hierin vermeld 34 ). Voor de bestudering van het Egyptisch Aramees is nog steeds onontbeerlijk 
de Grammatica van Leander van 1928 35 ). In verband met de nieuwere publicaties zou een 
aanvullende behandeling hiervan wenselijk zijn. Over de ook door Cowley uitgegeven 
Spreuken van Ahiqar en over de Aramese vertaling van de inscriptie van Behistun 36 ) zijn, 
voorzover bekend, geen verdere studiën verschenen. 

Wat de Ostraka betreft, daarvan zijn er in de laatste jaren, naast de reeds langer be¬ 
kende, vele afzonderlijk uitgegeven, sommige met uitvoerige commentaren, welke we ook hier 
weer vooral te danken hebben aan Dupont-Sommer, die, als de berichten daarover juist zijn, 
binnenkort een complete uitgave van alle Arameese ostraka hoopt te geven. Tot nu toe besprak 
hij o.a. de ostraka uit de ve eeuw waarin de Sabbat vermeld wordt 37 ). Daarnaast zijn van 
belang voor de verspreiding van het Aramees de ostraka van Nippur en van Larsa, (gev. 1933) 
van de ve eeuw, het laatste ook door Dupont-Sommer besproken. De literatuur over andere 
ostraka is zeer verspreid 38 ). 

Daarnaast breidt het aantal Graffiti en Epigrafen (= Aramese bijschriften op Akkadi- 
sche oorkonden) zich nog altijd uit. Een gedeelte van deze laatste vindt men in de Archieven 
van de familie Murasu, waarover G. Cardascia een afzonderlijke studie uitgaf in 1951 39 ). 
Terwijl vroeger al bestond het boek van L. Delaporte 40 ), is dit nu aangevuld door het werk 
van L. H. Vincent, die van de Joods-Arameese epigrafen uit de na-exilische tijd een verzame¬ 
ling aanlegde 41 ). 

Ofschoon maar zeer klein, is merkwaardig een inscriptie van de Wadï-Hammamat in 
Egypte uit de ve eeuw, in 1946 gevonden. Terwijl men zich aanvankelijk af tobde om er een 


3:2 ) E. G. Kraeling, The Brooklyn Museum Ara- 
maic Papyri. New Documents of the fifth Century 
B.C. from the Jewish Colony at Elephantine. New 
Haven, 1953; ree. T. Jansma in: BiOr XI, 1954, 
215-216. Bespreking door W. Eilers : Neue Aramdi- 
sche Urkunden aus Agypten, AfO XVII, 2, 1956, 
322-335, mit Nachtrage, AfO XVIII, 1, 1957, 125- 
127. cf. ook: E. V. Kutscher, New Aramaic Texts, 
TAOS, 74, 1954, 233-248. 

33 ) G. R. Driver, Aramaic Documents of the fifth 
Century B.C., Oxford, 1954. ree. T. Jansma in: 
BiOr XI, 1954, 214-215 en XV, 1958, 46. H. Cazel- 
les. Nouveaux Documents araméens en Egypte, Syria 
XXXII, 1/2, 1955, 75-100. De 2e (kortere) uitgave 
van Driver, Oxford, 1957. Cf. over deze beide wer¬ 
ken en alg.: (Redacteur), Novae Papyri Aramaicae 
Elephantinae. Bibl. 34, 1952, 265-267. E. Hammers- 
haimb, Some Observations on the Aramaic Elephan¬ 
tine Papyri, VT VII, 1, 1957, 17-34. 

34 ) Kamil Murad, Rev. de 1 ’Hist. juive en Ég. 
I, 1947, 1-7. Sami-Gabra, Lettres araméennes trou- 
vées d Touna el-Gebel (Hermopolis Ouest), Buil. de 
binst, de 1’Ég, 28, 1947, 161-162. 

Enkele andere papyri: R. A. Bowman. An Aramaic 
Journal Page (472/1 B.C.), AJSL, 58, 1941, 302-313. 
(papyrus uit Memphis). J. J. Rabinowitz, The Ara¬ 
maic Papyri, the Demotic Papyri from Gebelên and 


Talmudic Soürces, Biblica, 38, 3, 1957, 269-274. 

35 ) P. Leander, Laut- und Formenlehre des Agyp- 
tisch-Aramdischen. Göteborg, 1928. 

3Ö ) De tekst van Ahiqar o.a. in: Cowley (cf. noot 
31), 204-248, die van Behistun 248-271. 

37 ) A. Dupont-Sommer, UOstracon aramêen du 
Sabbat (coll. Clermont-Ganneau 152), Semitica II, 
1949, 29-39, en: Sabbat et Parascève d Elephantine 
d'après des Ostraca Araméens inédits, MAI, 1950 
68 vv. A. Dupont-Sommer, Un Ostracon Araméen 
inédit d J Élephantine (coll. Clerm. Gann. 186), Rivista 
degli Studi Orientali, XXXII, scritti in onore di 
G. Furlani, Parte I, Rome, 1957, 403-409. 

38 ) A. Dupont-Sommer, Un Ostracon araméen in¬ 
édit de Larsa, RA XXXIX, 1942-1944, 143-147; E. L. 
Sukenik, Inscribed Hebrew and Aramaic Potsherds 
from Samaria, PEF. QS, 65, 1933, 152-156. 

39 ) G. Cardascia, Les Archives des Murasu, une 
Familie d’Hommes d’Affaires babyloniens d l’époque 
Perse 455-403 av. J.-C., Paris, 1951, ree. W. von So- 
den, BiOr XI, 1954, 205-207. 

4 °) L. Delaporte, Épigraphes araméens. Étude 
des Textes araméens gravés ou écrits sur des Ta- 
blettes Cunéiformes. Paris, 1912. 

41 ) L. H. Vincent, Les Épigraphes judéo-ara¬ 
méens postexiliques, RB, 1949, 274-294. 


zin in te leggen, bleek al spoedig dat het niets anders was dan een opsomming van de letters van 
het alfabet, die daar stonden in de volgorde die ook nu nog voor het Hebreeuwse alfabet bekend 
is 42 ). Een inscriptie van de Wadi Tumïlat die staat op een zilveren kom, gewijd aan de godin 
ITan-’ilat, is gepubliceerd door I. Rabinowitz 43 ). 

Verscheiden inscripties uit de ve eeuw waren al langer bekend, en zijn in de laatste jaren 
niet weer opnieuw behandeld. Dit geldt ook voor de Perzische Aramogrammen, die het merk¬ 
waardige verschijnsel bieden dat de Perzen in hun schrift vele Arameese woorden gebruikten 
die ze dan in het Perzisch uitspraken 44 ). Zo schreven ze bv. in Aramees schrift: medka, maar 
ze spraken dit uit als: shah (koning). Op dezelfde wijze schrijven wij het Franse woord: fl. 
terwijl we uitspreken: gulden, en dit verschijnsel was ook al lang bekend uit de Sumerische 
logogrammen in het Akkadisch. Deze Perzische Aramogrammen zijn voor de lexicografie van 
het Aramees van belang. In Perzië heeft men bovendien op vele plaatsen uit verschillende 
tijden Arameese inscripties gevonden, zo o.a. in Persepolis, waar meer dan 500 fragmenten zijn 
ontdekt, die echter nog niet uitgegeven zijn. 

Zoals er verband bestaat tussen het Perzisch en het Aramees, zo ook tussen het Lydisch 
en het Aramees, waarbij we denken aan de reeds lang bekende Lydisch-Arameese bilingue van 
Sardes (ve/ive eeuw), die echter minder voor het Aramees dan voor het nog vrijwel niet 
bekende Lydisch van belang is 45 ). Voor de Arameese taal en de uitspraak daarvan danken we 
veel aan een kleitablet uit Warka (Uruk), uit de Ille eeuw, waarop een Arameese tekst ge¬ 
schreven is in Akkadisch spijkerschrift, dat dus ook vocalisatie uit die periode weergeeft. Deze 
tekst heeft uiteraard veel belangstelling getrokken, o.a. van C. H. Gordon 46 ), B. Lands¬ 
berger 47 ) en van A. Dupont-Sommer 48 ). Er zou uit kunnen blijken, dat de vervluchtiging 
van de vocalen nog niet zo ver was voortgeschreden als de MT. van het O.T. zou doen 
vermoeden. 

Minder profijt kunnen we trekken van een soortgelijke inscriptie die in Demotisch schrift 
een Arameese tekst geeft. De moeilijkheden om deze inscriptie te transcriberen in het Aramees 
zijn nog groot, al danken we reeds een goed begin aan R. A. Bowman in 1944 49 ). Merk¬ 
waardig daarbij is, dat de ’alef in deze tekst zo onevenredig vaak gebruikt wordt. De inscriptie 
is uit de Ille eeuw en tamelijk omvangrijk, maar slechts nog gedeeltelijk behandeld. 

Ook weer aan Dupont-Sommer danken we de bespreking van twee inscripties gevonden 
bij het Meer van Sévan in Armenië (He eeuw) 50 ). 

De toekomst kan nog veel brengen. In Nisa, gelegen in Parthië (het tgw. Turkmenië aan 
de Russisch-Iraanse grens) zijn sinds 1948 ongeveer 1000 ostraka gevonden, uit de Ie eeuw v. 
C., waarvan er tot nu toe nog slechts 18 gepubliceerd zijn door M. Sznycer in 1951 51 ). 

Ook de ontdekkingen van Qumran hebben veel bijgedragen tot de uitbreiding van de 
kennis van het Aramees. Nog niet alle Arameese teksten die daar of in de omgeving daarvan 
gevonden zijn, zijn gepubliceerd. Maar bekend zijn reeds het Testament van Levi, uitgegeven 


42 ) A. Dupont-SomiMER, Une Inscription araméen- 
ne inédite de POuadi Hammamat, RA XLI, 1947- 
1948, 105-110. 

43 ) W. E. Albright, BASOR, 139, 1955, 19; F. 
M. Cross, Geshem the Arabian, Enemy of Nehemiah, 
BA, XVIII, 1955, 46-47. 

44 ) O.a. E. Ebeling, Das Aramdisch-Mittelpersi- 
sche Glossar Frahang-i-Pahlavik im Lichte der as- 
syriologischen Forschung, MAOG XIV, 1, 1941. H. 
F. J. Junker, Das Frahang-i-Pahlavik in Zeichen- 
gemdsser Anordnung, Leipzig, 1955. 

45 ) Te vinden o.a. in J. Friedrich, Kleinasiatische 
Sprachdenkmdler. Berlin, 1932, 108-110. 

46 ) C. H. Gordon, The Aramaic Incantation in Cu- 
neiform, AfO XII, 1937-1939, 105-117, en: The Cu- 
neiform Aramaic Incantation, Orientalia IX, 1940, 
29-38. 

47 ) B. Landsberger, Zu den aramdischen Be- 


schwörungen in Keilschrift, AfO, XII, 1938, 247-257. 

4S ) A. Dupont-Sommer, La Tablette Cunéiforme 
araméenne de Warka, RA XXXIX, 1942-1944, 35-62. 

Algemeen: W. H. Rossel, A Handbook of Ara¬ 
maic Magical Texts, 1953. 

49 ) R. A. Bowman, An Aramaic Religious Texi 
in Demotic Script, JNES III, 1944, 219-231. 

50 ) A. Dupont-Sommer, Deux Inscriptions ara¬ 
méennes trouvées pres du Lac Sévan ( Arménie ). 
Syria XXV, 1946-1948, 53-66. 

51 ) M. Sznycer, Ostraca d } Époque parthe trouvés 
d Nisa (U.R.S.S.), Semitica V, 1955, 67-98. Cf. ook: 
Fr. ALTHEiM-Ruth Stiehl, Aramdisches aus Iran, 
Wiss. Zeitschr. d. Karl Marx-Univ., Leipzig, 1955/6. 
B. M. Metzger, A Greek Aramaic Inscription disc- 
overed at Armazi in Georgia, JNES, XV, 1956, 
18-26. 




i3o 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DE LITERATUUR OVER HET ARAMEES NA I94O 


door J. T. Milik, 1955 52 )> (cf- P- Grelot 53)), de Beschrijving van het Nieuwe Jerusalem 
(M. Baillet, 1956) 54 ), een Gebed van Nabonidus (Milik, 1956) 55 ), en uit wat later tijd 
(134 na C.) een koopcontract van een huis te Kefar Bebayu, gelegen vermoedelijk in de om¬ 
geving van Qumran, waarover Milik 56)^ j. J. Rabinowitz ^), S. Abrahamson-H. L. 
Ginsberg 58 ), S. A. Birnbaum 59 ) in de jaren 1954-1957 hebben geschreven. Tenslotte is er 
de leren rol die men aanvankelijk de Rol van Lamech noemde, maar waarvan de inhoud ge¬ 
bleken is te zijn een apokryphe bewerking van het boek Genesis, die in vele opzichten zeer 
merkwaardig is, o.a. worden daarin de schoonheden van Sara uitvoeriger beschreven dan in het 
Bijbelverhaal. N. Avigad en Y. Yadin bewerkten de tekst in 1956 60 ). 

Uit de Ie tot Ille eeuw na C. zijn naast de al vroeger daar gevonden inscripties in 1951 
en 1952 vele nieuwe ontdekt in Hatra aan de Tigris ter hoogte van Assur (= Sarqat). Ze 
zijn gepubliceerd door Fuad Safar in het tijdschrift Sumer 61 ), door O. Krückmann in 
AfO 62 ), door A. Caquot in Syria 63 ). Hierbij is o.a. ook weer een alfabetische inscriptie. 

In de chronologische volgorde hebben we nog ter zijde gelaten het Bijbels Aramees. In 
onderscheiding van de inscripties, papyri en ostraka, die (behalve dan Ahiqar en Behistun) 
alle uit de tijd zelf stammen waarin ze geschreven zijn, zijn de Arameese gedeelten van Ezra 
en Daniël eerst uit latere overschrijvingen bekend, al behoeft daarbij niet veel aan de oor¬ 
spronkelijke inhoud en grammaticale vorm veranderd te zijn. Daarbij komt de vocalisatie die 
eerst vele eeuwen na C. is aangebracht. De datum van de aanvankelijke teboekstelling is daarom 
moeilijk te bepalen. Ezra kan al wel vroeg geredigeerd zijn bv. in de ve of ive eeuw, en ook 
van Daniël kunnen verschillende delen uit die tijd dateren, maar de slotredactie valt toch veel 
later, waarbij men voor Daniël wel afdaalt tot de He eeuw v. C. De problemen die hiermede 
samenhangen zijn nog steeds niet voldoende opgehelderd. Van de literatuur der laatste jaren 
kunnen we behalve naar de nieuwere commentaren, verwijzen naar de inaugurele rede van 
J. H. Hospers van 1948 64 ). 

Voor de studie van het O.T.isch Aramees is de uitbreiding van het aantal van de inscripties 
en andere teksten van het grootste belang. Voor de taal is nog steeds te raadplegen het werk 
van H. H. Rowley, al dateert dat reeds uit 1929 terwijl voor de Perzische woorden nog 
onmisbaar zijn de Iranische Beitrage van H. H. Schaeder van 1930 66 ). De nieuwere ge- 


52 ) J. T. Milik, Le Testament de Lêvi en Ara- 
méen. Fragment de la Grotte IV de Qumran, RB 
LXII, 3, 1955, 398-406. Cf. ook: id. Hénoch au pays 
des Aromates (Ch. XXVII a XXXII), Fragments 
araméens de la Grotte IV de Qumran, RB, LXV, 

1, 1958, 70-77. 

ö ' 3 ) P. Grelot, Notes sur le Testament araméen de 
Lêvi (Bodleian Library), RB LXIII, 3, 1956, 391-406 
en de daar vermelde lit. 

Algemeen: M. de Jonge, The Testament of the 
Twelve Patriarchs, A Study of their Text, Compo- 
sition and Origin, Assen, 1953. 

54 ) M. Baillet, Fragments araméens de Qumran 
II, Déscription de la Jerusalem nouvelle, RB LXII, 

2, 1955, 222-245. 

,55 ) J. T. Milik, „Prière de Nabonxde” et autres 
Écrits d’un Cycle de Daniël. Fragments araméens de 
Qumran IV, RB LXIII, 3, 1956, 407-415. 

56 ) J. T. Milik, Un Contrat Juif de Van 134 après 
J.-C., RB LXI, 2, 1954, 182-190, id., Note additionelle 
sur le Contrat Juif de Pan 134 après J.-C., RB LXII, 
2, 1955, 253-254. id. Deux Documents inédits du 
Dêsert de Juda, Biblica, 38, 1957, 245-268. 

57 ) J. J. Rabinowitz, Some Notes on an Aramaic 
Contract from the Dead Sea Region, BASOR 136, 
1954, 15, 16. 

58 ) S. Abrahamson-H. L. Ginsberg, On the Ara¬ 
maic Deed of Sale of the Third Year of the Second 


Jewish Revolt, BASOR, 136, 1954, 117-119. 

59 ) S. A. Birnbaum, The Kephar Bebhayu Con- 
veyance, PEQ 89, 1957, 108-132, en cf. id. The 
Neg eb Script, VT VI, 1956, 337-371. 

60 ) N. Avigad-Y. Yadin, A Genesis Apocryphon. 
Jerusalem, 1956, en: N. Avigad, An Apocryphal 
Genesis Scroll in Aramaic, Antiquity and Survival 
II, 2/3, 1957, 237-243. Hier ook op p. 251, fig. 6 een 
Aramees grafschrift. 

61 ) Fuad Safar, Inscriptions of Hatra, Sumer 
VII, 2, 1951; VIII, 2, 1952; IX, 1, 1953; IX, 2, 1953; 

XI, 1, 1955. 

6 ' 2 ) O. Krückmann, AfO XVI, 1, 1952, 141-148. 

63 ) A. Caquot, Nouvelles Inscriptions de Hatra. I, 
Syria XXIX 1/2, 1952, 89-118. II in: XXX, 3/4, 
T 953 , 236-246; III in: XXXII, 1/2, 1955, 49-58; IV 
in: XXXII, 3/4, 1955, 261-272. 

64 ) J. H. Hospers, Twee Problemen betreffende 
het Aramees van het Boek Daniël, Groningen, 1948, 
ree. BiOr VII, 1950, 162-164. cf. het nog steeds be¬ 
langrijke art. van W. Baumgartner. Das Aramdi- 
sche im Buche Daniël, ZAW, 45, 1927, 81-134. H. L. 
Ginsberg, Studies in Daniël, New York, 1948. ree. 
H. Cazelles in: BiOr IX, 1952, 144-146. 

65 ) H. H. Rowley, The Aramaic of the Old Tes¬ 
tament. Oxford, 1929. 

ee ) H. H. Schaeder, Iranische Beitrage, Halle, 
1930. 


I3I 


gevens kunnen vooral gemakkelijker overzien worden, wanneer er een compleet woordenboek 
van de Arameese en andere Semitische teksten zal bestaan. Wel geeft het nieuwe Lexicon van 
Baumgartner 67 ) al zeer veel, maar dit moest zich uiteraard beperken. Men vergelijke hierin 
vooral de belangrijke inleiding over het Aramees p. XVI-XLIX. Het is jammer dat de poging 
die C. F. Jean in deze richting gedaan heeft, met zijn Dictionnaire des Inscriptions Sémitiques 
de rOuest, sinds 1954 68 ), met weinig ingenomenheid begroet moest worden, maar, naar het 
zich laat aanzien zal een nieuwe bewerking van de stof, waaraan thans hard gewerkt wordt, 
hierin verbetering brengen, ook voor de reeds verschenen twee afleveringen. 

Voor het O.T.isch Aramees is nog steeds de voornaamste grammatica die van H. Bauer- 
P. Leander van 1927 69 ). Daarnaast verschenen in deze periode, ofschoon met veel beperkter 
doelstelling, grammatica's van J. Neyrand 70 ), L. Palacios, G. Garbini 71 ), en van schrij¬ 
ver dezes 72 ), terwijl in aansluiting daarop binnenkort te verwachten is een Chrestomathie van 
Arameese teksten met korte commentaar. De grammatica van W. B. Stevenson bestrijkt een 
ruimer gebied 73 ). Volgens berichten (BiOr XIII, 1956, 179) zal er een vergelijkende gram¬ 
matica van de Arameese dialecten uitgegeven worden door het Institutum Pontificium te Rome. 
De problemen van spelling en grammatica 74 ) kunnen bij het uitbreiden van de beschikbare 
teksten steeds beter tot hun recht komen. 

Naast de gedeelten die geheel in het Aramees geschreven zijn, blijft ook nog van belang 
het onderzoek naar de Aramaïsmen in het O.T. Het werk van E. Kautzsch, dat al uit 1902 
dateert 75 ), zou daarom eens opnieuw bewerkt moeten worden. 

Om met het laatste te beginnen, in dit opzicht staat het N.T. er beter voor, daar we uit 
de laatste jaren bezitten het boek van M. Black, An Aramaic Approach to the Gospels and 
Acts 76 ). De verhouding tussen Hebreeuws en Aramees in de N.T.ische periode is nog altijd in 
discussie 77 ). Tot nu toe nam men misschien wel wat al te veel aan dat alleen het Aramees 
de gangbare taal was in Palaestina in die tijd, nu zijn er die dat in twijfel trekken, en aannemen 
dat het Hebreeuws als een onderstroming toch steeds in ere is gebleven, niet alleen bij de meer 
ontwikkelde Joden wier taal zich geleidelijk heeft ontwikkeld tot het Misna-Hebreeuws, maar 
ook in de lagere volksklassen. Van belang zijn de beschouwingen van H. Birkeland hier¬ 
over 78 ). Uit de vondsten van Qumran blijkt eveneens dat het Hebreeuws een veel belang- 
rijker rol speelt dan het Aramees, waarvan tot nu toe naar verhouding slechts weinig is ge- 


67 ) W. Baumgartner in: L. Koehler-W. Baum¬ 
gartner, Lexicon in V. T. Libros, Leiden 1953. Van 
F. Zorell, Lexicon Hebraicum et Aramaicum Vete¬ 
ris Testamenti. Roma, 1940-heden, moet het Ara¬ 
meese gedeelte nog verschijnen, ree. BiOr IV, 1947, 
36-38, XI, 1954, 214. 

6S ) C. F. Jean, Dictionnaire des Inscriptions Sémi¬ 
tiques de POuest, I, II, Leiden, 1954; ree. W. Baum¬ 
gartner, BiOr XII, 1955; 189-191. Winnikow is nu 
begonnen met een Aramees woordenboek (voor het 
Oud- en Rijksaramees) in het Russisch, waarvan de 
letter ’alef in 1958 verschenen is. 

69 ) H. Bauer-P. Leander, Grammatik des Bi- 
blisch-Aramdischen. Halle, 1927. 

70 ) J. Neyrand-L. Semkowski. Grammaticae Ara- 
maicae Biblicae Compendium (ad usum privatum) 
Roma, 3 1948. 

71 ) L. Palacios, Grammatica Aramaica Biblica, 
Roma, 2 1953. G. Garbini. l’Aramaico antico, Roma, 
1956. 

72 ) J. J. Koopmans, Arameese Grammatica (voor 
het Oud-Testamentisch Aramees) Leiden, 1949, 
2 1957, ree. W. Baumgartner in: BiOr XIV, 1957, 
298. 

73 ) W. B. Stevenson, Grammar of Palestinian Je¬ 
wish Aramaic, Oxford, 2 1950 (behandelt ook be¬ 
knopt het BA). 


74 ) Over afzonderlijk grammaticale onderwerpen: 
o.a.: J. de Menasce, Mots d’Emprunt et Noms pro- 
pres iraniens dans les Nouveaux Documents Ara¬ 
méens. BiOr XI, 1954, 161-162; J. Friedrich. Zur 
Passivischen Ausdrucksweise im Aramdischen, AfO 
XVIII, 1, 1957, 124-125, id. Der Schwund Kurzer 
Endvokale im Nordwestscmitischen, ibid. 3-14. 

75 ) E. Kautzsch, Die Aramaismen im A.T., Halle, 
1902. cf. G. R. Driver, Hebrew Poetic Diction, VT. 
Suppl. I, 1953, 25-39, waarin hij ook het O.T.isch 
Aramees behandelt. 

76 ) M. Black, An Aramaic Approach to the Gos¬ 
pels and Acts, Oxford, 1946, 2 1954 ree. H. H. Row¬ 
ley, BiOr IV, 1947, 35-36. J. Bonsirven, Les Ara- 
mdismes de St Jean PÊvangéliste. Rome, 1949. 

77 ) C. F. Feigin, The Original Language of the 
Gospels, JNES, II, 1943, 187-197. P. Kahle, Das 
zur Zeit Jesu in Paldstina gesprochene Aramdisch, 
Theol. Rundschau 17, 1949, 201-216. 

7S ) H. Birkeland, The Language of Jesus. Oslo, 
1954. M. Black, Die Erforschung der Muttersprache 
Jesu, TLZ. IX, 1957, 654-667. J. Cantineau, Quelle 
langue parlait le Peuple en Palestine au I er siècle ? 
Semitica V, 1955, 99-107. C. C. Torrey, Studies in 
the Aramaic of the ist C. B. C. (New Testament 
Writings), ZAW, 65, 3/4, 228-247. 



132 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


133 


vonden 79 ). Een grondige kennis van het Hebreeuws bij de Essenen moet dan ook wel ver¬ 
ondersteld worden. Waarom hebben zij bv. op de koperen rol, waarin allerlei bergplaatsen 
van hun kostbaarheden vermeld worden, geen Aramees, maar Hebreeuws gebruikt? Maar 
deze vraagpunten, ook die betreffende een eventuele Arameese achtergrond van de Evange¬ 
liën, kunnen thans niet verder besproken worden, omdat ze behoren tot de periode na het 
ontstaan van het Christendom. 

De vondsten van nieuwe inscripties zijn ook daarom belangrijk, omdat ze bijdragen 
leveren voor de kennis van de ontwikkeling van het schrift 80 ), waarbij ze vele hiaten, die tot 
dusver bestaan, kunnen aanvullen. Ook voor de vorming van het Hebreeuwse kwadraatschrift 
heeft dit gevolgen. 

In alle delen van het Oude Oosten, van Sardes tot aan de Indus, van Rusland tot in Zuid- 
Egypte en in Zuid-Arabië vinden we in het eerste millennium v. C. teksten in de Arameese 
taal. En daarbij treft het ons dat de plaatselijke omstandigheden betrekkelijk weinig invloed 
uitoefenen op de vorm van de taal. Eerst later komt er dan ook een splitsing in West- en Oost- 
Aramees, waartoe ook het Syrisch behoort. Maar dit valt buiten ons bestek, al zien we al wel 
in de laatste eeuw v. C. een ontwikkeling in die richting. Ook het Nabatees, Palmyreens 81 ) en 
Samaritaans 82 ) gaan we nu voorbij. 

Een wens die men graag in vervulling zou zien gaan is dat de techniek op het gebied 
van het reproduceren van teksten zulke vorderingen maakte dat vele inscripties in hun originele 
vorm zo zouden kunnen worden uitgegeven dat men voor de bestudering ervan er wat aan 
heeft. Nu voldoen dergelijke reproducties, de goede niet te na gesproken, meestal niet aan zelfs 
beperkte verwachtingen. Een confrontatie met de originelen blijft natuurlijk het beste, maar 
niet iedereen heeft daartoe de gelegenheid. 

In de laatste tijd is de belangstelling voor de studie van het Aramees ook aan onze 
Universiteiten en Hogescholen steeds groeiende. Dat is een goed teken in het land waar in de 
xvue eeuw Erpenius, De Dieu, Hottinga, Ravens, Schaaf, in de xvme Scpiultens, 
Schroeder, Hinlopen in de xixe Svvijghuisen Groenewoud en Land 83 ), zich op deze 
taal toelegden en de vruchten van hun studie ons nalieten. Maar vooral in andere landen trekt 
het Aramees de aandacht, zoals uit de gegeven literatuur kan blijken. 

Wanneer men het geheel van de ons overgebleven Arameese teksten overziet, dan zijn er 
naast de eerste uitgave in het CIS IL 84 ) ook vóór 1940 reeds zeer veel teksten bijgekomen, en 
verenigd met wat na die datum verschenen is, zou alles reeds een groot boekwerk kunnen 
vullen. Hier werd alleen melding gemaakt van de hoofdzaken van wat na 1940 bekend ge¬ 
worden is. 

Het is te hopen dat nog vele nieuwe vondsten onze kennis van deze taal die zulk een 
belangrijke plaats innam in het Ie millennium v. C. mogen vermeerderen. 

Hilversum, Februari 1958. J. J. Koopmans 


T9 ) cf. ook J. van der Ploeg, Vondsten in de 
Woestijn van Juda. Utrecht, 1957, 83, 84. 

80 ) Voor het Arameese schrift in het algemeen cf. 
J. G. Février, Histoire de l’Écriture. Paris 1948. I. J. 
Gelb, A Study of Writing. London 1952, beide ge¬ 
recenseerd door D. Diringer, BiOr IX, 1952, 176-178. 
D. Diringer, The Alphabct, London, 1948, 1949, 1953. 
G. R. Driver, Semitic Writing , London, 1948, 2 1954. 
J. J. Koopmans, Het Schrift. Zijn oorsprong en Ont¬ 
wikkeling (verschijnt binnenkort in Mededelingen Ex 


Oriente Lux). 

81 ) J. Starcky, Palmyre. Paris, 1952. 

82 ) Z. Ben Hayyim, The Literary and Oral Tra- 
dition of Hebrew and Aramaic amongst the Sama- 
ritans , I, II, 1957 (in Modern Hebr.) 

83 ) cf. J. Nat, De Studie van de Oostersche Talen 
in Nederland in de 18e en de 19e eeuw. Purmerend, 
1929. 

84 ) Het Corpus Inscriptionum Semiticarum behan¬ 
delt in dl TI, 1888-, de Arameese inscripties. 




BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 

EEN METRISCH ONDERZOEK 


Oog en oor — onze belangrijkste zintuigen. Bekend is de indeling der mensen in twee 
typen, het visuele en het auditieve. Bij de visuele mens gaan de waarnemingen door het oog, 
het zien; bij de auditieve door het oor, het horen. Terecht heeft de Noorse geleerde Thorleif 
Boman in zijn onderzoek naar het Hebreeuwse denken vergeleken met het Griekse 1 ), alle 
nadruk gelegd op het visuele karakter van de Griekse geestesgesteldheid in tegenstelling met 
het auditieve van de Hebreeuwse en de Semietische in ’t algemeen. Het zintuig, waarmede de 
Griek de buitenwereld waarneemt, is het gezicht, het aanschouwen, hij ziet in de ruimte; voor 
de Hebreeër, de Israëliet, komt het aan op het gehoor, de innerlijke waarneming van het 
woord — ook het goddelijke woord — en de opeenvolging in de tijd is voor hem de aangewezen 
vorm van het denken. Men denke aan de betekenis van de Griekse kunst, die de mensen, 
dingen en gebeurtenissen zichtbaar en aanschouwelijk voorstelt, en daartegenover aan het 
Hebreeuwse profetisme, dat het vernomen woord aan de hoorders doorgeeft, terwijl het 
tweede gebod zelfs de afbeeldingen verbiedt. Ook in de dichtkunst is de Griek bij voorkeur 
beschrijvend, de Hebreeër verhalend; de Griekse dichter schildert als het ware met woorden, 
de Hebreeuwse laat gebeurtenissen op elkaar volgen in voortdurende actie 2 ). 

Ook bij de Babyloniërs was de rol van het oor belangrijker dan die van het oog. Het 
woord voor c oor° betekent daar tevens c verstand°; uitdrukkingen als c groot° of c ruim van oor 0 
betekenen niet alleen c de scherpzinnige 0 , maar ook c de vrome 0 , die in de goddelijke mysteries 
is ingewijd. Want de diepste geheimen worden niet opgetekend, maar de hoorder ingeprent 
door het oor 3 ). De mondelinge overlevering, die men door het oor in zich opneemt, is oor¬ 
spronkelijker en ouder dan de schriftelijke. De ritmische en metrische vorm zijn een hulp 
voor het geheugen als elementen der auditieve waarneming. 

Nu moet men deze tegenstelling niet overdrijven. Bij de normale mens valt slechts de 
nadruk op een van de beide zintuigen en het ideaal is de samenwerkng, de synthese. Anders 
zou immers de Griekse taal niet de meest welluidende zijn en de Hebreeuwse verhaaltrant — 
bijv. in de verhalen van Genesis — de meest aanschouwelijke. Reeds Simonides van Keos 
noemde volgens Plutarchus de schilderkunst c zwijgende poëzie 0 en de dichtkunst c sprekende 
uitbeelding 0 en Goethe noemde de bouwkunst c verstomde muziek 0 4 ). 

Wat de dichtkunst betreft, zo heeft de overgang van het oor naar het oog plaats door de 
schriftelijke optekening. De hoogste synthese is de hypostase van het woord ( memra of logos), 
waardoor het zich zichtbaar en tastbaar vertoont 5 ). 

Nu is er een moeilijkheid: een hulpmiddel ontbreekt, dat vroeger een hoofdrol vervulde 
en waarvan de kennis helaas zo goed als verloren is gegaan: de muziek van deze oude volken. 
Wij zullen ons moeten beperken tot het metrum en ritme, terwijl de lyrische poëzie gezongen, 
de epische bij de harp gereciteerd werd. David speelt voor Saul en danst voor de ark — 
wisten we slechts bijzonderheden 6 ) ! 

Even bekend als in de meeste gevallen raadselachtig zijn de muzikale aanwijzingen in de 
opschriften der bijbelse psalmen. Wat Siggajön feitelijk betekent, of met n e ginöt en n e hilót het 


x ) T. Boman, Das hebraische Denken im Vergleich 
mit dem griechischen, 2de ed., Göttingen, 1952. 

2 ) Vgl. over de „visuelle Art des griechischen 
Denkens” in tegenstelling met de Hebreeuwse: Bo¬ 
man, a.w. pp. 162 vv., die terecht opmerkt: „Das 
israelitische Denken ist analytisch, richtet sich auf 
Begebenheiten, Leben und Geschichte (p. 164) ...Wie 
der Raum die gegebene Denkform für die Griechen 
ist, so die Zeit für die Hebraer” (p. 166). Over de 
noodzakelijkheid van synthese: p. 168. 

3 ) Babyl. Atrahasis, eig.: „überragend, übermassig 
gross in bezug auf das Ohr (das Organ des Den¬ 
kens) ”, zie P. Jensen, RLA II, p. 311. 

4 ) Simonides (Grieks lyricus van Keos) volgens 


Plutarchus, De gloria Atheniensium ; Goethe, Sprii- 
che in Prosa, No. 694; vgl. Büchmann, Geflügeltc 
Worte, p. 413 v. 

5 ) Vgl. de oratie van Prof. C. J. Bleeker, De 
godsdienstige betekenis van oog en oor, een phaeno- 
menologische studie, Assen, 1946. Ook daar (p. 21) 
wordt voor eenzijdigheid gewaarschuwd. 

6 ) Vgl. C. Engel, The Music of the most Ancient 
Nations, London, 1937; C. C. J. Polin, Music of the 
Ancient Near East, 1954; F. W. Galpin, The Music 
of the Sumerians and their Immediate Successors, 
the Babylonians and Assyrians, Cambridge, 1937. 
Zie voor Egypte de recente studies van H. Hick- 
MANN. 





134 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


135 


snaren- en het fluitspel is bedoeld, of m e nasséah de „opperzangmeester” of orkestmeester is 
of misschien — evenals „David” — een hoveling of hofzanger 7 ): wij weten het niet. Wij 
kennen de muziekinstrumenten (men denke aan de optelling in de laatste psalm 150), maar te 
weinig de muziek zelf, die daarmee gemaakt, de melodie, die daarbij gezongen werd. In ’t 
Babylonisch zijn de instrumenten en aanwijzingen nog talrijker en in de meeste gevallen nog 
duisterder. In een bepaald geval — het bijschrift tot een oude mite in twee talen over de 
schepping van de mens — heeft men aan een soort notenschrift willen denken (KAR, No. 4). 
Deze hypothese van Sachs werd echter door Landsberger weerlegd 8 ). Ook de mening, 
dat er op het terrein van de liturgische zang een onafgebroken traditie zou zijn via de syna¬ 
goge, berust op illusie. De tien delen van Hebreeuwse zangen en melodieën, die Idelsohn 
verzamelde, bieden niet de grondslag, die wij nodig hebben 9 ). Van de muziek moeten wij 
afzien. Het enige zekere is het overheersen van psalmodische recitatiefzangen, waarbij de 
tekst werd gezongen op tonen van dezelfde hoogte, slechts nu en dan onderbroken door 
melodische accentuatie, waarbij solistische zangen afwisselden met antiphonale beurt¬ 
zangen 10 ). 

„Poëzie” betekent eigenlijk een „kunstig maaksel”; het analoge Hebreeuwse woord wordt 
aangetroffen in Psalm 45: 2 „mijn dichtwerk wijd ik aan een koning”. Waaruit bestaat dit 
kunstige? Zeker niet alleen uit het ritme, want er is ook een prozaritme, dat door zijn wel¬ 
luidendheid met de dichtkunst kan wedijveren. Het kunstige is veeleer de regelmaat: de 
regelmatige indeling en opeenvolging der versvoeten, verzen en strofen. Nog in de Inleiding 
tot de Leidse Vertaling van het Oude Testament werd beweerd, dat het daar niet altijd mogelijk 
is poëzie van proza te onderscheiden, „want het Hebreeuwse gedicht heeft maat noch rijm”. 
Dat was in 1899; twee jaar later verscheen het eerste deel van Eduard Sievers, Metrische 
Studiën 11 ). En sindsdien stonden de pennen niet stil, althans op bijbels terrein, terwijl het 
onderzoek naar de vorm der Babylonische dichtkunst pas in ’t begin staat. Over de literatuur 
betreffende de Hebreeuwse metriek zijn de beste overzichten te vinden in de Theologische 
Rundschau, en wel door Begrich in 1932 en door Horst in 1953, beiden over een tijdperk 
van ruim 20 jaar. Het aantal bijdragen dat zij bespreken bedraagt 72 boeken en verhandelingen 
tussen ca. 1908 en 1953 12 ). In hetzelfde jaar 1953 verscheen de verhandeling van de 
Tsjechische geleerde Stanislav Segert in Praag, die uitblinkt door de duidelijke onder¬ 
scheiding der „woordmetriek” van de „alternerende metriek”. Ook uit deze verhandeling 
blijkt, hoezeer het zuiver accentuerende systeem van Sievers is gaan wankelen 13 ). En 
sindsdien ging het debat verder, vooral tussen Sigmund Mowinckel in Oslo en de Weense 
hoogleraar Georg Fohrer 14 ). Ook zij stemmen overeen in de overtuigng, dat Sievers 
eenzijdig was 14 ). 

Toen ik — het is een halve eeuw geleden — zijn college over Hebreeuwse metriek volgde, 
raakte ik onder de indruk van de regelmatige cadans — of feitelijk de dreun — van zijn zwaar 
geaccentueerde Hebreeuwse verzen. In de geheimen der „Schallanalyse”, waarop hij zich later 
heeft toegelegd, werden wij toen nog niet ingewijd. Deze Schallanalyse berustte op een ver¬ 
meend individueel verband tussen het poëtische ritme en bepaalde „rompstanden” of bewe- 


7 ) Blijkens de Mari-brieven is de dawidum „un 
haut personnage attaché au palais du roi, une sorte 
de connétable”, vgl. G. Dossin, Mélanges Dussaud, 
II 981, n. 1. Volgens H. Schmökel, Geschichte des 
alten Vbrderasien (Leiden, 1957), p. 292, n. 3 werd 
de titel „wohl von David aus seiner Söldnerzeit als 
Thronname übernommen”. Dan denke men eerder 
aan zijn taak aan het hof van Saul (I Sam. 16: 21 
vv.; 18: 10) : als harpspeler en zanger! 

8 ) B. Landsberger, Die angebliche babylonische 
Notenschrift (Festschrift Oppenheim, AfO Beiband 
I, 1933 , PP- 170 - 78 ). 

9 ) A. Z. Idelsohn, Hebrdisch-orientalischer Melo- 
dienschatz (10 delen). Vgl. ook: A. M. Rothmuller, 
The Music of the Jews, an historical appreciation , 


1953 - 

10 ) Dit geldt ook nog van de Gregoriaanse kerk¬ 
zang, vgl. Winkler Prins, EncycL, 6de druk, XII, 48. 

11 ) E. Sievers, Metrische Studiën , 3 dln, Leipzig, 
1901-07. De aanhaling uit de „Algemene Inleiding” 
tot Het Oude Testament, Leiden, 1899, p. 13. 

112 ) J. Begrich, Zur hebrdischen Metrik } . ThR 4, 
1932, 67-89; Friedr. Horst, Die Kennzeichen der 
hebrdischen Poesie, ThR 21, 1953, 97-121. 

13 ) St. Segert, Vorarbeiten zur hebrdischen Me¬ 
trik, I, II, ArOr XXI, 1953, 481-542. 

14 ) S. Mowinckel, Marginaliën zur hebrdischen 
Metrik, ZAW 68, 1956, 97-123; G. Fohrer, Über den 
Kurzvers, ZAW 66, 1954, 199-236, en Mowinckel, 
ZAW 65, 167-88. 







BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 

gingen bij het dichten of voordragen. Het was — als ik het goed zie — een min of meer 
subjectieve en intuïtieve kunst, die men moeilijk kan aanleren. Zelfs al was het geen dwaalweg, 
dan was het toch een zijweg, die wij hier niet willen bewandelen 15 ). De taak is toch al moeilijk 
genoeg. 

Deze moeilijkheid bleek en blijkt ook uit de terughoudendheid, waarmee metrische vragen 
worden behandeld door de commissie van de Nieuwe Vertaling van het O.T. in opdracht 
van het Nederlands Bijbelgenootschap. Dit scepticisme is wellicht te betreuren, maar het is 
alleszins gerechtigd, als wij op dit terrein na vijftig jaar studie en ongeveer 80 boeken en 
verhandelingen inderdaad weer aan een nieuw begin staan, althans een radicale revisie moeten 
toepassen. 

De taak is ook daarom zo moeilijk, omdat de periode, die wij in de gevallen der He¬ 
breeuwse en Babylonische metriek overzien, vele eeuwen omvat, waarin de talen niet on¬ 
veranderd zijn gebleven, en omdat er in beide gevallen minsten twee verschillende dialecten 
zijn, een Zuidelijk en een Noordelijk, die allicht in uitspraak hebben verschild: aan de ene zijde 
het Judees tegenover het Noordisraëlietisch, dat nauwer verwant is geweest met het Phoeni- 
cisch en het Ugarietisch, en aan de andere zijde het Babylonisch tegenover het Assyrisch. 
In beide gevallen heeft het Zuiden het gewonnen; het Judees of respectievelijk het Babylonisch 
werden of bleven klassiek en de teksten, die in het andere dialect gesteld waren, werden daar¬ 
naar omgevormd. Daarbij komt dan nog de wijziging van het woordaccent door het wegvallen 
van de uitgangen der naamvallen en bovendien steeds een gevoel van onzekerheid betreffende 
de overlevering van de tekst: de vraag, of en in hoever conjecturaalkritiek enkel en alleen op 
metrische gronden geoorloofd is. Zo verkrijgt men een eigenaardige vicieuze cirkel: de He¬ 
breeuwse metriek wordt afgeleid uit de overgeleverde tekst en deze tekst wordt dan op grond 
van het zo verkregen metrische stelsel in vele gevallen gewijzigd. Volgens het systeem van 
Sievers zijn zulke wijzigingen, waarbij dan bepaalde woorden of bijzinnen als glossen 
worden geschrapt, schering en inslag. Reeds deze moeilijkheid heeft velen aan de consequente 
toepassing van zijn systeem doen wanhopen 16 ). 

Ik wilde hier vooral over de metrische en prosodische kwesties spreken of wellicht beter 
over de woordritmiek en de versritmiek in de bijbelse en de babylonische poëzie, daar het hier 
immers niet — zoals in de klassieke poëzie — aankomt op de kwantiteit of tijdsduur der letter¬ 
grepen, die gemeten kan worden, maar op de accenten. 

De centrale vraag luidt dan: wat dan in deze poëzie als de eigenlijke en oorspronkelijke 
metrische eenheid moet worden beschouwd. Het antwoord nu luidt niet — zoals in de klassieke 
talen — de lange en korte lettergrepen in hun geregelde kadans en afwisseling; ook niet, 
zoals in de Germaanse talen, de klemtonen, d.w.z. de beklemtoonde lettergrepen in hun volg¬ 
orde en regelmaat; ook niet — zoals bijv. Mowinckel op grond van voorbeelden uit de 
nieuwere Noorse poëzie voorstelde — een bepaald ritmisch volzinnetje, dat tot motief dient 
en waarnaar en waaromheen dan het overige gevormd wordt 17 ). De oplossing is eenvoudiger, 
bijna verrassend eenvoudig: de kleinste metrische eenheid is het woord, gewoon het enkele 
woord in zijn gewoon verband, in de volzin en met zijn gewoon accent, waarbij men natuurlijk 
moet afzien van de bijwoorden, de pronomina en preposities, die toch al in vele gevallen — 
althans in het Hebreeuws — met het eigenlijke woord (nomen of verbum) tot een eenheid 
zijn samengevoegd. Dat dit mogelijk is, vindt zijn oorzaak in de structuur van deze talen, 
waarin verreweg de meeste woorden, tenminste in de geijkte uitspraak, niet meer dan twee of 
ten hoogste drie volle lettergrepen tellen. 

Poëzie, d.w.z. „kunstig maaksel” of „gewrocht” is dan de regelmatige rangschikking van 
zulke woorden tot verzen, waarbij het ritme het natuurlijk accent volgt. Poëzie onderscheidt 


15 ) Vgl. G. Ipsen en Fr. Karg, Schallanalytische 
Versuche, eine Einführung in die Schallanalyse, Hei- 
delberg, 1928. 

16 ) Vgl. o.a. Mowinckel, in het Festschrift A. 
Bertholet...gewidmet (Tübingen, 1950), p. 390 v.: 
„Streichungen von unbequemen Worten bezeichnen 


die Spuren eines jeden, der konsequent der Sievers- 
schen Metrik folgen und ein biBchen System in sein 
‘System’ hineinbringen will”. 

17 ) Mowinckel, t.a.p. (noot 16), p. 382 biedt voor¬ 
beelden uit Ibsen, Peer Gynt voor dit „zinritme”. 








136 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


137 


zich van het proza alleen door de regelmaat: het telkens gelijke aantal van zulke meestal op 
gewone wijze uitgesproken en beklemtoonde woorden in de vershelften, verzen, dubbelverzen, 
en verder door een bepaalde regelmaat van het aantal der verzen in de strofen. Pas in een 
betrekkelijk late periode — hoewel nog wel vóór de ballingschap — en uitgaande van een 
bepaald terrein, nl. de spreuken- en wijsheidliteratuur, komt in de Hebreeuwse poëzie, al blijft 
dit woordritme bestaan, een nog grotere regelmaat op, waarbij zware en lichte syllaben elkaar 
telkens afwisselen, zodat telkens een zware beklemtoonde en één lichte syllabe zonder klem¬ 
toon op elkaar volgen: de zuivere woordmetriek wordt dan verdrongen door de alternerende 
metriek. Deze terminologie is die van Segert. Deze alternerende metriek vindt — zoals 
Hölscher aangetoond heeft — haar onmiddellijke voortzetting in de oudere Syrische 
poëzie 18 ). De beide systemen — de zuivere woordmetriek en de alternerende metriek — 
sluiten elkaar geenszins uit, zoals een blik in de door Segert geboden „analysen” aantoont 19 ). 
Het principe is in beide gevallen hetzelfde, maar de alternerende metriek is, althans in het He¬ 
breeuws, jonger en aanmerkelijk kunstiger. Het verschil tussen de stelsels bestaat dus hierin, 
dat in het eerste naar gelang van de lengte der woorden op elke ar sis (heffing) ook wel meer 
dan slechts één thesis (daling) kan volgen, terwijl de woorden in het tweede geval zo kunstig 
gerangschikt moeten zijn, dat ar sis en thesis in geregelde volgorde elkaar af wisselen of af lossen. 

De vraag of en in hoever deze stelsels ook op de vormen der dichtkunst bij de aan Israël 
verwante volken toepasselijk zijn geweest, kan voorlopig slechts voor het Ugarietisch en het 
Akkadisch worden beantwoord. De uittreksels en fragmenten van de Ugarietische of Noord- 
Phoenicische mythologische en epische dichtwerken vertonen in nog hogere mate dan de 
Israëlietische het (straks te bespreken) principe van het parallelisme, maar bepaalden zich 
daarnaast vermoedelijk bij het oudere stelsel der woordmetriek, althans voor zover men op 
grond van een reconstructie der uitspraak kan nagaan 20 ). De Akkadische dichtkunst is kunsti¬ 
ger: daar is de woordmetriek, als ik het goed zie, beperkt tot de lyrische poëzie, de hymnen 
en psalmen, terwijl de epische poëzie reeds oudtijds alternerend is, althans gelegen in de lijn 
van de alternerende metriek, waarbij steeds rekening moet worden gehouden met bepaalde 
uitzonderingen, die stelselmatig moeten worden onderzocht. 

De Ugarietische teksten nu zijn opgetekend in het begin der 14de eeuw v. Chr., 
zodat als de bloeitijd van deze dichtkunst de tweede helft der Hyksos-periode mag worden 
verondersteld. De Akkadische (Babylonische) poëzie kent twee klassieke tijdvakken: 
het eerste ongeveer in de 18de eeuw (onder Rim-Sin van Larsa en Hammurabi van Babylon), 
het tweede tussen 1400 en 1200 v. Chr., en daarna nog slechts een nabloei in het tijdvak der 
Sargonieden in de 7de eeuw v. Chr. De Israëlietische poëzie heeft haar eerste bloeitijd 
gehad in de 10de en haar tweede bloei in de 8ste en 7de eeuw; eerst onder koningen als David en 
Salomo, daarna onder Jerobeam II en Hizkia. De toepassing van het alternerende stelsel begint 
in Israël ongeveer in de tweede periode. Als terminus a quo kan men de tijd van koning 
Hizkia omstreeks 700 v. Chr. stellen. Is dit juist, dan zou het verschil tussen woordritme en 
alternerend ritme een belangrijke norm kunnen worden voor de tijdsbepaling der afzonderlijke 
dichtwerken in het Oude Testament. Deze norm zou weliswaar met de nodige voorzichtigheid 
moeten worden toegepast. Want wil men langs deze weg verder komen, dan moet men behalve 
de zuiver chronologische volgorde der beide stelsels, die wij hier — althans voor Israël — 
hebben geconstateerd, ook de verschillende soorten der dichtkunst in aanmerking nemen, 
waarop zij oorspronkelijk werden toegepast. Zoals wij bij de behandeling der Akkadische poëzie 
straks zullen opmerken, was de alternerende metriek daar aanvankelijk beperkt tot de epiek, 
en wel reeds van de periode vóór 1700 v. Chr. af. Of dit bij de oude Israëlietische epische 
dichtwerken eveneens het geval is geweest, kunnen wij niet met zekerheid nagaan, daar in het 


18 ) G. Hölscher, BZAW (Festschrift Budde) 34, 
1920, 93-101; Dez., Syrische Verskunst, LSS, N.F. 
5, 1932. 

10 ) Vgl. Segert, t.a.p. 485 vv. (woordmetriek) en 
528 vv. (alternerende metriek), waar in het eerste 
geval oudere en in het andere jongere liederen zijn 


gekozen. 

20 ) Vgl. G. D. Young, Ugaritic Prosody, JNES 
9, 1950, 124-33; C. H. Gordon, Ugaritic Handbook 
(.Revised Grammar), 1947, p. 101-113 (— Anal. Or. 
25). Voorts de opmerkingen van Segert, t.a.p., 495 v. 


BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


Oude Test. te weinig daarvan bewaard is gebleven. Wellicht volgde de (tot op weinige brok¬ 
stukken na verloren) epische dichtkunst der Israëlieten eerder het voorbeeld van die uit 
Ugarit 21 ). 

Wat de lyrische poëzie betreft, zo heeft Segert in een bundel ter ere van J. Rypka een 
vergelijkend onderzoek ingesteld naar metrum en ritme in het Hooglied. Hij heeft naast elkaar 
geplaatst de metrische analyses der enkele zangstukken volgens de woordmetriek, de accentue¬ 
rende metriek (en wel naar de voorstellen van Sievers in 1901 en Haller in 1940) en ten 
slotte volgens de alternerende metriek. Het resultaat kan nauwelijks bevredigend worden 
genoemd. De woordmetriek verdient ook hier toch wel in de meeste gevallen de voorkeur 22 ). 

Hoe dit ook zij: twee dingen staan vast en stonden reeds voor Sievers vast: ten eerste, 
dat het Hebreeuws evenals het Babylonisch een accentuerend en geen kwantiterend ritme heeft 
en ten tweede dat de enkele woorden in de poëzie niet anders geaccentueerd mogen worden, 
dan in het proza. Daaraan twijfelt in principe niemand en dit is het belangrijkste verschilpunt 
met de klassieke metriek. De vraag is alleen, hoe deze accentuatie in de verschillende stadiën 
der lange geschiedenis der Hebreeuwse en ook der Babylonische taal werd toegepast. 

Over dit probleem heeft Sievers zich nog weinig bezorgd gemaakt. Hij was germanist 
en een der grootste van zijn tijd en had zich in het Hebreeuws pas met het oog op de metriek 
ingewerkt. Daarbij komt, dat het eerste deel van zijn hoofdwerk in 1901 en het tweede in 
1904 is verschenen — en het is niet weinig wat wij sindsdien op het terrein van het He¬ 
breeuws in de lijst der overige Semietische talen bijgeleerd hebben. Wat wist men toen van de 
Kanaanismen der Amarnabrieven, van de inscripties op ostraka uit Samaria en Lakis, van de 
Palestijnse en Babylonische overlevering van de tekst van het O.T., die Kahle tot in bijzonder¬ 
heden heeft leren onderscheiden, wat wist men van Ugarit en de Noord-Phoenicische epische 
dichtwerken, die zo nauw aan de Israëlietische dichtkunst verwant zijn, wat ten slotte van 
de rollen uit Qumran en de overige grotten bij de Dode Zee: materiaal dat zelfs heden pas 
gedeeltelijk gepubliceerd is? Sievers volgde in zijn tijd de Textus masorethicus, die overge¬ 
leverde vorm van de Hebreeuwse tekst van het O.T., die immers niets anders betekent dan 
een kunstmatige eenheid en gelijkschakeling der verschillende wijzen van uitspraak door een 
jongere school van geleerden. Zijn eenzijdigheid bestond hierin, dat het hem (naar bepaalde 
Germaanse voorbeelden) eigenlijk alleen aankwam op de dynamische of expiratorische accen¬ 
ten, dus op de zware klemtonen, waarbij — natuurlijk niet zonder bepaalde, maar van buiten 
af opgelegde regels — gehele woorden zonder accent bleven en waarbij het aantal der niet 
beklemtoonde lettergrepen tussen de accenten in feite werd verwaarloosd. Zo verkregen 
zijn verzen vaak de dreun van het beruchte Knittelvers, met zijn vier — eveneens dynamische 
— lettergreepaccenten 23 ). 

Onwillekeurig vergelijkt ieder het ritme van een slechts schriftelijk overgeleverde oude 
taal met zijn eigen poëzie. De Noor Mowinckel haalt Ibsen, Peer Gynt aan, in het archaïse¬ 
rend Noors, dat trouwens, als ik het goed zie, ook sterk accentueert; de Tsjech Segert denkt 
aan zijn oude zangerige Tsjechische liederen met hun melodieus en blijkbaar sterk alternerend 
ritme. Nu heeft het Hoogduits — vooral via het Jiddisch, dat niets anders is dan een hebraïse- 
rend hoogduits dialect — stellig invloed gehad, niet slechts op de syntaxis, maar ook op de 
uitspraak van het Nieuw-Hebreeuws 24 ). 


al ) Wij denken o.a. aan de aanhalingen uit het 
„Boek der oorlogen van Jahwe” (Num. 21: 14 enz.) 
en het „Boek des Oprechten” (Joz. 10: 13 v. enz.). 

22 ) Vgl. St. Segert, Die Versform des Hohen- 
liedes, in: Charisteria Orientalia Ioanni Rypka de- 
dicata, Praag, 1956, pp. 285-299. 

23 ) Vgl. de schets van Sievers’ systeem bij Horst, 
t.a.p. (noot 12), p. 108 v. Terecht merkt hij op: 
„Akzentuierende Lesung gibt, anders als die alter- 
nierende, der subjektiven Auffassung allzu reichli- 
chen Spielraum” (p. in). En reeds in 1920 merkte 
G. Hölscher (zie noot 18) op: „Ein unüberwind- 

Jaarbericht N°. 15 


licher Anstoss dagegen ist die allen jenen rein akzen- 
tuierenden Systemen eigene Auffassung vom he- 
braischen Wortakzent, die sich wohl aus der germani- 
schen Sprachgewohnheit ihrer Urheber begreift; sie 
lesen den hebraischen Vers etwa wie einen deut- 
schen Knittelvers”. 

24 ) Vgl. Mowinckel in het Festschrift Bertholct 
(zie noot 17), p. 382 v. met aanhalingen uit Peer 
Gynt ; S. Segert, Vorarbeiten I (zie noot 13), p. 
496 v. Over het Jiddisch zie nu ook: L. Fuks, The 
Oldest knoivn Literary Documents of Yiddish Lite- 
rature, Leiden, 1957. 

10 







138 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


139 


Evenwel begon mijn bescheiden twijfel al jaren geleden met het besef, dat het Hebreeuws 
— althans in zijn overgeleverde vorm, waarbij de klemtonen vallen op de laatste syllaben — 
van de ons vertrouwde moderne talen feitelijk het meest gelijkt op het Frans. Evenals daar 
heeft ook in ’t Hebreeuws een accentwijziging plaats gehad, waarbij de klemtoon van de 
paenultima op de ultima is komen te vallen. De oorzaak is in de ruimste mate het wegvallen 
van de uitgangen, vooral ook de uitgangen der naamvallen. Dit verschijnsel kennen we immers 
juist ook in ’t Nederlands, we staan er midden in, zijn juist bezig, dit verschijnsel ook in het 
schrift te verdisconteren. Dit verschijnsel heeft beslissende invloed op de klemtoon: als „paard” 
in ’t laat-Latijn caballus is en in ’t Italiaans cavallo, met klemtoon op de paenultima, dan 
wordt het in ’t Frans cheval met klemtoon op de ultima en met verkorting van de paenultima. 
Daarom die vele halve vokalen, de Schwa mobile’s, in ’t Hebreeuws evenals in ’t Frans. De 
vraag doet zich voor, wanneer het Hebreeuws zijn uitgangen heeft verloren, dus wanneer 
deze verschuiving van het accent naar de ultimae heeft plaats gehad? Volgens Albright 
al in de 13de eeuw, dus nog vóór de eigenlijke Israëlietische periode. Het Ugarietisch kent, 
zoals Gordon en Young hebben aangetoond, deze verschuiving in ieder geval nog niet 25 ). 
In ’t Akkadisch was hetzelfde proces al eerder aan de gang, maar het schrift bleef hier con¬ 
servatief. Bovendien heeft het Akkadisch, evenals het Arabisch — dat dezelfde ontwikkeling 
vertoont — de neiging om het accent zoveel mogelijk naar voren te trekken in tegenstelling met 
het Hebreeuws, evenals de andere Romaanse talen in tegenstelling met het Frans. Het ver¬ 
schil tussen het op de eindsyllabe rustend en het teruggetrokken accent is in de praktijk 
minder groot dan men zou denken. Bij de toepassing van de woordmetriek is de cadans in 
het eerste geval meer jambisch-anapaestisch, in het tweede trochaeisch-dactylisch; bij de toe¬ 
passing van de alternerende metriek vervallen de dactylen en anapaesten. Het verschil is 
gelegen op het terrein van de melodie: terecht spreekt men van muzikaal of tonisch accent. 
Door zijn verkortingen en halve vocalen verkrijgt het Hebreeuws evenals het Frans een 
golvend ritme, dat aan het natuurlijk taalritme gelegenheid laat om zich aan de eisen van de 
versbouw aan te passen zonder daarmee geheel samen te vallen. Alles vloeit meer; ook de 
versaccenten zijn niet zo sterk of kunnen door zwakbetoonde syllaben worden gedragen 27 ). 

Dit melodieus en muzikaal accent mag niet worden verwaarloosd. Het bevordert de wel¬ 
luidendheid en regelmaat der verzen, zonder te sterke binding aan een bepaalde „dreun”. 
Vermaard reeds uit de dagen vóór Sievers was de „ontdekking” van het Qina- of klaag- 
liederen-vers door wijlen K. Budde. Dit dynamische ritme met zijn dreun van 3 + 2 vers¬ 
voeten berustte op een eenzijdige opvatting van het Hebreeuwse taaleigen. Het was tevens 
in tegenstrijd met het principe der verdubbeling of dipodie 28 ). Terecht dus heeft Mowinckel 
in het boek der Klaagliederen (Threni) in de meeste gevallen het meer muzikale schema 
4 + 3 (=2 + 2 + 2+ 1) toegepast, weliswaar met de nodige varianten, die bij het muzikale 
ritme minder opvallend zijn dan bij het dynamische. Zijn voorloper was Hölscher, wiens 
stellingen hij met nadruk tegenover Budde en Sievers handhaaft en uitwerkt. Terecht legt 
hij ook in zijn debat met Fohrer alle nadruk op de elasticiteit der Hebreeuwse taal tegenover 
het dwangbuis der zuiver accentuerende ritmiek. De melodieuze regelmaat der woorden binnen 
het vers wordt daardoor niet weggenomen, maar veeleer bevorderd 29 ). 

Nu is er nog een tegenwerping tegen Sievers. De oude Germaanse poëzie die hem tot 
voorbeeld strekte, is niet alleen accentuerend, maar wordt gekenmerkt door de alliteratie of 
door het rijm of door beide. Deze kenmerken nu zijn in ’t Hebreeuws — en ook in het Baby¬ 
lonisch — niet onbekend, maar spelen geen rol in de dichtkunst. Het s t a f r ij m of de 


25 ) Zie noot 20, en ook J. Aistleitner, Unter - 
suchungen zur Grammatik des Ugaritischen, Berlijn, 
1954 . 

26 ) Vgl. over deze c historischen spellingen 0 van de 
uitgangen der naamvallen: W. von Soden, GAG § 63 
d en e. De feitelijke uitspraak loopt in al deze ge¬ 
vallen de spelling vooruit. 

27 ) Aangehaald uit het artikel Romaanse metriek : 
Winkler-Prins, Encycl., 6de druk, XIII, p. 610. 


28 ) K. Budde, Das hebrdische Klagelicd, ZAW 2, 
1882, i vv. 

29 ) S. Mowinckel, Zum Problem der hebrdischen 
Metrik, in: Festschrift für A. Bertholct (zie noot 
16),' pp. 379-394, waar het zgn. Qïna-ve. rs met Höl¬ 
scher wordt opgevat als een „brachykatalektische 
Doppeldipodie” (p. 391). Het citaat: Mowinckel, 
Marginaliën, ZAW 68, 1956, 118 (zie noot 14). 


alliteratie is in ’t Plebreeuws — vermoedelijk uit een oudere periode van de taal — 
slechts in bepaalde formules bewaard gebleven, die men in het proza evengoed aantreft als 
in de poëzie, en die eenvoudig behoren tot het straks te bespreken verschijnsel der verdub¬ 
beling 30 ). Behalve in paarsgewijs staande uitdrukkingen vindt men de alliteratie slechts in de 
eerste drie woorden van Psalm 1 met een drievoudige herhaling der syllabe as- of is-: 
wellicht toevallig, althans een uitzondering. Hetzelfde geldt van de herhaling der Jf-klanken in de 
eerste regels van het Babylonische epos der Wereldschepping. 

Ook het r ij m was niet onbekend, maar werd in de poëzie eerder vermeden. Gerijmde 
liturgieën waren er, zoals Bossert aangetoond heeft, reeds bij de voorlopers der Hethieten 
aan ’t begin van het tweede millennium: in ’t Protochattisch 31 ). De rol van het kunstige rijm 
in de Arabische dichtkunst is bekend. In ’t Plebreeuws en ook in ’t Babylonisch zou ik slechts 
enkele voorbeelden durven aanhalen. Nog klinkt mij in de oren bij monde van wijlen Sievers 
het begin van Psalm 4 met zijn prachtige rijmen ( Ca néni — honnéni en sidqi — tfillati), die 
echter alleen bereikt werden door het schrappen van het woord hirhdbta als glosse. Zonder 
toepassing van tekstkritiek wordt het rijm aangetroffen in Psalm 146:6-8, dus in de eerste van 
het vijftal „Hallelujah-psalmen” waarmede het Psalmboek eindigt: eerst drie rijmen op — dm 
[hajjdm — bdm — c oldm, daarna zeven op -lm (’asüqim — r’ëbtm — a sünm — ’iwrim — 
kfüfim — saddïqim — gënm) en ten slotte födèd — fawwét. Ook hier vraagt men zich af 
waarom dan de rest van de psalm onberijmd bleef. Sporen van het rijm worden verder aan¬ 
getroffen in de langgerekte klanken van de klaagliturgie eindigend telkens op -énu of dm, b.v. 
in Jerem. 3:24 en 25 en vooral ook in de aangrijpende passage Jerem 9:20 („de dood is geklom¬ 
men in onze vensters...”). Ook de spotzang der Filistijnen over de gevangen en tegen de pilaar 
van de Dagon-tempel gekluisterde Simson vertoont deze vorm der klaagliturgie (Richt. 16:24 
met driemaal herhaald -énu). 

Hierbij komen dan nog enkele woordspelingen, waarbij de innerlijke tegenstelling juist 
met behulp van het rijm krachtig naar voren wordt gebracht, zoals in Jesaja 5:7, waar Van 
der Flier de gerijmde uitdrukkingen in ’t Nederlands door „goed bestuur — bloedbestuur 
en door „rechtsbetrachting — rechtsverkrachting” heeft nagebootst 32 ). In het Babylonisch 
(Akkadisch) zou ik nog minder voorbeelden van gerijmde verzen of regels kunnen aanhalen. 
Het rijm behoort evenmin als het stafrijm tot de kenmerken van deze poëzie. In slechts weinig 
hogere mate geldt dit van de akrostichische liederen, gekenmerkt door de kunstige rangschik¬ 
king der regels verzen of strofen: in het Hebreeuws de alfabetische indeling, waarbij elk vers 
of elke strofe begint met een der opeenvolgende letters van het alfabet. In het Akkadisch zijn 
er voorbeelden van uitgewerkte akrosticha, waarbij de syllaben aan het begin der verzen samen 
een naam of een vers vormen 33 ). 

Wat is dan het eigenlijke kenmerk van deze oude poëzie? Hier is het antwoord reeds gege¬ 
ven door de Engelse Hebraïcus Robert Lowth, De sacra poe si Hebraeorum, Oxford, 1753, 
ruim twee eeuwen geleden: het p a r a 11 e 1 i s m e. Terecht heeft ook Theodor Robinson dit 
parallelisme verklaard voor “the basis of Hebrew poetic form” 34 ). Alleen dat men dan dit 
principe zo ruim mogelijk moet opvatten. Het betreft niet alleen de Parallelismus membrorum, 
d.w.z. de evenwijdigheid der zinsleden, waarbij het om de inhoud gaat en waarbij de tweede 
vershelft de eerste met iets andere woorden varieert. Deze parallelie heeft men het zinsritme 


30 ) Vgl. ook: I. Gabor, Der hebrdische Urryth- 
mus, ZAW Beiheft 52, Giessen 1929. 

31 ) H. Th. Bossert, Zur Entstehung des Reimes, 
in: Jahrb. f. Klein-asiat. Forschung II, 1952, 223 v. 

32 ) A. van der Flier, Jesaja I ( Tekst en Uitleg ), 
p. 36. 

33 ) Voorbeelden van het rijm in bezweringen: E. 
Ebeling, Tod und Leben, No. 30 D (p. 143), r. 10- 
13; B. Landsberger, JNES XVII/i, Jan. 1958, 57 
noot 8. Voorts ook in de dichterlijke inleiding van de 
inscriptie op de Zendjirli-stèle van koning Asarhad- 
don: R. Borger, Die Inschriften Asarhaddons, Kö- 


nigs von Assyrien (AfO, Beiheft 9, Graz, 1956), p. 
96 § 65, regel 1-10. Over Alliteration und Akrosti- 
chon zie E. Ebeling, RLA I, p. 71. 

34 ) Th. H. Robinson, Basic Principles of Hebrew 
Poetic Form, in: Festschrift A. Bertholet, Tübin- 
gen, 1950, p. 438. In ruim verband (ook met de 
sacrale dialoog en de rituele pantomime) werd het 
parallelisme geplaatst door E. Werner, The Origin 
of Psalmody, HUCA 25, 1954. De verschillende 
Kenmerken der Hebreeuzvse poëzie (voorlopig be¬ 
halve het metrum) werden behandeld door N. H. 
Ridderbos, GTT 55, 1956, 175 vv. 



i40 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


genoemd, de „Gleichlauf der Satze”, de ideële eurhythmie 35 ). Dit verschijnsel dat zijn oor¬ 
sprong waarschijnlijk heeft in de beurtzangen is immers bekend genoeg, in zijn drie hoofd¬ 
groepen van synoniem, antithetisch en synthetisch parallelisme, naar gelang de tweede vershelft 
de eerste slechts met andere woorden herhaalt, de tegenovergestelde gedachte naar voren brengt 
of de gedachte eenvoudig voortzet en nader aanvult 

Maar er is meer. Dit parallelisme heeft — en dit geldt ook van de Babylonische poëzie 
— niet slechts betrekking op de inhoud, maar vooral ook op de vorm. Het meest kenmerkende 
van deze poëzie is ook in ritmisch opzicht een stelselmatig tot in de kleinste bijzonderheden 
doorgevoerde verdubbeling en splitsing in tweeën. Dit slaat op alle ritmische onderdelen: voet 
en takt en reeks en periode en strofe. Het meest gewone en oorspronkelijke halfvers luidt 
in ’t Hebreeuws evenals in ’t Babylonisch en ook in ’t Ugarietisch 2 + 2 — 2 + 2. Daarop 
volgt het tweede halfvers, dat de gedachte varieert, weer met 2 + 2 — 2 + 2. Dat zijn dus 
acht voeten in elk vers; en twee van deze verzen (of als men wil dubbelverzen) of vier of 
ten hoogste acht vormen samen een strofe. De rangschikking in tweën, van het kleinste af 
tot het grootste toe is konsequent en deze verdeling en verdubbeling is het grondbeginsel van 
deze poëzie. 

Nu zou het eentonig worden, als hier — met handhaving van de splitsing in versvoeten — 
niet variatie mogelijk was. Het aantal der versvoeten behoeft niet in elke vershelft 2 + 2 — 
2 + 2 te zijn, het kan ook 3 + 2 — 3 + 2 zijn, dus met telkens een overschietende voet aan 
’t begin, of ook 3 + 3 °f ook 4 + 3, hetgeen ook als 2 + 2 + 3 kan worden opgevat. Met 
de cijfers bedoel ik het aantal van de in het natuurlijke woordmetrum geaccentueerde versvoe¬ 
ten: m.a.w. er kan een versvoet ontbreken of er een worden toegevoegd. Dat zijn normale 
verschijnselen. De moeilijke vraag is dan die naar de gemengde metra of „Mischmetren” 36 ). 
Kunnen de verschillende maten in hetzelfde lied door elkaar en naast elkaar worden gebruikt ? 
Deze vraag zou ik voor de oudere woordmetriek bevestigend willen beantwoorden, maar de 
variatie als uitzondering willen beschouwen die door de dichter niet zonder bepaalde reden 
wordt toegepast, b.v. als hij op het vers een bijzondere nadruk wil leggen. In het jongere, 
het alternerende metrum zijn de regels strenger en is er reden te vermoeden dat de wijziging 
van het ritme slechts dan mogelijk is, als die ook in de volgende strofen op dezelfde plaats 
wordt toegepast. Dit is ook een van de punten, die nog nader zouden moeten worden onder¬ 
zocht. Over ’t algemeen zal het aanbeveling verdienen, in de vraag van de gemengde metra 
ruimte te laten aan de dichterlijke vrijheid en dus in geen geval om die reden alleen de tekst 
te wijzigen. 

Ondanks deze beperkte vrijheid blijft het parallelisme het kenmerk, waardoor zich de 
poëzie van het proza ook van het ritmische en verheven proza onderscheidt. Deze onder¬ 
scheiding tussen poëzie en proza is op grond enkel en alleen van het woordritme of de woord¬ 
metriek lang niet altijd gemakkelijk. Het karakteristieke voor deze woordmetriek — evenals 
voor de Oudtestamentische en Babylonische metriek over ’t algemeen — is immers, zoals reeds 
Horst het heeft uitgedrukt „Sinneinheit und Formeinheit decken sich, die rhythmische Glie- 
derung entspricht somit der gedanklichen”. Segert zegt hetzelfde nog duidelijker: De inner¬ 
lijke binding wordt bereikt door de logische saamhorigheid der enkele woorden zonder dat een 
formele rangschikking noodzakelijk zou zijn die de grenzen der enkele woorden zou over¬ 
schrijden 37 ). 

Maar als men dan niet vasthoudt aan het principe van het parallelisme ook in formeel 
opzicht, verliest men het verschil tussen poëzie en proza uit het oog. Want steeds zal het 
verleidelijk blijven in de historische boeken van het Oude Testament een epos te zoeken of de 
woorden der profeten op te vatten als hetzij lyrische hetzij didactische dichtwerken. Op de¬ 
zelfde wijze zou men vele Assyrische koningsopschriften of b.v. de proloog en epiloog van de 
wet van Hammurabi als poëzie kunnen opvatten. Sievers heeft al in 1904 het boek Genesis, 

35 ) Ed. König, Hebrdische Rhythmik, Halle, 1914, verhandelingen. 

P- I2 - i37 ) Horst, t.a.p., 99 v.; Segert, Vorarbeiten I, 

36 ) Over deze gemengde metra zie Horst, p. 120 ArOr XXI, p. 484. 
en Begrich, p. 83 in de boven in noot 12 aangehaalde 


I4I 


de geslachtslijsten incluis, ritmisch geaccentueerd; de Zweed Arvid Bruno die nu met zijn 
ritmische onderzoekingen tot aan de kleine profeten gevorderd is (1957), toont zich wat de 
accentuatie en de tekstwijzigingen betreft weliswaar voorzichtiger en verdeelt b.v. het boek 
Jesaja slechts in talrijke kleinere ritmische eenheden, zelfs zo duidelijk prozaïsche stukken 
als Jes. 36-39 38 ). Natuurlijk is er ook een prozaritme, dat eveens zorgvuldig moet wor¬ 
den onderzocht, maar elke verwarring van de beide soorten literatuur is uit den boze. Segert 
heeft aangetoond dat in het ritmische proza van het boek Ruth de woordmetriek noch de alter¬ 
nerende metriek stelselmatig kan worden toegepast 39 ). 

Opmerkelijk is, zoals Segert aantoont, dat de overlevering omtrent de c woordmetriek D 
bij de Joden ook in de middeleeuwen niet is verloren gegaan. Zo zegt reeds de dichter Jehoeda 
ha-Lewi omstreeks 1100, dat de Hebreeuwse liederen ook zonder een bepaald metrisch schema 
( niggün ) werden gezongen. Hij bedoelt blijkbaar het declamatorisch recitatief, waarbij de 
harp slechts diende om de maat te slaan. En Azarje de Rossi verklaarde omstreeks 1574, dat 
men in ’t Hebreeuws noch de lettergrepen ( tnuöt ) noch de woordjes zonder betekenis — 
zoals b.v. de partikels ( millöt ) — moet tellen, maar enkel de begrippen (Hnjanim) , d.w.z. de 
zelfstandige woorden, die een syntactische functie vervullen 40 ). 


Dezelfde principes en indelingen gelden ook voor de Babylonisch-Assyrische 
(Akkadische) metriek, waarvan de bijzonderheden nog zoveel minder zijn onderzocht. 
Het syllabische schrift heeft het voordeel (ook boven het Ugarietische spijkerschrift), dat men 
reeds van de vroegste tijden af voor de uitspraak der woorden en ook voor de betoning vaste 
grond onder de voeten heeft. Zelfs de metrische en de strofische indeling worden hier in bepaal¬ 
de gevallen aangeduid, waarmede het onderzoek dus feitelijk zou moeten beginnen 41 ). Evenwel 
is deze syllabische spelling minder veelzijdig en nauwkeurig dan de aan het Hebreeuwse 
letterschrift toegevoegde vocalisatie en accentuatie. Ook is deze spelling behoudend van aard 
en volgt zij de feitelijke uitspraak met slechts geringe wijzigingen telkens op een verre afstand, 
zodat deze uitspraak het schrift a.h.w. vooruitloopt, terwijl men bij het onderzoek naar oudere 
stadia der Hebreeuwse taal juist andersom voorzichtig terug moet gaan naar het verleden. 

Ongetwijfeld is de zuiver accentuerende metriek op de Akkadische spraakmelodie beter 
toepasselijk dan op de Hebreeuwse. Evenwel zal men ook hier de accentuerende onderzoe¬ 
kingen van wijlen Sievers en Zimmern slechts als een belangwekkend uitgangspunt kunnen 
beschouwen 42 ). Want ondanks deze verdienstelijke studiën is dit onderzoek nog in het aan¬ 
vangsstadium. Desondanks zijn er sedert Zimmern en Sievers vorderingen gemaakt. W. von 
Soden biedt in zijn taalkundig standaardwerk (GAG) belangrijke opmerkingen, vooral in 
§§ 37 en 38 en 186. Maar ook hij zegt meer dan eens, dat het onderzoek naar de bijzonder¬ 
heden nog ontbreekt. Terecht legt hij de nadruk op het typisch Semietische karakter van de 
Akkadische vers- en strofenbouw en merkt hij op dat de Sumerische invloeden hierop slechts 
gering zijn. Inderdaad is de overeenkomst met het Hebreeuws zoveel groter, dat men 
van identiteit der problemen mag spreken. Ook hier berust het ritme principieel op de verdub¬ 
beling; en ook hier mogen principieel in de poëzie noch het accent der woorden in proza noch 
de syntactische bouw der volzinnen gewijzigd worden 43 ). Weliswaar zijn, vooral bij onze 
toepassing van de alternerende metriek op de epische dichtwerken, talrijke wijzigingen van het 


38 ) A. Bruno, Genesis-Exodus, Stockholm, 1953; 
Die Bücher Josua, Richter, Ruth, 1955; Die Bücher 
Samuel, 1955; Jesaja, 1953; Das Buch der Zwölf, 
1957; Die Psalmen, 1955; Das Hohe Lied, Das Buch 
Hiob, 1956. 

39 ) Segert, Vorarbeiten III, ArOr. 25, 1957, 190- 
200. Hij gaat uit van de stelling van J. M. Myers 
(Leiden, 1955), dat de tegenwoordige vorm van het 
boek Ruth de prozaïsche bewerking zou zijn van een 
oorspronkelijk poëtische tekst, maar vindt zelfs voor 
die bestanddelen, die nog het meest voor poëzie in 
aanmerking komen, geen doorlopend metrisch of rit¬ 


misch stelsel. 

40 ) Segert, Vorarbeiten I, ArOr. 21, 1953, p. 500 v. 

41 ) Vgh de babylonische Theodicee en ook de 
tekst Sippar No. 9 (Scheil, ZA 10, 1895, 291 vv.). 
Voorbeeld in het Oude Test.: Exod. 15. 

42 ) Vgl. vooral E. Sievers, Beitrage sur bdbylo- 
nischen Metrik, ZA 38 (N.F. 4), 1929, 1-38, met 
Nachwort van H. Zimmern. 

43 ) Vgl. von Soden, GAG § 186 f: „Die akkadi¬ 
sche Metrik zahlt weder Silben noch misst sie Lan¬ 
gen ... Die rhythmische Gliederung entspricht genau 
der syntaktischen bzw. der Sinngliederung”. 







142 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


143 


gebruikelijke woordaccent niet te ontkennen: vooral door de (op het eerste gezicht abnormale) 
terugtrekking van de klemtonen ondanks de lengte der daarop volgende syllaben. Deze wijzi¬ 
gingen hangen samen met de verkortingen der woorden, vooral door het wegvallen van de 
uitgangen der naamvallen. Dit verschijnsel heeft in de poëzie onder de invloed van het ritme 
vermoedelijk eerder plaats gehad dan in het proza. 

Wie deze wijzingingen niet wil erkennen of wie in zulke gevallen liever de ultima-betoning 
(met de klemtonen op de laatste lettergrepen) wil toepassen zal daarmede tevens van de 
toepassing der alternerende metriek op deze dichtwerken moeten afzien en daarmee de regel¬ 
maat moeten prijsgeven, die door de dichters naar mijn mening bedoeld is geweest. Over dit 
centrale punt van het onderhavige onderzoek zal men zijn oordeel kunnen vormen op grond 
van de aan het slot van deze verhandeling geboden voorbeelden (zie verder beneden § 8). 

Dan komen wij te staan voor de vraag, of men de onderscheiding tussen de woordmetriek 
en de alternerende metriek ook op de Babylonische (Akkadische) dichtwerken kan toepassen. 
Deze onderscheiding is door de jongste onderzoekingen op het terrein van het Hebreeuws en 
het Oude Testament vruchtbaar gebleken en men verwacht juist bij de epische dichtwerken 
reeds in de Oud-Babylonische periode een groter regelmaat dan de eenvoudiger woordmetriek 
zou kunnen bieden. Nu is het wel alleszins begrijpelijk, dat W. von Soden in de inleiding tot 
zijn vertaling der Akkadische hymnen en gebeden nog generlei stappen heeft gedaan in de 
richting van deze onderscheiding. Want juist op de hymnen, psalmen en bezweringen schijnt 
overal de zuivere woordmetriek te zijn toegepast 44 ). Een stelselmatig metrisch onderzoek, 
op ruime schaal ingesteld, zou met de Oud-Akkadisch en de dialektische Oud-Babylonische 
dichtwerken en bezweringen moeten beginnen en deze doen (voor zover zij niet tot het epische 
genre behoren) eveneens slechts woordmetriek verwachten. Maar het is nog de vraag, of men 
hiermede zal kunnen volstaan dan wel in de grote epische dichtwerken het zoveel kunstiger 
stelsel der alternerende metriek mag veronderstellen. 

Dus heb ik een poging gedaan dit stelsel op deze dichtwerken toe te passen: in de eerste 
plaats op het epos der Wereldschepping met zijn zeven zangen en op het epos van Gilgames 
met zijn twaalf zangen, evenals ook op de Oud-Babylonische stukken van dit epos. Als ik 
deze poging als gelukt mag beschouwen, dan ging dat wel ten koste van de uitgangen der 
naamvallen (voor zover niet beschermd door de mimatie ) en ook van andere klinkers aan het 
eind der woorden (en wel reeds in een vroeger periode dan in GAG § 13 c verondersteld is). 
Zulke elisiën (,,Abstossung auslautender Vokale”) spreken in het Hebreeuws en ook in de 
jongere perioden van het Akkadisch vanzelf (vgl. GAG § 13 c, 63 e), zij doen echter in het 
Midden-Babylonisch en het Midden-Assyrisch (hoewel de mimaties reeds waren weggevallen) 
nog enigszins onverwacht aan. De toepassing daarvan in de uitspraak (in afwijking van het 
schrift) is dus methodisch alleen dan geoorloofd, als er vaste regels voor blijken te zijn. Het¬ 
zelfde geldt van de (door ons veronderstelde) terugtrekking der accenten bij elisie van de 
eindklinker, hoewel men zou kunnen verwachten, dat het accent dan op de nieuwe eindsyllabe 
gaat rusten, vooral als die lang of door twee medeklinkers beschermd is. 

Hier staan twee overwegingen tegenover: 1) dat het Akkadisch met zijn zeer „sterk 
ictus-accent”, in tegenstelling met het meer elastieke Hebreeuws, beslist niet (dus ook niet in 
dit geval) behoort tot de talen met klimmend ritme en met nadruk op de laatste lettergrepen 
der woorden (GAG § 38 a f); en 2) dat de klemtonen, althans in de poëzie, volmaakt onaf¬ 
hankelijk zijn van de kwantiteit der syllaben (GAG § 37 c). 

Deze technisch-taalkundige uiteenzetting is ter verantwoording van onze accentuatie 
onmisbaar. Hetzelfde geldt van de volgende stelregels en opmerkingen, die wij in acht para¬ 
grafen verdelen. De hierbij aangehaalde voorbeelden zijn vooral ontleend aan het Scheppings- 
en het Gilgames-epos (afgekort: En.el. en Gilg.) 45 ). Daar het metrum de kwantiteit der 


44 ) A. Falkenstein en W. von Soden, Sumeri- 
sche und akkadische Hymnen und Gehete, 1953, p. 
39 vv. Vgl. ook reeds Meissner, Bahylonien und 
Assyrien, II 152 vv. Over de metriek der Oud-Ba¬ 
bylonische dialektische dichtwerken zie ook von So¬ 


den, ZA 49, 1950, 153 v. 

45 ) Wij halen Gilg. naar de grote editie van R. C. 
Thompson aan (waarvan de nummering vrijwel met 
die van mijn vertaling overeenkomt) en En.EL naar 
de bewerking van R. Labat. 


lettergerpen verwaarloost, laten wij ter vereenvoudiging van de druk de lengtetekens weg, 
behalve waar de lengte ook in het oorspronkelijk door het schrift is aangeduid. De kruisen en 
strepen betekenen de accenten en de caesuren. De klinkers, die klein boven de regel gedrukt 
zijn, worden in de uitspraak geëlideerd, dus (hoewel geschreven) niet uitgesproken. Over de 
toepassing van deze elisiën kan men in mening verschillen, zodat juist hier een vast richtsnoer 
gewenst is, daar men anders van de alternatie moet afzien. 

§ 1. Het normale metrische schema is, evenals in het Hebreeuws, 2 + 2 — 2 + 2, waarbij 
echter het parallelisme der beide halfverzen meestal verdrongen is door de levendiger epische 
verhaaltrant. Men houde rekening met de gevallen, dat twee of meer van deze verzen of 
halfverzen wegens plaatsgebrek in één regel bijeen zijn gebracht (b.v. Gilg. I, kol. II, 30-38) 
of juist andersom elk vers over twee regels verdeeld is (zoals in de Oud-Babyl. versie van 
Gilg. II en III). In En.el. vormen over algemeen 10 van deze halfverzen (dus 5 volle verzen) 
een strofe en op Gilg. kan men een soortgelijke strofische indeling toepassen; normaal zijn 
anders 4 verzen of 8 halfverzen per strofe. Bepaalde zinnen die door de dichter bij wijze van 
overgang of als inleiding tot een betoog zijn ingelast, leze men als proza, b.v. Gilg. I, kol. 
III, 1, 13 en ook in ’t Oud-Babyl. III, kol. III, 12-13 enz. De afwisselende toepassing van 
gebonden en ongebonden stijl wordt anders beschouwd als een kenmerk der jongere poëzie, 
b.v. in het £m-epos 46 ). Evenwel houde men ook daar steeds met de volgende mogelijkheid 
rekening: 

§ 2. In vele gevallen staan namen of andere woorden, die met nadruk naar voren wor¬ 
den gebracht, aan het begin buiten het vers. Daar ook deze namen of woorden meestal twee 
heffingen hebben verkrijgt men dan verzen naar het schema 2 + 2 + 2. Zulke zelfstandige 

XXX X . X x 

namen zijn b.v. Ansar Kisar en Lahm u Laham u in En.el. I 10,15 O 31 vs * lees Ea u Damkin a ). 
Zulke overschietende woorden kunnen ook aan het eind van het vers staan, en wel, als er de 

X X 

nadruk op valt, liefst aan het eind van een strofe. In En.el. I 80 staat b.v. il u ustarhi buiten het 
ritme aan het eind om de spanning te verhogen; hetzelfde geldt van de laatste woorden in 
I 129 en 139: in beide gevallen aan het eind (dus als het hoogtepunt) van de strofe. In de 
bekende passage Gilg. XI 145-154, waar Enkidu het lot der schimmen in het dodenrijk be- 

X 

schrijft, staan bepaalde woorden zoals „ik zag” ( atamar ) 47 ) eveneens buiten het vers. Aan het 

begin staat zo b.v. kat a qibitka En.el. I 157, III 45 bij wijze van „casus pendens”. Zulke ge¬ 
vallen zijn in En.el. (en vooral ook in Era, b.v. I 4,15) talrijker dan in Gilg. Zeldzamer dan 
zulke overschietende versvoeten zijn ontbrekende voeten. Hierdoor worden bepaalde woorden 

gerekt en verkrijgen zij daardoor de nodige nadruk, b.v. En.el. I 150 ia tamhar u rabsikkatut u 

X 

„het opperbevel in de veldslag”. Met glossen of varianten (b.v. het pleonasme iris immir, En.el. 
I 90) zal men slechts bij uitzondering rekening houden. Ook in het Hebreeuws staan bepaalde 
uitdrukkingen zoals hinnê („zie”) of n e üm Jahwe („zo spreekt Jahwe”) buiten het ritme. 

§ 3. Een belangrijke wet, indertijd door B. Landsberger ontdekt en geformuleerd, is 
„das Gesetz des trochaischen Versschlusses”. Geen enkel vers in het Akkadisch eindigt met een 
klemtoon; de klemtoon rust veeleer steeds op de voorlaatste syllabe, de paenultima. Daarom 
verdient het in de praktijk van het scanderen aanbeveling in twijfelachtige gevallen van het 
eind der verzen uit te gaan. Deze wet — en dit is een belangrijk verschil — geldt natuurlijk 
niet voor het Hebreeuws met zijn accenten op de ultima en met zijn meer jambisch ritme. 
In ’t Akkadisch ken ik geen uitzondering op deze wet. Onder de invloed daarvan wordt het 
accent zelfs bij gelegenheid teruggetrokken waar men dit volgens de grammatica niet zou 
verwachten, dus in afwijking van het prozaritme. Enkele voorbeelden biedt Von Soden, GAG 


46 ) Vgl. P. F. Gössmann, Das Era-Epos, Würz- 
burg, 1956, p. 73. 

47 ) Men verwacht het perfectum (punctualis) met 


accent op de eerste syllabe. De accentwij ziging wordt 
verklaard door de in § 3 geformuleerde wet. 





144 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


§ 38 g (eind) en § 38 m. Daarom zie ik geen bezwaar ook in Gilg. I 4 ras nemeq * kalam ïdü 

te lezen en aan te vullen. 

§ 4. Het zuiver alternerende metrum kent wel woorden met twee accenten, maar het kent 
(in tegenstelling met de „woordmetriek”) geen dactylen noch anapaesten. Hierdoor ontstaat 
een moeilijkheid b.v. bij de uitspraak van enige der meest bekende eigennamen, zoals Gilgames 
of Enkidu, die wij nu eenmaal gewend zijn dactylisch te lezen. In onze vertalingen behoeven 
wij van deze geijkte uitspraak geen afstand te doen, daar wij daar van het alternerende metrum 
toch moeten afzien. Bij het scanderen van de oorspronkelijke tekst volge men de uitspraak die 

de dichter bedoeld heeft. De namen luiden volgens het metrum: G'sgimmas (ook in de ge¬ 
vallen van de afkorting Gis in de Oud-Babylonische versie) of GHganies, Enkid u , Humbab a 

XX X XX 

(Oud-Babyl. Huwaw a ), Ur-sanab*, (Oud-Babyl. Sur-sunab *) en (met 2 accenten) Ut-napistim. 
Een moeilijkheid levert nog de stad Uruk op, die meestal Ur n k schijnt te worden gelezen. In 
En.el. luidt de naam van Tidmat volgens het metrum T l am a t (dus monosyllabisch zoals ook 
Phorn in ’t Hebreeuws) en b.v. in I 22 T r am a tamm a en in I 4 toch wel (met een lichte emen- 

X X X X X 

datie) umm u T t am a t (i.pl. v. mumm u ), analoog umm a Hubur in I 132. Behalve zulke namen 
kunnen ook de aan het Sumerisch ontleende woorden met hun gerekte klinkers aan het eind 

metrische moeilijkheden opleveren; men leze b.v. in I 136 usumgall e en in I 141 ugall 11 ur- 

x X X X X 

idimm u \u girtab-hdu (= aqrab-amël u ). 

§ 5 - In ’t Hebreeuws zijn de meeste preposities tot enklitische woordjes of voorzetsels ver¬ 
schrompeld, die voor het metrum worden verwaarloosd. In nog veel ruimere mate nu blijven 
de preposities en andere partikels in de Akkadische alternerende poëzie meestal buiten het 
metrum, zodat men wellicht eveneens met verkorting of elisie der volle klinkers moet rekenen. 
Evenwel geldt dit verschijnsel hier ook van de prepositionele uitdrukkingen, zoals b.v. ina püt 
(Gilg. I, kol. III 6 34), ana libbi (I, kol. IV 36), mahru = ina mahri (En.el. II 9) en zelfs 
van ina bêrisunu (En.el. IV 13). Hetzelfde geldt van de determinatieve en relatieve pronomina, 
van de precatieve en affirmatieve partikels en zelfs van de negaties, terwijl wij toch bij de 
ontkenning eerder een zekere nadruk zouden verwachten. Men lette b.v. op gevallen als En.el. 

I 38 en 30, waar in een anders gelijkluidend vers de negatieve la van de precatieve lü ook in de 
uitspraak duidelijk moet zijn onderscheiden. Meer dan één van zulke metrisch te verwaarlozen 

woorden in hetzelfde vers worden b.v. aangetroffen in En. el. I 52 assum limnëP ikpudu ana 

X X _ x 

ilü mdrës u „daar hij het kwade voorhad met de góden, zijn zoons”, of in En.el.. IV 15 tisamm a 

X v X X 

ina puh n r I lü saqat a amatka 48 ) „neem plaats in de kring, uw woord zij verheven”. Over ’t 
algemeen weet de dichter zulke kreupele verzen te vermijden. 

§ 6. De uitgangen der naamvallen raken, zodra zij niet langer door de mimatie beschermd 
zijn, onderhevig aan de elisie. Dit is een geleidelijk proces geweest, dat met de -u van de eerste 
noamval blijkbaar eerder begonnen is dan met de -i en -a van de casus obliqui, en wel reeds 
in een periode toen het schrift deze naamvallen nog wist te onderscheiden (vgl. GAG § 63 c). 
Onze poging tot toepassing van het alternerende metrum gaat uit van de veronderstelling, dat 
de poëtische taal reeds in ruime mate. van deze uitgangen afstand had gedaan. In de Oud-Baby¬ 
lonische stukken van Gilg. zijn de uitgangen -urn, -im en -am natuurlijk nog gehandhaafd. 

Hier kunnen wij met weinig voorbeelden volstaan: II 7 (Pennsylv.) kisrum sa Anim; II 10 

X X X X X X V x v x 

Uruk mdtum pahir ehs u ; II 11 etlutum unasaqu sepis 11 . In de jongere versie is zelfs de spelling 

48 ) saqata 3de pers. met toegevoegde a wegens de verschuiving van het accent, vgl. GAG 75 c, noot 11. 


BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


*45 


X X X X X 

minder regelmatig; voorbeelden uit het Zondvloedverhaal: XI 35 anakumi I lupid dl a I umman u 

X 

sibutum 49 ) „verantwoorden moet ik mij voor het stadsbestuur, de poorters en oudsten”; XI 

X X X X 

118 üm u uM I ana titp lü iturma „het verleden is veranderd in leem”. Een statistiek op ruime 
schaal ware wenselijk. In de dualis en pluralis blijven de uitgangen -d, -ü en -ï bestaan, evenals 
bij het zwakke nomen, waar zij door contractie beschermd zijn. Vóór de suffixa verkrijgen 

X 

i en a de klemtoon: ana karsisa ; de suffixa der 2de en 3de persoon worden anders altijd 
verkort. 

§ 7. Verdere verkortingen vindt men bij het werkwoord, b.v. het wegvallen van de sub- 

junctieve u : Gilg. I, kol. I, 1, s 0, naqb a imur lt „die de Diepte aanschouwde”; vs. 13 s a sarr u 

a rkü la umassal u amël u manma 50 ) „die geen toekomstige koning ooit zal nabootsen, geen een”. 
Bij gelegenheid betreft deze verkorting zelfs de -u van het meervoud. Een afzonderlijk onder¬ 
zoek zou moeten worden ingesteld naar de enklitische -ma, die steeds verkort wordt ( -m a ) 
en in het daaraan voorafgaande verbum of nomen een wijziging van het normale accent teweeg¬ 
brengt. Ten slotte merken wij nog op, dat korte vocalen, die in ’t vers naast elkaar komen te 
staan, worden gesyncopeerd. Nader statisch onderzoek eisen ook de korte status constructus- 
vormen, die vóór de genitivus hun klemtoon kunnen missen (vgl. GAG § 38 k). 

§ 8. Ten slotte behandelen wij nog eens het moeilijkste vraagstuk: De verplaatsing van 
de klemtonen naar de paenultima (voorlaatste lettergreep) ondanks de lengte van de ultima. 
Dit is een postulaat, waarvoor de volgende argumenten pleiten: a) De af keer van het Akka- 
disch tegen het stijgende woordritme met zijn klemtonen op de ultima; b) De onmogelijkheid 
om bij de toepassing der alternerende metriek de trochaeën telkens te onderbreken door jam¬ 
ben; en c) de onafhankelijkheid van het Akkadische metrum tegenover de kwantiteit der 
vocalen. 

Wij willen de verschillende mogelijkheden van accentuatie door twee voorbeelden toe¬ 
lichten: door het beginvers van het Scheppings-epos (En.el. I, 1) en door een vers uit het 
Zondvloedverhaal in het Gilgames-epos (Gilg. XI, 9). De vertaling van het eerste vers luidt: 
„Toen boven de hemel nog niet was genoemd”, en die van het tweede vers: „Ik wil u, o 
Gilgames, een geheim openbaren”. Opzettelijk is bij deze beide voorbeelden ook de lengte (dus 
de kwantiteit) der vocalen aangeduid. De kleine lettertjes boven de regels worden in het 
tweede en derde geval geëlimineerd (geëlideerd). 

a) De eerste mogelijkheid is de tot nog toe gebruikelijke, al stelt die feitelijk teleur. Men 
volgt de „woordmetriek”, met handhaving van alle uitgangen der woorden, waarbij de klem¬ 
tonen (evenals dit in het proza gebruikelijk is) vallen op de lange of zware vocalen: 

X X v X X X 

En.el. I, 1: Enüma dis 51 ) la nabü sanidmu ; 

XX X X 

Gilg. XI, 9: luptëka Gilgames amdt nisirti 

Dit is onbevredigend, al kan men ld eventueel zonder accent laten (zie boven § 5) en bij 
Gilgames de klemtoon doen vallen op de tweede syllabel (§4). 

b) Met elisie der uitgangen, maar met handhaving der „normale” accenten: 

X x v X X 

En.El. I, 1: Enüm a elis ld nabü samdm u ; 

X X X X 

Gilg. XI, 9: luptik a Gilgames amdt nisirP. 

Dit is aanmerkelijk beter, maar het is in strijd met de boven in § 3 geformuleerde wet. 
Deze jamben en anapaesten zijn in strijd met de overal elders zo duidelijke trochaeische 

versbouw. Bovendien is de accentuatie elis, hoewel grammaticaal juist, opvallend en ongebrui¬ 
kelijk. Onwillekeurig leggen wij, als wij het epos naar zijn beginwoorden aanhalen, de klem¬ 
tonen op de eerste syllaben. 

49 ) Voor anakumi vgl. GAG § 123 c, 155 a. Het versvoet. 

staat met nadruk (zie boven § 2) buiten het ritme. 51 ) Voor de accentuatie elis vgl. GAG § 67 a, 

50 ) De gelijkluidende syllaben sar/ar vormen één 113 i, 118 f. 





146 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


c) Dus geven wij ondanks alle bezwaren de voorkeur aan de zuiver alternerende accentuatie: 

X X XX 

En.el. I, 1: Enüm a dis ld nabü samdm u ; 

X X v X X 

Gilg. XI, 9: luptik a GHgames amdt nisirP. 

Hier zijn de accenten in afwijking van de gebruikelijke uitspraak stelselmatig naar voren 
getrokken. Hiertegen is geen bezwaar, als wij rekening houden met het feit, dat de heffing 
( arsis ) in het Akkadisch een korte en de daling ( thesis ) een lange syllabe kan zijn. Want het 
ritme (ook het prozaritme) is met zijn sterke accenten onafhankelijk van de kwantiteit der 
vocalen. Wie deze mogelijkheid ontkent, is (hoezeer onbewust) nog steeds afhankelijk van de 
kwantiterende klassieke metriek. Bij de elisie der eindvocalen wordt de (in het Akkkdisch on¬ 
gewenste) ultima-betoning vermeden door de accenten naar voren te trekken. Laat men het 
vooroordeel varen, dan verkrijgt men een zuiver alternerend ritme, dat slechts schijnbaar 
onderbroken wordt door de boven in § 5 aangehaalde partikels. 

Bij de volgende voorbeelden uit de epische literatuur kan men bij elk vers afzonderlijk deze 
drie mogelijkheden toepassen en daaruit zijn keus doen 52 ). De toepassing van het alternerende 
metrum is alleen in het derde geval mogelijk en geen van de beide andere mogelijkheden lijkt 
bevredigend. 

Bij de nu volgende voorbeelden van enkele passages hebben wij de geëlideerde vocalen 
(§ 6 en 7), die wij anders met kleine letters hadden geschreven, weggelaten. De preposities 
(zoals ana, ina ) en negaties (zoals la) hebben wij niet afzonderlijk gekenmerkt, hoewel zij bui¬ 
ten het metrum staan en bij het scanderen moeten worden verwaarloosd (zie boven § 5). 

Het begin van het Epos der Wereldschepping (En. el. I, 1-11) luidt: 

X X X ^ v X 

Enum elis la nabü samam 

Toen boven de hemel nog niet was genoemd, 

V X < X X X 

saplis irsit suma la zakrat 
vasteland beneden geen naam had, 

X X x . x 

apsüm restü zariusun 53 ) 

en de oeroude Afgrond, hun verwekker, 

umm T l amt muallidat gimrisun 
en Moeder Tiamat die baarde hen allen 

X X X . X 

mêsun istenis ihiqum 

hun wateren nog met elkaar vermengden, 

X X x A V x 

gipar la kissur susa la se’u 

geen rietland bijeen was, geen polder te zien, 

XX XX 

enum ilu la supü manam 

toen geen der góden was tot aanzijn geroepen, 

X X X X 

suma la zukkur simat la slmu 

noch zijn naam had verkregen en geen lot was bepaald: 

XX X X 

ibanum ilü qerebsun 

toen vormden zich góden in hun bereik (binnenste), 

x x v x . x 

Lahm Laham ustapü sum izzakru 54 ) 

Lachrnu en Lachamu ontstonden en kregen hun naam. 

52 ) Voor de toepassing van de eerste mogelijkheid hm) zie GAG § 38 g. Voor umm T'amt zie boven 
vgl. de edities en transcripties, daar in onze voor- § 4. 

beelden in het vervolg de geëlideerde vocalen meestal 54 ) Var. sutapu sun u . Het godenpaar heeft één 

zijn weggelaten. accent, zie boven § 2. 

53 ) Voor de „Doppelbetonung” zarüsun (< zariu- 


BljBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


147 






148 


VOOR AZIATISCHE PHILOLOGIE 



BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


149 


ana bit sa eribus la asü 

m X XX X 

dat niet kan verlaten wie het betreedt, 

X XXX 

ana harrdn sa alaktas la taiarat 

langs een weg waarvan de baan geen wederkeer toestaat, 

XXX X 

ana bit sa eribus 57 ) zummü nur 

het huis welks betreders van het licht zijn verstoken 

X X X v> X 

asar epr bubussun akalsin titt u 

waar stof is hun voedsel en hun spijs is het leem, 

X # X XX 

nür ul immaru 58 ) ina etut asbu 

waar zij het licht niet zien, maar in duisternis wonen 

X v X X X 

labsum a kim a issur subat kap pi 

en zij als de vogels met veren bekleed zijn. 

Hetzelfde ritma wordt aangetroffen in het dichterlijk verhaal van Adapa en de Zuiden¬ 
wind. Dit werd over het hoofd gezien, omdat de verzen in het belangrijkste fragment B (dat 
gevonden werd in Teil el-Amarna) doorlopend als proza geschreven zijn. De metrische inde¬ 
ling is niet twijfelachtig 5S ). Wij halen enkele verzen uit dit fragment B aan (VS XV, No. 194, 
7 vv.). Adapa, de beschermeling van de Watergod Ea heeft de vleugels gebroken van de (als 
een vrouwelijke godheid voorgestelde) Zuidenwind. De Hemelgod Anu eist rekenschap 
(r. 8 vv.): 

X X X X 

An u ana suk kalis Ilabrat isassi 

Anu riep toen zijn bode Ilabrat: 

x >v x > ?. x . x , x 

ammini Sütu istu sibi ümi I ana mat ul iziqa 

„Waarom waait de Zuidenwind sinds een week niet meer naar het land?” 

X v X X X 

siikallas Ilabrat ipals u bëli 

Zijn bode Ilabrat antwoordde: „Mijn Heer, 

XX X V -X . X X 

Adapa mar Ea sa Sïiti I kappas ustebir 

Adapa, de zoon van Ea, heeft van de Wind de vleugels gebroken!” 

An u amat annita ina sëmis u I ilsi nar ar 

Toen Anu dit antwoord had vernomen, riep hij : „Helaas!” 

# X X v X > X 

itibi ina kussis süt lilqunis 

Hij sprong op van zijn troon: „Men hale hem hier!” 


De sluwe god Ea echter waarschuwt zijn beschermeling, voordat deze de tocht naar de 
hemel (de woonplaats van Anu) aanvaardt (r. 28 w.): 

X # X X X 

ana pani Ani ina uzuzika 
Als gij nu voor Anu komt te staan 

X v X XX XX 

akal sa müt ukalunikkum I laa takal 59 ) 

en men u dodelijk brood aanbiedt — eet dat niet!’ 

X X X X X X 

mee müt ukalunikkum I la tasatti 

Als men u dodelijk water aanbiedt — drink dat niet! 

X X X X 

lubar ukalunikkum litbas 

Maar als men u een gewaad aanbiedt — trek dat aan! 

58 ) Als E. Speiser, ANET 2 (1955) P- 101 > °P~ te houden met de maat of de versregels — werd 
merkt, dat „This text lacks the normal metric form”, neergeschreven. 

dan bedoelt hij daarmee uitsluitend de tekst, die op 59 ) De laatste beide woorden staan met bijzondere 
dit grote tablet B uit El-Amarna — zonder rekening nadruk buiten het ritme, vgl. boven noot 53 en 55. 





VOOR AZIATISCHE PHILOLOGIE 


samn ukaiunikkum pissas 

Als men u olie aanbiedt — zalf u daarmee! 

X XX X 

tem sa askunuk la temikki 

Verwaarloos de raad niet, die ik u gaf, 

X XXX 

amat sa aqbaku lu sabtata 

neem aan het woord, dat ik tot u sprak!” 

mar sipri sa An l iktalda 

Toen kwam de bode van Anti: 

Adap a sa Süti kappas isbir 

Adapa heeft van de Zuidenwind de vleugels gebroken — 
xx v x x vv 

ana muhhia subilassu 
stuur hem naar mij toe!” 

In plaats van het vervolg en de strekking van dit verhaal uiteen te zetten wil ik aan het 
slot liever spreken over een veel minder bekend Babylonisch dichtwerk: het epos van de god 
Era of Irra, waarvan in 1956 door Gössmann een mooie nieuwe bewerking is verschenen, die 
o.a. door Frankena op grond van door hem in Istanbul gecollationeerde fragmenten nog 
verder wordt aangevuld 60 ). 

De inhoud van dit epos met zijn vijf zangen wordt begrijpelijk als men uitgaat van 
de betekenis der namen van de góden en demonische krachten die hier de hoofdrol vervullen. 
Era is een god der onderwereld, het onderste gedeelte van de kosmos; zijn naam werd opgevat 
als het Sumerische woord erad of era, in Akkadisch ardu de knecht of de slaaf, en dan ook 
met het ideogram voor „knecht” geschreven. Zijn raadgever en helper Isum is de god van het 
vuur 61 ). In de onderwereld is alles andersom als hierboven; de sociale verhoudingen zijn 
omgekeerd: de koning is slaaf. Maar nu wil deze Era kosmokrator worden; hij streeft naar 
het bewind over de totaliteit, en daar zeven het getal is van het totale, zijn het zeven godde¬ 
lijke wezens — kinderen van de Hemelgod Anu en de Moeder Aarde — die hem hierbij helpen. 
Hun hulp en wapen in deze titanenstrijd is het vuur. Zelfs Marduk, het hoofd der hemelse 
góden moet wijken. Babylon, de zetel van het leven wordt verwoest: „Wee u, Babylon!” 

(Era-epos IV 31-44): 

X V X . X X x x 

ummdn sarri 1 uktassirm a iterub ana ali 

Het koninklijk leger, opgesteld voor de slag, drong door in de stad, 

x x x e X 

naphat tilpan zaqip patru 

met brandende pijlen en getrokken zwaarden. 

X X # X X X v X 

sa sabë kidin I ikkib An 11 u Dagan \ kakkësun tazzaqap 

Zelfs tegen kliënten van Anu en Dagan hebt gij hen hun aanval doen richten. 

damësun kima I me rat tusasbit ribit ali 

Als gootwater liet gij stromen hun bloed over het stadsplein 

X X X V x # X 

umunnasun taptëm a tusabil ndra 

en door de rivier doen wegvoeren hun uitgestort bloed! 

bel rubü Marduk I imurm a u’a iqtabi I libbas issabat 

Toen de grote Vorst Marduk dit zag, werd hij ontroerd en verhief hij zijn weeklacht, 


60 ) P. F. Gössmann, Das Era-Epos, Würzburg zoals die door de Babyloniërs zelf werd toegepast. 

(1956), en de opmerkingen van R. Frankena in De eigenlijke betekenis van zulke godennamen is 
BiOr XIV, 1957, 2-10; XV, 1958, 12-15. onbekend. De naam Isum komt overeen met de ou- 

61 ) Natuurlijk beschouwen wij deze verklaring van dere vorm van het Hebreeuwse woord voor het 
de naam Era slechts als een geleerde etymologie, vuur ( ës ). 


BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


arrat la napsur issakan ina pisn 
een onherroepelijke vloek stiet hij uit: 

X X ,v X . X v 

itmamm a sa nar 1 ul isatti me sa 

Hij zwoer het water uit de rivier niet langer te drinken: 

X XX X X 

damïsun \itadar ul irrub ana Esagil 

Daar hem walgt van hun bloed betreedt hij niet langer zijn Tempel. 

En nu volgt de jammerklacht van de diep ontroerde god Marduk: 

X x # #v X X 

u’a Bdbil sa kima gisimmar billatis ? 1 

Wee u, o Babylon, dat ik als een palmboom zijn vruchten 

X X X X 

usahrisum ubilus saru 

weeld’rig deed dragen — de wind droeg die weg! 

u’a Bdbil sa kima terinnat zêra 
Wee u, o Baylon, dat ik met zaad als een vruchtkegel 
x v x x v x 

umallusum la asbu lal es™ 

gevuld had — niet genoot ik zijn weelde! 

X X > X X 

u’a Bdbil sa kima kirê nuhsi 

Wee u, o Babylon, dat ik als een plantsoen met overvloed 

X X v X X 

azqupusum 0, la akul n enebsu 

had aangelegd — niet at ik zijn vruchten! 

X X X X 

u’a Bdbil sa kimakunuk elmes 1 

Wee u, o Babylon, dat ik als een zegel van kostbare steen 

X x X • X 

addus u ina tikki Anim 
de Hemelgod aan de hals had gelegd! 

X X X X X 

u’a Bdbil sa kima tupsimaP (beter: Dubnamtar) ina qdtd 
Wee u, o Babylon, dat ik als de tafels van het noodlot 

x v x x vv X X 

asbatusum la umassarus \ ana manma 

in mijn hand had gegrepen om die aan niemand te laten! 

Zo gaat het klaaglied door. Treffend is de beschrijving van de ellende en de verwoesting. 
Pas aan het eind, in de laatste zang, vindt men het motief van het berouw en de inkeer der 
verwoestende Godheid. Daar verkondigt Era in de vergadering van alle góden plechtig zijn 
wilsbeschikking. Het vuur dooft uit en uit de verschroeide aarde ontspruit jong leven. Baby¬ 
lon en zijn tempels worden in hun oude glorie hersteld en van de bewoners blijft een rest 
of een o v e r b 1 ij f s e 1 behouden om het land opnieuw te bevolken. Want aldus luidt het 
besluit van de god Era (Zang V, vers 25 en 33-41): 

x X . X x x 

nïsi | map esat litura ana ma’dis 62 ) 

De bewoners van het land, een luttel getal zullen talrijk weer worden! 


sadi I hisibsun tarnt tusassd bilats 11 

Gij laat de bergen hun weelde dragen en de zee haar opbrengst; 

XXX XX 

qerbët \ sa usiahrib a tusassd bilta 

de beemden, die verwoest waren geweest, doet gij weer winst dragen. 

sakk a nakk u I qer e b dl 1 kdlisun bilatsun kabitt a I usessü ana qer e b Suanna 
De stadhouders zullen alom naar Suanna (= Babylon) 

zware schatting doen brengen. 

e2 ) Men lette hier en in het vervolg op de talrijke der verzen; vgl. hierover boven § 2. 
gevallen van overschietende versvoeten aan het begin 






x 5 2 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


ëkurrat I sa ustalpitu kima nipih sams { I lissa resasin 

De tempels, die vernield zijn geweest, rijzen op als de stralen der zon; 

X X X X X 

Idiglat ! P u ratt u lisabil a mê hegalli 

Tigris en Eufraat zullen overvloedig water aanbrengen 

De volgende beide verzen zijn verminkt overgeleverd. Vers 39 luidde misschien oor¬ 
spronkelijk: 

X X X X X X 

sandt la nibi I tanitti Era (sic) 63 ) qiirad liqbü 

Tot in lengte van dagen verkondige men de roem van Era, de held : 

v x x x x x x v x v X X 

sa Era ! iguggum a ana sapan matlat 1 | u hulluq nisisun iskun u pdnis u 

Dat Era vertoornd was en tot verwoesting der landen en verdelging der mensen was 

besloten — 

x v X X X X 

Isum I maliks u unihsum a izzib u rihat 1 
Maar dat Isum, zijn raadsman, hem heeft gekalmeerd, 

zodat hij de resten gespaard heeft! 

Dit epos van Era (of Erra) is betrekkelijk jong. De dichter noemt zijn naam, hetgeen in 
de oudere dichtkunst ongebruikelijk is. Hij heet: Kabti-ilani-Marduk, de zoon van Dabïbi. De 
naam betekent: ,,Marduk is de heerlijkste (of de meest geëerde) onder de góden”. Hij zal een 
priester geweest zijn bij de hoofdtempel van de god Marduk in Babylon, voordat deze stad en 
de tempel op bevel van koning Sanherib (Sennacherib) in 689 v. Chr. werden verwoest. In 
die geest poogt Gössmann zijn tijd te bepalen: het Era-e pos zou zijn gedicht na deze ver¬ 
woesting omstreeks het jaar 685 v. Chr. 64 ). Dan kan men vermoeden, dat de dichter naar 
Assyrië was gedeporteerd, zodat zijn dichtwerk spoedig ook daar bekend en verspreid werd, 
zodra Asarhaddon het Anti-Babylonische fanatisme van zijn vader Sanherib desavoueerde en 
de stad Babylon met de tempels liet herbouwen. 

Is deze tijdsbepaling juist, dan is deze Kabti of Kabtia (aldus werd zijn naam afgekort) 
een iets jongere tijdgenoot geweest van de grote profeet J e s a j a. Evenals Jesaja is ook hij 
diep onder de indruk geweest van het gevaar en van de vernietiging, die zijn land, volk en 
heiligdom hadden getroffen. Want evenals Jesaja zijn boodschap van zonde, straf en verlossing 
verkondigd heeft onder de indruk van al de rampen, waardoor het land Juda en Jeruzalem 
in het jaar 701 v. Chr. werden bedreigd en getroffen 65 ), heeft deze Kabti zijn epos gedicht 
onder de indruk van de volledige verwoesting van de stad en de tempels van Babylon in het 
jaar 689 v. Chr. In beide gevallen was de Assyrische koning Sanherib de aanstichter van 
de nood en ellende. En in beide gevallen kwam de plotselinge ommekeer als door een wonder. 
Opmerkelijk (ondanks alle verschil van het religieuze peil) is dan ook een zekere overeen¬ 
komst van grondgedachte: dat God zich ten slotte ondanks alle ellende weer ontfermt, deze 
ellende keert en een overblijfsel, een rest zal sparen en overlaten, zodat nieuw leven ontluikt 
uit de verwoesting (vgl. Jesaja 10: 20-27a) 66 ). 


63 ) Men verwacht juist hier de naam van Era 
(of Erra) als de hoofdpersoon van het drama. Zijn 
naam werd hier blijkbaar door die van „de grote 
Heer Nergal” vervangen, als de beheerser van de 
Onderwereld. Ook Gössmann merkt op: „Hier rnüss- 
te man unbedingt den Namen Era erwarten, dem ja 
das Werk gewidmet ist” ( a.w., 69). Hieruit volgt 
dan volgens hem de identificatie van beide góden. 

Over de historische achtergrond van de in dit 
epos veronderstelde gebeurtenissen zie Gössmann, 
a.w., 88 vv. 

65 ) Volgens de annalen van Sanherib werden toen 
in het kleine Judaea 46 vestingen en ontelbare dor¬ 
pen verwoest en 200150 mensen gedeporteerd (vgl. 
ANET 2 p. 288a). 

6G ) Een monografisch onderzoek zou moeten wor¬ 


den ingesteld naar de rol van de god Isum, ook bui¬ 
ten dit epos. Deze Isum vertegenwoordigt niet alleen 
de vernielende kracht van het vuur, maar verschijnt 
tevens als de „heilbrenger” of „heiland”: als bemid¬ 
delaar tussen góden en mensen en als de vriendelijke 
voorspraak der mensen; b.v. reeds in de Oud-Baby- 
lonische liederen Cuneif. Texts XV, 6 (zie Jaarbericht 
I 4, blz. 202) en ook in het Visioen van Kummd , 
welk dichtwerk — evenals het Era-epos — afkomstig 
zal zijn uit het tijdvak der Sargonieden. Hierover zie 
Speiser, ANET 2 p. 110a en von Soden, ZA 43, 
1936, 29. Gössmann, a.w., 82 denkt op dit punt aan 
litteraire afhankelijkheid. Een natuurlijke verklaring 
is onbevredigend, b.v. uit het dubbele karakter van 
het vuur, vriendelijk koesterend en vijandig vernie¬ 
lend : in ieder geval louterend. 


BIJBELSE EN BABYLONISCHE DICHTKUNST 


153 


[ Maar zulke analogieën blijven juist terwille van het religieuze hoogteverschil precair. 

Eén ding is zeker: het probleem der Theodicee (de rechtvaardiging van het Godsbestuur) 
stond in het middelpunt van het theologische denken der oude Babyloniërs. Onze dichter (die 
zelf blijkens V 53 en 55 in het vijandelijke land samen met de zangers en schrijvers het vonnis 
afwacht) worstelt met dit probleem: hoe toch Marduk , de Oppergod en „Heer der wijsheid”, 
de vernietiging van zijn eigen stad en tempel en de vermoording van talloze onschuldige men¬ 
sen (vgl. IV 27-30) heeft kunnen toelaten. Hoe was het mogelijk, dat de machten van dood, 
oorlog en ziekte hier op aarde gingen regeren om alles te vernielen (vgl. IV 113-127)? Met 
de grootste nadruk ontkent hij de aansprakelijkheid van zijn god Marduk en van de overige 
hemelse góden. Want vrijwillig heeft Marduk zich naar het bereik van Era begeven en aan 
deze god van de onderwereld zijn heerschappij tijdelijk afgestaan. Era heeft macht over hem 
verkregen door zijn diadeem en andere symbolen van zijn heerschappij te roven (I 124-161). 
Alle bedenkingen werden door deze Hellegod ontzenuwd door de valse voorspiegeling, dat hij 
de wereldorde en het recht zou blijven handhaven (I 179-192). Marduk werd dus door zijn 
duivelse tegenspeler bedrogen, maar hij blijft zonder schuld 67 ). Zodra hij naar de onderwereld 
is afgedaald, neemt Era zijn plaats in (vgl. II 1, III 73). Ook de god Ea, de vriend der mensen, 
poogt vergeefs te bemiddelen (II 15 w.). Als Marduk bij zijn terugkomst het bloedbad aan¬ 
schouwt, weigert hij vol afgrijzen zijn tempel Esagil weer te betreden (IV 39). Zodra Era 
echter tenslotte berouw toont en hij zich door Isum heeft laten kalmeren, keert hij (Era) 
onmiddellijk terug naar zijn eigen tempel Emeslam, die in Kutha, de stad van de onderwereld, 
is gelegen (V 22). Van daar uit verkondigt hij dan plechtig het heil en de aanstaande ver¬ 
lossing (V 25-41). De baan is nu weer vrij voor de glorieuze terugkeer van de god Marduk 
naar Babylon en voor diens hernieuwde troonsbeklimming in zijn hersteld heiligdom. Dit 
hoogtepunt van het geheel wordt door de dichter aan het slot slechts even aangeduid, maar 
niet verder uitgewerkt: hij verwacht deze vervulling van zijn hartstochtelijk verlangen blijkbaar 
nog van de toekomst; zijn eigen lot is nog onzeker en ook de herbouw van Babylon en de 
Tempel is nog niet voltooid, wellicht nog niet eens begonnen 68 ). Slechts één ding staat voor 
hem met onwrikbare zekerheid vast: De grote Lichtgod Marduk blijft bij dit alles zonder 
schuld, hij gaat vrij uit, zelfs naar het oordeel van degenen onder zijn aanhangers die uit de 
slachting zijn overgebleven. Want Marduk heeft het kwade niet gewild — hij heeft het slechts 
onder de meest tragische omstandigheden toegelaten. Dit is voor de Babylonische dichter in 
zijn bijzondere situatie het enige mogelijke antwoord geweest op het aloude vraagstuk der 
Theodicee. 

Leiden, 14 maart 1958 F. M. Th. de Liagre Böhl 

— BiOr = Bibliotheca Orientalis. — BZAW = Beitrage zur Wissenschaft vom Alten Testament. — 
ANET = Ancient Near Eastern Texts (ed. J. B. Pritchard). — ArOr. = Archiv Orientalm (Praag). 
— BiOr = Bibliotheca Orientalis. — BZAW = Beitrage zur Wissenschaft vom Alten Testament. — 
GAG = W. von Soden, Grundrisse der akkadischen Grammatik. — GGT = Gereformeerd Theologisch Tijd¬ 
schrift. — HUCA = Hebrew Union College Annual (Cincinnati). — JNES = Journal of Near Eastern 
Studies. — KAR = Keilschrifttexte aus Assur religiösen Inhalts. — LSS, N.F. = Leipziger Semitistische 
Studiën, Neue Folge. — RLA = Reallexikon der Assyriologie. — ThR = Theologische Rundschau. — 
VS = Vorderasiatische Schriftdenkmaler. — ZA (N.F.) = Zeitschrift für Assyriologie (Neue Folge). — 
ZAW = Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft. 

67 ) Tijdens de regering van Sanherib werden alle 6S ) Inderdaad werden de standbeelden van Mar- 
middelen in het werk gesteld om Marduk als de duk en van de overige góden, die in 689 v. Chr. naar 
Oppergod door de nationale Assyrische god Assur het heiligdom te Assur waren overgebracht, niet 
te doen vervangen. Marduk moest aan Assur zijn eerder dan in 668 naar Babylon (en Borsippa) terug- 
voorrang en zijn voorrecht der lotsbepaling af staan gebracht, toen koning Samas-sumukin daar de troon 
(vgl. ook von Soden, ZA 51, 1955, 130-166). Na- beklom. Twintig jaar lang vertoefde Marduk in 

tuurlijk kon onze dichter in de gegeven omstandig- het buitenland en was de viering van het nieuwj aars¬ 
heden de nieuwe Wereldgod niet rechtstreeks afbre- feest in Babylon gestaakt; dus zelfs nog gedurende 

ken. Dus koos hij tot schuilnaam voor Assur een de regering van Asarhaddon; vgl. de gegevens in 

minder bekende en minder actuele godennaam uit diens kroniek bij R. Borger, a.w. (zie boven noot 

de kring van de god Nergal te Kutha. 33), p. 124 v., en A. L. Oppenheim, ANET 2 303. 

Jaarbericht N° 15 1Z 







154 


VÓORAZIATiSCHË PHÏLÖLOGIË 


DE TOCHT VAN DE GODIN ISJTAR NAAR HET DODENRIJK 

EEN BABYLONISCH DICHTWERK 

In het Jaarbericht II, No. 6, 1939, blz. 138-130 verscheen een vertaling van dit prachtige 
dichtwerk, dat in de wandeling meestal „Isjtar’s Hellevaart” wordt genoemd. Het Sumerische 
gedeelte was bewerkt door B. A. van Proosdij en Het Akkadische (Babylonische) door 
J. Zandee. Als wij na verloop van bijna twintig jaren een nieuwe vertaling van de Akkadische 
versie bieden, dan betekent dit geen gebrek aan waardering voor dit verdienstelijk werk. Wij 
willen iets doen dat toen nog buiten de gezichtskring van de vertaler was gelegen, en wel in 
onmiddeUijke aansluiting van de op bh. 133-153 af gedrukte verhandeling over de Bijbelse en 
Babylonische dichtkunst. Wij pogen mn de Nederlandse lezers een indruk te geven niet alleen 
van de inhoud, maar vooral ook van de vorm en van het ritme (al kunnen ook wij het alter¬ 
nerende metrum niet in bijzonderheden nabootsen) en van de strofische indeling. Met nadruk 
verwijzen wij hierbij op de inleiding en ook op de nuttige lijst der Sumerische en Akkadische 
namen en termen, die toen door van Proosdij werd saamgesteld. 

Onze inleiding kan dus kort zijn. Wij moeten ons vooral een denkbeeld pogen te vormen 
van de voorstellingen der oude Babyloniërs omtrent het Heelal, de Kosmos. De zon draait om 
de aarde, en de zon is een god: Sjamasj (Sumerisch UtuJ, die op zijn dagelijkse tocht over 
de hemel al het onrecht hier op de aarde bespeurt en wreekt. De aarde is een schijf, rondom 
omgeven door de oceaan: de „wateren des doods”, die door geen sterveling kunnen worden 
overschreden 1 ). Boven de aardschijf zijn de hemelen: zeven vaste gewelven, elk door een 
aparte hemelpoort toegankelijk. In de bovenste, de zevende hemel zetelt de Hemelgod Anu. 
Onder de aardschijf komt eerst het rijk van Het zoete water, waar de rivieren en bronnen van¬ 
daan komen. Het wordt beheerst door de god Ea. Daaronder liggen — analoog aan de hemelen 
— de zeven sferen van het Dodenrijk, elke daarvan ommuurd en door een poort toegankelijk, 
die door een wachter worden bewaakt. In de diepste sfeer zetelt de meesteres van dit grote 
rijk: de godin Ereskigal, wier naam wij met c de Dodengebiedster 0 hebben vertaald. Haar zuster 
en tegenspeelster in de hemelse zvereld is de godin Isjtar, wier naam overeenkomt met die 
van de Phoenicische Astarte: de godin van de planeet Venus, dochter van de Mmngod Sin. 
In het Sumerisch heet deze godin Inanna, d.w.z. c de Hemelgebiedster 0 , dus de antipode van 
de C D odengebiedster 0 . Als zij naar het Dodenrijk af daalt en die beiden elkaar ontmoeten, komt 
Het tot een botsing, die ook op aarde grote gevolgen heeft. 

Een waarschuwing is hier op zijn plaats voor eenzijdig natuurmitologische verklaringen: 
b.v. Isjtar als de avondster, die in de onderwereld onder gaat en straks als morgenster weer 
opgaat. Dat het verhaal een diepere zin heeft, blijkt reeds uit de oudere Sumerische versie, die 
uitvoerig is, met plechtige herhalingen. De Akkadische dichter heeft deze oudere versie blijk¬ 
baar gekend, maar bekort tot een aanschouwelijk verhaal en hij heeft zélfs de strekking daar¬ 
van veranderd 2 ). 

Want aan het slot van het Sumerische dichtwerk staat het verraad: de godin, uit de onder¬ 
wereld bevrijd, levert haar minnaar Tammuz (of Dumuzi) aan de daemonen over, die hem 
als haar plaatsvervanger naar het Dodenrijk wegrukken. De eindpassage van het Akkadische 
dichtwerk is gesteld in beknopte en geheimzinnige aanduidingen. Als wij de bedoeling van de 
dichter goed begrijpen, dan heeft hij juist op dit hoogtepunt van het spannende verhaal het 
verraad vervangen door de tragedie en door de droevige rouwklacht van de bedrogen 
geliefde 3 ). 

1 ) Vgl. Gilgamesj-epos X, kol. IV. de la troisihne Rencontre Assyriologique Internatio- 

2 ) Vgl. S. N. Kramer, Imnna’s Descent to the nale, Leiden, 1954» P- 5 2 vv. 

Nether World, ANET 2 pp. 52-57, waar het slot — 3 ) In de vertaling door E. Speiser, Descent of 

het verraad van de godin Inanna en het lot van haar Ishtar to the Nether World, ANET 2 pp. 106-109 
minnaar Dumuzi — op p. 52, noot 6 is toegevoegd. wordt deze slotpassage nog verklaard voor “obscure 

Zie hierover vooral A. Falkenstein, Compte Rendu in its allusions” (p. 109, noot 28). 


DE TOCHT VAN DE GODIN ISJTAR NAAR HET DODENRIJK 


155 


Vz - 1 Op het huis zonder thuiskomst, het bereik van de Dood, 

Had de Maandochter Isjtar haar zinnen gezet. — 

De dochter van Sin beoogde de tocht 

Naar het duistere huis, woonplaats van Irkalla — 

5 Dat niet kan verlaten wie het betreedt, 

Langs een weg, waarvan de baan geen wederkeer toestaat, 

Het huis welks betreders van het licht zijn verstoken, 

Waar stof is hun voedsel en hun spijs is het leem, 

Waar zij het licht niet zien, maar in duisternis wonen 

10 En zij als de vogels met veren bekleed zijn; 

Over deur en grendel ligt stof verspreid, 

(Ontzetting is uitgestort over de poort) 4 ) — 

Bij haar komst voor de poort van het land zonder thuiskomst 
Sprak Isjtar het woord tot de wachter der poort: 

„Hei daar, gij wachter, open Uw poort, 

15 Doe open Uw poort — Ik wens binnen te gaan! 

Als gij de poort niet opent en ik niet mag ingaan, 

Zal ik inslaan de deur en de grendel verbreken, 

De deurpost verbreken en de deuren ontzetten, 

Voer omhoog ik de doden die de levenden zullen verteren, 

20 Zodat er meer doden dan levenden zijn!” 

De poortwachter nam het woord om te spreken 
En zeide tot Isjtar, de verheven vorstin: 

„Houd op, o vrouwe, breek (de poort) niet af! 

(Blijf wachten hierbinnen), opdat ik ga 
Aan de Koningin Uw naam te vermelden.” — 

25 De wachter ging binnen en sprak tot de Dodengebiedster: 

„Zie toch, uw zuster Isjtar staat voor de poort, 
die haar grote schellen doet rinkelen 5 ) 

(En de diepte opwoelt voor Ea)!” 

Toen de Dodengebiedster dit had vernomen, 

Werd haar gelaat zo bleek als een verflenste boomtak 
30 En haar lippen zo vaal als een rotan: 

„Wat heeft haar aangedreven ? Wat heeft haar gemoed doen ontvlammen? 

Want wat mij betreft: met de góden der Diepte 

Drink ik slechts water uit lederen zakken. 

Leem eet ik inplaats van brood, 

Drink geen bier, maar slechts troebel water! 

4 ) Het tussen haakjes geplaatste wordt alleen aan- Bedoeld zal zijn het sistrum : een gebogen raam of 

getroffen in de (oudere) versie uit Assur. „ring”, waardoor metalen staafjes waren gestoken. 

5 ) „Schellen”: zie Deimel, $um. Lex. 461, 154. Bij het schudden ontstond een rinkelend geluid. 


156 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


Ik moet schreien om de mannen, die hun liefste moesten verlaten, 

35 Moet wenen over de meisjes, weggerukt uit de omhelzing, 

Om het tere kind wenen, dat ontijdig bezweek! 

Ga, wachter, en open voor haar dan uw poort 
Behandel haar naar de aloude gebruiken!” 

De wachter nu ging opende haar zijn poort: 

40 Treed binnen, o vrouwe, het dodenrijk juiche u toe, 

Het paleis van het land zonder thuiskomst jubele u tegemoet! 

Hij leidt haar de eerste poort binnen, zet die wijd open, 

Maar ontrukt haar de diadeem van haar hoofd. 

„Waarom toch, o wachter, ontrukt gij de diadeem van mijn hoofd?” 
„Treed binnen, o vrouwe, 

Aldus luidt de wet van de Dodengebiedster’.” 

45 Hij leidt haar de tweede poort binnen, zet die wijd open, 

Maar ontrukt haar de hangers van haar oren. 

„Waarom toch, o wachter, ontrukt gij de hangers van mijn oren?” 

„Treed binnen, o vrouwe, 

Aldus luidt de wet van de Dodengebiedster!” 

Hij leidt haar de derde poort binnen zet die wijd open, 

Maar ontrukt haar de ketting om haar hals. 

Waarom toch, o wachter, ontrukt gij de ketting van mijn hals? 

50 Treed binnen, o vrouwe, 

Aldus luidt de wet van de Dodengebiedster!” 

Hij leidt haar de vierde poort binnen, zet die wijd open, 

Maar ontrukt haar de sieraden op haar boezem. 

„Waarom toch, o wachter, ontrukt gij mijn boezemsieraden?” 
„Treed binnen, o vrouwe, 

Aldus luidt de wet van de Dodengebiedster!” 

Hij leidt haar de vijfde poort binnen, zet die wijd open, 

Maar ontrukt haar de toverriem van haar lendenen. 

55 „Waarom toch, o wachter, ontrukt gij mijn lendengordel?” 

„Treed binnen, o vrouwe, 

Aldus luidt de wet van de Dodengebiedster!” 

Hij leidt haar de zesde poort binnen zet die wijd open 
Maar ontrukt haar I de spangen om haar handen en voeten. 

„Waarom toch, o wachter, ontrukt gij mijn hand- en mijn voetspang?” 

„Treed binnen, o vrouwe, 

Aldus luidt de wet van de Dodengebiedster!” 


DE TOCHT VAN DE GODIN ISJTAR NAAR HET DODENRIJK 


157 


60 Hij leidt haar de zevende poort binnen, zet die wijd open, 

Maar ontrukt haar de schaamdoek van haar schoot. 

„Waarom toch, o wachter, ontrukt gij mijn schaamdoek?” 

„Treed binnen, o vrouwe, 

Aldus luidt de wet van de Dodengebiedster!” 

Zodra Isjtar het huis zonder thuiskomst bereikt had 
En de Dodengebiedster haar zag, ontstak die in woede 
65 Maar zonder bedenken stortte Isjtar zich op haar! 

De Dodengebiedster opende de mond en zeide, 

Tot Namtar, haar vizier, sprak zij dit woord: 

„Ga, Namtar, en grijp haar en sluit haar in mijn paleis op! 

Laat los zestig kwalen om Isjtar te pakken: 

70 De oogkwaal aan haar ogen, de armkwaal aan haar armen, 

De voetkwaal aan haar voeten, de hartkwaal aan haar hart, 

De hoofdkwaal aan haar hoofd: over heel haar lichaam 

Wil ik kwalen slingeren naar het lichaam van Isjtar!” 

Sinds Isjtar, de vrouwe, in ’t land zonder thuiskomst verdween, 

Besprong geen stier meer een vaars, geen ezel dekte zijn merrie, 

Had geen man in de steeg met het meisje meer omgang, 

Sliep de man op zijn kamer, lag het meisje alleen. 

Az. i p) e godenbode Papsukkal, het hoofd gebogen, omhuld het gelaat, 
Trad schreiend voor Samas en Sin, zijn vader, 

En voor Ea, de koning, stortte hij tranen: 

„Isjtar daalde neder ter helle, maar stond niet weer op! 

Sinds Isjtar, de vrouwe, in ’t land zonder thuiskomst verdween, 
Bespringt geen stier meer een vaars, dekt geen ezel zijn merrie, 
Heeft geen man in de steeg met het meisje meer omgang, 

10 Slaapt de man op zijn kamer, ligt het meisje alleen!” 

Ea schiep in zijn wijsheid een wezen 

Welks schoonheid was schitterend — een behaagzieke knaap. 

„Ga dan, gij knaap, keer u naar het land zonder thuiskomst, 

De zeven poorten daarvan zullen zich openen voor u. 

15 Zodra de Dodengebiedster u ziet zal die zich met u verblijden — 
Is haar lust dan geboet en is haar begeerte bevredigd, 

Bezweer haar in de naam van de grote góden, 

Hef uw hoofd op, richt uw oogmerk 
Op de zak met het water des levens: 

„Och vrouwe, dat men aanreike die zak, opdat water ik drinke”! 


Dus begaf de knaap zich op weg 


naar het land zonder thuiskomst 





158 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


De zeven poorten daarvan werden geopend voor hem. 

Zodra hem de Doodsvorstin zag heeft die over hem zich verblijd, 
Haar lust heeft zij met hem geboet en haar begeerte bevredigd. 
Daarna bezwoor hij haar in de naam van de grote góden, 

Hief zijn hoofd op en richtte zijn oogmerk 
Op de zak met het water des levens: 

„Och vrouwe, dat men aanreike die zak opdat van het water ik drinke 
En ook geef te drinken aan Isjtar I van dit water des levens — 

Ik bezweer u in de naam van de hemelse góden!” ö ) 

20 Toen de dodengebiedster dit had vernomen, 

Sloeg zij zich op de heup, beet zij op haar nagels: 

„Gij hebt mij gedaan een onbetamelijk verzoek — 

Ga, o schitterend schone, maar een zware vloek ruste op u, 

(Een lot bepaal ik voor u, dat men nooit vergeet): 

Het vuil uit de goten der stad zij uw voedsel, 

25 De riolen der stad mogen zijn uw drinkbak, 

In de schuilhoek der muren zij uw verblijfplaats, 

De drempels mogen u dienen tot zitplaats, 

Van waar zelfs lammen en blinden u kunnen verjagen. 7 ) 

De dodengebiedster opende haar mond en zeide 
30 Tot Namtar, haar vizier, sprak zij het woord 
„Ga, Namtar, klop aan bij ’t Paleis van Justitie, 8 ) 

Versier de drempels met bloedkoralen, 

Breng de góden der Diepte te voorschij n, doe op gouden stoelen hun zetelen, 

Bespreng Isjtar met water des levens en breng haar voor mij!” 

Ga dus, o Namtar, en breng Isjtar hier — 

Maar biedt zij geen losprijs breng haar dan weer terug!” 

35 Namtar ging kloppen aan ’t Paleis van Justitie 
En met bloedkoralen versierd’ hij de drempels. 

Hij bracht de Goden der Diepte te voorschijn, deed op gouden stoelen 

hen zitten, 

Met levenswater besprenkeld’ hij Isjtar en bracht haar weg. 

De eerste poort deed hij haar uitgaan en gaf haar terug 
De schaamdoek van haar schoot; 

40 De tweede poort deed hij haar uitgaan en gaf haar terug 
De spangen om haar handen en voeten; 

e ) Deze strofe werd door ons ter verduidelijking spreekwoordelijke uitdrukking voor „iedereen”, zoals 
van het verband ingelast en aangevuld. ook in ’t Hebreeuws in Deut. 32: 36; I Kon. 14: 

7 ) De bedoeling is, dat hij veranderd wordt in een 10 enz. 
kikvors of een pad. Vers 28 is opzettelijk vrij ver- 8 ) Het paleis EGAL-GINA. Ook Speiser vertaalt 
taald (vgl. TI Sam. 5: 6-8). Bedoeld is wellicht een “Palace of Justice” (ANET 2 108, noot 26). 


DE TOCHT VAN DE GODIN ISJTAR NAAR HET DODENRIJK 


159 


De derde poort deed hij haar uitgaan en gaf haar terug 
De toverriem om haar lendenen. 

De vierde poort deed hij haar uitgaan en gaf haar terug 
De sieradiën op haar boezem. 

De vijfde poort deed hij haar uitgaan en gaf haar terug 
De ketting om haar hals; 

De zesde poort deed hij haar uitgaan en gaf haar terug 
De hangers van haar oren; 

45 De zevende poort deed hij haar uitgaan en gaf haar terug 
De diadeem op haar hoofd. 

(Nu spreekt de Dodengebiedster weer) 9 ) 

„Maar geeft zij vrijwillig geen losprijs, gebruik dan geweld!” 

(De daemonen hebben — zo moeten wij aanvullen — Isjtars beminde, Tammuz, gesleurd 
naar het dodenrijk: De Dodengebiedster bepaalt aangaande hem het volgende:) 

Wat nu Tammuz betreft, haar jeugdige echtvriend, 

Men wasse hem met rein water, zalve hem met zachte olie, 

Klede hem in rood gewaad, blaze op een fluit van lazuursteen, 

50 En dat de hetaeren opbeuren zijn droevig gemoed!” 

Isjtar die nu weer onder haar titel ,,gebiedster des hemels en der góden” verschijnt, had 
intussen al haar schatten bijeengezocht om de losprijs te betalen. Daar verneemt zij opeens 
de klacht van haar beminde Tammuz: 

De Gebiedster der góden 10 ) liet al haar pronkstukken opslaan, 

Met edelgesteenten gevuld was haar schoot — 

Maar toen zij het jammergeschrei van haar broeder vernam, 

Verbrijzelde zij die schatten 

Zodat haar edelgesteenten vervulden geheel haar bereik: 

55 „O mijn enige broeder, berokken geen leed mij!” 

„Ten dage dat de klacht om Tammuz tot mij oprijst, 

Het geluid van zijn lazuren fluit en roodgloeiende ringen 

Daarmede tegelijk tot mij oprijst, 

Rijst tegelijk tot mij op het geween 
Der klaagzangers en klaagsters, 

En zelfs de schimmen rijzen tot mij op, 

Zodra zij het reukoffer ruiken!” 

Het eind is dus tragisch. Tammuz blijft in de onderwereld, van opstanding of van een 
echte herrijzenis, is — als ik het goed zie — ook in de laatste verzen geen sprake. In het 
grote sumerische lied, waarvan wij ook het begin en hei slot door de onderzoekingen van 
Falkenstein beter kennen wordt dit alles veel uitvoeriger uiteengezet. 

Leiden, Maart 1958. F. M. Th. de Liagre Böhl 

9 ) In ’t vervolg zijn enkele toelichtingen ingelast anna zie Ebeling, Reallex. d. Assyriol. I 470. Haar 

om mijn opvatting te verduidelijken. identificatie met Isjtar is in dit verband niet twijfel- 

10 ) Voor de godin Belili = Bëlit-ili = ( N)in - achtig. 






ióo 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 


l6l 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 


A— Inleiding 

In dit artikel zou ik Uw aandacht willen vragen voor het Irra-epos, dat juist in de laatste 
jaren weer in het centrum van de belangstelling is komen te staan. Door enkele toevallige 
omstandigheden zijn Assyriologen van allerlei nationaliteit zich weer enthousiast gaan bezig¬ 
houden met het zo boeiende epos van de pestgod Irra, dat, ondanks het feit dat fragmenten van 
het epos reeds een kleine zeventig jaren geleden gepubliceerd zijn, tot dusverre tamelijk onbe¬ 
kend gebleven is. Vragen wij naar de oorzaak van dit gebrek aan belangstelling voor het Irra- 
epos, dan moeten wij in de eerste plaats vermelden, dat andere verhalen uit de rijke assyrisch- 
babyIonische literatuur als het Gilgames-epos en het epos van de wereldschepping Enuma êlis 
enerzijds door hun inderdaad belangrijkere inhoud en anderzijds door hun grotere verwant¬ 
schap met de bijbelse verhalen van wereldschepping en zondvloed meer tot de verbeelding der 
Assyriologen hebben gesproken; bovendien was het Irra-epos nog zo slecht overgeleverd, dat 
het aanvankelijk zelfs onmogelijk was de juiste volgorde van de bewaard gebleven fragmenten 
vast te stellen. Hieraan kan nog worden toegevoegd, dat het epos lexicaal de vertalers heel 
wat moeilijkheden heeft bezorgd. Het is dan ook begrijpelijk, dat de Assyriologen zich eerst 
laat aan een totale bewerking van het epos hebben gewaagd, en dat pas Ebeling 1 ), de bekende 
onlangs overleden copiïst en uitgever van de teksten uit de stad Assur, als eerste in staat was 
een monographie aan het epos te wijden, daar hij de beschikking had over het schitterende 
materiaal voor het Irra-epos, dat afkomstig was uit de opgravingen in de stad Assur en op 
grond waarvan de gang van het epos met volledige zekerheid kon worden vastgesteld. Door 
allerlei vondsten, zowel in verzamelingen van musea als bij opgravingen, is het Ebeling ter 
beschikking staande materiaal nog belangrijk uitgegroeid, en derhalve ben ik van mening, dat 
een beschouwing over de huidige stand van onze kennis van het Irra-epos in het kader van 
dit Jaarbericht zeker op haar plaats is. Wij willen deze beginnen met een overzicht van de 
tot dusver gepubliceerde fragmenten van het epos en zien, hoe deze tot de reconstructie van 
het epos hebben bijgedragen. 


B.-DE STRIJD OM DE RECONSTRUCTIE VAN DE TEKST 

Met de publicatie van fragmenten van het Irra-epos werd een aanvang gemaakt in de 
negentiger jaren van de vorige eeuw, en wel door Jastrow 2 ) en Harper 3 ), die respectievelijk 
in 1891 en 1894 enkele uit de biliotheek van Assurbanipal afkomstige fragmenten van het epos 
hebben uitgegeven. Hiervan is de publicatie van Harper de meest belangrijke, omdat deze de 
drie uiterst interessante, in het Brits Museum te Londen bewaarde fragmenten K 8571, K. 2619 
en K 1282 in copie, transcriptie en vertaling heeft uitgegeven, waardoor gedeelten van de 
eerste, vierde en vijfde tafel van het epos bekend zijn geworden. Drie andere teksten, die 
Harper ook nog met het epos in verband meende te kunnen brengen, hebben daarvan echter 
geen deel uitgemaakt. Het zich in de Yale-collectie bevindende fragment, dat Morris Jastrow 
heeft uitgegeven, heeft eerst ten aanzien van zijn al of niet gerechtvaardigde toewijzing tot het 
epos vragen doen rijzen, maar de in later jaren bekend geworden fragmenten van het epos 
uit Assur hebben deze zonder meer bewezen, en onlangs kon op grond van een Ir ra-fragment je 
uit het Archaeologische Museum te Istanbul worden aangetoond, dat het aan de tweede tafel 
van het epos toebehoort. Enkele jaren later werden door King 4 ) nog twee fragmenten uit 
Londen gepubliceerd, de teksten Bu 91-5-9, 174 en 186, die de vorm hadden van amulettablet- 
ten en gedeelten van de vijfde tafel van het epos bevatten, en bijgevolg duplicaten waren van de 
reeds door Harper gepubliceerde tekst K 1282. In zijn vertaling van het tot 1900 verschenen 


1 ) E. Ebeling, Der akkadische Mythus vom Pest- 
gotte Era — Berliner Beitrage zur Keilschriftfor- 
schung II/i, Berlin, 1925. 

2 ) M. Jastrow, A New fragment of the Babylo- 

nian „Dihbara-Epic” — Publications of the Univer- 


sity of Pennsylvania, Series in philology I/2. 

3 ) E. Harper, Beitrage zur Assyriologie II, 425- 
438, 477-501. 

4 ) L. King, Zeitschrift für Assyriologie 11, 50-62. 


materiaal van het epos, waarin hij evenwel het fragment van Jastrow niet heeft opgenomen, 
maakte Jensen 5 ) nog melding van een uit de bibliotheek van Assurbanipal afkomstig frag¬ 
ment K. 2755, dat eerst in de allerlaatste tijd door Lambert 6 ) is gepubliceerd. Dit fragment 
behoort tot de vierde tafel van het epos en is een duplicaat bij K 2619. Hiermee is de eerste 
phase in de publicatie van fragmenten van het Irra-epos afgelopen, en het zou tot 1919 
duren, alvorens nieuwe fragmenten aan het epos konden worden toegevoegd. In dat jaar is 
de reeds genoemde Ebeling namelijk begonnen met de publicatie van de door hem gevonden 
Irra-fragmenten onder de uit Assur afkomstige tabletten, en wel in zijn Keilschrifttexte Assurs 
religiösen Inhalts, waaraan Prof. Dr. F. M. Th. de Liagre Böhl 7 ) in een vroegere afleve¬ 
ring van dit Jaarbericht enkele artikelen heeft gewijd. Het betreft hier de zo belangrijke 
teksten KAR 166-169 en 172, waaraan Ebeling later nog KAR 321 (gedeeltelijk) en 311 
heeft kunnen toevoegen. Vooral de helaas naar photo door Ebeling gepubliceerde tekst KAR 
169, die zich bevindt in het Archaeologisch Museum te Istanbul en daar het nummer A 153 
draagt, betekende een ware sensatie, omdat dit kolossale, helaas zeer gehavende tablet eenmaal 
in 8 kolommen van ongeveer 100 regels elk de gehele tekst van het epos heeft bevat en bij¬ 
gevolg de bepaling van de plaats van andere tot het epos behorende fragmenten binnen het epos 
mogelijk maakte. Het is dan ook deze tekst geweest, die Ebeling 4 ) in staat stelde in 1925 een 
monographie aan het epos te wijden, waarin hij behalve het reeds genoemde teksten¬ 
materiaal ook nog van enkele eerst onlangs 16 ) door hem gepubliceerde Assurteksten gebruik 
heeft kunnen maken. Met de publicatie van de teksten uit Assur is ook de tweede phase van 
de bekendmaking van het Irra-materiaal afgelopen en het zal nogmaals ongeveer dertig jaar 
duren, alvorens nieuw materiaal de studie van het epos weer doet opleven. 

In de laatste phase van het Irra-onderzoek is de belangrijkste publicatie de aan het epos 
gewijde monographie van Gössmann 8 ) uit 1956, die behalve nieuw materiaal een studie van 
verschillende aspecten van het epos geeft, en naast de transcriptie, vertaling en commentarië- 
ring van de tekst van het epos afzonderlijke hoofdstukken aan de tekstgeschiedenis, de theolo¬ 
gie, de artistieke waarde en de historische plaats van het epos wijdt. Het valt echter zeer te be¬ 
treuren, dat Gössmann met deze publicatie niet nog even heeft kunnen wachten, omdat hij 
weliswaar de zo belangrijke enkele jaren geleden te Sultan-tepe gevonden fragmenten van het 
epos nog in een aanhangsel heeft kunnen opnemen, maar geen gelegenheid meer heeft gehad 
in de toen reeds gezette tekst van het boek daarmee nog rekening te houden, waardoor het 
boek reeds op de dag van zijn verschijning in vele opzichten verouderd was. Dit neemt echter 
niet weg, dat het nieuwe Irra-materiaal, dat Gössmann ons biedt, namelijk de reeds uit een 
artikeltje van Pohl 9 ) bij name bekende tekst IB 212 uit het Institutum Biblicum te Rome, 
een uiterst belangrijke aanwinst voor de studie van het Irra-epos was, terwijl het voorts als 
een winstpunt van dit boek kan worden beschouwd, dat in recensies op en in enkele als 
reactie tegen dit boek geschreven recensie-artikelen vele nieuwe opvattingen over de inhoud 
van het epos zijn losgekomen en nieuw aan Gössmann nog onbekend materiaal is gepubliceerd. 
Alvorens iets uitvoeriger op deze recensie-artikelen in te gaan, moet nog worden vermeld, 
dat Gurney 10 ), aan wie de publicatie van een deel van de Sultantepe-teksten was opgedragen, 
ook zelf zijn copieën van de aldaar gevonden Irra-fragmenten inmiddels heeft uitgegeven, 
waaronder het bijna volledige tablet met de eerste tafel van het epos van bijzonder grote 
betekenis voor de reconstructie van het epos is, terwijl eveneens de andere fragmentjes, alle 
behorende tot de tweede tafel van het epos, niet van belang ontbloot zijn. 

Bij de twee recensie-artikelen, die inmiddels op het boek van Gössmann zijn verschenen, 
zullen wij iets uitvoeriger stilstaan, aangezien deze het laatste stadium van het Irra-onderzoek 


®) P. Jensen, Keilinschriftliche Bibliothek VI/i, 
56 - 73 . 

6 ) W. G. Lambert, Journal of Cuneiform Studies 
X/ 3 , 99v. 

"0 F. M. Th. Böhl, JEOL 5, 349-356; 6, 104-113; 
7, 403-417- 

8 ) P. F. Gössmann O.E.S.A., Das Era-Epos, 


Würzburg, 1956. 

9 ) A. Pohl, Die Klage Mardurks über Baby Ion ini 
Irra-Epos, Hebrew Union College Annual XXIII/i, 

405 - 409 - 

10 ) O. R. Gurney—J. J. Finkelstein, The Sul- 
tantepe Tablets I, Londen, 1957. 




IÓ2 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


vertegenwoordigen en in één daarvan de schrijver van dit artikel 11 ) de gelegenheid heeft 
gehad het door hem in de zomer van 1954 in het Museum van Istanbul gevonden Irra-materiaal 
te verwerken, terwijl in het andere Mejuffrouw Reiner 12 ) uit Chicago het haar uit Londen 
bekende nieuwe materiaal heeft gepubliceerd. 

Wat de Irra-fragmenten betreft, die de schrijver van dit artikel in een door Z.W.O. 
gefinancieerd verblijf in Istanbul in de Assurcollectie van het Archaeologische Museum aldaar 
heeft aangetroffen, deze zijn van grote betekenis voor de reconstructie van het epos, en 
speciaal van de tweede en derde tafel daarvan. Onder deze tabletten bevond zich namelijk 
een uiterst klein fragmentje A 130, dat zeker bij het Irra-epos behoorde — in de colophon, d.i. 
de slotpassage, stond nog de tweede helft van de titel van het epos — en verder nog het tweede 
gedeelte van een catchline, d.i. een beginregel van het volgende tablet, bevatte, die enkel de 
beginregel van het derde tablet kon zijn, omdat de beginregels van de eerste, de tweede, de 
vierde en de vijfde tafel van het epos allang bekend waren. Dit hield derhalve in, dat dit Irra- 
fragmentje A 130 enkele slotregels van de tweede tafel van het epos moest bevatten, terwijl deze 
regels voorts bij vergelijking met de tekst op een zijde van het reeds vermelde Jastrow- 
fragment gedeeltelijk hiermee bleken overeen te stemmen, een uiterst belangrijk gegeven voor 
de reconstructie van het Irra-epos. Voegen wij hieraan immers toe, dat de tekst op de andere 
zijde van het Jastrow- fragment reeds vroeger een duplicaat was gebleken van het begin van 
de derde kolom van de tekst KAR 169, dan kan met zekerheid gezegd worden, dat de gehele 
derde kolom van KAR 169 aan de tweede tafel van het epos toebehoort, terwijl de beide eerste 
nu verloren gegane kolommen van deze kolossale tekst de eerste en enkele beginregels van 
de tweede tafel van het epos moet hebben bevat. Wat de toewijzing van de vierde kolom van 
KAR 169 betreft, uit een combinatie hiervan met het fragment A 130, het jASTROW-fragment 
en een fragmentje uit Sultantepe blijkt, dat deze even voor het einde van de tweede tafel moet 
worden ingelast, al is het, ondanks de opvattingen van Mejuffrouw Reiner in haar recensie- 
artikel 13 ), allerminst zeker, op welke wijze deze teksten verbonden moeten worden en of er 
tussen de vierde kolom van KAR 169 en deze combinatie van teksten nog niet één of meer 
regels zijn uitgevallen. Ook de twee andere fragmenten uit Istanbul zijn voor het epos van 
belang, zij het ook in mindere mate dan de tekst A 130. De tekst A 48 die ook reeds aan 
Ebeling van de opgravingsfoto bekend was, maar waarvan hij de voorzijde op deze foto niet 
lezen kon, leverde de beginregels van de derde tafel op, die op het origineel nog wel ontcijferd 
konden worden. Helaas was de eerste helft van de beginregel zo afgeschilferd, dat deze niet 
meer bruikbaar was ter aanvulling van de tweede helft hiervan op het tablet A 130. Het derde 
fragmentje, dat nog werd aangetroffen in de Assur collectie van Istanbul, het tablet A 131, 
maakt deel uit van het slot van de derde tafel van het epos en is bijgevolg een duplicaat van 
de laatste regels op de achterzijde van A 48, welk tablet eenmaal de gehele derde tafel heeft 
bevat. 

In het recensie-artikel, dat Mejuffrouw Reiner naar aanleiding van de monographie van 
Gössmann heeft geschreven, worden ook enkele nieuwe Irra-teksten genoemd, die alle tot 
dusver onopgemerkt waren gebleven in de grote collectie van het Brits Museum te Londen. 
Van deze teksten, die aan de schrijfster bekend werden uit de door de enkele jaren geleden 
overleden Assyrioloog Geers uit Chicago gemaakte copieën, heeft zij zelf maar één tekst 
(Bu 91-5-9, 69+177+225) gepubliceerd, en voor de andere teksten (K 9956 + Bu 79-7-8, 
19) verwijst zij naar een artikel 14 ), dat de Nederlandse Assyrioloog Borger in samenwerking 
met de Assyrioloog van Toronto Lambert reeds heeft gepubliceerd. De eerstgenoemde tekst 
geeft enkele aanvullingen in de tekst van de vijfde tafel van het epos, terwijl de tweede tekst 


1X ) R. Frankena, Bibliotheca Orientalis XIV/i, 
2-10. 

12 ) E. Reiner, Journal of Near Eastern Studies 
XVII/i, 41-48. 

13 ) Reiner, o.c 46v. De hier voorgestelde recon¬ 
structie van de tekst aan het slot van de tweede tafel 
is onjuist, omdat er zowel tussen r. 37 en r. 38 als 


tusen r. 40 en 41 een regel uit het JASTROW-fragment 
is weggelaten, terwijl ook de lezing van r. 32 fout 
en daardoor de verbinding onjuist is, vgl. Bibliotheca 
Orientalis XV/1, 13. 

14 ) R. Borger-W. G. Lambert, Orientalia 27/2, 
137-149 en Tafel XIII-XV. 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 


163 


niet onbelangrijke aanvullingen in de tekst van de derde tafel van het epos mogelijk maakt en 
een duplicaat is van A 48 en A 131. 

Hiermee is het echter nog niet afgelopen, want tijdens een tweede eveneens door de 
Nederlandse Organisatie voor Z.W.O. gefinancierd verblijf in Istanbul is het aan de schrij¬ 
ver 15 ) van dit artikel gelukt in de Assurcollectie van het Archaeologisch Museum te Istanbul 
uit enkele slechts aan Ebeling op grond van de opgravingsfoto’s bekende teksten nog belang¬ 
rijke gegevens voor de kennis van het Irra-epos te halen. Zo bleken op het origineel van de 
reeds meermalen genoemde tekst KAR 169 nog vele verbeterde lezingen mogelijk, terwijl er 
verder nog enkele tot dusver onbekende stukjes van deze prachtige tekst uit de laden te voor¬ 
schijn kwamen, o.a. een fragmentje van de op dit tablet afgebroken eerste tafel van het epos. 
Ook in het geval van een andere reeds door Ebeling naar foto gepubliceerde tekst was het 
mogelijk op grond van het origineel veel verder te komen, omdat dit tablet, waarvan de foto 
van de achterzijde aan Ebeling onbekend was, thans volledig bekend werd. Op grond van 
deze tekst (A 157) was het zelfs mogelijk in de tekst van de vierde tafel van het epos nog 
twee lacunes op te ruimen. 

Met deze enigszins lange uitweiding over de publicatie van de verschillende Irra-fragmen¬ 
ten heb ik U menen te mogen lastig vallen, omdat hierin duidelijk naar voren treedt, hoezeer 
— vooral in de laatste jaren — aan het epos wordt gewerkt, en hoe dank zij een waarlijk 
internationale samenwerking tussen de Assyriologen langzaam maar zeker de moeilijkheden, 
waarvoor het Irra-onderzoek nog staat, uit de weg worden geruimd. De strijd om de recon¬ 
structie van de tekst van het epos is echter bij lange na niet afgelopen, en alvorens iets over 
de inhoud van het epos te zeggen, zou ik eerst als het ware de balans van het epos willen 
opmaken en nagaan, in welk stadium onze kennis van de tekst van het epos zich bevindt. 

Van de vijf tafels, waarin het epos ons is overgeleverd, zijn alleen de vierde en de vijfde 
tafel thans volledig in ons bezit, terwijl van de andere drie tafels de eerste tafel voor 75 % 
gereconstrueerd kan worden. Ondanks het vele werk, dat daaraan in de laatste tijd werd ver¬ 
richt, liggen de zaken bij de tweede en de derde tafel echter veel ongunstiger. Is van de tweede 
tafel thans misschien wel 40 % reconstrueerbaar, van de derde tafel is ons zeker niet meer dan 
25 % bekend. Misschien is het in dit verband niet ondienstig voor elke tafel even heel in het 
kort de tabletten 16 ) te noemen, waaruit zij kan worden opgebouwd. 

Tafel I: S.U. 51/122 + 150 + 52/84; KAR 168; K 8571. Naast deze hoofdgetuigen, die uit¬ 
voerige tekstgedeelten bevatten, hebben wij nog de teksten KAR 172, KAR 321 (alleen de 
laatste regels) en K. 10023, die enkele regels geven. 

Tafel II. Geen hoofdtekst. Enkele gedeelten op LKA 12, S.U. 52/166, S.U. 52/156, het 
Jastrow-fragment, KAR 169, col. III-IV en A. 130. 

Tafel III: Hoofdtekst A 48 (= LKA 11), Gedeelten op K 9956 + Bu 79-7-8, 18, KAR 311, 
A. 131 en KAR 169, col. V-VI. 

Tafel IV: Hoofdteksten: KAR 169, col. VI-VII; IB 212; K. 2619. Gedeelten op K. 2755, 
A 157 (gedeeltelijk = LKA 10) + KAR 167 en LKA 13 (enkele regels). 

Tafel V: Hoofdteksten: KAR 166; K 1282 en enkele regels op Bu 9-5-9, 69 + 177 + 225, Bu 
91-5-9, 174, Bu 91-5-9, 186 en KAR 169, Col. VIII. 

Zoals U uit deze nummers van de teksten misschien al hebt kunnen opmaken, hebben er 
verschillende recensies van het Irra-epos bestaan, en het kan zelfs worden vastgesteld, dat binnen 
enkele van deze recensies nog weer varianten hiervan de omloop hebben gedaan. De meeste 
teksten behoren echter tot de recensies van Assur, en wel de KAR-, LKA- en A-teksten, en 
binnen deze recensie is ook de meeste verscheidenheid. Op de eerste plaats staat hier de 
prachtige tekst KAR 169 (= A 153), waarover wij reeds vroeger hebben gesproken. In tegen¬ 
stelling tot dit tablet, dat in acht kolommen van ongeveer 100 regels elk — vier kolommen op 


15 ) Frankena, Bibliotheca Orientalis XV/i, 12-15 
en Tafel I. 

16 ) Van de hier genoemde teksten werden in het 
voorgaande nog niet genoemd: LKA 10-13 (= E. 
Ebeling, Literarische Keilschrifttexte aus Assur, nr. 


10-13) en K. 10023, die nog ongepubliceerd is. De 
S.U.-teksten zijn door Gurney gepubliceerd in Gur- 
ney-Finkelstein, o.c., nr. 16-18. Over de plaatsing 
van KAR 311 schreven Borger, Orientalia 26, 143 
en Frankena, Blibliotheca Orientalis XIV/i, 2. 



IÓ4 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 


de voor- en vier op de achterzijde van het tablet — de gehele tekst van het epos heeft bevat, 
staan die tabletten, waarbij één tafel telkens maar op één tablet staat, en waarbij het epos dus 
over vijf tabletten is verdeeld. Doorgaans hebben zulke tabletten dan twee kolommen op de 
voor- en twee kolommen op de achterzijde van het tablet, behalve bij de vijfde tafel (KAR 
166), die vanwege haar kortheid met één kolom op de voor- en één kolom op de achterzijde 
kon volstaan. Aan de hand van de schrijversnamen in de colophon kan nog worden vastgesteld, 
dat de tabletten KAR 168 en A 48 door dezelfde schrijver zijn geschreven, terwijl de 
teksten A 130 en 131 op dezelfde grond samenhoren 17 ). Aangezien A 48 en A 131 duplicaten 
van elkaar zijn, is het voorts zeker, dat in Assur verschillende teksten van het Irra-epos de 
omloop hebben gedaan. 

Van de overige Irra-teksten komt het overgrote deel uit de bibliotheek van koning Assur- 
banipal in Nineveh en wel de K- en de Bu-teksten, die, evenals dat meestal in Assur het geval 
was, maar één tafel op één tablet bevatten. Ook hier moet meer dan één tekst van het Irra-epos 
hebben bestaan, daar bijvoorbeeld de tabletten K 2619 en K 2755 duplicaten zijn. In de tekst 
IB 212 bezitten wij een vertegenwoordiger van een nieuw-babylonische recensie van het epos, 
maar voorshands staat deze tekst nog alleen. Tenslotte wijzen de pas gevonden tabletten in 
Sultan-tepe er op, dat ook daar een recensie van het Irra-epos heeft bestaan. Het betreft hier de 
S.U.-teksten. Over de ouderdom van de teksten kunnen wij kort zijn, omdat wij van geen 
enkele tekst met zekerheid de datum kunnen vaststellen, maar wel meen ik te kunnen zeggen, 
dat geen der teksten ouder is dan het jaar 800 v. Chr. en dat er geen aanwijzingen voor zijn, 
dat het epos nog een oudere voorloper of oudere voorlopers heeft gehad. 

C,-HET EPOS EN ZIJN SCHRIJVER 

Van het Irra-epos kan worden gezegd, dat het een echt epos is. Voortdurend is een derde 
aan het woord over de plannen en daden van de god Irra, en ook dan, wanneer de woorden van 
een der personen uit het epos in directe rede worden geciteerd, laat de context duidelijk uit¬ 
komen, dat hier van een directe handeling geen sprake is, maar dat zulke passages er slechts 
toe dienen het beschrijvende relaas van de auteur te verlevendigen en langdradigheid te voor¬ 
komen. Aan het begin van het epos heeft de auteur echter nog een andere manier gevonden 
om terstond de aandacht van zijn lezers of toehoorders te boeien, en weet hij op geniale wijze te 
voorkomen, dat hij een breedvoerige tekening van de situatie moet geven, waarin het epos zich 
afspeelt. Hij spreekt hier namelijk één van de hoofdfiguren in het drama van het epos, de god 
Isum, toe, schildert hem de besluiteloze toestand, waarin de hoofdpersoon van het epos, de 
god Irra, verkeert en spoort hem aan, als heraut van de god Irra, buiten wie deze niets vermag, 
aan dit getalm van de god een einde te maken, zodat het drama kan beginnen. Deze toespraak 
tot Isum, waarin de schrijver zich driemaal direct tot Isum richt, steeds onder een andere 
naam en telkens vergezeld van andere epitheta van de god, behoort zeker tot de mooiste ge¬ 
deelten van het epos, en bewijst ten volle de kunde en het dramatisch uitbeeldingsvermogen 
van de auteur, al moet hieraan terstond worden toegevoegd, dat de auteur deze hoogte niet het 
gehele epos door weet te handhaven. Beschouwen wij het epos echter als geheel, dan kunnen 
wij niet anders dan bewondering hebben voor zijn ceuvre, dat een toonbeeld is van goede 
compositie, waarin de verschillende hoogtepunten met kundige hand zijn aangebracht. Het zou 
ons te ver voeren in dit verband uit te weiden over de artistieke kwaliteiten van het epos, hoe 
verleidelijk dit ook is, en willen tenslotte enkel nog ingaan op het voor de assyrisch-babyloni- 
sche literatuur zo unieke verschijnsel, dat zowel in de Assur- als in de Nineveh-recensie de 
naam van de auteur van het epos wordt genoemd, zij het ook in een passage van de vijfde 
tafel 18 ), die zeker secundair is ingelast. Hier wordt ons namelijk medegedeeld, dat Kabti- 
ildni-Marduk, de zoon van Ddbibi, het epos heeft geschreven, ja, dat hij dit zelfs onder god¬ 
delijke inspiratie heeft gedaan, want „in het verloop van de nacht heeft hij, d.i. de god Irra, 
het hem laten zien, en toen hij in de vroege morgen opstond, heeft hij geen enkele (regel) 

17 ) Bibliotheca Orientalis, XIV/i, gw. meestal geciteerd naar het werk van Gössmann. 

1S ) Tafel V, 43-44. De regels van het epos worden 


165 

gemist (en) geen enkele regel heeft hij er aan toegevoegd”. Hoe zeldzaam deze passage ook is 
en hoewel zij enkel een parallel vindt in de zogenaamde Babylonische Theodicee 19 ), waar 
evenwel de naam van de schrijver Saggil-kënam-ubbib in een acrostichon vereeuwigd werd, 
meen ik toch, dat er waarde gehecht kan worden aan deze passage over Kabti-ildni-Marduk, 
omdat men zich bij vergelijking van de verschillende delen van het epos onderling niet aan 
de gedachte kan onttrekken, dat het epos uit de pen van één auteur is voortgekomen. Het epos 
is logisch opgebouwd en nergens kunnen inconsequenties tussen de verschillende delen worden 
aangetoond, de gedachtenwereld en rijke woordenschat is overal dezelfde en het komt meer 
dan eens voor, dat het epos in herhalingen vervalt en dat passages in volkomen dezelfde be¬ 
woordingen in meer dan één tafel voorkomen. 

Wat de persoon van Kabti-ildni-Marduk betreft, moeten wij helaas kort zijn, omdat wij 
hem uit de literatuur verder niet kennen, maar dat hij een kundig en goed theologisch ge¬ 
schoold schrijver is geweest, blijkt overduidelijk uit de vele theologische en mythologische 
bijzonderheden, waarvan hij met name de tekst van de eerste tafel van het epos zo rijkelijk 
voorziet, en dat hij derhalve misschien uit priesterkringen is voortgekomen, is uiterst waar¬ 
schijnlijk. Ook over de tijd, waarin deze schrijver moet hebben geleefd, kunnen wij niets met 
zekerheid zeggen, maar wel weten wij, dat, zoals Gössmann 29 ) in zijn monographie uiteenzet, 
de namen Kabti-ildni-Marduk en Ddbibi , een verkorte naam van d Samas-ddbibi, regelmatig 
voorkomen in nieuw-babylonische tijd, waarmee wij indirect een bevestiging krijgen van de 
boven voorgestelde datering van de teksten van het Irra-epos. 


D.-DE BESCHRIJVING VAN DE HOOFDPERSONEN VAN HET DRAMA 


Alvorens wij overgaan tot een korte weergave van de inhoud van het epos lijkt het mij 
goed een overzicht te geven van de verschillende dramatis personae , die in het epos een grote 
rol spelen. Voor iemand, die geen of weinig kennis heeft van het enkele honderden góden 
tellende oud-mesopotamische pantheon, waarin elke god toch zijn vaste plaats heeft, zou 
immers zonder zo’n overzicht veel in de handeling van het epos onbegrijpelijk blijven, terwijl 
een korte kenschetsing van de verschillende hoofdpersonen en een beschrijving van het ver¬ 
band, dat er tussen deze personen bestaat, een goed verstaan van het epos zeer zou bevorderen. 
Het Irra-epos beschrijft de toorn van de god Irra en diens boze plannen jegens het menselijke 
geslacht, en verhaalt ons, hoe Irra deze plannen in een vreselijke slachting ten uitvoer heeft 
gebracht. Het is derhalve juist, dat wij deze bespreking van de hoofdfiguren van het epos met 
de god Irra beginnen. 

De god Irra, een bekende god uit het assyrisch-babylonische pantheon, wordt door de oude 
theologen al heel vroeg met de god Nergal, de god van de onderwereld, vereenzelvigd 21 ). 
Van oorsprong is hij de god van de pest, en als god van de onderwereld staan de demonen en 
andere duistere machten hem ten dienste, gereed om los te barsten, zodra hij hun dat beveelt. 
In het Irra-epos leren wij maar al te goed zijn karakter kennen: de god Irra is een gevaarlijk 
god, die, eenmaal toornig geworden, niets en niemand spaart, ja zelfs de góden zijn voor zijn 
boze aanslagen niet veilig. Een plaats, waar hij naar hartelust zijn aard kan uitleven, is bet 
slagveld, en hij wordt dan ook, evenals dit aan het einde van de derde tafel 22 ) van het Irra- 
epos gebeurt, veelvuldig met de oorlog in verband gebracht. Als krijger in de strijd is hij 
geweldig, en, wanneer Irra in de vierde tafel op arglistige wijze de mensen tegen hun vorst 
in opstand heeft gebracht, dan trekt hij op aan de spits en met zijn net vangt hij de mensen, 
wat de verteller als volgt plastisch tot uitdrukking brengt: „De bewoners van Babel waren 
vogels en gij waart hun vanger” 28 ). Het is niet zozeer de oorlog zelf, die hem tot de strijd 
aantrekt, dan wel de vernietiging, die een oorlog onvermijdelijk tengevolge moet hebben. In 
deze duistere voorliefde voor de chaos verloochent Irra zijn oorsprong als god van de pest 


19 ) B. Landsberger, Zeitschrift für Assyriologie 
43, 32-76- De vertaling is ook gepubliceerd in JEOL 
3, 102-106. 

20 ) Gössmann, o . c . 85. 

21 ) K. Tallqvist, Akkadische Götterepitheta = 


Studia Orientalia, enz. VII, 329. 

22 ) A 131 + LKA ii (= A 48), 6v., vgl. Biblio- 
tbeca Orientalis XIV/i, 9 en Orientalia 27/2, 145. 

23 ) Tafel IV, 18. 




i66 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 


167 


dan ook niet. Wanneer in de elfde tafel van het Gilgames-epos 24 ) de god Ea aan Enlil ver¬ 
wijt, dat zijn methode, de mensheid door een zondvloed te verdelgen, al te vreselijk is geweest, 
en hij deze voorhoudt, dat er ook wel minder ingrijpende straffen hadden kunnen worden toe¬ 
gepast, dan wordt hierbij ook genoemd de mogelijkheid, dat hij aan de god Irra had kunnen 
toestaan de mensheid met de pest te treffen. Als in de omenliteratuur een omen de verklaring 
„vreten van Nergal” krijgt 25 ), dan houdt dat allerminst veel goeds voor de samenleving in. 
Kortom, als tegenstander en vijand is de god Irra gevreesd, maar dat neemt niet weg, dat wij 
ook wel andere geluiden over de god kunnen beluisteren. Hammurabi 26 ) spreekt over hem 
als „zijn vriend”, en de Assyrische vorst Assurbanipal 27 ) verhaalt in zijn inscripties meer dan 
eens triomfantelijk, hoe de god Irra zijn vijanden heeft neergeveld en hen met de pest heeft 
getroffen. De situatie wordt natuurlijk een totaal andere, wanneer de god de duistere zijde van 
zijn karakter enkel en alleen tegen één bepaalde groep van de strijdende partijen toont en 
hij, door de assyrische koning als bondgenoot in de strijd beschouwd, enkel diens vijanden 
vernietigt. Derhalve kon Irra ook door de assyrische vorsten in vloekformules worden opge¬ 
nomen als een god die garant was voor de naleving van een verbond, zoals bijvoorbeeld door 
de koning Assurnasirpal II 28 ), die hem onmiddellijk na Assur en Adad vermeldt. Voor de 
mensen is het derhalve van groot belang de god te vriend te houden, en in vele steden wordt 
hij dan ook vereerd, maar voor de theologen van Assur 29 ) blijft Irra oorspronkelijk de Nergal 
van Kutha. In het epos wordt zijn gemalin Mami ook met name genoemd. Deze godin Mami, 
ook wel Mama geschreven, is een vorm van de moedergodin, zoals een van haar epitheta 
„moederschoot, die de mensheid voortbracht” 30 ) en haar gelijkstelling met de godenmoeder 
Bëlet-ilë 31 ) bewijst. 

De tweede god, die in dit verband terstond na de god Irra genoemd moet worden, is de 
god Isum, over wiens karakter het epos ons zeer goed inlicht. Voortdurend wordt hij daar de 
heraut van Irra genoemd, en vooral het begin van het epos laat ons overduidelijk zien, in 
welke zin wij ons dit herautschap hebben voor te stellen. Het heeft er daar zelfs veel van 
weg, dat Irra zonder Isum niets kan beginnen en dat deze in alles van de raad van Isum 
afhankelijk is. De god Isum is echter een „wijs god”, „wiens raad goed is” 32 ), en dat is 
begrijpelijk, want hij is een god, die het plan der hemelgoden kent en met de raad der Anun- 
naki op de hoogte is. Oorspronkelijk is de god Isum echter een vuurgod en ook enkele epitheta 
van ons epos laten dit uitkomen. Zo heet hij „de fakkel, naar wiens licht de mensen kijken” 33 ) 
en wordt van hem gezegd, dat „hij stralend maakt als de dag” 34 ). Als dienaar van de god 
Irra is hij ook goed in de wapenhandel, want hij is een god, „wiens handen geschikt zijn om 
vreselijke wapenen te dragen”, ja, „wanneer hij zijn scherpe lansen laat bliksemen, zit Irra 
zelfs te trillen op zijn zetel” 35 ). Als een vreselijk god wordt hij ook gezien, wanneer de 
theologen van hem spreken als een „verheven slachter” 36 ), wat de letterlijke vertaling is van 
de twee sumerische bestanddelen van zijn naam I-sum. Toch spreekt de babylonisch- 
assyrische literatuur meestal over Isum als een vriendelijk god, en ook ons epos laat hem zien 
als een god, die uit medelijden met de mensheid enkele malen Irra van zijn boze plannen tracht 
jaif 'te brengen, en hoe w r ijs ook dat streven van Isum is blijkt, wanneer Irra in de vijfde 
tafel 37 ) weer gekalmeerd is en uiting geeft aan zijn dankbaarheid daarvoor. In het verhaal 38 ) 
van de tocht naar de onderwereld van een assyrische kroonprins treedt ook Isum weer 


24 ) Tafel XI, 185, vgl. R. Campbell Thompson, 
The Epic of Gilgamesh , 64.V. 

25 ) o.a. Zeitschrift für Assyriologie 52, 236, 2a en 
3a. 

26 ) Codex Hammurabi, Proloog II, 6gv. 

:27 ) M. Streck, Vorderasiatische Biblothek VII/2, 
38V. IV, 79v.; 7óv., IX, 57; 132, VIII, 17 enz. 

28 ) L. King-E. A. W. Budge, Annals of the Kings 
of Assyria 167, 19. 

29 ) E. Ebeling, Keilschrifttexte Assurs religiösen 
Inhalts , 142, Rs. III, 27. 

®°) K. Tallqvist, o.c., 359; Cuneiform Texts 


from Babylonian Tablets = CT 6, 5, Obv., II, 7v., 
vgl. W. von Soden, Orientalia, 26/4, 308 vv. 

31 ) CT 15, 1, 1, vgl. 4; 24, 25, 96. 

3S ) Tafel I, 108. 

33 ) Tafel I, 10. 

34 ) Tafel I, 22. 

3e ) Tafel I, 4 v. 

m ) Tafel I, 4. 

37 ) Tafel V, 13-15. 

38 ) E. Ebeling, Tod und Leb en nach den Vor- 
stellungen der Babylonier, lw. en W. von Soden, 
Zeitschrift für Assyriologie, 43, 1-31. 


tussenbeide, wanneer Irra in zijn toorn de kroonprins wil ombrengen. De epitheta, die Isum 
hier krijgt, zijn in dit verband dan ook veelzeggend voor de wijze, waarop de mensen over 
hem denken. Hij heet hier „de raadgever, die voorspraak doet, die het leven spaart en de 
waarheid mint” 39 ). Hij is een god, die er voor waakt, dat er geen onrecht geschiedt, en als 
zodanig wordt hij dan ook in de serie dér „Boze utukku-demonen” aangeroepen 40 ). Zoals 
een van zijn namen het zegt, is hij „de heer, die in de nacht rondwaart” 41 ) en elders wordt 
van hem gesproken als „de oppasser van de stille straat” 40 ) of ook korter „de heer der 
straat” 42 ). Verbinden wij dit met een epitheton in ons epos, waar van hem wordt gezegd, 
dat hij „de prinsen begeleidt, dat hij de jonge man en de jonge vrouw in veiligheid geleidt” 43 ), 
dan meen ik te mogen zeggen, dat voor de oude Assyriër de god Isum onder de hem gunstig- 
gezinde góden thuishoorde, kortom, een god was, die hem bij stond in zijn strijd tegen de hem 
omringende duistere machten. 

De tweede godheid, die de god Irra op zijn vernietigingscampagne tegen de mensheid 
terzijde stond, is de Zevengodheid, de „helden zonder weerga”, die Anu aan Irra ter beschik¬ 
king stelde voor het geval dat hij zo'n hekel aan de mensheid mocht krijgen, dat hij haar wilde 
verdelgen. Uitvoerig beschrijft de verteller aan Isum hun geboorte en hun vreeswekkend 
uiterlijk 44 ). „De godheid van Zeven, de helden zonder weerga, is erg vreemd, hun geboorte 
is vreemd en zij zijn vol verschrikkingen; degene die hen ziet wordt bevreesd, hun adem is 
de dood”. Van hun geboorte zegt hij: „De god Anu, de koning der góden, bevruchtte de aarde 
en zij baarde hem zeven góden en hij noemde hun naam Sibitti. Zij stelden zich voor hem en hij 
bepaalde hun lot; hij riep de eerste en hij gaf bescheid: ‘Alwaar gij U zult vertonen en gij 
zult rondtrekken, zult gij Uws gelijke niet hebben'; hij zeide tot de tweede: ‘Brand als de 
vuurgod Girru en gloei als een vlam'; hij zeide tot de derde: ‘De gelaatstrekken van een 
leeuw mogen U gegeven zijn en verdelg hem, die U ziet'; tot de vierde zei hij: ‘Bij het op¬ 
heffen van Uw vreselijke wapenen moge het gebergte te gronde gaan'; tot de vijfde zeide hij: 
‘Waai als de wind en doorvors de omtrek (van de aarde)'; en hij droeg de zesde op: ‘Ga langs 
boven en beneden en gij zult niets sparen'; de zevende vulde hij met slangengif en (zeide): 
‘Werp het leven terneer’ ”. Zoals wij uit deze beschrijving kunnen opmaken, hebben wij bij de 
Zevengodheid te doen met een zevental boze demonen, die in vele opzichten te vergelijken zijn 
met het boze Zevental, dat ons wordt getekend in de reeds enkele malen genoemde Serie der 
„Boze Demonen” 45 ), een losse verzameling bezweringen tegen dit voor de mensen zo ge¬ 
vaarlijke Zevental. Het zou te ver voeren hier in dit verband nader op in te gaan, maar wel 
wil ik nog wijzen op de dubieuze rol, die de god Anu bij hun geboorte speelt. Ook in de Serie 
der „Boze demonen” wordt meermalen van het Zevental gezegd, dat zij „het voortbrengsel 
zijn, dat Anu heeft voortgebracht en kinderen, die de aarde heeft gebaard” 46 ). Zowel uit 
de beschrijving in het Irra-epos als uit de op hen betrekking hebbende passages in de 
genoemde Serie treedt duidelijk het kosmisch karakter der Sibitti naar voren. Het zijn natuur¬ 
verschijnselen, die in de ogen der oude Mesopotamiërs de vorm van vreselijke monsters hebben 
aangenomen. Dit vindt zijn bevestiging in een helaas slecht bewaardgebleven passage 47 ) in 
de Serie der Boze demonen, waar de tweede van het Zevental een draak met opengesperde 
muil wordt genoemd, de derde een vreselijke panter, de vierde een slang en de zevende een 
storm, een boze wind, terwijl van alle Zeven wordt gezegd, dat zij boden van de god Anu zijn. 

De laatste god, die in dit verband nog behandeld moet worden, is de god Marduk, die 
als koning der góden het bewind voert over hemel en aarde, de grote tegenspeler van de god 
Irra. Wil Irra immers zijn boze plan ten uitvoer brengen en de mensheid verdelgen, dan stuit 
hij daarbij onverbiddelijk op Marduk, de god, die aan het begin der wereld eenmaal de machten 


39 ) W. von Soden, o . c . 17, 56. 

40 ) CT 16, 15, V 22, vgl. R. Campbell Thompson, 
The Devils and Evil Spirits of Babylonia I, 74V. 

41 ) Tafel I, 21. 

42 ) J. R. Craig, Assyrian and Babylonian religious 
Texts I, 57, 21. 

43 ) Tafel I, 2iv. 


44 ) Tafel I, 23-25. 28-43. 

45 ) o.a. CT 16, 15, V 28vv., vgl. R. Campbell 
Thompson, o . c . 7 óvv. 

46 ) CT 16, 12, I 22v., R. Campbell Thompson, 
o.c. 5ov. 

47 ) CT 16, 19, 14W., vgl. R. Campbell Thompson, 
o.c. 88vv. 



i68 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


van de chaos, Tiamat en haar trawanten, heeft verslagen en die vanaf dat ogenblik garant is 
voor de orde in de schepping. Met de woorden van het epos 48 ) is hij de god, die aan de Igigi 
de wet voorschrijft en toezicht houdt op de Anunnaki, is hij het, die voor de mensen de strijd 
aanbindt tegen de boze gallü-demonen en deze terugdrijft naar het land, vanwaaruit niemand 
terugkeert; hij is het, die de vleugels van de boze wind vastbindt, zodat deze niet kan waaien 
en onheil stichten op de aarde. Belangrijk is in dit verband ook de tekst, die onlangs door 
Lambert 49 ) gepubliceerd is onder de titel An address of Marduk to the Demons, waarin de 
god zich na een lange zelfverheerlijking richt tot de demonen en deze door het opsommen van 
hun boze activiteiten ontmaskert. Hier is Marduk, de bezweringspriester bij uitnemendheid, 
aan het woord met het doel elke inbreuk op de orde in de kosmos te voorkomen. Ontelbaar 
zijn dan ook de gebeden 50 ), die de mens in nood tot hem opzendt, in de verwachting door 
zijn bijstand van demonen bevrijd en van ziekte genezen te worden. Wederom is het de Serie 
van de boze demonen, die ons vertelt, op welke wijze de god Marduk dan te werk gaat, bij¬ 
voorbeeld bij de bestrijding van de hoofdpijn, die uit de onderwereld is losgebroken 51 ). „Mar¬ 
duk heeft het gezien en is het huis van zijn vader Ea binnengegaan, hij verheft zijn stem 
(en zegt): ‘Mijn vader, de hoofdpijn is uit Ekur naar buiten getreden'; tot tweemaal toe zei 
hij tot hem: ‘Wat moet deze man doen, hij weet het niet, waardoor zal hij rust vinden’. Ea 
antwoordt zijn zoon Marduk: ‘Mijn zoon, wat weet gij niet, wat zal ik U (aan Uw kennis) 
kunnen toevoegen ? Marduk, wat weet gij niet, wat zal ik U daaraan kunnen toevoegen ? Wat 
ik weet, weet ook gij’ ”. Dit weerhoudt Ea er dan evenwel niet van zijn zoon terstond daarop 
de gevraagde bezweringsinstructies te geven. Zo staat Marduk op de bres voor de orde in 
de wereld, en het is dan ook begrijpelijk, dat Irra hem op arglistige wijze het bestuur over 
hemel en aarde moet ontfutselen, wil hij in staat zijn zijn boze plannen met de mensheid ten 
uitvoer te brengen. Na aldus de hoofdfiguren van het epos beschreven te hebben, kunnen wij 
nu beginnen met een korte weergave van het epos zelf. 


E.-KORTE WEERGAVE VAN DE INHOUD VAN HET EPOS 

De eerste tafel van het epos kunnen wij beschouwen als een inleiding op het drama van 
het epos, dat in de vierde tafel zijn hoogtepunt zal bereiken. Evenals het bijbels Jobverhaal 
en de Faust van Goethe kent ook het Irra-epos zijn voorspel in de hemel, waar eerst allerlei 
machtsverschuivingen moeten plaatshebben, wil de god Irra zijn boze plannen in de practijk 
kunnen brengen. Het epos’begint, tenminste vanaf de tweede regel, met de reeds genoemde 
toespraak tot de god Isum. Helaas is de eerste regel maar voor de helft bewaard gebleven, 
en uit de daarvan nog resterende woorden „De koning van alle woonplaatsen, de schepper 
van.” kan niet met zekerheid worden opgemaakt, of deze slaan op Irra, of dat ze ge¬ 

sproken worden tot Isum of wel dat de eerste regel, naar de suggestie van mejuffrouw 
Reiner 52 ), slaat op Marduk. Niet onwaarschijnlijk is het echter, dat aan het slot de woorden 
„wil ik bezingen” zijn weggevallen, daar daarvoor in de babylonisch-assyrische literatuur meer 
voorbeelden zouden zijn aan te wijzen. Vanaf regel 2 luidt de tekst: „O, Passagga, gij eerst¬ 
geboren zoon van Enlil., drager van een verheven scepter, herder der zwartkoppigen, 

hoeder der., O, Isum, verheven slachter, wiens handen geschikt zijn om vreselijke 

wapenen te dragen en voor het bliksemen van wiens scherpe lansen de god Irra (zelfs) trilt 
op zijn zetel, zijn, d.i. Irra’s, hart verlangt strijd te voeren; tot zijn wapenen zegt hij: ‘Bestrijkt 
U met dodelijk gif’ en tot de Sibitti, de helden zonder weerga: ‘Omgordt U met Uw wapenen’; 
tot U zegt hij: ‘Ik wil uittrekken te velde’. Gij zijt de fakkel, naar Uw licht kijkt men, gij zijt 

de heraut, de góden., gij zijt het zwaard. (Hier moet een woord van 

spreken zijn weggevallen, omdat de volgende woorden door Isum tot Irra worden gericht!): 
‘Sta op, o Irra, bij het neerwerpen van het land hoe stralend is Uw gemoed en hoe blij is 


48 ) Tafel I, 183-187. 

49 ) W. G. Lambert, Archiv für Orientforschung 
XVII/2, 310-321 met Tafel XIII-XVI. 

50 ) Zie bijvoorbeeld A. Falkenstein-W. von So- 
den, Sumerische und akkadische Hymnen und Ge¬ 


hete, 298-312. 

51 ) CT 17, 26, 48W., vgl. R. Campbell Thompson, 
o.c. II, 90 vv. 

52 ) E. Reiner, Journal of Near Eastern Studies, 
XVII/i, 42v. 


I 


\ 

l 


1 

, 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 169 

Uw hart!” 53 ; Na deze woorden gaat de auteur er terstond toe over aan Isum een beschrijving 
te geven van de besluiteloosheid van Irra 54 ). „Wat de god Irra betreft, als bij een overver¬ 
moeid man zijn zijn armen krachteloos; tot zichzelf zegt hij: ‘Laat ik mij gaan neerleggen’; 
tot zijn wapenen zegt hij: ‘Gaat in de hoeken staan’; tot de Sibitti, de helden zonder weerga, 
zegt hij: ‘Keert terug naar uw plaats.’ ” Alleen Isum kan aan deze troosteloze situatie een 
einde maken, zoals de nu volgende woorden duidelijk laten uitkomen: „Zolang gij hem niet 
opwekt, zal hij op zijn bed liggen en zich met Mami, zijn gemalin, vermaken, O Engedudu, 
gij heer, die rondwaart in de nacht, die de prinsen begeleidt, die de jonge man en de jonge 
vrouw in veiligheid geleidt, die stralend maakt als de dag” 55 ). Vervolgens onderbreekt de 
schrijver even zijn verhaal en geeft ons een beschrijving van de geboorte en het vreselijke 
uiterlijk van de Sibitti, waarover wij boven reeds hebben gehandeld. Ook zij hebben genoeg van 
het nietsdoen en dringen er bij Irra op aan actief te worden, want niet alleen hijzelf, maar ook 
zij zijn zo gedoemd een bestaan van grijsaards en kleine kinderen te lijden. Een leven in de 
stad met al zijn gemakken is immers niet vergelijkbaar met een leven in het veld. Het uittrek¬ 
ken op een veldtocht is voor de jonge mannen immers een feest gelijk, terwijl een prins, die 
blijft in de stad, veracht is bij zijn mensen. Na aldus op het eergevoel van Irra gewerkt te 
hebben, gaan zij vervolgens zijn ijdelheid strelen. „Trek uit, o held Irra, naar het veld en 
.uw wapenen, maak krachtig Uw gebrul en laten de hemelse en aardse gewesten in sidde¬ 
ring gebracht worden! De Igigi mogen het horen en Uw naam groot maken, de Anunnaki 
mogen het horen en vrezen voor Uw woord, de góden mogen het horen en zich bukken onder 
Uw juk, de vorsten mogen het horen en zich buigen onder U” 56 ). Helaas is het vervolg van 
hun toespraak deerlijk verminkt overgeleverd, maar hun woorden moeten een diepe indruk op 
Irra gemaakt hebben, want „het woord, dat de Sibitti tot hem gesproken hadden, was hem 
aangenaam als vette olie” 57 '). Het effect van deze woorden is zelfs zo groot, dat Irra zich 
enigszins korzelig tot Tsum richt en hem verwijt, dat hij daar maar zo kalm blijft zitten. „Baan 
een weg, want ik wil mij op weg begeven; laat de Sibitti, de helden zonder weerga, aan mijn 
zijde gaan, laat mijn vreselijke wapenen [mij ter zij]de gaan en gij, mijn heraut, kom achter 
mij aan” 58 ). Nu wordt het Isum te bar, want hij weet maar al te goed, wat deze plotselinge 
activiteit van Irra voor de mensheid zal betekenen. Hij waagt het zelfs de god tegen te hou¬ 
den met de bittere woorden: „O heer Irra. waarom hebt gij te [gen de góden boosheid] be- 
r[aamd]; om het land neer te slaan en [de mensen] te verdelgen hebt gij [boosheid] beraamd 
zonder om te kijken ” 59 )? Irra is echter zo opgezweept door de toespraak van de Sibitti, dat 
hij Isum bars het zwijgen oplegt: „Isum, zwijg en luister naar mijn woorden ! Wat de mensen 
der woonplaatsen betreft, over wier sparing gij gesproken hebt, o heraut der góden, o wijze 
Isum, wiens raad goed is, in de hemel ben ik een wildstier, op aarde ben ik een leeuw, in het 
land ben ik koning, onder de góden ben ik vreselijk, onder de Igigi ben ik sterk, onder de 
Anunnaki ben ik krachtig, onder het grote vee ben ik een slachter, in het bergland ben ik 
vreselijk” 60 ). Helaas is het vervolg van de woorden van Irra enerzijds moeilijk vertaalbaar 
en anderzijds zwaar gehavend overgeleverd, maar de strekking is duidelijk: tegenover de ver¬ 
ering, die zelfs de góden hem bewijzen, staat het onverschillig gedrag der mensen, want hij 
besluit zijn rede met de woorden: „Maar de mensen daarentegen, de zwartkoppigen, ver¬ 
onachtzamen mij” 61 ) ! Het hoge woord is er uit, en eindelijk beginnen wij te begrijpen, waar¬ 
om Irra zo vertoornd is op de mensheid. Irra kan niet dulden, dat de mens hem verwaarloost, 
en derhalve, „omdat zij, d.i. de mensen, mijn naam niet hebben gevreesd, en het woord van de 
vorst Marduk hebben verwaarloosd en naar eigen goeddunken handelen, zal ik de 


r>3 ) Tafel I 2-14. 

Tafel I 15-22. 

55 ) E. Reiner, o.c. 43 7 wijst in dit verband op een 
bekend motief in de middeleeuwse liefdeslyriek, en wel 
in de alha of auhc genoemde Franse en Provencaalse 
liefdesliederen, waarin de nachtwaker de wacht houdt 
over de minnenden en hen wekt, als de dageraad 
aanbreekt. Met de daar gegeven vertaling van de in 

Jaarbericht N° 15 


I, 21 genoemde epitheta kan ik echter niet instem¬ 
men. 

m ) Tafel I, 60-65. 

57 ) Tafel I, 93. 

58 ) Tafel I, 96-99. 

59 ) Tafel I, 102-103 en par. 

60 ) Tafel I, 106-112. 
fil ) Tafel I, 120. 

12 












170 


VOÖRAZIATISCHE PHILOLOGIE 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 


vorst Marduk.. .- en hem uit zijn zetel doen opstaan en de mensen neerslaan” 62 ). 

Hiermee zijn wij gekomen bij een nieuwe phase in het verhaal: de poging van Irra op 
arglistige wijze Marduk uit te schakelen, waarmee het beslissende ogenblik in het epos is aan¬ 
gebroken. Toch is de auteur betrekkelijk beknopt over het middel, waarmee Irra hierin is 
geslaagd. Na een korte inleiding, waarin hij ons vertelt, dat Irra zich begeeft naar de tempel 
Esagila, „de tempel van hemel en aarde”, en voor de god Marduk gaat staan, laat hij Irra ter¬ 
stond de woorden uitspreken, waarin de list verborgen zit en die de sleutel voor een goed begrip 
van het vervolg inhouden. „Waarom is de uru van de „schat” 63 ), die past bij Uw heerser- 
schap (en) die als de sterren des hemels vol pracht is, (weg)genomen, en de voorkant van 
het diadeem van Uw heerschappij, dat als (de tempeltoren) Etemenanki (de tempel) Ehalanki 
doet stralen, zo bedekt, d.i. waarschijnlijk ‘dof’ ” 64 ) ? Hoe duister deze woorden ook zijn, toch 
geloof ik, dat Irra hierin Marduk attent maakt op de onverzorgdheid van de kentekenen van 
zijn waardigheid en hoopt via de ijdelheid van de koning der góden zijn doel te bereiken. Het 
is echter ook niet ondenkbaar, dat wij een zekere magische betekenis aan welverzorgde insignia 
moeten toeschrijven, maar hoe dit ook zij, het is verwonderlijk, hoe snel Marduk in principe 
bereid is zijn zetel een ogenblik te verlaten. Zeker, hij oppert nog wel enkele bezwaren, maar 
deze weet Irra handig uit de weg te ruimen. Het zwaarst weegt Marduk natuurlijk het bezwaar, 
dat de orde in de kosmos weer op losse schroeven komt te staan, zodra hij zijn troon zal ver¬ 
laten en zich naar de onderwereld zal begeven om zijn insignia te laten reinigen, maar er is 
ook nog iets anders, wat Marduk doet aarzelen, en dat is iets, waaraan Irra niet geheel on¬ 
schuldig schijnt te zijn. Helaas zinspeelt Marduk daarbij echter op gebeurtenissen, die ons 
onbekend zijn, en waarover de. schrijver zo beknopt is, dat wij enkel op grond van deze passage 
onmogelijk de juiste toedracht daarvan kunnen vaststellen. In zijn eerste bezwaar vertelt 
Marduk, dat hij al eens eerder toornig van zijn zetel is opgestaan om een vloed te veroorzaken, 
maar dat de gevolgen daarvan voor hemel en aarde zo vreselijk zijn geweest, dat hij bij zijn 
terugkeer daardoor zeer onaangenaam getroffen was. Toch is het nu nog niet zozeer deze 
wanorde, die het grootste bezwaar vormt, maar veeleer een gebeurtenis, die bij deze vloed heeft 
plaatsgehad. Bij de abübu namelijk was ook het „sieraad” dof geworden, waarna Marduk 
Girru, de vuurgod, had opgedragen dit weer te reinigen. Afgezien van het feit, dat wij niet 
goed weten, wat met deze sukuttu („sieraad”) wordt bedoeld, is alles tot dusver tamelijk duide¬ 
lijk, maar dan ineens richt Marduk het woord tot Irra en zegt: „De mensen, die aan de vloed 
waren ontkomen en de uitvoering van het werk (der reiniging) gezien hadden — gij hebt Uw 
wapenen opgeheven en (hun) rest verdelgd”. Nog veel raadselachtiger vervolgt hij: „Die 
kunstenaars heb ik naar de onderwereld doen afdalen en ik heb hun terugkomst niet bevolen, 
de plaats van de mësu-bomQ.n van electron heb ik veranderd en aan niemand laten zien” 65 ), 
waarna hij de ene vraag na de andere op Irra afvuurt, waarvan wij enkel de eerste willen 
citeren, omdat de rest door lacunes zeer gehavend is. „Nu dan, wat die zaak betreft, waarvan 
gij hebt gesproken, o held Irra, waar is de mAm-boom, het vlees der góden, die elke vorst be¬ 
taamt, de heilige boom, het verheven vlies, die passend is voor de heerschappij, wier wortel 
in de wijde zee honderd dubbele uren ver de diepte van de onderwereld bereikt, en wier kroon 
in de hoogte aanleunt tegen de hemel van Anu” 63 ) ? Uit het vervolg kunnen wij nog opmaken, 
dat Marduk vraagt naar de verblijfplaats van de kunstenaars Ninildu, Guskinbanda en Ninagal 
en van de zeven wijze prinsen van de Apsü en naar de vindplaats van de reine zagindurü- 
steen en van de edelstenen, die „het voortbrengsel zijn van de wijde zee”. Vertalen kunnen wij 
deze passage, voorzover zij bewaardgebleven is, nog wel, maar om haar goed te begrijpen zou¬ 
den wij over een grotere kennis van de mythologie van het oude Mesopotamië moeten be¬ 
schikken. Voor Irra levert dit bezwaar van Marduk echter geen moeilijkheden op en in een 


02 ) Tafel I, 121-123. 

' ü3 ) Wat onder dit sieraad 3 ( sukuttu ) moet wor¬ 
den verstaan, is onduidelijk, maar hier en daar heeft 
men de indruk, dat het een kledingstuk betreft, bijv. 
I 141, waar in hetzelfde verhand van het „reinigen 
van kleren” sprake is evenals in T 180. 


04 ) Tafel I, 127V. 

65 ) Tafel I, 145-148. De vertaling volgt KAR 168. 
SU 51/122 T 150 + 52/84 vereenvoudigt de tekst en 
leest in r. 146: „Ik heb mijn wapenen opgeheven en 
(hun) rest verdelgd”. 

6fi ) Tafel I, 149-153. 


I7I 


slechts drie regels lang, helaas zo goed als geheel verloren gegaan antwoord 67 ) weet hij dit 
bezwaar van Marduk weg te nemen. Ook dan geeft Marduk zich echter nog niet gewonnen, 
en hij komt nu met de moeilijkheid, dat bij zijn vertrek de orde in de kosmos totaal verstoord 
zal worden, een thema, dat hij bij zijn eerste reactie op Irra’s opmerking al had aangesneden, 
maar waarop hij nu uitvoerig ingaat. Weer is de tekst van de rede van Marduk zwaar geha¬ 
vend, maar uit het bewaarde blijkt, dat hij breedvoerig de gevaren schildert, die de wereld 
bedreigen, als hij zijn zetel verlaat, en hij besluit met de klacht: „Wie zal hen, d.i. de machten 
van de chaos, [terug doen kerenl, zolang ik mij niet aangord met mijn wapenen” 68 ) ? Op dit 
ogenblik heeft Irra gewacht, maar alsof hij geen enkele boze bedoeling heeft, doet hij heel 
laconiek aan Marduk het voorstel even zijn taak over te nemen in de volgende bewoordingen: 
„O vorst Marduk, zolang gij in dat huis, d.i. de onderwereld, binnen zult gaan en de god 
Girru Uw gewaad reinigt en gij terugkeert naar Uw plaats, zolang zal ik heersen en een krach¬ 
tig bewind over hemel en aarde voeren; naar de hemel zal ik opklimmen en aan de Igigi de 
wet voorschrijven, naar de onderwereld zal ik afdalen en de Anunnaki bewaken; de woeste 
gallü-demonen zal ik jagen naar het land, vanwaaruit niemand terugkeert, mijn grimmige wape¬ 
nen zal ik tegen hen doen woeden; van de boze wind zal ik de vleugels vastbinden; bij dat huis, 
waar gij binnen zult gaan, zal ik de góden Anu en Enlil links en rechts van Uw deur als 
runderen doen neerliggen” 69 ). Voor dit vertoon van hulpvaardigheid bezwijkt Marduk ten¬ 
slotte en „het woord, dat Irra tot hem gesproken had, was hem aangenaam” 70 ). Hiermee zijn 
wij aan het eind van de eerste tafel gekomen. 


Van de tweede tafel is ons maar zeer weinig over. Uit de beginregel weten wij echter, 
dat deze tafel aan het begin een beschrijving heeft gegeven van Marduks tocht naar de onder¬ 
wereld om zijn insignia te laten reinigen. „Hij, d.i. Marduk stond op van zijn zetel en naar de 
ontoegankelijke plaats, de woning der Anunnaki, richtte hij zijn gelaat”. Wanneer aan het 
slot van deze tafel de tekst weer begrijpelijk wordt, is Irra aan het woord en ontvouwt deze 
aan Isum zijn vreselijke plannen. De voorgestelde vernielingen nemen hier kosmische afme¬ 
tingen aan: hij wil het licht van de zon doen vallen en het gelaat van de maan in de nacht 
bedekken, en ook Adad wil hij in de uitoefening van zijn functies storen. Wanneer de mensen 
zich in hun nood tot Marduk zullen wenden, zullen zij geen gehoor vinden, want hij zal 
Marduk c huisarrest 3 opleggen. De steden wil hij in woest land herscheppen, en hoogvlakten 
met haar vee verwoesten, de zeeën zal hij in beroering brengen en haar opbrengst te niet doen, 
de familieverhoudingen zal hij totaal veranderen, en zelfs de verblijfplaats der góden zal niet 
veilig zijn voor zijn boze aanslagen. De demonen zal hij sturen, het geroep der mensen afsnij¬ 
den en hun vreugde wegnemen. Hier eindigt de tweede tafel. 

De rede van Irra gaat in de derde tafel nog voort. „[Het leven] van de trouwe (man), 
die voorspraak doet, wil ik afsnijden, ik wil het hart der mensen veranderen; de vader zal niet 
luisteren naar de zoon, en de dochter zal tegen haar moeder hatelijke dingen zeggen; de ge¬ 
sprekken der mensen zal ik boos maken en zij zullen hun god vergeten; tegen hun godin 
zullen zij zeer opstandige dingen spreken; in de stad zal de een het bezit van de ander weg¬ 
roven” 71 ). Naar het geroep der kleine kinderen zal hij de verzorgster doen smachten, in de 
velden zal hij het arbeidslied wegnemen, de herder en de hoeder zullen het schutdak vergeten, 
de kleding voor het lichaam zal hij doen ophouden en de jonge man naakt naar de pleinen 
der stad doen gaan, de jonge man zal hij ongekleed naar de onderwereld doen af dalen. Einde¬ 
loos moet het verhaal van Irra zijn voortgegaan, maar een lacune, die practisch het gehele 
derde tablet ons onthoudt, belemmert ons die verder te volgen. Uit de eerste woorden, die 
weer begrijpelijk worden, blijkt, dat Irra dit betoog afsluit met Isum bevelen te geven. Het is 
Isum echter weer te bar geworden, en uit medelijden met de mensen roept hij uit: „Wee de 


°") Tafel I, 165-167. 
,iS ) Tafel 1 , 178. 

<5! ’) Tafel I, 181-189. 


70 ) Tafel T, 191. 

71 ) Tafel ITT, A 48, 7.9-12. i j, vgl. Bibliotheca 
Orientalis XIV/i, 8. 










1 72 VOORAZIATISCHE PHILOLÖGIE 

mensen op wie Irra toornig is” 72 ) ! en weer houdt hij Irra voor, dat hij ondoordacht tegen 
góden en mensen boosheid beraamt. Het besluit van Irra staat echter vast, en niet zonder ver¬ 
wijt zegt hij tot Isum: „Het plan van de Igigi kent gij en de raad der Anunnaki; aan de 
mensen, de zwartkoppigen, schrijft gij de wet voor en hun oren opent gij. Waarom spreekt gij 
als iemand, die geen verstand heeft, en raadt gij mij als iemand, die het woord van Marduk niet 
kent” 73 ) ? Irra zal nu ongetwijfeld gesproken hebben van zijn afspraak met Marduk, zoals de 
beginregels van het volgende nog doen vermoeden, maar weer is het een lacune, die ons dwars 
zit; evenwel als in de laatste regels van de derde tafel Isum spreekt, schijnt hij geheel van het 
goede recht van de plannen van Irra overtuigd. Hij begint zijn beschrijving van de vernieti- 
gingscampagne van Irra met een lofrede op deze god, die weer de tegenstelling laat uitkomen 
tussen de verering, die Irra in de godenwereld en de natuur geniet, en de verwaarlozing, die 
hij van de kant van de mens moet ondervinden. Hiermee zijn wij aan het einde van de derde 
tafel. 

In de vierde tafel gaat Isum voort met spreken en houdt Irra voor, hoe hij zonder respect 
te tonen voor het woord van Marduk de uitvoering van zijn gemene plannen begint bij de stad 
Babel, de stad van Marduk zelf. „De band van Babel, de stad van de koning der góden, hebt 
gij losgemaakt, Uw godheid hebt gij veranderd en op een mens zijt gij gaan lijken, met Uw 

wapenen hebt gij U aangegord en gij zijt naar binnen gegaan. In Babel hebt gij op . wijze 

gesproken als iemand die een stad inneemt, en de zonen van Babel, die als rietstengels zonder 
verzorger waren, hebben zich allen tot U verzameld; die geen wapen kende, diens ijzeren dolk 
bevindt zich buiten de schede; die geen werphout kende, diens boog is gespannen; die de strijd 
niet kende, die levert slag” 74 ). Naar het aloude adagium „divide et impera” weet Irra de 
bewoners van Babel tegen hun gouverneur op te zetten en hij voert hen aan, wanneer zij de 
poort, die weids „de rivier der welvaart 75 ) wordt genoemd, blokkeren en zij als plunderaars 
vuur in de tempels werpen. Nadat hij zo het oproer in de stad op gang gebracht heeft, spoedt hij 
zich naar buiten en treedt in de gedaante van een leeuw het paleis van de gouverneur binnen 
om deze aan te sporen aan het oproer een einde te maken. „Het hart van de gouverneur, de 
wreker van de stad Babel, is boos geworden en, alsof het een plundertocht tegen vijanden be¬ 
treft, geeft hij zijn troepen bevel aan het plunderen te slaan en de aanvoerder geeft hij boze 
bevelen: ‘Voor die stad, waarheen ik U stuur, o mens, zult gij geen eerbied hebben; voor geen 
god zult gij vrezen en voor geen mens zult gij bang zijn, maar, klein en groot, zult gij tezamen 
doden, geen melkdrinkend kind zult gij overlaten, en de opgehoopte bezittingen van Babel zult 
gij als buit wegvoeren’ ” 76 ). Hierop neemt het vreselijke gericht tegen Babel een aanvang, en 
de god Irra gaat zo onbarmhartig te werk, dat het aan de god Marduk een aangrijpende wee¬ 
klacht over het lot van zijn stad ontlokt. Helaas is deze klacht van Marduk door een lacune 
nog grotendeels onbekend, maar enkele regels 77 ) wil ik toch citeren: „Wee Babel, dat ik als 
een overvloedige tuin geplant heb en welks vrucht ik niet gegeten heb; wee Babel, dat ik als 
een zegelcylinder van electron aan de hals van Anu gehangen heb; wee Babel, dat ik als een 
lotstafel in mijn handen genomen heb en aan niemand heb overgelaten!” Na de stad Babel 
komt de beurt aan Sippar, de stad van de zonnegod Samas, en vervolgens gaat Irra er toe over 
de stad Uruk, de stad van Anu en Istar, te verwoesten en op Uruk volgt de stad Dêr, wier god 
Sataran, de „grote Anu”, eveneens een klaagzang over het lot van zijn stad aanheft: „De stad 
Dêr hebt gij tot woeste grond gemaakt; de mensen, die er in wonen hebt gij als rietstengels 
geknakt, als haksel aan de oppervlakte van het water hebt gij aan hun lawaai een einde gemaakt, 
en gij hebt mij niet aan mijzelf gelaten, gij hebt mij aan de Sutaeërs gegeven. Ik zal vanwege 
mijn stad Dêr geen rechtvaardig recht meer spreken en de besluiten van het land niet meer 
nemen, ik zal de wet niet meer geven en de oren niet meer openen; de mensen hebben het 
recht verlaten en het geweld gegrepen, de gerechtigheid hebben zij verlaten en het boze... 78 ). 
Hierover is de god zo verbolgen, dat hij in één land zeven winden deed opsteken. Vervolgens 

7:2 ) Tafel III, KAR 169, Rs. I, 30. 76 ) Tafel IV, 23-30. 

7, D Tafel III, KAR 169, Rs. I, 40-43. 77 ) Tafel IV, 42-44. 

74 ) Tafel IV, 2-9. 7S ) Tafel IV, 66-74. 

75 ) Tafel IV, 13. 


HET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 173 

is de slachting algemeen geworden, en Isum, die nog steeds aan het woord is, houdt Irra 
onbarmhartig al zijn zelfs sadistische practijken voor. „Wanneer iemand een zoon verwekt had 
en had gezegd: ‘Mijn zoon is hij; wanneer ik hem heb grootgebracht, zal hij mij alles vergelden, 
wat ik voor hem heb gedaan’, die zoon wil ik doden en de vader zal hem begraven, en wanneer 
ik daarna de vader zal doden, zal deze niemand hebben om hem te begraven” 79 ). De uiteen¬ 
zetting van de gruwelen van Irra besluit Isum vervolgens: „Held Irra, de rechtvaardige hebt 
gij gedood, de niet rechtvaardige hebt gij gedood; degene, die tegen U gezondigd had, hebt gij 
gedood, degene, die niet tegen U gezondigd had, hebt gij gedood; de ënn- priester, die vlug het 
taklim- offer aan de góden bracht, hebt gij gedood; de hoveling, die de koning bediende, hebt 
gij gedood; de grijsaards in (hun) kamer hebt gij gedood; de jonge meisjes op haar bed hebt 
gij gedood, en gij hebt niet tot rust willen komen, want gij zeidet tegen Uzelf: ‘Zij veronacht¬ 
zamen mij’ ” 80 ). En terwijl Isum maar voortgaat de diepste gedachten van Irra bloot te leggen, 
zit Irra naar hem te luisteren, en, als hij tenslotte uitgesproken is, dan zijn de woorden, die 
Isum tot hem gesproken heeft, hem aangenaam als vette olie. Hierna neemt Irra zelf het 
woord en voegt onheilspellend aan Isums woorden toe, dat dit alles, wat Isum geschilderd heeft, 
in een strijd van allen tegen allen zal eindigen: „De zee zal de zee, de Subaraeër de Subaraeër, 
de Assyriër de Assyriër, de Elamiet zal de Elamiet, de Kassiet de Kassiet, de Sutaeër de 
Sutaeër, de Qutaeër de Q'utaeër, de Lullubaeër de Lullubaeër, het ene land zal het andere 
land, de ene stad zal de andere stad, het ene huis zal het andere huis, de een zal de ander niet 
sparen, zij zullen elkander doden en daarna zal de Akkadiër opstaan en hen allen terneer- 
werpen en hen totaal neervellen” 81 ). Na deze woorden geeft Irra aan Isum de opdracht er 
op uit te gaan en de woorden, die hij heeft gesproken, zelf naar eigen goeddunken uit te voe¬ 
ren, waarop Isum enigszins inconsequent naar het Hihi-gebergte trekt en daar vreselijk huis¬ 
houdt, terwijl de Sibitti met hem meetrekken. Hiermee is ook de vierde tafel afgelopen. 

Aan het begin van de vijfde tafel is plotseling alles totaal anders geworden. Irra is weer 
gekalmeerd, en, tot zichzelf gekomen, ziet hij, wat hij heeft gedaan en verbolgen zegt hij tot 
de góden, die vol ontzag naar zijn gezicht staan te kijken: „Zwijgt gij allen en verneemt mijn 
woorden. Voorwaar in een eerste vergissing heb ik boosheid beraamd, mijn hart was toornig 

en de mensen velde ik terneer. Als iemand, die het land wegrooft, zonder onderscheid te 

maken tussen goeden en kwaden velde ik terneer; als bij een stervende leeuw nam men de lijken 
niet weg. Waar er één toornig is, kan een tweede hem geen raad geven. Zonder Isum, mijn 
heraut, wat zou er nog bestaan? Waar zou Uw verzorger zijn, en waar uw e n-priester, waar 
zouden de nindabü- offers zijn, en wierook zoudt gij niet ruiken!” 82 ) De god Irra erkent 
hier zijn schuld, en verwijt de góden, dat zij hem niet van zijn boze plannen hebben afge¬ 
bracht. Weer is het Isum, die tussenbeide komt, maar nu voor de andere góden, als hij zich 
niet zonder vleierij tot Irra richt: „Held, zwijg en luister naar mijn woorden! Voorwaar, zie, 
wees rustig en wij komen voor U staan, (maar) op de dag van Uw toorn, waar is dan degene, 
die U tegemoet durft te treden?” 83 ) Het gelaat van Irra begint weer te stralen en deze woor¬ 
den van Isum hebben hem weer vrolijk gemaakt. Hij neemt zijn intrek in zijn tempel Emeslam 
en gaat daar zitten. Hiermee zou het epos hebben kunnen aflopen, maar Isum denkt aan de 
mensheid, die er door Irra’s toedoen zo bitter slecht aan toe is, en nogmaals komt hij op voor de 
belangen van de mens. „Isum verhief zijn stem en sprak tot hem, d.i. Irra, betreffende de 
verstrooide mensen van Akkad gaf hij hem bescheid: ‘De mensen van het land, die weinig 
zijn, mogen weer veel worden; de korte man moge als de lange zijn weg gaan, de zwakke 
Akkadiër moge de krachtige Sutaeër terneerwerpen, één man moge er zeven als vee weg¬ 
voeren; zijn steden moge hij in braakland en zijn hoogvlakten in onbebouwd land veranderen; 
hun zware buit zult gij naar Babel wegvoeren, de góden van het land, die toornig zijn ge¬ 
worden, zult gij veilig naar hun woning terugbrengen; de góden Sumuqan en Nisaba, respectie¬ 
velijk de god van het vee en de godin van het koren, zult gij in het land doen afdalen en de 

79 ) Tafel IV, 95-98. &2 ) Tafel V, 5-7. 1015. 

80 ) Tafel IV, 104-113. 83 ) Tafel V, 17-19. 

81 ) Tafel IV, 131-136. 






i74 


VOOR AZIATISCHE PHILOLOGIE 


TIET EPOS VAN DE PESTGOD IRRA 


175 


bergen zult gij hun overvloed en de zee haar opbrengst doen brengen; de weiden, die ver¬ 
woest zijn, zult gij weer laten opleveren; de gouverneur zal in al hun steden zijn ontelbare 
belasting naar de stad Babel laten gaan; wat de tempeltorens, die verwoest zijn, betreft, als het 
opgaan van de zon moge hun top verheven zijn; de Tigris en de Euphraat mogen de wateren 

des overvloeds laten brengen; de verzorger van Esagil en Babel., gedurende ontelbare 

jaren moge de held Isum de lof van de machtige heer Nergal spreken” 84 ). Ook met deze 
woorden, die iets actueler de ware onheilstiehters in het oude Mesopotamië, de Sutaeërs, noemt 
en waarin gehoopt wordt op een uiteindelijke vergelding van het geleden onrecht, heeft Isum 
bij Irra succes: Irra blijkt hoogst ingenomen met de rede van Isum en ook de andere góden 
prijzen zijn woorden zeer. Hiermee is het epos eigenlijk afgelopen, want in de nu nog volgende 
indrukwekkende slotpericoop, waarop wij in het vervolg nog hopen terug te komen, wordt bij 
monde van Irra enkel nog de bedoeling van de optekening van het epos uiteengezet en aan¬ 
gegeven, hoe men in het vervolg een catastrophe als in voorgaande beschreven kan voorkomen. 


F. —Enkele slotbeschouwingen 

In een slotbeschouwing zou ik nog enkele vragen aan de orde willen stellen en in de 
eerste plaats ingaan op een door Gössmann gemaakte opmerking, dat elke motivering van het 
handelen van Irra in het epos zou ontbreken 85 ). Naar het mij voorkomt is deze opmerking 
niet houdbaar, omdat er toch zeker vier plaatsen in het epos 89 ) zijn, die hiervan, zij het niet 
uitvoerig, spreken. Uitgezonderd de hierop betrekking hebbende slotpericoop zijn de andere 
plaatsen reeds bij het korte overzicht van het epos ter sprake gekomen. Het gaat hierbij om die 
plaatsen in het eerste, derde en vierde tablet, waar Isum tegenover de verering, die Irra bij de 
hemelbewoners en in de natuur geniet, de verwaarlozing stelt, die de god van de zijde der 
mensen ondervindt. In al deze gevallen treedt duidelijk naar voren, dat het deze veronacht¬ 
zaming is, die Irra toornig stemt en bij deze het plan doet rijzen de mensheid uit te roeien, 
terwijl de nog niet door ons behandelde slotpericoop dit alles alleen maar onderstreept, omdat 
men uit de oproep tot alle mensen om de lof van Irra te zingen en zijn heldhaftigheid te roe¬ 
men zou kunnen aflezen, dat dit voordien niet het geval geweest is. De motivering van het 
handelen van Irra wordt dus zeker in het epos wel gegeven, maar nu rijst als vanzelf de vraag, 
of het dan enkel gekwetste ijdelheid van Irra is, die hem zo toornig maakt, en of deze ver¬ 
onachtzaming door de mens niet grotere consequenties voor de god en zijn bestaan kan hebben. 
Met deze vraag hebben wij één van de belangrijkste vraagstukken van de oud-Mesopotamische 
religie aangesneden. Het is de babylonische of assyrische god allerminst onverschillig, of de 
mens hem met offers eert of niet, ja, het is voor hem van levensbelang, dat er door de mensen 
een regelmatige tempeldienst voor hem is ingesteld. Niet alleen het Irra-epos zegt dit met 
zoveel woorden, ook andere passages in de oud-mesopotamische literatuur laten dit uitkomen. 
In de eerste plaats denken wij hier aan het gedeelte 87 ) in het begin van de vijfde tafel van 
het Irra-epos, waar Irra, tot bezinning gekomen, het de andere góden kwalijk neemt, dat zij 
hem niet van zijn snode plan hebben af gehouden, want, zo voegt hij er veelbetekenend aan toe, 
waar zouden Uw verzorgers zijn, als Isum mij niet tot rede gebracht had. Deze gedachte 
treffen wij ook in de elfde tafel van het Gilgames-epos 88 ), dat velen Uwer zeker zullen ken¬ 
nen uit de vertaling van Professor de Liagre Böhl. Wanneer daar de babylonische 
Noacli Uta-napistim na afloop van de vloed weer voor de eerste maal offert aan de góden, 
die lange tijd van offers verstoken zijn geweest, dan beschrijft het epos het gedrag der góden 
wel zeer plastisch als het zegt, dat zij, zodra zij de geur van het offer ruiken, er als vliegen 
op af komen. In dit verband is ook belangrijk de plaats in het epos van de wereldschepping 
Enuma êlis 89 ), waar wordt gezegd, dat de schepping van de mens plaatsvond met de bedoe¬ 
ling de góden te ontlasten, zodat deze voortaan in rust zouden kunnen leven. Elders 90 ) in 


84 ) Tafel V, 23-39; verbeterde lezingen naar E. 
Reiner, o.c., 48. 

® 5 ) P. F. Gössmann, o.c., 76. 

86 ) Tafel I, 120-124; tafel III, A. 48, Rs. II, 14; 
IV, 113 en V, 49-61. 


S7 ) Tafel V, 13-15. 

88 ) Tafel XI, 159-161. 

89 ) Tafel VI, 8, 36, vgl. A. Heidel, The Babylo- 
nian Genesis , 46V. 

90 ) Tafel VI, 105-11 9, vgl. A. Heidel, o.c. 50V. 


hetzelfde epos dringen de góden er bij Marduk op aan het de mensen in te prenten, dat zij de 
offeranden voor hun god en hun godin niet zouden vergeten, aangezien zij dit onderhoud nodig 
hebben. Uiteraard zouden hieraan nog meer plaatsen in de babylonisch-assyrische literatuur 
kunnen worden toegevoegd, maar ik meen, dat de geciteerde passages reeds voldoende aantonen, 
dat het de god niet onverschillig kan blijven, wanneer de mens hem verwaarloost. Immers 
eerst in dat geval, wanneer de góden van het onderhoud door de mensen afhankelijk zijn, is 
het begrijpelijk, dat het accent in die zin verlegd kan worden, dat bijvoorbeeld de koning van 
Assur het in de grote slotbede van de jaarlijks als onderdeel van het Nieuwjaarsfeest plaats¬ 
vindende tdkultu- of maaltijdsceremonie zo kan stellen, dat de góden verplicht zijn aan hem als 
goede gever van alle gaven rijke zegen te geven 91 ). 

Een tweede vraag, die wij hier nog kort willen behandelen, betreft de uiteindelijke bedoe¬ 
ling van het epos en het genre, waarin het epos thuishoort. Alvorens een antwoord op deze 
vraag te kunnen geven, citeren wij eerst de slotpericoop 92 ) van het werk. „[De god], die dit 
lied zal prijzen, in diens tempel zal de overvloed opgehoopt worden, en wie het zal vernielen, 
die zal geen wierook ruiken; de koning, die mijn naam groot zal maken, zal de windstreken 
overheersen; de vorst, die de lof van mijn heldhaftigheid zal uitspreken, zal zijn weerga niet 
hebben; de zanger, die het lied zal zingen, zal door de pest niet sterven, aan vorst en koning 
is zijn spreken aangenaam; de schrijver, die dit ter hand zal nemen, zal in het vijandelijke 
land overblijven en in zijn land geëerd worden; in de werkplaats der kunstenaars, waar men 
mijn naam bij voortduring zal uispreken, hun oor zal ik openen; in het huis, waar dit tablet 
is opgesteld, zal Irra niet toornen en zullen de Sibitti niet moorden, de dolk van de pest zal 
het niet naderen en ongedeerdheid is daarin gesteld; dit lied moge voor eeuwig neergelegd 
worden en voor altoos vaststaan, de landen mogen het alle horen en mijn heldenmoed prijzen, 
de mensen der woonplaatsen mogen het zien en mijn naam grootmaken!” Het behoeft geen 
betoog, dat de hoofdbedoeling van het epos is de verheerlijking van de grote daden van Irra, 
de god, die zo machtig is, dat zelfs de god Marduk voor hem op zij gaat; maar tegelijk kunnen 
wij in deze indrukwekkende passage lezen, dat de tekst van het epos voor de mens een magische 
betekenis heeft, en dat de opstelling van een exemplaar van het epos in zijn huis hem zal vrij¬ 
waren voor een hernieuwde aanval van de god Irra, ja, dat het epos voor hem de waarde heeft 
van een amulet tegen de ziekte van de pest. Hiermee is ook volledig in overeenstemming, 
dat enkele Irratabletten de vorm van een amulettablet 93 ) hebben, d.w.z. een doorboord uit¬ 
steeksel bezitten, waarmee zij kunnen worden opgehangen, hetzij om de hals van een zieke, 
hetzij aan de muur van de woning, waar het gevaar van de pest voor de deur staat dan wel 
reeds is binnengedrongen. Behalve de teksten, die King heeft gepubliceerd en die enkel de 
vijfde tafel van het epos hebben bevat, heeft ook de meermalen genoemde Assurtekst KAR 169 
de vorm van een amulettablet. Deze bijzonderheden in tekst en vorm geven het Irra-epos een 
plaats in de zeer uitgebreide bezweringsliteratuur, die ons uit het oude Mesopotamië is over¬ 
geleverd, en wel speciaal onder de bezweringen met apotropaeisch karakter, die dienen tot 
afwering van ziekte en andere door demonen veroorzaakte rampen. In de assyrisch-babyloni- 
sche literatuur zouden nog vele voorbeelden van amulettabletten aangewezen kunnen worden, 
maar wij willen er hier mee volstaan te wijzen op de vele tabletten van deze vorm 94 ), die 
voorkomen in de literatuur betreffende de vreselijke vrouwelijke demon Lamastu, die het voor¬ 
namelijk gemunt heeft op het leven van de vrouw in verwachting en dat van het pasgeboren 
kind. Wat in de practijk bij het gebruik van deze amulettabletten heeft geprevaleerd: de 
verering van of de angst voor de god, wiens lof de tekst op het tablet bezingt, is natuurlijk niet 
uit te maken; trouwens, wie zal in de primitieve wereld de grenzen tussen magie en religie 
precies kunnen aangeven? 

Een volgende vraag, die wij nog moeten stellen, is de vraag, of er aan het epos een 
historische gebeurtenis ten grondslag ligt en de schrijver deze als ooggetuige heeft meegemaakt. 


91 ) R. Frankena, Tdkultu, de sacrale maaltijd in 
het Assyrische ritueel , 8, X, 28-34, vgl. 26, III, 16-20. 

92 ) Tafel V, 49-61. 

93 ) Vgl. L. King, Zeitschrift für Assyriologie 11, 


50W. 

94 ) F. Thureau-Dangin, Revue cl’ Assyriologie, 18, 
i6ivv. en. L. J. Krusina-Cerny, Arcliiv Orientalni 
18/3, 297W. 






176 


VOORAZIATISCIIE PHILOLOGIE, DE PESTGOD IRRA 


Gössmann denkt zelfs aan de mogelijkheid, dat het Irra-epos een tendentieus geschrift is 95 ). 
Behalve de bijzonder levendige wijze, waarop de schrijver in het vierde tablet de Babel tref¬ 
fende catastrophe beschrijft — welke voor deze opvatting pleit — kunnen wij zeker ook in 
het epos zelf gegevens vinden, die een historische kern in het epos waarschijnlijk maken. 
Vooral die passage in de vijfde tafel 96 ), waar Isum zegt: „De zwakke Akkadiër moge de 
krachtige Sutaeër terneerslaan, één man moge er zeven als vee wegvoeren, zijn steden moge hij 
in braakland en zijn gebergte in onbebouwde grond veranderen, hun zware buit zult gij naar 
Babel wegvoeren” en de passage in de vierde tafel, waar de god Sataran van Der klaagt, dat 
de god Irra hem aan de Sutaeërs heeft overgeleverd, wijzen er op, dat de Sutaeërs 97 ) — 
een aanduiding voor plunderende nomaden — de catastrophe over het Tweestromenland heb¬ 
ben gebracht en daar op vreselijke wijze hebben huisgehouden, of tenminste, dat zij daaraan 
hebben medegewerkt. Dit blijft natuurlijk een hypothese, want het is even goed denkbaar, 
dat de auteur voor de beschrijving van het onheil, dat de god Irra over Babylonië heeft ge¬ 
bracht, enkel het beeld van de tamelijk regelmatig voorkomende en om zijn wreedheid beruchte 
aanval van deze nomaden als voorbeeld heeft gebruikt. Ook in dat geval blijft het echter 
veelzeggend, dat Isum in zijn laatste woorden, waarin hij hoopt op een vergelding van geleden 
leed, juist over de Sutaeërs spreekt. 

Vragen wij tenslotte nog, of het epos ook in de tempeldienst van Irra is gebruikt. 
Meissner 98 ) laat de mogelijkheid open, dat het Irra-epos op bepaalde hoogtijdagen van de 
Irra-cultus gereciteerd is, en, zoals U ook zelf hebt kunnen zien, zou het epos zich uitstekend 
hiervoor lenen. Weten doen wij hierover echter niets meer dan wat de slotpericoop sugge¬ 
reert: dat de god Irra het op hoge prijs zal stellen als góden, koningen, vorsten, zangers, 
schrijvers, kunstenaars en ook de gewone mensen het epos ter hand zullen nemen en daarmee 
de godheid van Irra hulde betuigen. Of de wens, in deze slotpericoop uitgesproken, ook is 
uitgevoerd is een andere zaak, en voorshands kunnen wij dus niet meer zeggen dan dat een 
cultisch gebruik van het Irra-epos waarschijnlijk is. In dit verband zouden wij nog kunnen 
wijzen op het wereldscheppingsepos, dat, naar de bronnen ons mededelen 99 ), ter gelegenheid 
van het jaarlijks plaatsvindende Nieuwjaarsfeest werd gereciteerd, waarmee wij in de assy- 
risch-babylonische literatuur dus een parallel voor het cultisch gebruik van een epos hebben. 
Ook de vele zammëru- of zanger-rituelen in het assyrische ritueel zouden hierbij genoemd 
kunnen worden 100 ). 

Leiden, april 1958 R. Frankena 


95 ) P. F. Gössmann, o.c., 7óv. 

90 ) Tafel V, 27-30. 

97 ) Vgl. J. R. Kupper, Les nomades en Mésupo- 
tarnie au temps des rois de Mari, 83-145. 


9y ) B. Meissner, Babylonien und Assyrien, II, 
185V. 

99 ) A. Heidel, The Babylonian Genesis ióv. 
io°) Ygi r Frankena, Takultu, enz. 42. 


DE OPBOUW DER GESCHIEDSCHRIJVING VAN VOOR-AZIË 

La vérilé des prémisses 11’est plus poséc, mais sup- 
posée. Toute rattention se porie sur la vérité formelle 
du raisonnement independamment de toute valeur de 
réalité attacliée a ses conclusions comme a ses pré¬ 
misses ; Tesprit ne prétend plus atteindre le réel par le 
seul effort de la pensée, mais cherche seuleinent a 
rester d’accord avec soi-meme. 

Jean Ullmo, La pensee scientifique moderne, Paris, 
.1958, p. 196. 

Het verschijnen van een aantal geschiedenissen van Voor-Azië in de afgelopen jaren is 
een van de symptomen die er op wijzen dat er een periode in het onderzoek van „Wat er ge¬ 
schiedde” in de oudste tijden op dit deel van de wereld wordt afgesloten. 

De voorstellingen die wij ons in de vooroorlogse jaren aangaande de Oude Geschiedenis 
maakten, werden beheerst door Eduard Meyer’s Geschichtc des Altertums, voor de jongere 
periode in nieuwe bewerking in 1937 en volgende jaren verschenen, (zie Jrb. 5 blz. 315), voorts 
door de kloeke delen van de Cambridge Ancient History, en tenslotte door Hrozn^’s visionair 
beeld. Daarnaast kenden we de activiteit van Henri Berr, die de Bibliothèquc de Synthese 
historique stichtte. In diens serie l’Êvolution de VHumanité gaf L. Delaporte de geschiedenis 
van Mesopotamië en A. Moret die van het Nijldal (zie Jrb. 4, 190). 

De auteurs, die vlak na 1945 copie inleverden voor de nieuwe druk van de monumentale 
1 Angel se serie, zagen hun werk niet verschijnen. Was het overbelasting der persen die dit 
afstel uitlokten of zag men toen reeds in dat er iets aan het veranderen was én in het totaal 
der gegevens én in de houding van het geïnteresseerde publiek? 

Tegen Hrozn^Ls visionair beeld was reeds onmiddellijk na het verschijnen een sterke 
oppositie gerezen, een oppositie die de levensavond van de grote Tsjech mede verduisterde. 
Zijn ontcijferingen van geheimzinnig schrift in het Oosten en Westen van het gebied dat hem 
interesseerde, vonden geen bijval. Het beeld dat hij ontworpen had, kon zich niet handhaven, 
omdat de gegevens waarop de auteurs zich inspireerden, wegvielen. Toch blijft het voor schrij¬ 
ver dezes een waardevolle praestatie en wat hij daarover in Jaarbericht 9, 84-88 schreef, wil 
hij ook nu nog gaarne handhaven. 

Na de oorlog werd de exploratie van het Naburige Oosten weer ter hand genomen. 
Archaeologen kwamen weer op de plaatsen waar de oude beschavingen gebloeid hadden en de 
philologen zetten hun studies over taal- en cultuurproblemen voort. Maar naast hun werk 
van onderzoek deed ook de geest van de tijd zich gelden. De volkeren waren steeds inten¬ 
siever met elkaar in contact gekomen, zij het dat ze naast elkaar, zij het dat ze tegenover elkaar 
stonden. Zelfs voor hen die niet aan een gemeenschappelijke afkomst der volkeren geloven, 
vormen zij toch samen de mensheid. Die mensheid trachtte men bijeen te brengen in een 
politieke en in aansluiting daaraan in een culturele en sociale organisatie; zo ontstonden de 
United N ations Organisation en de United N ations Uducational Socidl and Cidtural O rga- 
nisation. 

Door deze Unesco nu werd een commissie ingesteld waarin een aantal historici zitting 
hebben om een culturele geschiedenis van de mensheid te schrijven; zij worden terzijde gestaan 
door deskundigen, die specialist zijn in een bepaalde uiting van cultuur. Deze specialisten 
hebben gelegenheid resultaten van hun onderzoek te publiceren in zg. Cahiers. Oorspronkelijk 
was Henri Frankfort aangewezen de geschiedenis van ons gebied te schrijven; na diens dood 
werd deze taak overgenomen door Sir Leonard Woolley. Het manuscript van dit deel is 
reeds gereed en in veelvuldig afschrift rondgestuurd naar „lezers” in alle hoeken van de wereld 
als vertegenwoordigers van bepaalde culturen en volkeren. 

Het beoogde doel van dit werk is dus in de eerste plaats de positie te bepalen tegenover 
en de verhoudingen vast te stellen met de andere beschavingen uit vroeger en later tijd, zonder 
de nadruk te leggen op de politieke verschuivingen. Nu moge het waar zijn dat niets voor de 



jyS VOORAZIATXSCHE phtlologie 

geest vermoeiender is, zodat men zelfs van een last der geschiedenis kan spreken, dan het uit¬ 
eenrafelen van dynastieën en het uit elkaar houden van opeenvolgende gelijknamige koningen, 
of vorsten met bijna gelijke naam, toch zal men niet kunnen ontkennen dat zelfs in de tijden 
van absoluut en goddelijk koningschap er een nauwe relatie is geweest tussen wat wij noemen, 
politieke vormgeving en cultureel en geestelijk leven van de mensheid. 

Dit humanitaire en synthetisch streven zij dus genoemd als eerste kenmerk bij de opbouw 
der Oude Geschiedenis. Een tweede is dat van de beperking bij de geschiedschrijving, welke 
men voorheen zich placht op te leggen. Algemeen was men van mening dat geschiedschrijving 
slechts kon plaats hebben bij aanwezigheid en leesbaarheid van geschreven bronnen. Een van 
de bezwaren tegen het gebruik van een dusdaige scheiding is dat men de aarde beschouwende 
vanuit een bepaald jaar, een indeling moet maken met als maatstaf of de bewoners nog in 
historische dan wel in praehistorische tijd in die periode leven; het is dus bij de vergelijkende 
geschiedenis waar dit onderscheid slechts verwarrend werkt. Meer efficiënt is deze scheidslijn, 
wanneer men binnen een bepaald gebied blijft of binnen een bepaalde cultuur. Maar ook dan 
is het soms nog aanleiding tot twijfel. Bij de dynastie van Ur I is men in volle historie; 
inscripties van vorsten worden gevonden en zijn leesbaar; in de litteratuur vindt men konings- 
lijsten die deze namen ook kennen. Maar men vindt hierin ook namen van dynastieën en 
koningen uit oudere perioden, perioden welke praehistorisch moeten heten omdat er geen 
contemporaine berichten over zijn. Noch dat deze namen onjuist zijn, noch dat ze juist zijn, 
is dan te bewijzen. Men heeft voor oplossing van deze moeilijkheid het begrip proto-historie 
ingevoerd, tussen historie en praehistorie geplaatst. Maar zulk een begrip is even onjuist als 
de titel van een voordracht eens voor ons Genootschap gehouden: „het begin van religieuze 
voorstellingen bij een bepaald volk”. Wijlen J. H. Kramers sprak, deze moeilijkheden aan¬ 
voelend, van het „schemerduister der geschiedenis”, maar hij gaf ook gaarne toe dat in 
vele echte geschiedenissen soms meer duister en schemer was dan licht. 

Er lijkt mij slechts een oplossing mogelijk, nl. ook deze praemisse en definitie opgeven 
en onder geschiedenis verstaan het relaas over wat geschiedde (\T1, èyévsTo, dat wil zeg¬ 
gen, het maken en/of worden van het zijn). „Geschiedenis is er om te vertellen en niet om te 
bewijzen”, stond als Ter Inleiding in een van onze Jaarberichten. 

Hoe wij weten wat er geschiedde, of wij dit uit een opschrift en geschrift, of uit „spre¬ 
kende stenen” weten, is secundair. Wij weten nu dat er vóór vijfduizend jaar voor Chr. een 
grote stad Jericho was, groter dan ooit daarna; hiervan zwijgt het geschrift. Wij weten nu 
ook dat voor de stad, waarover een geschrift spreekt, geen ruimte is in het geheel van de over¬ 
blijfselen. Nu kan men het in casu op schrift gestelde traditie noemen, men mag het tegen¬ 
woordig zelfs als „Israëls visie op zijn verleden” bestempelen, zoals P. Renckens het doet, het 
vertrouwen in het geschreven woord wordt hierdoor niet versterkt en zij die het geschrift als 
deel der revelatio beschouwen, hebben voor de verhouding van openbaring tot vorm van 
openbaring een nieuwe formulering moeten vinden en gevonden. 

Bovendien verlangen wij te weten wanneer het geschiedde; om dit te weten was naar 
veler mening, de schriftelijke overlevering van het gebruiksaardewerk voor de archseoloog een 
leidraad tot vaststellen van een betrekkelijke tijdsberekening, maar voor de thuis werkende 
historicus had dit weinig te zeggen en al te graag buitte hij meningsverschillen tussen de 
archeologen onderling uit om het hulpmiddel zelf als relatief voor te stellen. Als zulk een 
hulpmiddel reeds bij de historicus van professie verdacht was, kan men licht begrijpen dat de 
historisch geïnteresseerden zich liever toevertrouwden aan een onjuist absoluut jaartal. De 
ontwikkeling echter der chemie heeft het nu ook mogelijk gemaakt door mechanisch onderzoek 
met een niet al te grote speling de tijd te bepalen van bepaalde voorwerpen, uit een niet al te ver 
verleden. Maar dank zij dit proces heeft de kennis van de periode tot ongeveer 8000 v. Chr. in 
het Naburige Oosten een kader gekregen, waartoe een overlevering van namen van dynastieën 
niet in staat was. 


DE OPBOUW DER GESCHIEDSCHRIJVING VAN VOOR-AZIR 179 

Voordat wij van de praehistorie afstappen, moet nog een punt haar betreffend worden 
besproken. In de Histoirc de la Science, een deel dat in de Encyclopédie de la Plciade dit jaar 
onder leiding van Maurice Daumas te Parijs verscheen, is naast de hoofdstukken die men in 
zulk een deel kan verwachten ook een hoofdstuk geplaatst met als titel Les Sciences de 
rHomilie. Plet is geschreven door Paul Lester (pp. 1407-1431). In tegenstelling tot het voor¬ 
afgaande hoofdstuk VAnthropologie en het volgende l’ Ethnographie waarin de schrijvers het 
ontstaan en de geschiedenis dezer takken van wetenschap geven, geeft de schrijver hier een 
schets die ook op haar plaats was geweest in een ander deel van deze Encyclopédie, nl. de 
Histoirc. Universclle, waarover wij later nog zullen spreken. Daar Daumas aan zijn deel ook 
sociologie en demographie heeft toegevoegd, hebben sommige critici de redacteur hierover een 
verwijt gemaakt en hebben zij in naam der humanitcs hiertegen geprotesteerd. Het is hier 
niet de plaats nader op dit onderdeel in te gaan, maar zonder zich bij de critici te willen aan¬ 
sluiten, kan men in Daumas’ geste beter een bewijs der eenheid der wetenschappen zien, die 
ook nog in enkele Universiteiten tot uiting komt waar de oude philosophische faculteit nog 
niet is gesplitst in een faculteit der letteren en een der natuurwetenschappen. 

Naast de belangstelling voor de praehistorie, — ook in Jaarbericht no 13 tot uiting ge¬ 
komen, — welke de naoorlogse periode kenmerkte, is er nog een ander belangwekkend onder¬ 
deel dat zo niet voor de eerste keer de aandacht vroeg, dan toch een zekere afsluiting kreeg, 
nl. de exacte wetenschappen. Reeds voor 1940 hadden deze de bijzondere aandacht getrokken 
door de studies van Neugebauer en Tiiureau-Dangin op dit gebied. In onze kringen hebben 
de historici E. J. Djjksteriiuis, Van der Waerden en Bruins bij herhaling ook de aandacht 
van het Nederlandse publiek gevraagd. Van Neugebauer’s samenvattende studie The Exact 
Sciences in Antiquity , verscheen nu onlangs de tweede druk. Voor allen die hadden gehoopt 
dat de auteur zich van de critiek, geuit bij het verschnijnen van de eerste druk, iets zou aan¬ 
trekken, was deze nieuwe druk een teleurstelling. Men zie hierover de uitvoerige bespreking 
van de hand van de heer Bruins in de laatst verschenen aflevering van het tijdschrift Janus 
(LVII, 1958, 68-72). Een betere ontvangst heeft gekregen de behandeling van deze tak van 
wetenschappen door de heer René Labat, in het eerste deel van de Histoirc générale des 
Sciences, La Sciencè Antique et Médiévale, Parijs 1957, PP- 73-136. Voor de Mathématiques 
en de Astronomie werd hij hier terzijde gestaan door de heer R. Caratini, van wie men 
binnenkort een samenvattende studie over deze hoofdstukken der Oude Geschiedenis mag ver¬ 
wachten. De bladzijden in Daumas’ Histoirc, hierboven genoemd, kan men beter onvermeld 
laten. Eén van de resultaten van al deze onderzoekingen, van belang voor de geschiedenis der 
mensheid in het algemeen blijve hier niet onvermeld: indien men als kemerk der wetenschap 
stelt dat zij problemen stelt en probeert op te lossen in belangeloosheid, dat wil zeggen, terwille 
van het probleemstellen en oplossen om zich zelf, dan treft men die inderdaad in eerste be¬ 
ginsel reeds bij Mesopotamische medici en mathematici aan. 

Voor twee onderdelen der geschiedenis, nl. de Ethiek en Economie, kan ik verwijzen naai 
de bladzijden 184 en 197 van dit Jaarbericht. Van de hand van professor Lambert uit Toronto 
en van de die van Dr Leemans uit Arnhem vindt men daar schetsen die voor het eerst een 
ontwikkelingsgang geven van deze zo belangrijke onderdelen van ’s mensen bestaan. 

Waarschijnlijk zijn het allebei de eerste schetsen van een volledige behandeling van deze 
problemen. Dat de auteurs die voor het Jaarbericht hebben willen afstaan, stemt tot grote 
voldoening. Zij zijn geconcipieerd en geschreven in de geest van de geschiedenis der mensheid 
van de Unesco. Het artikel van Leemans is een uiting van de tendens aan de economische 
en sociale geschiedenis meer aandacht te besteden. Als orgaan van deze richting kan men be¬ 
schouwen het Journal of the Economie and Social History of the Oriënt, dat onder leiding 
van een comité met aan het hoofd Professor Cl. Cahen van Straatsburg, een begeleidings- 
orgaan bedoelt te zijn van een groots opgezette Economie and Social History of the Oriënt. 

In het eerstverschenen nummer (Augustus 1957, p. 138-145) wordt terecht de aandacht 
van de oriëntalist gevraagd voor het proefschrift van de heer P. R. Kupper, leerling van Pro- 


i8o 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


fessor Dossin: Les nomades en Mesopotamië du temps des rois de Marl. Bibliothèque de la 
Faculté de Philosophie et Lettres de 1 ’Université de Liège, Fascicule XCII, Parijs, 1957. 
Terecht merkt de heer Leemans op dat het hier gaat om een probleem dat de basis zelve van 
de Oud-Babylonische periode is en dat het in het algemeen, inzicht geeft in de ontwikkeling 
van de nomadische stammen. Het verbaast enigszins dat dit onderwerp in de geschiedenis¬ 
behandeling van het Oude Oosten nu eerst aan de orde wordt gesteld. Van oudsher waren er 
toch gegevens aangaande dit onderdeel der mensen. Maar zolang geschiedenis zich tot staten 
en dus met stabile elementen bezig hield, was er slechts zijdelingse belangstelling voor deze 
ongrijpbaren. Wel had men in de Hebreeën uit het Oude Testament een voorbeeld hoe noma¬ 
den een vaste woonplaats werd beloofd en hoe zij zich die veroverden, wel had Ibn Chaldoen 
in het eerste boek van zijn Prolegomena op zijn algemene geschiednis op de door hen gespeel¬ 
de rol gewezen, wel kan men tot op heden toe getuige zijn van de rol die zij nog spelen in hun 
grote trekken, maar tot een bestudering van die rol was men nog niet gekomen. Voor Israël 
hebben wij nu van niemand minder dan P. de Vaux een schets van Le nomadisme et ses survi- 
vances (Les Institutions de 1 ’Ancien Testament I, pp. 15-33, Parijs, 1958). Ook in Vragen 
rondom de Patriarchenfamilie, rede uitgesproken door Professor B. Gemser (Groningen, 
1958) naar aanleiding van de aanvaarding van de leerstoel in de Oudtestamentische vakken 
te Groningen, wordt de aandacht op dit punt gericht, maar het geheel der geschiedenis van het 
nomadisme zal nog eens aan de orde moeten worden gesteld en onderzocht. 

Nu wij dank zij de onderzoekingen in Iraq van Braidwood o.a. in Karim Sjahir het 
stadium kennen dat de mens uit die streek het midden hield tussen een voedselverzamelaar 
en een landbouwer, nu wij ook kennen de vroege dorpen in de Jordaanvallei (Jericho) in Liba¬ 
non (Byblos) en in Iraq (Jarmo), kan men de splitsing van de mensheid in nomaden en seden- 
tairen in alle stadia volgen. Terecht merkt Kupper dan ook op dat de strijd tegen hen geen 
wapenstilstand kent. L’histoire des pays riverains des déserts est remplie toute entière de ses 
péripéties. De lotgevallen van vier nomadenstammen bekend uit de Mari brieven, gaat hij na. 
De Hanseer, de Benjaminiten, de Sutseers en de Amorrseers of Amoriten. Wij zien hen als 
bestrijders van de naburige vorsten, als soldeniers in hun dienst zijnde, opgenomen wordend 
in en zich assimilerend wellicht ook in Mesopotamië als coloni ; althans indien Leemans 
gelijk heeft met zijn suggestie that „the foundation of all these towns signified the settlement 
of invading nomades who served as soldiers” (Amorten). Men kan in nomaden de bestrijders 
van de beslhaving zien en Dr Goossens (zie beneden) spreekt van „ 1 ’Irruption Barbare” als hij 
het over de Gutaeers heeft, die een eind maakten aan het rijk van Akkad, en men kan ook 
later de bergvolken der Kassieten en Churrieten zo af schilderen. Trekkende stammen zijn 
een element van onrust binnen een imperium. Zo zagen ook de Romeinen hen; sedare et 
pacare is een geliefde uitdrukking bij de Latijnse auteurs en het is wel opmerkelijk dat wij 
sedare, dat toch het causativum bij sedere c zitten 3 is, met Onderwerpen 3 plegen te vertalen. 

Nog veel zou naar aanleiding van Kupper’s boek op te merken zijn en graag zouden 
wij nog meer citaten hieruit overnemen. (Zie ook de bespreking van P. Garelli in de Revue 
d’Assyriologie, 52, 1958, pp. 39-42), maar wij moeten nu eindelijk overgaan tot de bespreking 
van de boeken, waarvan wij de verschijning in de aanhef van dit artikel aankondigden. Deze 
zijn: 

Svend Aage Pallis, The Antiquity of Iraq. A Handbook of Assyriology, Kopenhagen, 
1956,814 pp. 

Godefroy Goossens, Asie occidentale Ancienne, pp. 288-495 in Encyclopédie de la Pléiade, 
Histoire Universelle I, Des Origines a lTslam, Parijs, 1956 en 

Hartmut Schmökd, Geschichte des Alten Vorasiens, Handbuch der Orientalistik, heraus- 
gegeben von Bertold Spuler, Zweiter Band, Dritter Abschnitt, Leiden, 1957, 342 pp. 

Op bij gevoegde tabel vindt men een opgave van de indeling van deze „geschiedenissen”. 

Merkwaardig is het dat geen van deze drie geschiedenissen een afgesloten eenheid vormt 
Ze worden gepubliceerd in het kader van een verzamelwerk of in dat van een reeks. 


DE OPBOUW DER GESCHIEDSCHRIJVING VAN VOOR-AZlË l8l 

Hierdoor wordt hun karakter dan ook ten dele bepaald. Bij Pallis heeft men te doen met een 
handboek van de Assyrioloog. De Kopenhaagse hoogleraar initieert de aankomende student 
en geeft hem een overzicht in handen van de stand van zijn wetenschap. Hij schetst eerst het 
landschap, geeft dan een overzicht van wat gebeurde na de van Nineve en Babel, waar¬ 
onder ook vallen de Rediscovery van deze plaatsen en een overzicht van de opgravingen en de 
reizen. Daarop volgt een zeer uitvoerig hoofdstuk (pp. 94-185) met de geschiedenis van de 
ontcijfering van achtereenvolgens de Oudperzische inscripties, die van Susa en de Assyrisch- 
Babylonische. Vervolgens wordt men in de geheimen van het schrift ingewijd, en in die van 
de Accadische en Sumerische grammatica’s, en verder krijgt men nog een overzicht van de 
opgravingen van 1842-1954. Als slot volgen dan de Hoofdstukken VII-XIV. 

Als onderdeel van een algemene geschiedenis, die begint met een overzicht van de techni¬ 
sche en culturele ontwikkeling, staat Goossens > geschiedenis van het Oude Voor-Azië naast 
een prae- en protohistorie en een opvallende geschiedenis van het Oude Egypte van de hand 
van de heer Yoyotte. Hem is dus opgedragen naast Iraq ook Klein-Azië, Syrië-Palestina en 
Elam te behandelen en dat over een periode die nog een kleine duizend jaar groter is dan het 
tijdvak dat Pallis koos. Zijn publiek is het historisch geïinteresseerde. 

SchmökePs Geschichte verschijnt weer in een ander milieu. Het Handbuch der Orienta¬ 
listik is gedacht als een geheel waarmede de Oriëntalist zich kan oriënteren over de weten¬ 
schap van zijn collega’s. Daar in het bestel van het Handboek bepaalde afdelingen zijn gereser¬ 
veerd voor litteratuur, godsdienst, wetten, enz. was de auteur in zijn behandeling aan de poli¬ 
tieke en culturele geschiedenis gebonden. 

Gezien zijn opdracht had Goossens de mooiste gelegenheid tot een grootse opbouw te 
komen. De term opbouw is hier met bewustheid gekozen, want evenals de bouwmeester na 
opdracht tot het bouwen van een bepaald soort behuizing zijn ontwerp maakt voor gevel 
en binnenvertrekken, bovendien zijn materiaal kiest, en stenen ter ere en ter onere aanwijst, 
zo trekt ook de geschiedschrijver de grote lijnen en kiest hij uit de voorhandene gegevens 
welke bij gebruiken zal. Voor deze auteur was er gelegenheid zijn onderwerp als een geheel 
te zien. „The Middle East is, geographically and culturally, a continuüm, and it is with the 
resurrection of a living continuüm that archceology is ultimately concerned”; met deze woor¬ 
den eindigde de betreurde Louis Le Breton zijn postuum verschenen studie The Eearly 
Periods at Susa, Mesopotamian Relations (Iraq 19, 1957, pp. 79-123). Wat voor de archcco- 
logy geldt, geldt voor de geschiedschrijving evenzeer. Dit continuüm, deze eenheid heeft de 
Brusselse conservator in de rijksgedachte gezien. Na een schets van het ontstaan der bescha¬ 
vingen in Mesopotamië komt die over de eenwording van Babylonië, een eerste eenheid tot 
stand gebracht door de Semietische Akkadiers. In Anatolië en in Elam ziet men de vorsten 
van deze dynastie optreden; het werk van de Amoriet Hammurabi in dit hoofdstuk als slot 
ondergebracht is als het ware het herstel van het werk van Sargon en Naram Sin. De Sumeri¬ 
sche Renaissance en de strijd tussen Larsa en Isin, een periode door D. O. Edzard behandeld 
onde de titel Die Zweite Zwischenzeit Babyloniens, Wiesbaden, 1957, 201 pp., dreigen dan 
echter in het gedrang te komen. Bovendien is niet duidelijk de invloed van de Sumerische 
opvatting van staatsrecht die tot uitdrukking is gebracht o.a. in de titulatuur van hun vorsten. 
Zie voor deze W. W. PIalloo, Early Mesopotamian Royal Titles. A Philologic and Historical 
Analysis, American Oriental Society, American Oriental Series, volume 43, New Haven, 
Conn., 1957, 166 pp. 

De duizend jaar tussen de Eerste Dynastie van Babel en de grote Assyrische Koningen 
uit het eerste millennium worden dan samengevat in een hoofdstuk dat tot titel draagt: La Jutte 
des Empires, waaronder dan de Hittieten, Mitanni, Assyrië en ook Palestina/Syrië en Oerartoe 
vallen. Tenslotte culmineert het voorgaande in een opeenvolging van wereldrijken, waarvan 
de laatste is dat der Seleuciden, terwijl het slot wordt gevormd door een verdeeld Oosten onder 
Parthen en de Perzische Sassaniden. 

Bij Pallis zien wij het zwaartepunt op andere accenten gelegd. Van de 421 hem ter be¬ 
schikking staande bladzijden zijn er een vijfde deel gebruikt voor de Praehistorie, 200 aan de 






IÖ2 


VOO k AZIAT I SC 11 E P11JLOLOGT E 


politieke geschiedenis samengevat onder de naam van Sumeriërs, Assyriërs en Bayloniërs, 
terwijl de resterende no pagina’s aan wat men noemt cultuurgeschiedenis zijn gewijd. Het is 
wel waar dat de praehistorie de voorkeur heeft van Pallis en dat hij veel ruimte nodig heeft 
daar hij hier volgens eigen inzichten een geheel bouwt, maar anderzijds is het toch verheugend, 
dat aan dit gedeelte zo grote plaats is ingeruimd. De beperking tot Iraq is te betreuren, want 
wanneer er ooit een culturele eenheid is geweest in het oude naburige Oosten, dan was het in 
deze tijden. Het heeft dan ook zijn bezwaren Iraq geïsoleerd te behandelen. In die praehistori- 
sche tijden heeft men moeten zoeken naar de vormgeving van een beschaving; de mens, de 
uitvinder, heeft de oplossing gevonden wat voor volgende generaties als vanzelfsprekend geldt. 

In dit verband gezien is het te betreuren dat het hoofdstuk dat de Sumeriërs behandelt 
naar verhouding slechts kort is. In die periode toch heeft men vorm moeten geven aan de 
organisatie van het leven in steden, en groepen van steden. Staatsrechterlijke instellingen 
moesten worden geschapen, de verhouding tussen God en (tempel)stad moest worden gefor¬ 
muleerd, economische en sociale problemen, die nu nog soms geen oplossing kennen, deden zich 
toen het eerst voor. Reformatoren traden op, en de figuur van Urukagina verdiende een 
ruimere behandeling, zoals die dan ook wel elders wordt gevonden. Dat deze figuur in de 
Soviet studies een bijzondere plaats inneemt, is allicht te begrijpen; men vindt een overzicht 
van deze in de Revue d’ Assyridlogie 52, 1958, 1-15 van de hand van I. M. Diaiconoff als 
aanvulling op het werk van M. Lambert verricht om deze teksten litterair en historisch te 
verklaren. 

Schmökel’s indeling is fors, de drie millennia delen het boek in; namen van volken be¬ 
palen de inhoud. Sumeriërs en Accadiërs staan hier niet tegenover elkaar, maar naast elkaar, 
het deel eindigt met de amalgama van de Derde Dynastie van Ur (door S. Sumerische Renais¬ 
sance genoemd). In het Tweede Millennium staan Westsemieten, Hethieten en P>ergvolken 
(een reminiscentie uit de dertiger jaren) naast elkaar, terwijl Assyriërs en Arameërs het 
Eerste Millennium (of liever het eerste deel daarvan) vullen. Alle hoofdstukken vallen in twee 
stukken uiteen „Historische Ablauf” en Kulturgeschichtliches”; de verhoudingen in het aantal 
pagina’s 69, 171, 77. Wat reeds naar aanleiding van Pallis’ boek werd gezegd, geldt ook hier 
weer, de Sumeriërs komen als uitvinders en regelaars der beschaving niet aan de hun toe¬ 
komende ruimte. De praehistorie komt niet tot haar recht. 

Laat de opbouw van dit werk dus veel te wensen over, de lezer wordt beloond door een 
menigte van détails zoals hij in het Vorwort mededeelt aan zijn collegae W. Freiherr von 
Soden, A. Jirklt en H. Otten verschuldigd. Inzonderheid het tweede millennium is hierdoor 
tot een bijzonder deel geworden dat de belangstelling van assyriologen en oudtestamentia heeft 
getrokken. Dat Schmökel een speciaal hoofdstuk heeft gewijd aan Mari in zijn relaties tot 
het Assyrische rijk wordt door hen zeer gewaardeerd. Maar aan de opzet van het Handbuch 
is het geheel op deze manier enigszins ontgroeid. 

De voorliefde van de auteur voor een indeling in drieën komt ook uit in zijn boek Ur, 
Assur en Babylon, in Nederlandse vertaling gebracht en van aantekeningen voorzien door Dr 
F. M. Th. de Liagre Böhl met medewerking van Netteke de Liagre Böhl (Grote Culturen 
der Oudheid, onder redactie van Dr Helmuth Th. Bossert), Amsterdam, 1957, 208 pp. en 
168 afbeeldingen buiten de tekst. De ondertitel is Drie millennia in het Tweestromenland. Het 
grote bezwaar tegen deze indeling is dat nog steeds over de grens tussen het derde en tweede 
millennium geen overeenstemming tussen de chronologen heerst. Pallis en Goossens geven 
meer of minder korte uiteenzettingen hierover; nog steeds is P. van der Meer’s Chrono\logy 
of Ancient Western Asia and Egypt, in 1955 in tweede druk verschenen (Leiden, 95 p, 4 
tabellen) het enige handboek hierover. 

Naast deze samenvattende studies zijn er vele over bepaalde onderdelen en vorsten ver¬ 
schenen. De lezer zij verwezen naar het tweede deel van de Bibliographie Assyriologique, welk 
deel, bewerkt door de heren Vanden Berghe en De Meyer, de Philologie van de jaren 1953- 
1955 behandelt. We willen echter niet onvermeld laten de gedegen studie van Sidney Smith 
Yarim-Lim of Yamhad, Scritti in onore di Giuseppe Furlani (RSO), 52, T957, 155-184. 



JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 15 


DE OPBOUW DER GESCHIEDSCHRIJVING VAN VOOR-AZIË 


PALLTS’ GESCHIEDENIS VAN IRAQ IN ZIJN HANDBOEK 


Chapter VII : The Prehistory of Iraq.385-462 

Chapter VIII: The Chronology.463-484 

Chapter IX : From Sumerian City Government to Babylonian Empire 485-514 

Chapter X : Hammurabi and his age.51:5-576 

Chapter XI : The Assyrians. 577-605 

Chapter XII : The Town and Daily Life .636-687 

Chapter XIII: Sacrifices and Festivals.688-711 

Chapter XIV: Art, Litarature, and Sciences.712-746 


SCHMÖKEL’S ALTE GESCHICHTE VORDERASIENS 

3. Jahrtausend v. Chr.: Sumerer und Akkader 

I Frühgeschichte: Uruk IV- und Djemnet Nasr-Zeit ... 1- 16 


II Von Mesilim bis Lugalzaggesi.17- 38 

III Das Reich von Akkad.39- 52 

IV Gutaerherrschaft und sumerische Renaissance.52- 69 


2. Jahrtausend v. Chr.: Westsemiten, Hethiter und Bergvölker 


V Die Isin-Larsa-Zeit.73- 84 

VI Mari und das altassyrische Reich.85-105 

VII Hammurabi und seine Dynastie.106-118 

VIII Hethitische Geschichte.119-153 

IX Die Hurriter.154-170 

X Die Kassiten.171-186 

XI Mittelassyrisches Reich und babylonische Renaissance . . . 187-212 

XII Syrien-Palastina im 2. Jahrtausend.213-243 


1. Jahrtausend v. Chr.: Assyrer und Aramaer 

XIII Das Neuassyrische Reich. 

XIV Phönizien und Israël-Juda. 

XV Die Chaldaer. 


247-289 

290-309 

3 ÏO -324 


GOOSSENS* ASIE OCCIDENTALE ANCIENNE 


Introduction 

Limites Géographiques.289-291 

La Géographie.291-296 

La Chronologie. 2 97"300 

Les Sourecs . . . 300-305 

Problèmes de THistoire.305-309 

Les Origines 

Les Chasseurs.310 

Les Éleveurs .311 

Les Communautès Villageoises.311-312 

L’Essor de la Civilisation 


Le Peuplement de la Babylonie 
Sumériens en Sémites . . . 

L’État Divin. 

L’Age Héroique. 

La Lutte pour TFIégémonie . . 

L’Unification de la Babylonie 

L'Empire d’Agadé . . . 

LTrruption Barbare . . . 

L’Empire d’Our .... 

Les Royaumes Combattants 
L’Empire de Babylone . . 

La Lutte des Empires 

Les siècles obscurs et 1 ’ascension des Hittites . 

L’Empire Mitannien. 

L’Ascension d’Assyrie. 

Le Temps de la Confusion. 

Les Royaumes de Palestine et de Syrië et la Renaissance de 1 ’Assyrie 
L’Ascension d’Ourartou. 

Les Empires Universels 

L’Empire d’Assyrie. 

Le Déclin de 1 ’Assyrie. 

L’Empire Méde et la Renaissance de la Babylone 

L’Empire Perse. 

Le Déclin de la Perse. 

L’Empire Séleucide. 


L’Orient Divisé 

L’Empire Parthe .449-452 

La Renaissance de la Perse . .. 4S3 _ 4S8 


Bibliograiphie en Chronologie met als tabellen Syro-Paléstine, Anatolie, 
tamie, Iran 

1) In de Table Analytique: 1’Empire Perse et 1’Empire Néo-Babylonien. 


Mésopo- 



396-406 
406-418 
419-425 
426-436*) 

436-445 

445-448 


352-361 

361-369 

369-372 

372-379 

379-389 

389-396 


330-334 

334-337 

337-340 

340-348 

348-352 


3 i 3 “ 3 i 6 

316- 317 

317- 321 

321-323 

323-329 




























































DE OPBOUW DER GESCHIEDSCHRIJVING VAN VOOR-AZIË 183 

Vergelijken wij het eerste gedeelte van dit opstel met het tweede, dan valt op dat in deze 
verschenen werken slechts gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan de tendenzen van deze tijd. 
Aan de praehistorie is bij Goossens en Schmöckel slechts een kleine ruimte toegekend, terwijl 
bij Pallis zij tot Iraq is beperkt. 

Aan de idealen van het Unesco-program is slechts gedeeltelijk tegemoet gekomen; de 
politieke indeling speelt nog een te grote rol. 

De Science wordt slechts zeer summier behandeld terwijl economie en moraal vergeten 
hoofdstukken zijn. 

Het probleem, hoe komen de beschavingen telkens aan nieuw mensenmateriaal, dient 
bijkans nog in zijn geheel opnieuw bestudeerd te worden. 

Goossens’ opbouw heeft veel aantrekkelijks omdat hij de term Imperium door de Romei¬ 
nen in onze beschaving gebracht, voor de Vooraziatische rijken als leidraad heeft genomen. 
Tn deze tijden waarin imperia worden ontbonden en men toch naar een eenheid streeft, is 
men geneigd ervaringen uit eigen tijd als maatstaf aan te leggen bij het zien ontstaan en vallen 
der kolossen. Naast de strijd voor de staatsrechterlijke eenheden heeft Europa ook gekend 
de strijd om de Kerstenheid, nu spreekt men van redding der Westeuropese beschaving. Pre¬ 
missen uit vroegere eeuwen vallen weg, ze hebben soms plaats gemaakt voor nieuwe. De 
menselijke geest actief blijvend, zoekt boven deze afwisselingen uit te komen en door deze 
activiteit zich boven de vormgeving van tijd en beschaving te redden en te handhaven. 


Leiden, 17 mei 1958 


B. A. van Proosdij 






184 


MORALS IN ANCIENT MESOPOTAMIA x ) 

This is a vast and intricate topic. Vast, because it covers the period 3,000-300 b.c.; intricate, 
because anything more than an objective cataloguing of phenomena implies an understanding 
of the ancient Mesopotamian view of life, as well as a knowledge of social and political history. 
Despite the vastness of the period it is possible to speak of ancient Mesopotamian civilization. 
Fr om 3,000 b.c. onwards a continuity of culture can be traced in the Tigris-Euphrates valley. 
Changes of course occurred long before 300 b.c., but there is no difficulty in seeing the con- 
nections of the few temple schools of Babylonian learning which survived Alexander’s 
time, like isolated peaks in a flood of alien culture, with the temples of nearly 3,000 years 
earlier. 

The founders of Mesopotamian culture were the Sumerians, a people of uncertain origin, 
who came either by sea up the Persian Gulf, or overland through Persia, to their settling place 
on the fertile alluvium at the mouths of the twin rivers. By 3,000 b.c. they had already built 
up an extraordinarily fine and well integrated civilization. lts further development can best 
be described in terms of the immigrations of other peoples into this area, though it must nol 
be forgotten that internal growth was as great a factor in this evolution as external influence. 
Two outside areas provided Mesopotamia with fresh waves of population. The Euphrates 
valley was a route taken by successive groups of Semites, debouching, according to a generally 
held view, from the Arabian and Syrian deserts. The mountains to the north were an area 
from which hardy and often barbarous tribes coming drom the Caucasus region were wont to 
spread out over the prosperous plains of the Tigris-Euphrates valley. 

The first substantial thrust into Sumerian territory was Semitic, and by c. 2300 b.c. 
the Old Akkadians, who had presumably come along the Euphrates route, were powerful 
enough to seize the hegemony of Sumer, and to proceed to establish an empire stretching to 
the Mediterranean. The venture was ill-fated, and the brief Old Akkadian period ended in 
chaos, as mountainous tribes, the Guti, descended on the fertile land and for a time were 
undisputed masters. They were liever accepted, however, by the inhabitants, and soon they 
were driven out (c. 2,000 b.c.), so that no cultural legacy of their stay need be looked for. 
A revival of Sumerian power followed under the Third Dynasty of Ur, though Semitic in¬ 
fluence was now strong. This dynasty feil to a fresh wave of Semitic migrants, the Amorites, 
who proceeded to take over and settle many Sumerian eities. Out of severai Amorite dynasties 
which sprang up, that of Babylon outlived and suppressed the rest, and under Hammurabi 
(c. 1700 b.c.) reached a climax of political and cultural glory. In time Babylon feil to the 
barbarous Cassites from the mountains (c. 1500 b.c.). Unlike the Guti, the Cassites had 
come to stay, and their dynasty of some four centuries enabled them to become completely 
assimilated to the native culture, which was itself undergoing a profound change during these 
times. Generally the country seemed in a stagnant phase, for the new masters brought little 
if anything in the matter of cultural attainments, unless the domesticated horse can be put 
in this category. Spiritually, however, a ferment was taking place among the priests and 
scholars. When the Cassite dynasty feil c. 1150 b.c. the centre of the world had gravitated 
from Southern to northern Mesopotamia. Contemporary with the Cassites a new power had 
arisen in the area from the Kurdistan highlands across the upper reaches of the Tigris and 
Euphrates to the Mediterranean. The bulk of the new immigrants were Hurrians, the Horites 
of the Old Testament, but the ruling aristocracy were the Indo-European Mitanni, famed for 

0 There is very little written on this subject di- 
rectly, but mention may be made of W. von Soden, 

ZDMG 89, 143-169, H. Frankfort and others, 

The Intcllcctiial Adventurc of Ancient Man (also 
published as Before Philosophy), cbs. v-vn by T. 

Jacobsen, and S. N. Kramer, “Sumerian Thcology 
and Ethics” in the Harvard Thcological Reviezv, 

Vol. xï.ix 45-62. For the convenience of those 
who do not read the ancient languages the referen- 


ces to ancient works are to translations wherever 
possible, and especially to Ancient Near East- 
ern Texts F 2 , ed. J. B. Pritchard (ANET), and 
Altorientalische Texte sum alten Testament 2 , ed. H. 
Gressmann (AOTAT 2 ). An asterisk (*) following 
a citation means that the work cited will appear, 
with English translation, in the writer’s fortheoming 
Babylonian Wisdom Literature. 


MORALS IN ANCIENT MESOPOTAMIA 


185 

their horse-rearing. This power lasted only some two and a half centuries, and it feil in part 
to the rising power of Assyria on the upper Tigris, and in part to the Hittite kingdom in Asia 
Minor. This rise of Assyria was accompanied by a continued state of decline for Babylon, 
as its power was weakened from about 1000 b.c. by a fresh wave of Semitic migration. The 
Aramaeans were moving down the Euphrates and by 700 b.c. they constituted the bulk of 
the population of Southern Mesopotamia. By this time the military might of Assyria had 
waned, and for a brief spell (c. 600-550) the old glories of Babylon were revived by such 
kings as Nebuchadnezzar, though in fact the kingdom was as much Aramaean as it had 
been Amorite previously. The Persians put an end to the resuscitated Babylon, and gradually 
Babylonian civilization gave way to an Aramaean world with first Persian, then Greek, and 
finally Roman masters. It is little short of a miracle that a handful of priestly families in 
Babylon itself kept the old traditions alive until the first century a.d. 2 ). 

From this survey of history certain peoples can be singled out dor attention. The greatest 
cultural originality lay with the Sumerians. Of the Semitic groups, first the Old Akkadians 
and then the Amorites played a great part in moulding the phases of Mesopotamian culture. 
It is not always easy to say just what each group contributed, but certainly contributions of no 
small consequence were transmitted as these two groups were absorbed into the older culture. 
In each case the amalgamation was exceedingly fertile. The Assyrians can lay no such claim to 
originality. In most cultural matters they were borrowers and, like the Romans from the 
Greeks, tended to obscure any original features in their civilization with importations from 
Babylonia. Their pattern of life was certainly different, but that is largely accounted for by 
the needs of a state which grew up and thrived on militarism, and by the influence of the 
Hurro-Mitannian civilization. The contribution of the Aramaeans was not very great. A more 
or less fixed pattern of thought had been worked out before they arrived. They must have 
altered profoundly the tone of everyday life, but their influence was least on the priestly 
scholars. Since they were constantly being increased by further immigration they eventually 
imposed their own civilization on their hosts, but in the process they absorbed some of the 
more popular elements of Babylonian culture and passed them on to the Near Eastern world. 

This last matter raises a very important point. Morals in any age can be divided into two 
categories: the standards actually practised among the mass of the population, and the ideals 
proclaimed by thinkers or prophets. The degree of divergence between these two standards 
differs from age to age, and even within one period urban and rural communities, for example, 
may not be uniform. In the ancient world the only works written about morals are the com- 
positions or compilations of scholars. The descriptive anthropologist did not exist. It will be 
understood that popular moral standards can only be found by a careful scrutiny of all the 
evidence which may reflect them. The written ethical texts themselves fall into two main 
groups: direct moral exhortations, and hymns which contain sections devoted to this matter. 
In Sumerian the former category is represented by one named work, the Instructions of 
Shuruppak. Shuruppaic was the father of Ubara-Tutu, the Sumerian Noah. As in Genesis, 
the Sumerian iflood was an evidence of the gods’ displeasure with mankind, and admonitions 
are therefore given in connection with it. Noah transmitted to the human race a group of 
commandments 3 ), and Ubara-Tutu, his counterpart, received a corpus of moral teaching 
from his father. Only a small portion of this text is yet published 4 ). A fragment of a Baby¬ 
lonian translation is also known, preserved on an Assyrian tablet of about 1100 b.c. 5 ), which 

2 ) For a fuller account of this history see in Ger- developed so that in Rabbinic literature they are a 
man A. Moortgat in A. Scharff and A. Moort- series of laws binding on the whole human race 
gat, Agypten und Vorderasien im Altertum, and H. (see E. Schürer, History of the Jewish People in 
Schmökel, Geschichte des alten Vorderasien (Hand- the Time of Jesus Christ (English translation), II/2 
buch der Orientalistik, Band II, Abschnitt 3). In p. 318). 

English a less full treatment is given in the relevant 4 ) See S. N. Kramer, From the Tablets of Sumer, 
chapters of J. Finegan, Light from the Ancient p. 290. 

Past. 5 ) KAR 27 apud H. Zimmern, ZA 30, 185-187 and 

3 ) Genesis 9: 1-17. These divine ordinances were W. F. Albright JAOS 38, 60-65.* 

Jaarbericht N° 15 


13 



i86 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


is an indication of the popularity of the work. Parts of other similar Sumerian works are 
also known, and they are for the moment the best representatives of this genre of Sumerian 
literature 6 ). In Babylonian there is also a collection of similar material, more prolix in style, 
and usually termed Counsels of Wisdom by modern scholars 7 ). An independent paragraph of 
another Babylonian work of the same kind has also survived 8 ). The second category of 
ethical texts, hymns, is best known from hymns to gods or goddesses of justice. Those to the 
sun-god, the Sumerian Utu or Babylonian Shamash, usually allude, at least in a general 
way, to his concern for justice, and a few enter into lengthy exhortations. Perhaps the best 
example is a long hymn to Shamash of 200 lines of Babylonian, which contains material very 
similar in scope to the direct moral exhortations 9 ). A Sumerian hymn to Nanshe, and a 
bilingual Sumero-Akkadian hymn to Ninurta are other noteworthy examples 10 ). 

The material indirectly throwing light on moral standards is almost unlimited in quantity. 
Any document or remain which helps to build up a more complete picture of the workings of 
ancient Mesopotamian society is relevant. Some have a very direct bearing, such as the Second 
Tablet of the incantation series known as Shurpu 11 ), in that it gives a long list of possible 
sins. Legal documents are also very valuable. Study of ancient Mesopotamian law has ad- 
vanced rapidly during the last cEifty years, but comparatively little has been done to extract 
its sociological significanee, since the scholars who have studied it have been mostly philolo- 
gists or legal experts. A brief orientation is required here. The earliest piece of Mesopotamian 
jurisprudence is the decrees of Urukagina, ruler of the Sumerian city of Lagash c. 2350 
b.c. To judge from the diverse wording of the several copies, they must have been delivered 
orally, and they served to rectify certain specific social evils 12 ). Formal Sumerian law codes are 
known from Ur-Nammu 13 ) of the Third Dynasty of Ur (c. 2050 b.c.) and Lipit-Ishtar 14 ) 
of Isin (c. 1870). These have long prologues which are, inter alia, statements of the raison 
d’être of the 'following laws. Neither is preserved completely, but it is possible to calculate 
the missing space of Lipit-Ishtar's code, and to estimate that the laws must have numbered 
about 100. In the Semitic dialects the first law code preserved comes from the town of Esh- 
nunna 15 ). lts author is not known, but it is probably not later than 1800 b.c. The best known 
of all are the laws of Hammurabi (c. 1700 b.c.) 16 ). The Eshnunna laws are brief er and 
less well drafted than the code of Lipit-Ishtar ; they number only 60, and instead of a prolo- 
gue there is only a date-formula, unfortunately incomplete. Hammurabi's code marks a 
great stride forward. It contained over 250 laws. From Assyrian scribes we have part of a 
legal corpus 'from about 1100 b.c. 17 ). The greater part of the preserved matter deals with 
the legal position and rights and duties of women. Apart from formal codes kings from time 
to time issued decrees (Babylonian simdat sarrim) to deal with special circumstances. Most 
of these have perished, but a long decree little different from a set of laws is known from 
king Ammizaduga of Babylon (c. 1570), though only one small piece is yet published 18 ). 

Three points in connection with the law codes at once strike the modern reader. The 
first is that the laws seem to avoid studiously any general principles. “Thou shalt not kill, 
thou shalt not steal” are lacking. The Eshnunna laws do not deal with murder. Manslaughter, 

6 ) J. J. A. van Dijk, La Sagesse Sumêro-acca- 12 ) See S. N. Kramer in Israël Exploration Jonr- 

dienne, p. 100 ff. nal, 3, 217-232. 

7 ) AOTAT 2 pp. 291-293, ANET. pp. 426-427.* 13 ) S. N. Kramer and A. Falkenstein, Or. NS. 

8 ) BA. V 562-564 and 624-625. * 23, 40-51. 

9 ) AOTAT* pp. 244-247, ANET. pp. 387-389, and 14 ) ANET pp. 159-161. 

A. Falkenstein and W. von Soden, Sumerische 15 ) ANET pp. 161-163; A. Goetze, AASOR 

und akkadische Hymnen und Gehete, pp. 240-247. * XXXI. 

10 ) Hymn to Nanshe: S. N. Kramer in Bulletin, 1G ) ANET pp. 163-180; G. R. Driver and J. C. 

University Museum, Philadelphia, 16/2 pp. 29-34. Miles, The Babylonian Laws , I, II. 

Hymn to Ninurta : J. J. A. van Dijk, La Sagesse 17 ) ANET pp. 180-188. 

Sumêro-accadienne, pp. 114-118.* 1S ) C. J. Gadd apud Symbolae Koschaker pp. 102- 

11 ) A much needed new edition of this series 105; cf. B. Landsberger, JCS 8, 63 148 . 
prepared by Miss E. Reiner is appearing as a Bei- 

heft to AfO. 


MORALS IN ANCIENT MESOPOTAMIA 


187 


however, is involved in several, such as the law about keeping a goring ox 19 ). Similarly with 
theft; the crime as such is not even mentioned. However, there is a law which prescribes 
death for a nocturnal burglar, but a fine for one apprehended by day 20 ). This is characteristic 
of all the law codes. They are remarkable for the very precise and fixed circumstances for 
which they regulate. Clearly they were not intended as a comprehensive set of rules for 
society. They presume a fixed body of accepted norms and proceed to legislate for those 
cases where growth and change of society gave rise to circumstances for which no traditional 
ruling existed. In particular the very complex commercial life with its inherent dangers of 
the profit motive needed regulating, and for that reason the Mesopotamian laws seem to the 
modern reader to have a very secular flavour. The Hebrew social laws offer a very welcome 
contrast. Economically and socially the Hebrews were much less developed than the Mesopo- 
tamians, so that commercial law is much less extensive. The keener moral sense of the 
Hebrews, however, resulted in a grasping of the vital character of basic moral principles, 
so that the Ten Commandments are a more direct statement of standards than anything 
preserved in Mesopotamian law. 

A second factor deserving attention in connection with law, and one which cuts across 
vvhat is written in the preceding paragraph, is the growth of a legal tradition. Once incor- 
porated in a code, a given law is liable to turn up in later codes whether or not it was vital 
to the life of the community coneerned. In attempting to use the laws as social documents 
the constant legacy must be remembered. To some extent old laws were brought up-to-date 
and were worded more explicitly. 

The third and most perplexing observation to be made is that these laws do not seem to 
have been observed. It is quite certain that two contracting parties were free to disregard 
the requirements of the law if they so wished. Nor was there any adequate machinery lor 
insuring that laws were observed. Knowledge of legal proceedings is preserved in hundreds 
of cuneiform records, and other documents showing how business was transacted have turned 
up in their thousands, but never once is a law cited or referred to. Only very rarely is a royal 
decree (simdat sarrim) mentioned. With some of Hammurabi’s laws the suspicion is aroused 
that they never could be enforced. If, for example, every surgeon who performed an unsuc- 
cessful operation was punished by having his hand cut off 21 ), the whole pro'fession would 
obviously disappear from society. 

At the risk of oversimplifying the matter, the following conclusions will at least help 
to throw light on the nature of Mesopotamian law. It is a combination of two very diverse 
elements. On the one hand it offers precise regulations for specific needs of society, and in- 
corporates some old traditional rulings. On the other hand it offers an ideal of legal decisions 
to be taken as a pattern rather than a working manual. Behind this structure the true nature 
of Mesopotamian social behaviour stands out very clearly. Despite the advanced and com- 
plicated commercial life, morals were still very much in the 'tribal' stage. Everyone knew 
the basic requirements in social life, and there was no need to have them put in writing. 
All citizens, but especially the rulers, were guardians of the standards demanded and were 
presumed to uphold them in their respective spheres: rulers over cities, elders over districts 
and quarters of cities, and parents over children. 

If then morals were a concern of the community at large, it is natural to expect to find 
evidence of popular teaching such as ordinary people could understand and use. A criterion 
of what is and what is not popular in ethical precepts can be stated. That which spreads most 
easily from one culture to another can be considered popular. A comparison of the spread 
of Aesopic material over Europe and Asia with the spread of Aristotle's works brings out 
the great mdbility of popular teaching. We must not be too strict in our d.efinition of 'tea¬ 
ching' : Mickey Mouse and the comics of today have their popular ethical standards, and the 
ancient world did not lack similar material. 


19 ) §§ 53 - 55 . 

20 ) §§ 12-13. 


21 ) § 218. 



i88 


VOORAZ1ATISCHE PHILOLOGIE 


MORALS IN ANCIENT MESOPOTAMIA 


189 


There is good reason for believing that the Sumerian and Babylonian texts containing 
moral exhortation, to which reference has already been made, are popular precepts. The mate- 
rial is made up of short mutually independent sections such as could easily be committed 
to memory. The mobility of the material can be seen from the following extract: 

Do not show an angry face where there is a dispute. When a dispute, like fire, is consuming someone, 
seek to extinguish it! (Sumerian Precepts) 22 ) 

Do not frequent a law court, do not loiter where there is a dispute, for in the dispute they will have 
you as a testifier, then you will be made their witness and they will bring you to a lawsuit not your 
own to affirm. When confronted with a dispute, go your way; pay no attention to it. Should it be a 
dispute of your own, extinguish the flame! (Babylonian Counsels of Wisdom) 23 ) 

Stand not between persons quarrelling, because from a bad word there comes a quarrel, from a quarrel 
there comes war, from war there comes fighting, and you will be forced to bear witness; but run 
from thence and rest yourself. (Arabic version of an Ahiqar saying) 24 ) 

lf there is a quarrel in a Street, do not go that way, lest as you pass you get involved in some 
unpleasantness. For, if you undertake to separate them, you will receive blows and get your clothes 
torn. If you stand there and watch, you will be required to give witness bef ore the court. Let it be 
your abomination to receive blows, and refrain from giving false witness. 

(Syriac text of Menander the Egyptian) 25 ) 

Despite the di ff erences of these extracts the similarities show beyond doubt a derivation 
from one and the same popular theme. The first two share the metaphor of extinguishing a 
fire. All but the 'first have the same warning about the danger of being compelled to be a 
witness. The very content of the theme is popular, and a poor man’s philosophy. The rich and 
powerful need not be so careful of quarrels. As well as themes it is even possible to isolate 
moralising dictums, as in the following extracts: 

Do not insult the downtrodden and [...] Do not sneer at them autocratically. With this a man’s god 
is angry, it is not pleasing to Shamash, who will repay him with evil. Give food to eat, beer to drink, grant 
what is asked, provide for and honour. In this a man’s god takes pleasure, it is pleasing to Shamash, who 
will repay him with favour. Do charitable deeds, render service all your days. 

(Babylonian Counsels of Wisdom) 26 ) 

You give the unscrupulous judge experience of fetters; you make him who accepts a present and 
yet Iets justice miscarry bear his punishment. As for him who declines a present, but nevertheless takes 

the part of the weak, it is pleasing to Shamash, and he will prolong his life. What is he benefited 

who invests money in unscrupulous trading missions? He is disappointed in the matter of profit and 
loses his Capital. As for him who invests money in distant trading missions and pays one shekel per ..., 
is is pleasing to Shamash, and he will prolong his life. ...As for the honest merchant who weighs out 
loans (of corn) by the maximum Standard, thus multiplying kindness, it is pleasing to Shamash, and he 
wil prolong his life. (Babylonian Shamash Hymn) 27 ) 

What is not pleasing to Shamash I have not done. 

(Babylonian inscription of king Kudur-Mabug, c. 1780 b.c.) 28 ) 

Two things [which] are meet, and the third pleasing to Shamash: one who dr[inks] wine and gives 
it to drink, one who guards wisdom, and one who hears a word and does not teil. 

(Aramaic Ahiqar saying) 29 ) 


One can almost hear the street-corner moralists in Babylon condemning this as “not pleasing 
to Shamash”, and condoning that as “pleasing to Shamash”. More material of this kind 


can be found, but only one text has claim to 

2 ' 2 ) J. J. A. van Dijk, La Sagesse Suméro-acca- 
dienne , p. 106, 17-18. 

23 ) Lines 31-37. * 

24 ) F. C. Conybeare, J. Rendel Harris and A. 
S. Lewis, The Story of Ahilfar, p. 137, 54. 


contain popular sayings in an uncontaminated 

25 ) Jean-Paul Audet, RB LIX 65, 20. 

2<G ) Lines 57-65. * 

27 ) Lines 97-119.* 

28 ) RA 11, 92, I, 6-7. 

29 ) ANET 428b VI 92-93. 


form. It is a tablet written in Assyria during the reign of Sargon II (716 b.c.) 30 ), and 
linguistic evidence suggests that in its present form at least the sayings are little older than the 
tablet. Thus the material is from the time when Aramaic influence was strong, and this may 
well account for several sayings which exhibit a typically Semitic revulsion for the pig, e.g.: 

The pig is not fit for a temple, lacks sense, is not allowed to tread on pavements, an abomination to 
all the gods, an abhorrence to (his) god, accursed by Shamash. (III 15-16). 

The Sumerians had no such objection to the pig, and this marks therefore a Semitic feature 
of these popular sayings. 

From such popular material it is possible to obtain some idea of the moral ideals and 
standards of ordinary people. In the first place they had a definite set of standards which were 
observed because it would invoke divine displeasure to transgress them. Shamash was the god 
in particular who presided over these matters, and there is a considerable quantity of evidence 
showing the popular esteem for this god, who just missed being one of the great gods in the 
priestly pantheon. To transgress one of the accepted rules would result, in the long run at 
least, in punishment. Tyrants and bullies, thieves and Hars will all eventually receive their 
due reward in this life. One of the popular sayings goes: 

The sycophant stands in court at the city gate. Right and left he hands out bribes. The warrior Sha¬ 
mash knows his misdeeds. (IV 8-10). 

Another reads: 

The maligner speaks hostile words before the ruler, talking cunningly, uttering slander. The ruler, 
thinking it over, prays to Shamash, “Shamash, you know! Hold him responsible for the blood of 
the people”. (IV 11-14). 

One of these sayings is also found, slightly altered, as an Aesopic fable, and this clearly implies 
a moral from the dialogue of the two creatures: 

A mosquito, as it settled on an elephant, said, “Brother, did I press your side? I will make off at 
the watering place”. The elephant replied to the mosquito, “I do not care whether you get on—what is 
it to have you?—nor do I care whether you get off”. (III 50-54). 

In other words, Do not overestimate your own importance. 

Thus the philosophy of the ordinary people was not very profound: a belief that right 
ultimately prevails, with a liberal seasoning of common sense maxims for surmounting the 
trials of life. It has, indeed, very much in common with the everyday philosophies of many 
peoples in the ancient Near East and even further afield. 

The intelligentsia of ancient Mesopotamia evolved their doctrine of ethics from their 
Weltanschauung. From the very beginning the Mesopotamian view of the universe had been 
in theory and practice theocentric. The gods had created the universe and man came into being 
purely to serve the gods. The relationship was that of slave to master so that ethical theory was 
very simple: right conduct was to fulfil the divine commands, sin was a neglect SO' to do, or 
to do anything displeasing to the heavenly lords. Sinners could expect to be punished, while 
the dutiful could hope for crumbs of reward to fall from their masters’ tables. All such re- 
compense had to be paid off in this life since the ancient Mesopotamians looked for no bliss 
in the afterlife. The souls of the departed, it was believed, if proper burial and funerary offe- 
rings were provided, would cross the Hubur river, the Babylonian Styx, and enter the sub- 
terranean realm. There is reference to a judgement there, and one text even promises differing 
kinds of eternity according to one’s achievements on earth (a spirit is being questioned about 
the underworld) : 

“Have you seen him who was slain in battle?” “I have. His mother and father care for him, and his 

30 ) E. Ebeling, MAOG II/3, 40-50.* 





190 VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

wife weeps over him”. “Have you seen him whose body lies in the open country?” “I have. In the 
underworld his spirit has no rest”. “Have you seen him whose spirit has no one to care £01* it?” 
“I have. He eats the pot-scrapings and scraps which lie in the streets” 31 ). 

This extract is immediately preceded by lines which promise a slightly better position for 
those with large families, but imfortunately they are too damaged to render a translation pur- 
poseful. The family allowances of the ancients were apparently not paid until death. However, 
contrary to the impression which these passages might give, it is certain that an afterlife played 
no real part in the cosmological thinking of the Sumerians, Babylonians, or Assyrians. The 
underworld was a dreaded, gloomy place : 

... to the house of darkness, the dwelling Irkalla, to the house from which those who enter do not 
depart, to the road from which there is no turning back, to the house wherein those who enter are 
bereft of light, where dust is their fare, and clay their food, who see no light, but dweil in darkiess, 
who are clad in a garment of wings like birds. Over door and bolt dust is spread ... 32 ). 

A gloomy forboding of this kind gave a certain pessimistic tinge to Mesopotamian thought. 
A Sumerian king and warrior hero from the very dawn of history, Gilgamesh, is said in 
later tradition to have been overcome with this thought, and these words are attributed to him: 

Who, my friend, can scale hea[ven] ? The gods live with Shamash for ever, but the days of mankind 
are numbered. Whatever they do is wind 33 ). 

Another writer has this line: 

Mankind and their achievements alike come to an end 34 ). 

In short, All is vanity and vexation of spirit. 

In Sumerian times the whole country was organised to fulfil the theocentric ideal. Each 
city state had its own god or gods. They were the actual owners of the city and the surroun- 
ding land. On earth a ruler was charged with the duties of supervision, much like a bailiff. 
The houses of the gods, the temples, were not only places of worship, but also economie 
centres, and certainly the most imposing group of buildings in the whole city. Much of the 
land belonging to the city was directly owned and worked for the god with an organization 
not altogether unlike that of a Soviet collective farm. Sumer consisted of many such com- 
munities each devoted to its own god or gods. The fate of each city in the frequent struggles 
for power was intimately bound up with the deities concerned. A ravaged city was as much 
a pain to the divine owners as to the human occupants. The incoming Old Akkadians and 
Amorites soon broke up this theocratie organization and gradually the ideas about the gods 
also changed. To the Babylonians the gods were to a far greater extent an organised group 
with a unified purpose than they had been to the Sumerians. The heavenly counsel gradually 
acquired a singlemindedness, with profound consequences for the Mesopotamian idea of sin. 
Misfortune among the Sumerians seems often to have been interpreted as the haphazard work 
of evil demons. Once the gods worked together for a single purpose these evil spirits were 

considered to be under control and to have no power to attack the righteous. Now all personal 

and collective suffering came to be regarded as punishment for sin. 

These basic concepts and their applications to life were applied to ethical problems with a 
ruthless consistency. The most common sphere of morals in the relation of man to man was 
thrust into the background as a subordinate aspect of what is pleasing to the gods. While this 
was utilitarianism in that it seelcs the greatest pleasure for the most important beings, the 
human race might suffer a maximum of discomfort in its achievement. The Assyrian god 
Assur had a martial spirit, and it was for his pleasure that Assyrian kings piled up the heads 
of their enemies like heaps of corn. The loss of dignity which the human race suffered by 

31 ) A. Heidel, The Gilgamesh Epic and Old Tes- 33 ) ANET p. 79 (iv) 5-8. 

tament Parallels 2 p. 101, 148-153. ’ 34 ) BA V 624, 10.* 

32 ) A. Heidel, op. cit. p. 121, 4-11. 


MORALS IN ANCIENT MESOPOTAMIA I9I 

being the slaves of the gods had bad consequences for the moral life. All standards were set 
by the gods and the human conscience played no part, according to the moral theorists, in the 
grasping and interpreting of them. The gods spoke, and men should give unquestioning obe- 
dience. This submission, however, was a cause of moral degeneration, for Babylonian thinkers 
found themselves compelled to deny any intuitive knowledge of good and evil on the part 
of man. 

Mankind is deaf and knows nothing at all. What knowledge has anyone at all ? He knows not whether 
he has done a good or a bad deed 35 ). 

People do not know [...] evil and that which is not fit to be seen. A god reveals what is fair and 
what is foul. He who has his god, his sins are warded off. He who has no god, his iniquities are many 36 ). 

The reasoning here is quite transparent. All misfortune springs from sin. Misfortune may 
occur without any consciousness of sin, therefore mankind has no intuitive sense of right 
and wrong, and must seek this from divine revelation. More tender souls could not accept in 
individual cases that sin had actually been committed, and these Babylonian Jobs had to resign 
themselves ultimately to a non liquet. The stouthearted intellectuals followed their reasoning to 
its logical end, and silenced their consciences with the simple deductions. 

Since social responsibility was not regarded as a secular duty or as a social contract 
between fellow men, but as an aspect of duty to the gods, more intellectual theorizing was 
required to explain just how this was so. The Sumerian myth of Enki and Inanna 37 ) throws 
a bright light on this matter. The story goes that Enki, the wise god of Eridu, was owner of 
sundry arts of civilization, which Inanna wishes to obtain for her own city of Uruk. Each of 
these arts is called a me, an untranslatable word, since there is no corresponding concept in 
modern European thought. It has been rendered ‘divine norm’, and that is perhaps the best 
approximation to its real sense. In the story the me s are physical objects. Inanna accordingly 
makes the journey to Eridu, where she is entertained by Enki. Under the influence of the 
food and drink Enki yields to Inanna’s requests, and she quickly seizes her opportunity, 
loads the me s on her boat, and makes off with all possible expedition to her own city. When 
Enki recovers from his banquet, he recovers his senses and realises his folly. The rest of the 
story is the account of his trying to have the boat of Inanna stopped, and of Inanna’s evading 
all the traps and delivering the precious cargo to the townsfolk of Uruk. The importance of 
this story lies in its listing of the me s. Rulership is represented by several; the crafts are 
present: the carpenter, scribe, weaver, etc.; the arts are represented by music. These we would 
have expected. What is surprising to a western mind : s such items as: the annual flood, en- 
mity, falsehood, weariness, rejoicing of the heart, the rebel land, purification, and sexual 
intercourse. The theory behind this is clear enough: not only the physical universe is the 
creation of the gods, but every aspect of human society is equally a divine prescription, and not 
a human invention. The Sumerian thinkers held that at one time mankind had lived like animals : 

They knew not the eating of bread, knew not the putting on of clothes, ate plants with their mouths 
like slieep, drank water from the ditch 38 ). 

At a given point of time “kingship was lowered from heaven”, and after the flood a repetition 
of this occurred 39 ). There are many indications that this concept of kingship continued as the 
accepted theory of rulership until much later times. 

The implications of this theory of social institutions were the basis of ancient Mesopo¬ 
tamian morality, at least in theory. All human institutions are the gift o! the gods, and to 
disregard or attempt to alter them is sin. Thus one Babylonian preacher, whose words on the 
vanity of existence were quoted above, nevertheless advises his readers: 

Take thought for your livestock, remember the planting 40 ). 

This is not a common sense rule to ward off starvabon, but a necessity for pleasing the gods. 

35 ) OECT VI 43, 29-34. 38 ) S. N. Kramer, Sumerian Mythology, pp. 72-73. 

30 ) BA V 370, K 3419 Col 11 + K 3186, 40-43. 39 ) ANET p. 265. 

37 ) S. N. Kramer, Sumerian Mythology , pp. 64-68. 40 ) BA V 624, 14. * 




192 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


MORALS IN ANCIENT MESOPOTAMIA 


193 


Agriculture is a divinely given institution. Similarly one of the Babylonian Jobs declares that 
he intends becoming a vagrant to escape the evils of organised society : 

I will abandon my home ... like a robber I will roam over the vast open country, I will go from 
house to house and ward off hunger ... 41 ). 

His friend at once chides him with irreverence and folly. 

In a world thus constituted miers had a heavy responsibility to shoulder as guardians of 
divine principles. The ideal is stated in a bilingual pro verf): 

The command of the palace, like Anu’s, is sure. Like Shamash, the king loves righteousness and 
hates evil 42 ). 

Their responsibility to dispense justice is a frequent topic in royal inscriptions, and especially 
in the prologues to the law codes. Listen to Ur-Nammu speaking of his reign: 

He did away with(?) the duties, the “big” sailors, those who forcefully seized the oxen, seized the 
sheep, seized the donkeys ... He fashioned the 1 bronze sila, regulated the 1 mina, regulated the 1 shekel 
of silver (and) stone ... The orphan was not given over to the rich, the widow was not given over to 
the powerful, the man of one shekel was [not] given over to the man of the mina ... 43 ). 

One of the most interesting statements of the ideal kingdom is given in a letter adressed to a 
Late Assyrian king. The writer wished to present a petition to the king, but had been unable 
to find a courtier who would take up his case, so in desperation he writes to the king direct 
and first tries flattery: 

The gods of heaven and earth are exalted in the reign of the king my lord. Old men dance, young 
men sing, women and maidens gladly perform the task of womenhood and enjoy intercourse. Sons and 
daughters are boni, procreation goes smoothly. Him whose sins condemned him to death, the king my 
lord Iets live. You release him who was in prison for many years. They who were sick for many days 
recover. The hungry are satisfied, the parched are cared for, the naked are clothed with garments 44 ). 

Despite the mercenary use to which these words were put, there is no difficulty in perceiving 
the lively social conscience which makes possible such a picture of Messianic bliss. Other peti- 
tioners resorted to a more material form of persuasion, the giving of presents. Here one must 
beware of supposing that bribery as such was a crime. Judges in Mesopotamia commonly 
accepted such in the same spirit as a modern counsel takes his fees, and some Assyrian tablets 
are known which record the receipt of such “fees” 45 ), so that their giving was certainly not 
underhand. The dangers of such a system are obvious, and passages have been quoted above 
which condemn abuses. 

There are two pieces of literature which specifically advise rulers. The one is a war- 
ning to kings of Babylon against taxing the citizens of Babylon, Sippar and Nippur, and 
against misappropriation of their goods. The writer gives an abstract quality and solemn 
assurance to his warnings by putting them in omen style: 

If a king does not heed justice. his people will be thrown into chaos, and his land will be devastated... 
If he improperly convicts a citizen of Sippar, but acquits a foreigner, Shamash, judge of heaven and 
earth, will set up a foreign justice in his land, where the princes and judges will not heed justice... 46 ). 


double-dealing. For afterwards the matter will be investigated and the double-dealing of which you are 
guilty will be made known... 47 ). 

This is the one section of the Counsels of Wisdom which does not have a general application, 
and the very practical reasoning is striking. The dangers of being found out and not the anger 
of the gods are the touchstone. 

In particular duties were laid on the king in large numbers. He was responsible for any 
lapse in the provision of offerings or in any other matter at any one of the many temples 
under his supervision. Royal inscriptions are full of the details of rebuilding and redecorating 
shrines. Donations of votive offerings to the temples were also of ten regarded as the most 
important events in a year. All the lavishing of wealth on the gods was no impractical matter. 
The success of the state depended on divine favour more than on any human schemes. With 
this in mind the king had to be particularly punctilious in the matter of ritual. In Babylon 
the king in person must participate in the New Year festival when the gods met and decided 
the fate of Babylon for the ensuing year. During the time of this celebration the king was 
compelled to go before the statue in which Bel resided and there the priest removed his regalia. 
Then the priest dragged him by the ears to the ground, and he recited, “I have not sinned, 
Lord of the Lands, I have not trespassed against your divinity. I have not caused the ruin of 
Babylon, I have not decreed its dispersion ...” After Bel’s reply, communicated by the priest, 
the regalia were returned, but at that point the priest had the duty of slapping the king’s face. 
A flow of tears was a guarantee of a successful year, and their absence of the reverse, so 
it may be presumed that the priest would make good use of the strength of his arm 48 ). On 
more than one occasion Assyrian kings had cause to complain of the ritual restrictions which 
their religious advisors inflicted on them. The following is an extract from a letter from such 
advisors answering a complaint: 

One day has passed since the king began fasting and has not eaten a morsel. He asks, “How long?” 
Today the king may eat no food. The king is a commoner. At the beginning of the month the moon 
will appear, so the king says, “Release me! Have I not been kept waiting? It is the beginning of the 
month! Let me eat food and drink wine!” But is Jupiter the moon? Afterwards for a whole year let 
the king demand food. We have considered the matter, made our prescription, and written to the king 49 ). 

It is a matter for surprise that with such a control over kings the priestly class did not obtrude 
itself into government more frequently. 

Kings and rulers represented the first subordinate grade in the hierarchy of the ancien! 
Mesopotamian universe. As they submitted to the will of the gods, so others submitted to them 
and to the gods. Social responsibility for the individual consisted in submitting to all authorities 
and in doing good to those in need. In the inscriptions of Esarhaddon there is an account of 
the wickedness of the Babylonians which led to the sacking of their town by Sennacherib: 

They oppressed the poor and gave him into the hand of the powerful, in the city there was tyranny, 
the receiving of bribes. Every day without fail they plundered each other’s goods. The son cursed his 
father in the Street, the slave [abjured] his master, [the slave girl] did not listen to her mistress ... 
They laid hands on the property of Esaggil, the temple of the gods, and sold silver, gold and precious 
stones to the land of Elam 60 ). 


The other piece is a section of the Counsels of Wisdom, which offers advice to> a prospective 
vizir: 


My son, if it be the wish of the prince that you are his, if you attach his closely guarded seal to 
your person, open his treasure house, enter within, for apart from you there is no one else (who may 


do this). Unlimited wealth you will find inside, 

41 ) ZA 4 3, 57, I 33 -I 43 ; ANET pp. 439-440, 133- 
143 -* 

42 ) K 4160 + 13184. * 

43 ) S. N. Kramer and A. Falkenstein, Or NS 
23, 46-47. 


but do not covet any of this, nor set your mind on 

44 ) L. Waterman, Royal Correspondence of the 
Assyrian Empire I (University of Michigan, Hu- 
manistic Series, Vol. XVII), No 2. 

45 ) T. J. Finkelstein, JAOS 72, 77-80. 

4e ) F. M. Th. Böhl, MAOG XI/3, i ff. * 


Here the disobedience of slaves to masters and filial disrespect is put on much the same level 
as plundering temple treasures as a cause of divine anger. 

If the first point of social morals was respect for authority, the second was certainly fair 
dealing and humanity with one’s fellow creatures. Thus unscrupulous business practices are 
condemned in the Shamash hymn, as quoted above. The bilingual hymn to Ninurta in a 
gallery of rogues lists: “One who utters slander, who is guilty of backbiting, who spreads 

47 ) Lines 81-89. * Humanistic Series, Vol. XVII), No. 78. 

48 ) ANET p. 334, 415 ff. 50 ) R. Borger, Die Inschriften Asarhaddons Kö- 

49 ) L. Waterman, The Royal Correspondence of nigs von Assyrien ( AfO Beiheft 9), pp. 12-13. 
the Assyrian Empire I (University of Michigan, 



194 


VOORAZIATISCHE PH1LOLOGIE 


MORALS IN ANCIENT MESOPOTAMIA 


195 


vile rumours about his equal, who lays malign charges against his brother ...” 51 ). Kindness 
to those in need is enjoined in a dialogue between a man and his god, where the god speaks: 

Anoint the parched, feed the hungry, satisfy the thirsty with water 52 ). 


At the lowest, social morality consisted in not transgressing those customs which had come 
to be considered socially proper, and so morally right. In Assyria, for example, all respectable 
women were required to be veiled in public places. Street prostitutes and slave girls on the 
other hand might not go veiled in public. The enforcement of this rule was severe, and a man 
who failed to report a breach was beaten with fifty stripes. Similarly in the palaces of the 
Assyrian Icings rules were drawn up for the conduct of the ladies of the harem. One made by 
Tiglath-pileser I reads: 

If a woman of the palace with exposed hips or not wearing her panties(?) called to a courtier, 

“[ .] ... let me send you”, and he delayed and spoke with her, he shall be beaten with 100 stripes. 

The one who witnesses to this shall take the man's clothing, and he shall be tied up with his own belt 53 ). 

In the matter of religious observances the private citizen had duties much like the Icing: 

Every day worship your god. Sacrifice and benediction are the proper accompaniment of incense. 
Present your free-will offering to your god, for this is proper toward the gods. Prayer, supplication, 
and prostration offer him daily, and you will get your reward. Then you will have full communion 
with your god. In your wisdom study the tablet. Reverence begets favour, sacrifice prolongs life, and 
prayer atones for guilt 54 ). 


To what extent people actually cultivated their personal gods is not known. There were cer- 
tainly some who treated their god as a milch cow, and did not hesitate to demand a bettler 
return for their services or ...! The impression is gained that everyday religion was dominated 
by fear of evil powers and black magie rather than by a positive worship of gods. And not 
without good reason. The world was conceived to be full of evil demons who might cause 
trouble in any sphere of life. If they had attacked, the right ritual should effect the cure. 
There is an abundance of such rituals from the priestly schools, and the tradition of c Chal- 
deans 3 which the Babylonian religion left on its neighbours is an evidence of the predominating 
part which such rites held. Humans, as well as devils, might work evil against a person by the 
black arts, and here too the appropriate ritual was required. A study of the spells used, such 
as we have them from the compilations of the priests, shows that they do go back to a popular 
tradition in some cases, but this whole field of magie is too big and too remote from our topic 
to be pursued further here. 

Against this kind of background in life morals and magie were inextricably confused. 
There was no distinction, such as we tend to make, between morally right and ritually proper. 
The god was just as angry with the eating of ritually impure food as with oppressing the 
widow and orphan. His anger would be appeased no less with the ritual offering than with a 
reformed life. This was certainly one of the greatest defects of Mesopotamian thought, for it 
allo wed the less salubrious elements to thrive unchecked. 

Sexual life is that sphere where Mesopotamian standards differed most from our own. 
The basic cause underlying the phenomena is the worship of the Sumerian Inanna and her 
Babylonian successor Ishtar. Many members of the Mesopotamian pantheons were personi- 
fications of parts or aspects of nature. Among other truths, it had been grasped that “all life 
depends on love alone”. It was then only logical that sexual potency should be personified in a 
goddess of love and procreation. Add to this the fact that the Sumerians, like the Eskimos, 
had no sense of modesty about these matters, and the way is prepared for understanding the 
position. Thus the Sumerian signs for c male 3 and c female 3 are originally simplrfied drawings 


51 ) J. J. A. van Dijk, La Sagesse Suméro-acca- 
dienne, p. 115 Face 5-10.* 

52 ) J. Nougayrol, RB LIX 239 ff. 62-63, cf. W. 


VON Soden, Or NS. 26, 319. 

53 ) E. Weidner, AfO 17, 287, 105-107. 

54 ) Lines 135 - 145 . * 


of the sexual parts, and c married person 3 was expressed by a juxtaposition of the two. In 
married life a dual set of standards was involved, one for the wife and one for the husband. 
The wife was circumscribed, and adultery was a serious crime lor which the punishment could 
be death. The woman and the adulterer had done wrong against the husband. The husband 
contrariwise was in no wzy expected to limit his sexual life to his own bedroom. Provided that 
he lcept clear of other men’s wives, he was quite free. With certain restrictions for special 
cases, the dual Standard is also seen in the matter of divorce. According to Hammurabi’s laws 
a husband is not compelled to have a very good reason for divorcing his wife, but a wife must 
produce strong evidence of her husband’s cruelty before she may leave him. A husband was 
also free, within certain limits, to have more than one wife, and concubines and slave girls 
were thought nothing of, but polyandry was unknown. Unfortunately the normal institution 
of marriage was not considered adequate glorification of Inanna-Ishtar, nor did it fulfil a 
vital role in the life of society. 

The sexual act was a profound symbol of fertility, and in the New Year festival it was 
performed by a priest, who was also the ruler in early times, and a priestess as a means of 
securing general fertility within the state. The rite is portrayed on a few cylinder seals, and 
there are stray allusions to it; otherwise, however, it is little known. The same applies to cult 
prostitution. No one doubts its prevalence, especially with the cult of Ishtar, but little is 
known of its functioning. The names of various categories of priestesses are known, all highly 
respectable persons since kings even dedicated their daughters, but it is not known if all, or 
some, or even none of these were especially religious prostitutes. Money was presumably paid 
for favours received despite its being a glorification of a goddess. The swarms of Street women 
may have differed from the cult prostitutes only in not having other religious duties to per- 
form, for they too were ex officio devotees of Ishtar. As well as women, men “whose man- 
hood Ishtar has changed into womanhood” offered themselves. Odd allusions in literary texts 
allow a lurid picture to be painted of streets and gardens abounding with mating couples. 
Though there is no evidence for the use of contraceptives, coïtus per anum was practised to 
avoid pregnancy. The price of such debauchery was partly paid in venereal disease, and a large 
corpus of incantations for recovering lost sexual virility attests the results. 

The impression is sometimes given that no protest was ever raised against these excesses. 
So far as Street women are concerned this is not the case. A bilingual text known from an Old 
Babylonian copy (c. 1700 b.c.) reads: 

Why have you slandered the daughter of a citizen, your equal, and called her a Street woman so that 
her husband left her? 55 ). 

Similarly the Babylonian Counsels of Wisdom advise against marrying such a lady: 

Do not marry a prostitute, whose husbands are legion, a temple harlot who is dedicated to a god, 
a courtesan whose favours are many. In your trouble she will not support you, in your dispute she will 
be a mocker; there is no reverence or submissiveness with her. Even if she dominate your house, get 
her out, for she has directed her attention elsewhere. (A variant of the last line is also attested: She 
will disrupt the house she enters, and her partner will not assert himself.) 5€ ). 

Here no distinction is made between different species of the kind, but all alike are condemned 
as unfit for marriage. Though the condemnation does not go farther than this, it may well be a 
rationalization of a revulsion at this institution. 

One matter of sexual life remains. There is quite a remarkable tradition about the early 
king and Sumerian hero, Gilgamesh. As to the reliability of such a tradition, there is an in- 
creasing weight of evidence which suggests that while such traditions have been worked up by 
the artist so that motives tend to get altered and other changes take place, nevertheless there 
does seem to be a sound historical kernei behind them. In the Babylonian Gilgamesh Epic the 
story is told of how the hero practised what is variously termed ius primae noctis or droit de 


55 ) Quoted CAD Vol. H ioia. 


56 ) Lines 72-80. * 




196 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


seigneur. The passages concerned unfortimately contain several obscure phrases, but the follo- 
wing lines, which speak about Gilgamesh, are clear: 

He will have intercourse with the destined. wife: he first, the husband afterwards 57 ). 

The place where this took place is “The House of Kinship” (Babylonian bit emüti). An 
important question about this anthropologically interesting phenomenon is whether it was just 
an isolated occurrence attesting the tyranny of Gilgamesh, or whether it was a regular part 
of ancient Mesopotamian life. Such a happening could easily be limited to one particular man 
of exceptional virility, as was the case with c King Benjamin 3 Purnell, head of the House of 
David communistic Christian sect in America during the first quarter of this century. From 
court proceedings instituted against him in 1923 is appeared that he had been living in luxury 
with the unmarried girls of the community, and had been initiating them in a manner more 
carnal than was proper for a spiritual leader. To avoid scandal the girls were married off to 
the young men of the community as occasion required 58 ). Was this the case with Gilgamesh? 
From the little we know of early Sumerian rulers it is clear that they were also the highest 
religious rank in their towns. Herodotus, at a much later period, supplies some evidence. 
He gives an account of a custom, which is obviously an eyewitness report, whether his own or 
some other’s need not be discussed. He States 59 ) that once in their lives all Babylonian women 
were compelled to offer themselves at a shrine of Ishtar (rendered Aphrodite by Hero- 
dotus), and to give their services to the first man who approached them, in return for a 
piece of silver. Commentators hasten to assert that there must be some mistake here, a con- 
fusion with the ordinary religious prostitution 60 ). However, this was so well known in the 
whole of the Near East that it is difficult to believe that an eyewitness in Babylon could possibly 
mistake it for something else. If we accept the reliability of the account, one question needs 
to be put, which our informant obviously failed to put. At which period in a woman’s life was 
this act obligatory? The only answer which has any show of plausibility is, just bef ore mar- 
riage, and, if this was the case, it is a confirmation that the droit de seigneur continued as a 
social institution until late times in ancient Mesopotamian history. It may be added that Hero- 
dotus’ account is confirmed by some allusions in the Epistle of Jeremy, 43. This question 
could also be pursued in other directions. Was the bit astammi, certainly a bawdy house, the 
same as the bit emüti ? Was the deflowering of virgins carried on there throughout ancient 
Mesopotamian history? The evidence is too slight to permit further speculation. 

Probably no one would accuse the Sumerians of having low moral standards. Though 
their whole System of thought and life was very foreign judged by contemporary Western stan¬ 
dards, there is an earnestness and sincerity about their civilization which compensates for 
those social institutions which seem morally revolting to us. The Babylonian way of life which 
developed out of this has, in contrast, been condemned both in antiquity and in modern times. 
There is certainly an element of truth in the alleged low moral standards, and it may well be 
that the Semitic mind was too emotional to operative healthily within social forms which suited 
the Sumerians. Strictly speaking, however, we have little real evidence for a judgement, and 
there has certainly been some exaggeration, especially in the ancient Jewish writers. The 
Epistle of Jeremy says of the Babylonian gods: 

They can save no man from death, neither deliver the weak from the mighty. They cannot restore 
the blind man to his sight, nor deliver any that is in distress. They can show no mercy to the widow, 
nor do good to the fatherless. (36-38). 

Actually all these points are claimed by the gods and goddesses of Babylon, and their followers 
professed to apply such standards in their lives. 

University College, University of Toronto W. G. Lambert 

T o r o n t o, Ontario, Canada 

57 ) ANET p. 78 (iv) 34-36. 59 ) Book I, 199. 

58 ) E. T. Clark, The Small Sects of America 2 , ' 60 ) W. W. How and J. Wells, A Commentary 

p. 154. on Herodotus I, p. 151. 


ECONOMISCHE GEGEVENS IN SUMERISCHE EN 
AKKADISCHE TEKSTEN, EN HUN PROBLEMEN 


De philologie, zich bezig houdend niet de talen van het oude Mespotamië, ziet zich ge¬ 
plaatst voor een rijke verscheidenheid van teksten. Deze geven ons een beeld van — of wel¬ 
licht beter gezegd een glimp op — het maatschappelijk en geestelijk leven van de Sumeriërs, 
Babyloniërs en Assyriërs in al zijn aspecten. De overgrote meerderheid der gevonden teksten 
heeft betrekking op de materiële zijde van het leven. Juist omdat zij ons het dagelijks leven, de 
grondslag, waarop de maatschappij is gebouwd, leren kennen, verdienen deze teksten — de 
teksten van economische aard — onze bijzondere belangstelling. De verscheidenheid van deze 
teksten is groot: quitanties voor de ontvangst van alle mogelijke artikelen, levensmiddelen, 
bouwmaterialen etc., lijsten van verstrekkingen in natura aan personen, die diensten voor de 
tempel of de overheid verrichtten, boekhoudingen in diverse vormen, contracten betreffende 
koop en verkoop van huizen, landerijen en slaven, huur, pacht, huur van arbeiders, leningen, etc. 
Al dit tekstmateriaal behoort te worden bezien tegen zijn historische en archseologische achter¬ 
grond. Het is daarom van bijzonder belang nauwkeurig te weten waar de teksten zijn gevonden 
en de beschikking te hebben over een nauwkeurige beschrijving van de archeologische 
entourage. Helaas is deze slechts zelden bekend, hetzij omdat de gepubliceerde teksten bij 
clandestiene graverijen zijn gevonden, hetzij, hetgeen erger is, bij de opgravingen de vindplaats 
van de kleitabletten niet nauwkeurig is genoteerd of deze althans niet in de tekstpublicatie 
of de archseologische publicatie is vermeld x ). Eerst sedert betrekkelijk korte tijd worden deze 
fouten niet meer gemaakt; als voorbeelden van goede publicaties mogen wel gelden de Franse 
betreffende Mari en Ugarit. 

In de laatste tien jaren is op dit gebied veel gepubliceerd. In het bestek van dit artikel 
is het slechts mogelijk enkele grepen uit het materiaal te doen. Eerst zal aandacht besteed wor¬ 
den aan een van de meest sprekende aspecten van het economische leven, de handel tussen ver¬ 
schillende bevolkingscentra. Daarnaast zal worden gewezen op die publicaties, die nieuw 
licht hebben geworpen op een bepaalde periode of een bepaald gebied, of die door de philologi- 
sche bewerking een handleiding vormen bij de bestudering van tekstmateriaal. 

Babylonië heeft de roep gekregen in de oudheid het land van de handel bij uitnemendheid 
te zijn geweest. Deze roep stamt uit de zesde en vijfde eeuw v. Chr., toen vreemdelingen in 
groten getale in Babylon vertoefden. Wat deze toen zagen was het resultaat van een eeuwen¬ 
lange ontwikkeling. Deze ontwikkeling moet zijn begonnen in de alleroudste tijden, waarin 
de alluviale vlakten van Mesopotamië werden bewoond, dus in het vierde millennium v. Chr. 
Deze alluviale vlakten leverden de basis voor het menselijk bestaan: vruchtbare grond, die 
rijke oogsten van graan en andere gewassen, zoals dadels en sesam, opleverde, grond, die tevens 
bouwmateriaal opleverde in de vorm van leem en baksteen, welk bouwmateriaal aangevuld 
werd door grote hoeveelheden riet uit de moerassen. De grondstoffen om goede gereedschap¬ 
pen te maken, hout, steen en metalen, ontbraken in het land. De normale weg om deze te 
verkrijgen is de handel, al is het enkele malen voorgekomen, dat hiertoe rooftochten werden 
georganiseerd 2 ). Zowel de vondsten bij de opgravingen in Zuid-Mesopotamië, als vermel¬ 
dingen in teksten wijzen er op, dat in de eerste helft van het derde millennium v. Chr. reeds 
van alles werd ingevoerd, harde steensoorten en halfedelstenen voor het vervaardigen van rol- 
zegels en sieraden, goud voor sieraden, koper voor het vervaardigen van vaatwerk en gereed¬ 
schappen, allerlei houtsoorten en al spoedig ook reukwerk. Enkele zinspelingen hierop zijn te 
vinden in de Sumerische mythen en epen. Zo is in het verhaal van Enmerkar en de heerser 
van Aratta, in 1952 gepubliceerd door S. N. Kramer 3 ), sprake van een zending van graan 
naar de vorst van Aratta, die zijnerzijds de beschikking had over cornalijn en lapis lazuli. Dit 
land van Aratta moet gelegen hebben in het Perzische hoogland, waar graan schaars was en 

D Cf. onlangs E. F. Weidner, Festschrift für V. 2 ) B.v. Gudea’s tocht naar de Libanon om ceder- 
Christian , p. in e.v. hout te halen. 

3 ) Museum Monographs, Philadelphia. 




198 


VOORAZIATISCHE PIIILOLOGIE 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 


199 


lapis lazuli gemakkelijk te verkrijgen was uit het naburige Afghanistan 4 ). De oeroude functie 
van de Euphraat als handelsroute wordt geïllustreerd door een curieuze fictieve brief van 
Gilgames, de legendarische koning van Uruk, waarin hij aan een koning van een overigens 
onbekend land vraagt hem allerlei artikelen in absurde hoeveelheiden langs de Euphraat te 
zenden 5 ). 

Ook andere teksten, die niet als teksten van economische aard zijn aan te merken, geven 
belangrijke informaties omtrent de handel en de handelsproducten. In de lexicographische serie 
HAR.r a — hubullu, die thans door B. Landsberger geheel opnieuw wordt bewerkt en uit¬ 
gegeven, komt in de vierde tablet, regels 277-283 (MSL V, 1957, blz. 174) een opsomming 
voor van schepen, genoemd naar de plaats van herkomst: ma-i-ri-tum, as-su-ri-tum, ü-ri-tum , 
ak-ka-di-tum, til-mu-ni-tum, ma-ak-ka-ni-tum, me-luh-hi-tum, schepen van Mari, Assur, Ur, 
Akkad, Tilmun, Makkan (Magan) en Meluhha 6 ). Daar scheepvaart ten behoeve van goederen¬ 
vervoer — en daarvoor dienden deze schepen wel — in de regel samengaat met handel, vinden 
we hier een aantal van de belangrijkste handelscentra. Al deze steden en streken zal de lezer 
in het vervolg aantreffen. De schepen van Meluhha, Magan en Tilmun kwamen in Sargons 
hoofdstad Akkad (UM XV, 41 VI 10-15; cf. L. Legrain, idem blz. 13) 7 ). De Akkadische 
schepen komen voor in de Oud-Babylonische teksten uit Ur (UET V, 193 en 227). Een op¬ 
somming van uitheemse produkten met hun herkomst vinden we in de „ JLipsur litanies”, be¬ 
werkt door E. Reiner in JNES XV (1956), blz. 130-149, terwijl ook in HAR.r a = hubullu 
dergelijke opsommingen voorkomen. Naast vele overigens onbekende landen als herkomst van 
allerlei hout- en steensoorten vinden we de Libanon als herkomst van cypressenhout, Meluhha 
als herkomst van cornalijn en Magan van koper. 

De teksten van economische aard uit de eerste periode van het schrift, met name de 
teksten uit Suruppak (gepubliceerd door A. Deimel in i922-’24 en R. Jestin in 1937), uit 
Uruk (gepubliceerd door A. Falkenstein in 1936), uit Ur (gepubliceerd door G. A. Bar¬ 
ton in 1935) en uit Djemdet Nasr (o.a. gepubliceerd door S. Langdon in 1938) zijn nog te 
weinig begrijpelijk om daaruit gegevens te kunnen halen, hoewel het wel duidelijk is, dat deze 
teksten bijna alle van economische en administratieve aard zijn. Opgemerkt zij, dat metalen — 
die dus geïmporteerd moeten zijn — in deze teksten voorkomen, b.v. koper in Fara 147-151 8 ). 

De eerste contemporaine teksten, die ons het bestaan van handel tussen de verschillende 
steden van Zuid-Mesopotamië onderling en van deze steden met de omringende landen tonen, 
zijn de Praesargonische teksten uit Lagas in het uiterste Zuiden. Lagas heeft onder politieke 
omstandigheden van verschillende aard, een bloeitijd beleefd, die is begonnen in de tijd voor 
de dynastie van Akkad en die onder deze dynastie en daarna onder de derde dynastie van Ur 
voortduurde met een hoogtepunt onder de e n s i Gudea kort voor of omstreeks het begin van 
de derde dynastie van Ur. De teksten, gevonden door Franse expedities in het laatst van de 
vorige eeuw en tegelijkertijd door clandestiene gravers, zijn in het begin van deze eeuw in 
groten getale gepubliceerd, maar een systematische bewerking van deze teksten heeft nimmer 
plaats gevonden. Het is daarom verheugend, dat de Franse Sumeroloog M. Lambert sedert 
enige jaren deze teksten, speciaal die uit de Praesargonische periode, groepeert en in verschil¬ 
lende tijdschriften het resultaat van zijn werk publiceert 9 ). De handel, geïllustreerd door deze 
teksten, was geheel in handen van de overheid en de tempel met de en si en zijn echtgenote 


4 ) Voor lapis lazuli uit de eerste helft van het 
derde millennium zie ook R. Campbell Thompson 
in de Birmingham Post van 17 April 1931, aange¬ 
haald door T. Fish, BJRL 23 (1939), blz. 222. 

5 ) Sultantepe Tablets I (1957), 40-42; cf. O. R. 
Gurney, Anatolian Studies VII (1957), blz. 127 e.v. 
Ook in een Oud-Babylonisch fragment van het Gil¬ 
games epos, onlangs gepubliceerd door Th. BauerI 
in JNES XVI (1957), blz. 254 e.v., wordt op ver¬ 
voer van cederhout langs de Euphraat gezinspeeld 
(zie de aantekening bij regels a, b op blz. 260). 

6 ) Cf. A. Salonen, Die Wasserfahrzeuge in Ba- 


bylonien ( 1939 ), blz. 52-55. 

7 ) Een ma Me-luh-ha komt ook voor in de 
Oud-Akkadische tekst, gepubliceerd door I. J. Gelb 
in de Studi Orientalistici in onore di Giorgio Levi 
Della Vida I (1956), blz. 381, door Gelb verklaard 
als schepen, varend op Meluhha. In dezelfde tekst 
komen ma su.A voor, waarschijnlijk overeenkomend 
met de assuritum. 

8 ) Cf. A. Falkenstein, Archaische Texte aus 
Uruk (1936), blz. 55. 

9 ) RA XLVII (1953), blz. 58-69 en 105-120, Arch. 
Or. XVIII (1955), blz. 557 - 574 . 







* 


aan het hoofd. Kooplieden werden uitgezonden en leverden hun koopwaar aan de e n s i of 
zijn echtgenote af. Vis werd naar Nippur geleverd, koper werd geïmporteerd uit Tilmun, 
verschillende artikelen, zoals slaven, producten van landbouw en veeteelt, textielwaren en 
metalen, vormden het object van de handel met de nabijgelegen steden, zoals Adab, Umma, 
uru.az en Uruk, en verder weg gelegen steden en landen, als Dër en Elam. 

Van bijzonder belang was de handel over de Perzische Golf, met Tilmun, het huidige eiland 
Bahrein, als centrum. Dit eiland moet destijds dadels en uien van bijzondere kwaliteit hebben 
geproduceerd, die in Babylonië werden geïmporteerd 10 ), terwijl het ook een bijzondrere steen¬ 
soort leverde (UET III, 678). Zijn bijzondere plaats had het eiland echter te danken aan zijn 
transito-handel. Kostbare producten uit verder weg gelegen landen werden per schip over de 
Perzische Golf naar Tilmun gebracht, o.a. koper in grote hoeveelheden uit het land Magan, 
vermoedelijk het Z.O. deel van het Arabisch schiereiland, hout uit Meluhha en ivoor. De ligging 
van Meluhha is nog steeds niet vastgesteld; te denken is aan Zuid-Arabië of wellicht de kust 
van Oost-Afrika 11 ). Vanwaar het ivoor kwam is niet met zekerheid te zeggen; uit Oost- 
Afrika of uit India. Via Tilmun lopende handelrelaties met het gebied van de beneden-Indus, 
waar destijds steden als Harappa en Mohendjo Daro bloeiden, moeten hebben bestaan, zoals 
blijkt uit de vondsten van cachetten met Proto-Indische stijlkenmerken in Mesopotamië en 
de vondst van soortgelijke cachetten op Bahrein, o.a. bij de recente Deense opgravingen 12 ). Bij 
deze opgravingen is in 1957 o.a. een stad te voorschijn gekomen, waarin, in de lagen uit de 
tweede helft van het derde millennium, behalve de cachetten, ook andere voorwerpen, die op 
handelsrelaties met verder weg gelegen landen wijzen, zijn gevonden, o.a. ivoor. In overeen¬ 
stemming met de teksten uit Mesopotamië is gebleken, dat deze stad in het eerste millennium 
v. Chr. opnieuw een tijd van bloei heeft beleefd. Kleitabletten, het belangrijkste wat bij deze 
opgraving gevonden kan worden, zijn helaas nog niet tevoorschijn gekomen. 

Tilmun heeft zijn functie als centrum van zeehandel eeuwenlang bewaard en om een beeld 
te geven hoe deze handel wellicht ging, zij hier uit een beschrijving van de huidige toestand 
in de ILN van 4 Febr. 1956, blz. 175, het volgende citaat overgenomen: „Such boats, which 
undertake a voyage a year to Zanzibar or Bombay, are still being built at Kuwait on the 
ancient traditional lines. With a favourable wind these craft can reach Aden from Basra in 
eight days. Though Bahrein is much modernized to-day, the great ocean going dhows gather 
there during May and June, having sailed from Africa, just as similar craft have done through 
the centuries”. Onze kennis nopens de handel van de stad Ur met Tilmun en Magan is zeer 
verrijkt door de publicatie van de economische teksten uit Ur uit de tijd van de derde dynastie 
van Ur door L. Legrain in 1948 en uit de tijd van de daarop gevolgde dynastieën van Isin 
en Larsa door H. H. Figulla en W. J. Martin in 1953. A. L. Oppenheim heeft in een 
lezenswaardig artikel in AJSL 74 (1954), blz. 7-17, deze handel beschreven met vermelding 
van de taalkundige wetenswaardigheden, die deze teksten opleveren. De teksten uit de tijd van 
de derde dynastie hebben voornamelijk betrekking op de handel met Magan: Uit de voorraden 
van de tempel van de hoofdgod Nanna werden kleren, wol en olie aan een zekere Lu-Enlilla 
afgeleverd om daarvoor koper uit Magan te kopen. Behalve koper bracht hij ook andere ertsen 
mee- Uit talrijke teksten blijkt, dat de tempels van Nanna en Ningal de beschikking hadden 
over grote hoeveelheden kostbare materialen, o.a. edelstenen en ivoor, kennelijk voor een groot 
deel, evenals in later tijd, overzee ingevoerd, 
riet ingevoerd. 

10 ) Cf. voor de uien A. Deimel, Orientalia 17, 
blz. 16, en voor de dadels Ch. F. Jean, Sumer et 
Akkad 182, en TCL VII, 16 (blijkens deze tekst wer¬ 
den deze dadels later in Babylonië geteeld,). 

11 ) Cf. o.a. B. Landsberger, ZA XXV (1924), 
blz. 217, noot 2, E. F. Weidner, AfO XVI (1953), 
blz. 9. S. N. Kramer, From the Tablets of Sumer 
(1956), blz. 90, denkt aan Ethiopië, de Deense opgra¬ 
ver van Tilmun, G. Bibby, aan India (ILN, No. 6188 


Bovendien werd uit Magan een speciaal soort 


van ii Jan. 1958, blz. 55). In de Romeinse tijd kwam 
ivoor overzee vooral uit Oost-Afrika, maar ook uit 
India; cf. M. Wheeler, Rome Beyond the Imperial 
Frontiers (1955), blz. 139, 142 en 147. 

1 2 ) Vide. E. F. Weidner, AfO XVII (1956), blz. 
431, ILN, no. 1687 van 4 Jan. blz. 14-16, en no. 
1688 van ii Jan. 1958, blz. 54-55. Zie ook de NRC 








200 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 


201 


ln de tijd van de dynastie van Larsa voer een speciale groep zeelieden (de alik Tilmun) 
met hun schepen van Ur naar Tilmun, daarheen o.a. textielwaren en zilver uitvoerend. De 
retourlading bestond ook nu hoofdzakelijk uit koper, waarnaast ivoor en een grote verschei¬ 
denheid van kostbare stenen een belangrijke rol speelden. Om een indruk te geven van de 
omvang van deze handel zij gewezen op de tekst UET V, 796, waarin sprake is van in totaal 
meer dan 600 talenten (ruim 18.000 kg) koper. Hoewel deze tekst moeilijk te verklaren is, zij 
hier toch een — gedeeltelijk slechts tentatieve — vertaling ervan geboden, omdat zij een der 
belangrijkste teksten van economische aard is, die in de laatste jaren is gepubliceerd, en zij 
tevens een specimen is van een veel voorkomend type van teksten, dat der „balanced accounts”. 
Uit de tekst blijkt tevens, dat op Tilmun een ander gewichtsstelsel in gebruik was dan in Baby- 
lonië; de verhouding tussen de eenheden kan uit de tekst worden afgeleid. 

13100 [+ x? minen koper'] volgens de gewichtseenheid van Tilmun, die [X] in Tilumun heeft ont¬ 
vangen — hieronder (zijn) 5502 [+ x?] 2 /s minen koper volgens de gewichtseenheid van Tilmun, (die) 
zij ons gegeven hebben —; 

het gewicht ervan is volgens de gewichtseenheid van Ur in totaal 611 talenten en 6 2 /3 minen koper; 
hiervan zijn 245 talenten en 54 1 /:* minen koper, die Alasum ons heeft gegeven, 427U/2 minen koper, 
nog af te dragen (?) door Ea-nasir, 325 minen koper, nog af te dragen (?) door Nawirum-ili, rest 
die achterna gekomen is (?), 

tezamen 450 talenten en 2^/a minen koper volgens de gewichtseenheid van Ur, die hij heeft gegeven; 
de rest is 161 talenten en 4V.3 minen koper. 

Ruim 13100 minen koper volgens de gewichtseenheid van Tilmun waren dus verworven voor 
import naar Ur. Het equivalent in de gewichtseenheid van Ur was ruim 611 talenten. Ver¬ 
schillende hoeveelheden, de twee laatste kennelijk in de eenheid van Tilumun, in totaal ruim 
450 talenten, waren in handen of in handen geweest van verschillende personen; de rest, ruim 
161 talenten, is vermeld in de laatste regel. Van Ea-nasir is uit tal van andere teksten bekend 
dat hij een groothandelaar in koper was. 

De Tilmunieten hunnerzijds kwamen naar Babylonië en voeren met hun schepen ver de 
Euphraat op. In Ur boden zij, evenals andere zeelieden, giften aan de godin Ningal aan en in 
het rijk van Isin, misschien in of nabij de stad Isin zelf, kwamen zij lederwaren halen 
(BIN IX, 391 en 403-405) 13 ). Zelfs tot aan Mari aan de midden Euphraat en Subat-Enlil 
kwamen zij (TCL XXII, 17 en 21). Blijkens een tekst in de kleitablettenverzameling te Leiden 
(TLB I, 160) kwamen zij nog in de tijd van koning Samsuiluna (wat voor of na 1700) in het 
kleine Noord-Babylonische handelscentrum Lagaba. Hier vinden we ook de enige bekende 
vermelding van ivoor in een tekst uit het rijk van de eerste dynastie van Babylon (TLB I, 69). 
Anderzijds werden van Mari uit ook handelsexpedities naar Tilmun uitgerust (TCL XXVI, 
14). Relaties tussen Babylonië en Tilmun in de Kassietentijd werden geattesteerd door twee 
brieven, gepubliceerd door P. B. Cornwall in JCS VI (1952), blz. 137 e.v. 

De periode, waaruit vermoedelijk wel het meeste teksten bewaard zijn gebleven, is die van 
de derde dynastie van Ur. Deze teksten liggen in zulk een getale in alle kleitabletten-verzame- 
lingen en de inhoud van deze teksten is grotendeels zo monotoon, dat men veelal huiverig is 
om zich daarin te gaan verdiepen. N. Schneider, de in 1953 overleden Luxemburgse Sumero- 
loog, was een der weinigen, die dit materiaal systematisch bewerkte. Toch is dit materiaal van 
primair belang voor de studie van de economische geschiedenis, omdat deze periode in velerlei 
opzicht het begin van een overgangsperiode is geweest, waarvan wel de meest sprekende 
karakteristiek is de verzwakking van het Sumerische element en de opkomst van het Semie- 
tische. Terwijl voordien, en ook nog in dit tijdperk, gerst in het economische leven de grootste 
rol speelde, ook als ruilmiddel, zien we nu het zilver als economisch belangrijk materiaal steeds 
meer naar voren komen. Het gaat de rol van betaalmiddel spelen; na de derde dynastie, in de 
Oud-Babylonische tijd, zien we het alom in deze functie. Dit zilver moet wel door handel in 
Zuid-Mesopotamië zijn gekomen en uit de omstandigheid dat het veel werd gebruikt kan wel 
worden afgeleid, dat er veel meer handel met de omringende landen moet zijn geweest dan 
direct uit de teksten blijkt. 

Zilver speelde een belangrijke rol in de handel tussen Assur en de Assyrische handels- 
13 ) Cf. bij deze teksten L. Matous, Bi. Or. XIII (1956), blz. 135. 


nederzettingen in Anatolië. Deze nederzettingen bloeiden omtrent het eerste gedeelte van de 
Oud-Babylonische periode, ongeveer een eeuw voor Hammurabi. Omtrent de nederzetting 
te Kültepe, het oude Kanes, is het meest bekend, De publicatie van de vroeger ter plaatse ge¬ 
vonden teksten vindt voortgang: de door B. Hrozny gevonden teksten werden in 1952 door 
deze inmiddels overleden Tschechische geleerde gepubliceerd 14 ); de publicatie van teksten 
in het Britsch Museum werd onlangs voortgezet door Sydney Smith en D. J. Wiseman 
(CCT V, 1957). Aan de publicatie van de talrijke in de laatste jaren door de Turkse opgra- 
vingsexpedities gevonden tabletten wordt gewerkt ! 5 ). Thans zijn ook bij de opgraving van 
Boghaz-köi, de hoofdstad van de Hittieten, de resten van een Assyrische handelsnederzetting 
(kdrum) gevonden; o.a. het archief van een Assyrisch handelaar, welk archief gelijkt op de 
archieven uit Kanes 15a ). Een beeld van de omvang en de duur van de handelsondernemingen 
der Assyriërs in Anatolië wordt gegeven door een tekst door B. Landsberger gepubliceerd in 
Tiirk Tarih, Arkeologya ve Etnografya Dergisi IV (1940), blz. 20 e.v.: 15 personen verstrek¬ 
ten in totaal 30 minen goud (ca. 15 kg) als handelskapitaal ( naruqqu ) aan een zekere Amur- 
Istar (die trouwens ook zelf deelnemer in het kapitaal was) om daarmee gedurende 12 jaar 
handel te drijven. Van de winst was een derde voor de geldgevers, een derde voor de handelaar; 
wat met het laatste derde gebeurde, is niet zeker. Uit andere teksten blijkt dat zulk een kapitaal 
werd gebruikt om in Assur goederen te kopen. Deze werden naar Anatolië uitgevoerd en daar 
verkocht tegen zilver. Het zilver werd naar Assur gebracht, waar het weer in goud kon worden 
omgezet. Ook koper werd in grote hoeveelheden uitgevoerd uit Anatolië; de prijs van dit koper 
tegenover die van zilver lag hoger dan in het Zuiden 16 ). 

De handelsroutes tussen Assur en de nederzettingen in Anatolië hebben in de laatste jaren 
in het bijzonder de aandacht getrokken. De brieven uit Mari, die onder de leiding van 
G. Dossin met voorbeeldige voortvarendheid worden gepubliceerd, hebben veel nieuw licht 
geworpen op de geographie van Noord-Mesopotamië in de 19de en 18de eeuw v. Chr. Daar¬ 
door is het mogelijk geworden veel plaatsen te localiseren; reisroutes — en dus handelsroutes 
— konden worden nagegaan 17 ); E. Bilgiq wijdde hieraan een studie in AfO XV (i945-’5i), 
blz. 2-30 en J. Lewy in Orientalia XXI (1952), blz. 265-292 en 393-425. 

De teksten uit Mari geven tal van aanwijzingen, dat het huidige Syrië in de Oud- 
Babylonische periode reeds een belangrijke rol speelde, niet alleen in politiek, maar ook in 
economisch opzicht. Dit gebied vormt een kruispunt van handelsroutes, als het ware het 
knooppunt van de „Fertile Crescent”. De Euphraat komt hier het dichtst bij de Middellandse 
Zee en van deze omstandigheid moet een plaats als Carchemish (Karkamis) geprofiteerd 
hebben. De teksten tonen, dat er veel scheepvaart op de Euphraat boven Mari was. Omtrent de 
handelsproducten, die de Euphraat af kwamen naar Babylonië is nog weinig bekend — slechts 
enkele economische teksten uit Mari zijn reeds gepubliceerd 17a ); een publicatie van de hand 
van M. Birot is spoedig te verwachten —, maar het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat hout hier¬ 
onder een belangrijke plaats zal hebben ingenomen. Karkamis speelde een belangrijke rol. 
Wijn werd in kruiken per schip over de Euphraat vervoerd (TCL XXVI, 9) en Karkamis- 
kruiken werden in Sippar gebruikt (CT II, 1=6). De stad was ook centrum voor de handel in 
paarden 18 ). De vermelding van bepaalde voorwerpen duidt op handel door Syrië. Creten- 
sische voorwerpen, door de koning van Mari ten geschenke gezonden aan koningen van ooste¬ 
lijker gelegen rijken, zoals Razama en Babylon, moeten wel hun weg door Syrië hebben ge¬ 
vonden. Anderzijds tonen achseologische vondsten aan, dat voorwerpen, speciaal kostbaar¬ 
heden, uit Babylonië hun weg vonden naar de kust van de Middellandse Zee (een te Byblos 
gevonden Oud-Babylonische zegelcylinder), naar Creta (eveneens zegelcylinders) en naar 


14 ) Inscriptions cunéifonnes du Kültepe, vol. I. 

15 ) B. Alkim, Or. XXV (1956), blz. 83 en 87. 
15a ) Gepubliceerd door H. Otten, Keilschrifttexte 

aus Boghaz-köi, WVDOG no. 70, 1957. 

16 ) Cf. L. Matous, Ar. Or. XXII (1954), blz. 436, 
noot 26. 

17 ) Een belangrijke bijdrage hiertoe levert ook het 
door A. Goetze gepubliceerde intinerarium, JCS VII 

Jaarbericht N° 15 


(i 953 ), blz. 51-72. Ook uit Mari (zie het portscrip- 
tum) blijkt hoeveel er gereisd werd. 

17a ) R. Jestin, RA 46 (1952), blz. 185 e.v. (zie 
hierbij J. J. Gelb, RA 50, blz. 1 e.v.), M. Birot, 
RA 47 (1953), blz. 121 e.v. en 161 e.v., 49 (1955), 
blz. 15 e.v. en 50 (1956), blz. 57 e.v., en voorts ook 
het postscriptum. 

1S ) Cf. E. F. Weidner, BiOr IX (1952), blz. 158. 


14 





202 


VOÖRAZiATISCHE PHILÖLÖGIE 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 


203 


Egypte (collectie zegelcylinders en edelstenen uit Tod). Destijds was Aleppo reeds de belang¬ 
rijkste stad in Syrië, maar daar deze stad nog bestaat, is een systematische opgraving onmoge¬ 
lijk. Daarentegen is wel de kleinere nederzetting Alalah opgegraven. De daar gevonden 
teksten, deels daterend uit de 18de eeuw v. Chr., deels uit de 14de, eeuw, zijn in 1953 gepubli- 
ceer door D. J. Wiseman (The Alalakh Tablets en JCS VIII-1954-, blz. 1-30). 

Het belang van deze streek, speciaal de kuststreek, als knooppunt van handelsroutes wordt 
eerst goed duidelijk door de teksten uit de 14de en 13de eeuw, en wel, veel meer dan door de 
zojuist genoemde teksten uit Alalah, door de teksten, gevonden bij de Franse opgravingen in 
Ras Shamra, het oude Ugarit. De archeologische vondsten en de teksten laten zien, dat Ugarit 
relaties onderhield met Egypte in het Zuiden, het rijk der Hittieten in het Noorden, met 
Cyprus en Creta in het Westen, terwijl stellig ook de relaties met het Oosten, Mesopotamië, 
nauw waren 19 ). De omstandigheid, dat teksten, in zeven toentertijd levende talen — Akkadisch, 
Hurrietisch, Hittietisch, hiëroglyphen-Hittietisch, Ugaritisch, Egyptisch en Cyprisch — in 
Ugarit zijn gevonden, geeft een duidelijke aanwijzing hoe internationaal de stad georienteerd 
was 20 ). Het Akkadisch nam een voorname plaats in als taal der officiële stukken en als 
internationale voertaal. De relaties met de omringenden landen, voorzover blijkend uit de 
archeologische vondsten, is door verschillende auteurs behandeld in Ugaritica III. Onder de 
vondsten zijn van bijzonder belang enkele kleitabletten met schrift van Cypro-Minoisch karakter 
(Ugaritica III, blz. 233-250). Als tegenstuk van deze vondst is enkele jaren geleden (1952) 
in een koopmanshuis te Mycene een aantal kleitabletten met Minoisch schrift gevonden, geheel 
in de vorm en met de indeling van de Oud-Babylonische kleitabletten met economische teksten 
(ILN 25 Oct. 1952, blz. 681) 21 ). 

De gedetailleerde kennis omtrent de handel van Ugarit moet uit de teksten geput worden. 
De teksten in Cypro-Minoisch schrift konden nog niet ontcijferd worden. Daarentegen maakt 
de studie van de in het Akkadisch geschreven teksten gestadig voortgang. Twee royaal opge¬ 
zette delen van de hand van J. Nougayrol, Palais Royal d’Ugarit III en IV, zijn reeds ver¬ 
schenen; andere delen zijn in voorbereiding. Helaas bevatten de publicaties niet veel teksten, 
die direct op de handel betrekking hebben. Daarentegen is in PRU IV wel een aantal teksten 
te vinden, waarin tamkdru worden genoemd. Dit woord is altijd vertaald met „koopman”. We 
moeten er ons, in het bijzonder bij de vertaling van beroepen met huidige woorden, voor 
hoeden om aan een woord precies hetzelfde begrip te verbinden als aan het huidige equivalent. 
De positie van de figuur, die met het woord tamkdru werd aangeduid, is in de loop der eeuwen 
niet steeds dezelfde geweest. Zijn positie hangt nauw samen met de opbouw van de maat¬ 
schappij en de wijze waarop handel, en wellicht speciaal de handel met andere landen of 
steden, gedreven wordt. Is deze handel geheel in handen van de overheid, in de Oud-Babylo- 
nische tijd en ook later nog aangeduid als ekalium , „het paleis”, dan is de positie van de 
tamkdru die van een soort ambtenaar; is de handel vrij en in handen van particulieren, zoals 
in de Oud-Babylonische tijd, dan vinden we tamkdru als privé handelaren, hoewel de mogelijk¬ 
heid uiteraard niet uitgesloten is, dat zij daarnaast voor het paleis optraden. Op de positie van 
de tamkdru in Ugarit werpen de teksten enig licht. In de tekst VI A 2 in PRU IV is sprake 
van een aw tltamkdru sa sarrat mat al Ü-ga-ri-it, „een koopman van de koningin van Ugarit”. 
Tekst no. 16.257 in PRU III bevat een opsomming van lieden in verschillende beroepen met 
vermelding van het aantal kruiken olie, die ieder kreeg. Dit zijn kennelijk verstrekkingen door 
„het paleis” aan lieden, die diensten voor de overheid verrichtten. Naast soldaten, priesters, 
etc. vinden we hieronder ook tamkdru, in het Ugaritisch bidaluma. De teksten, bewerkt op 
blz. 10 e.v. in PRU III, betreffen een zekere tamkdru Sinaranu, waarvan Nougayrol 


1 9 ) Cf. Cl. F. A. Schaeffer, PRU III, blz. 
XXVIII, etc. 

20 ) Cf. J. Nougayrol, CRAI 1954, blz. 33. 

21 ) De ontcijfering van het Cretensisch lineair 
schrift B door Ventris en Chadwick in 1953 kan 
wellicht een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis 
openen. De archaeologische vondsten te Ugarit tonen 
duidelijk de belangrijkheid van het internationale ver¬ 


keer — J. Nougayrol heeft daarop ook gewezen 
in een voordracht voor de Académie des Inscriptions; 
CRAI 1954, blz. 30 e.v. — en zij werpen nieuw licht 
op de vermeldingen van Cretensers in de teksten uit 
Mari en op de vondst van muurschilderingen zowel in 
het paleis van Mari als in die te Knossos en Haghia 
Triada. Cf. ook C. H. Gordon, Antiquity No. 124 
(1957), blz. 237 e.v. 


(blz. 101) kenschetsend zegt: Sinaranu a quelques traits d’un „fermier général” et d’un „agent 
commercial et financier” de la Cour”. Uit no. 16.238 (blz. 107) blijkt, dat zijn schip naar Creta 
(mat Kabturi) voer. 

Ook kooplieden, die van elders kwamen, waren in dienst van vorsten, zoals een koopman 
van de koning van Tarhudassi in PRU IV, 17.158 en 17.42 (blz. 169-171). Kooplieden uit Ura 
worden in no. 17.316 (IV, blz. 190) amel m tamkdru sa 'dSamsisi, kooplieden van „Mijn Zon”, 
dus van de koning van het Hittietenrijk, genoemd. Soms schijnen deze kooplieden een min of 
meer blijvende kolonie in Ugarit gevormd te hebben, zoals de evengenoemde kooplieden uit 
Ura. Zulk een kolonie scheen een last voor Ugarit te vormen en wegens een klacht van de 
koning van Ugarit bepaalde Hattusilis III, dat de kooplieden uit Ura alleen in het goede sei¬ 
zoen in Ugarit handel mochten drijven, maar dat ze in de winter teruggezonden konden 
worden 22 ). Trouwens ook andere teksten tonen, dat de kooplieden niet altijd gastvrij in Ugarit 
werden ontvangen. Kwesties over vermoorde kooplieden deden zich herhaaldelijk voor. De 
Ugarieten moesten b.v. schadeloosstelling betalen omdat de zojuist genoemde koopman uit 
Tarhudassi vermoord was. No. 17.145 op blz. 172 gaat over meer kooplieden, die in Ugarit 
vermoord waren. Zulke voorvallen schenen zo vaak voor te komen, dat de koningen van Ugarit 
en Karkamis een verdrag met elkaar sloten om de gevolgen van moord op eikaars kooplieden 
op hun gebied te regelen (no. 17.146, blz. 154 e.v., en no. 18.115, blz. 158 e.v.). Ook hier 
betreft het kooplieden met opdracht van de koning (tamkdru sa ma-an-da-ti sa sar). Bepaald 
werd b.v., dat als kooplieden uit Ugarit in Karkamis vermoord werden en de moordenaars 
werden gepakt, de lieden van Karkamis de goederen van die kooplieden overeenkomstig de 
opgave van de collega’s van die kooplieden moesten vergoeden en tevens drie minen zilver per 
(vermoorde) man moesten betalen; werden de moordenaars niet gepakt, dan moesten alleen 
de drie minen betaald worden. Blijkbaar werd er van uitgegaan, dat beroving het doel van de 
moord was. Zuivere berovingen kwamen ook voor: No- 17.319 (IV, blz. 182) vertelt van 
kooplieden uit Ura in het Hittietenrijk, die in een olijfgaard beroofd waren. 

Dit beeld vertoont veel overeenkomst met hetgeen de brieven uit Teil el Amarna ons 
vertellen over kooplieden uit Babylonië in de Kassietentijd. Ook deze kooplieden, die naar 
Egypte reisden, waren kennelijk in dienst van de koning 23 ) en ook deze kooplieden reisden 
niet altijd veilig. Burnaburias II klaagde tegenover Amenophis IV, dat zijn kooplieden werden 
beroofd (brief 7) of in Canaan werden vermoord en beroofd (brief 8). Men krijgt de indruk, 
dat in deze tijd slechts min of meer veilig handel gedreven kon worden door middel van grote 
karavanen, zulks in tegenstelling tot de Oud-Babylonische periode. Toen konden particuliere 
handelaren vermoedelijk betrekkelijk veilig handel drijven, ook over grote afstanden, zoals 
naar Tilmun. Gevallen van beroving of vermoording van kooplieden zijn, ondanks het om¬ 
vangrijke tekstmateriaal, niet bekend, behoudens een enkele uitzondering, zoals die gerela¬ 
teerd in de brief uit Mari TCL XXIII 123 betreffende een aanval van bedouinen op een over¬ 
heidsdienaar, die met ezels waren vervoerde. Een ander geval uit dezelfde streek (NW Meso¬ 
potamië) is te vinden in de brief CT 33, 22 (VAB VI, 147), waarin sprake is van ezels van 
een reizende koopman, die doodgeslagen waren. Daartegenover zijn verscheidene voorbeelden 
bekend van kooplieden, die alleen met hun ezels waren over grote afstanden vervoerden. 

In een markant boek, getiteld „Trade and market in the early Empires ”, in 1957 in 
Amerika verschenen onder leiding van K. Polanyi, C. M. Arensberg en H. W. Pearson, 
samen werkend in een team aan de Columbia University te New York, wordt o.a. stelling 
genomen ten aanzien van de handel in het Oude Nabije Oosten- De voornaamste stelling van 
Polanyi is deze, dat markten en markthandel, karakteristiek van onze Westerse handel, eerst 
zijn opgekomen ongeveer sedert de tijd van Aristoteles. In het Oude Nabije Oosten, met name 

denken zijn aan de Haldi ten Noorden van Assyrië 
en Abraham zou een „merchant prince” zijn, een tam- 
kdrum uit het land der Hittieten. Het is hier niet de 
plaats om op deze veronderstelling nader in te gaan. 
23 ) Zie The Old Bdbylonian Merchant, blz. 122. 


22 ) Aan het voorkomen van deze kooplieden uit 
Ura knoopt C. H. Gordon vergaande veronderstel¬ 
lingen vast in een artikel in JNES XVII (1958), blz. 
28-31. Met dit Ura zou het Oud-Testamentische Ur 
der Chaldeeën bedoeld zijn; bij de Chaldeeën zou te 





204 VOORAZIATISCHE PHILOLOCIE 

in Mesopotamië, zouden markten en markthandel onbekend zijn geweest. Het economische 
verkeer, ook wat wij handel noemen, zouden daar hebben berust op wederkerigheid (recipro- 
city) en redistributie. 

„Reciprocity may be attained through a sharing of the burden of labor according to definite rules of 
redistribution as when taking things “in turn”. Similarly, reciprocity is sometimes attained through 
exchange at set equivalences for the benefit of the partner who happens to be short of some kind of 
necessities—a fundamental institution in ancient Oriental societies. In nonmarket economies these two 
forms of integration—reciprocity and redistribution—occur in effect usually together. Redistribution 
obtains within a group to the extent to which the allocation of goods is collected in one hand and takes 
place by virtue of custom, law or ad hoe central decision.” (Blz. 253). 

Toch was er uitwisseling van goederen tussen de verschillende landen nodig en deze 
bestond ook sinds oudsher. Dit zou geschieden in z.g. c ports of trade 0 , neutrale plaatsen, 
oorspronkelijk onder de bescherming van een heiligdom, later ook van een zwakke politieke 
autoriteit. Zulke c ports of trade 0 zouden met name Ugarit, Byblos, later Tyrus en Sidon en 
tenslotte ook Alexandrië zijn geweest. De c handeP in deze plaatsen „did not depend primarily 
upon markets but had a history and logic of its own, stemming from the principle of a 
politically neutral meeting place” (blz. 51). Hier zij slechts opgemerkt, dat de theorie van 
Polanyi c.s. wel op sterke objecties stuit; zijn stellingen berusten op een zeer eenzijdige studie 
van het tekstmateriaal en een generalisatie van de uitkomsten daarvan. Andere teksten weer¬ 
spreken zijn theorie. Zo berust b.v- de conclusie betreffende Mesopotamië uitsluitend op een 
studie van de handel van de Assyrische handelsnederzettingen in Anatolië met Assur — welke 
handel zelf ook alleen nog maar van de zijde dier nederzettingen bekend is — omstreeks de 
20ste eeuw v. Chr., en niet op hetgeen uit Babylonië bekend is, terwijl uit de teksten ook blijkt, 
dat niet in alle tijden der Babylonische en Assyrische geschiedenis de situatie gelijk was. Ook 
al ontbraken in de Babylonische steden grote marktpleinen, dan wil dit niet zeggen, dat het 
instituut van de markt en de markthandel met de vorming van marktprijzen onbekend waren. 
Er zijn sterke aanwijzingen, dat deze in de Oud-Babylonische tijd wel bekend waren en dat 
de natuurlijke plaats in een land, waar een groot deel van het verkeer en de handel over 
water plaats vond, de kade langs de rivier of het kanaal, de karum, als markt fungeerde met 
alle aankleve van dien. Het is merkwaardig, dat Egypte, waar de situatie een geheel andere 
was en waar volgens de stelling van J. Pirenne markten niet bekend waren ( La Foire, 
Recueils de la Société Jean Bodin V, 1953, blz. 11-24), niet in de beschowingen van Polanyi 
c.s. is betrokken. 

Babylonië, centraal gelegen als het is, moet wel een centrum van transitohandel zijn 
geweest, evenals later Baghdad dit was. Toch zijn er geen tekenen, die er op wijzen, dat deze 
buitenlandse handel in het economische leven van het land een spectaculaire of overheersende 
rol heeft gespeeld. Vermoedelijk hield slechts een betrekkelijk klein deel van de bevolking zich 
hiermede bezig en wel speciaal de bevolking van steden en stadjes langs de grote handelsroutes, 
vooral in het Noorden van Mesopotamië, waardoorheen de routes van Oost naar West liepen. 
Grondslag van de economie was en bleef, vooral in het Zuiden, de landbouw en veeteelt en 
verreweg de meeste teksten van economische aard uit Zuid-Mesopotamië hebben hierop be¬ 
trekking. Meenden we dus in het voorafgaande één aspect van het economische leven op de 
voorgrond te mogen stellen, dan was dit omdat dit een bijzonder interessant aspect is en 
omdat de publicaties van de laatste jaren daarop nieuw licht hebben geworpen, maar niet 
omdat onze kennis van andere onderdelen van de economische geschiedenis niet verrijkt is. 
Om slechts enkele van deze andere aspecten te noemen: de agrarische verhoudingen, de 
bemoeienis van de overheid met het economische leven, de huishouding van de overheid zelve, 
de prijsvorming en het beloop der prijzen. 

De achtergrond, waartegen het economische leven zich in het derde millennium v. Chr., 
dus in de Sumerische tijd, af speelde, is besproken door A. Falkenstein in een studie ,,La 
cité-temple sumérienne ” in de Cahiers d’Histoire mondiale I (1954), blz. 784-814, en door 
Th. Jacobsen in een recent artikel in ZA 52 (1957), blz. 91-140 24 ). Bij vergelijking van deze 

24 ) Een overzicht over deze periode is gegeven door P. van der Meer in „Kernmomenten” (1947). 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 205 

artikelen blijkt, dat op dit punt nog principiële controversen bestaan en dat de grote hoeveel¬ 
heid tekstmateriaal nog niet voldoende is bewerkt om anders dan tot een betrekkelijk per¬ 
soonlijke visie te kunnen komen. Dit tekstmateriaal komt, voorzover het zijn ontstaan te danken 
heeft in het dagelijks leven, voornamelijk uit Lagas; hierboven zijn deze teksten reeds vermeld. 
De eenzijdigheid van dit materiaal werd echter duidelijk in het licht gesteld door de publikatie 
van teksten uit de streek van de Diyala, het land van Eshnunna, door I. J. Gelb ( Old-Akkadian 
Inscriptions from the Diyala region, 1952, en Old-Akkadian inscriptions in the Chicago Natu- 
ral History Museum, 1955). 

Het tekstmateriaal bestaat voor een groot deel uit teksten van administratieve aard, lijsten 
van verstrekkingen, uitgaven en inkomsten, boekhoudingen, etc. Daarnaast zijn voor de kennis 
van het economische leven van bijzonder belang de juridische teksten, wellicht het best te 
qualificeren als acten 25 ). Vele rechtshandelingen liggen altijd of dikwijls in het economische 
vlak, met name koop en verkoop, lening, huur van schepen, maatschap. Een derde categorie, 
hier van belang, zijn de brieven; dikwijls zijn dat zakenbrieven, hetzij geschreven door of aan 
handelsrelaties elders, hetzij door of aan reizende agenten. Teksten van al deze categorieën 
worden dikwijls tezamen gepubliceerd- De lijsten en boekhoudingen zijn soms afkomstig uit 
de archieven van particulieren, dikwijls ook uit overheidsadministraties. Vaak is niet uit te 
maken of we met het een of het ander te maken hebben. Met vrij grote zekerheid kan worden 
vastgesteld, dat tabletten, die in een paleis zijn gevonden, tot de laatste categorie behoren. 
Daarentegen betekent de omstandigheid, dat tabletten in een particulier huis gevonden zijn, niet 
dat hun tekst niet in feite verband houdt met de overheidsadministratie; immers, speciaal in de 
tijd van de dynastieën van Isin en Larsa kwam het vermoedellijk veel voor, dat personen tege¬ 
lijkertijd voor de overheid en privé werkzaam waren, b.v. in de handel 26 ). 

In het bijzonder geldt dit alles voor de belangrijkste publicatie van teksten op het onder¬ 
havige gebied der laatste jaren, namelijk die van de Business documents of the third dynasty 
of Ur door L. Legrain (1948) en de Letters and documents of the Old-Babylonian period 
door H. H. Figulla en W. J. Martin (1953), bevattende de teksten uit de stad Ur, tijdens 
de derde dynastie rijkshoofdstad, onder de dynastieën van Isin en Larsa een belangrijk cultu¬ 
reel en economisch centrum. Het eerste werk geeft ons een beeld van wat er alzo omging in 
grote tempels, in dit geval de tempels van Nanna en Ningal. Zoals ook nog uit het tweede deel 
blijkt, waren alle denkbare artikelen object van leveranties: landbouwproducten — verschillende 
graansoorten, meel, dadels, sesam-olie, vruchten —, producten van de veeteelt — dieren, wol, 
huiden, melk, boter, kaas — allerlei textielproducten, gerei — koperen en aardewerken potten, 
manden —, riet om de ovens te stoken, allerlei houtsoorten, o.a. om meubels te maken (zie 
b.v. nos- 815, 829 en 830), sommige afkomstig uit verre landen, zoals Magan en Meluhha, 
bitumen en riet voor bouwwerken, edelstenen en halfedelstenen — lapis lazuli, cornalijn, 
verschillende kristallen —, ivoor, verschillende metalen — goud, zilver, koper, brons. Het 
fijne handwerk werd blijkbaar op grote schaal in het tempelcomplex uitgeoefend. Een groot 
tablet met twaalf kolommen uit het elfde jaar van de laatste koning van de derde dynastie 
van Ur, Ibbi-Sin, bevat een opsomming van de productie van de acht onderdelen van de 


25 ) Het Nederlandse woord akte wordt in het bij¬ 
zonder gebruikt voor een geschrift, opgemaakt tot 
bewijs van een rechtshandeling; zie Mr. S. J. Focke- 
ma Andreae, Rechtsgeleerd Handwoordenboek , blz. 
18. Veelal wordt de term „rechtsoorkonde” gebruikt, 
dewelke m.i. een Germanisme is. Ook het woord 
oorkonde is misplaatst voor de hier bedoelde docu¬ 
menten; zie Fockema Andreae, loc. cit.: „Voor dit 
Nederlandse (en Franse) begrip „akte” kent het 
Duits het woord „oorkonde”; in tegenstelling daartoe 
zijn in het duits „Akten”: geschriften die niet oor¬ 
konden dus in onze zin juist niet acten zijn”. „Oorkon¬ 
de” wordt van oudsher in het Nederlands wel gebruikt, 
in het bijzonder voor charters (cf. b.v. „Oorkonden- 
boek” = verzameling charters), doch dit gebruik 


is in hoofdzaak beperkt tot historisch min of meer 
belangrijke documenten (cf. ook van Dale’s Nieuw 
Groot Handzvo ordenboek der Nederlandse taal , sub 
voce „oorkonde”), doch om zulke documenten gaat 
het hier niet; hier worden besproken de dagelijks 
voorkomende akten betreffende rechtshandelingen 
tussen particulieren. F. M. Th. de Liagre Böhl 
heeft dan ook in de Mededeelingen uit de Leidsche 
Verzameling van spijkerschrift inscripties II, blz. 13, 
terecht, zij het dan slechts in de samenstelling koop- 
acte, het woord akte gebruikt. 

26 ) Cf. ook A. Falkenstein, Cahiers d’Histoire 
mondiale I, blz. 804, en ook E. F. Weidner, Fest- 
schrift für V . Christian (1956), blz. 114. 








20Ó 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


tempelwerkplaats, te weten de werkplaatsen van de houtsnijder, de goudsmid, de steensnijder, 
de timmerman-meubelmaker, de (koper) smid, de textielfabrikant, de kleermaker en de riet- 
bewerker. Uit deze en andere teksten blijkt duidelijk welk een belangrijke plaats de tempel, en 
ook het paleis, in het economische leven innam. Teksten van privaatrechtelijke aard behoren 
nog tot de uitzonderingen, enkele overeenkomsten van lening en een enkel koopcontract voor 
een huis. Landerijen werden nog niet aan particulieren verkocht. Een deel der teksten uit de 
Oud-Babylonische periode draagt hetzelfde karakter als die uit de voorafgaande periode. 
Zij relateren leveranties aan en van tempels, speciaal die van Ningal. Maar daarnaast komt nu 
een groot aantal contracten betreffende leningen tegen interest voor, koopcontracten betref¬ 
fende huizen en boomgaarden, boedelscheidingen, waarin naast roerende goederen ook lande¬ 
rijen en huizen voorkomen, verpachtingen van landerijen, etc. Dit beeld is in overeenstemming 
met hetgeen elders wordt gevonden: Na de val van de derde dynastie van Ur maakt de tempel 
als voornaamste deelnemer aan het economische leven plaats voor de particulier, die nu in 
staat is om met eigen middelen handel te drijven en om onroerende goederen te kopen. Daar¬ 
naast neemt nu het paleis, de overheid, een belangrijke plaats in het economisch bestel in. Ook 
al resideerde de koning niet in een stad, het paleis, het ekallum neemt toch aan het economisch 
leven deel; vermoedelijk waren in de verschillende steden een soort agentschappen van het 
paleis gevestigd (voor Ur zie b.v. UET V, 666 en 667). Een zelfde persoon kon optreden ah 
particulier en als agent van paleis of tempel. Een voorbeeld hiervan is Dumuzi-gamil, die hen 
haaldelijk optrad als geldschieter; een enkele maal deed hij dit echter als agent van de tempel 
van Nanna 27 ). 

Terugkerend tot de tijd van de derde dynastie van Ur, moet nog worden gewezen op 
twee andere publicaties van teksten. De eerste bevat teksten, hoofdzakelijk uit Umma en 
Puzuris-Dagan, in de Wilberforce Eames Collection. A. L. Oppenheim heeft deze teksten op 
een zodanige manier bewerkt (1948), dat zijn boek een leidraad is geworden voor de bestude¬ 
ring van de teksten uit deze periode; het voorziet voor een belangrijk deel in de reeds lang 
bestaande behoefte aan een verzameling van het voor de kennis van deze teksten nodige philo- 
logische materiaal. De tweede, van de hand van A. Salonen 28 ), bevat, enigszins op dezelfde 
leest geschoeid, uitsluitend teksten uit Puzuris-Dagan, een centrum van veeteelt in de buurt 
van Nippur. Bij deze laatste publicatie sluit aan een collectie teksten, die over leer en leer- 
bewerking handelen, uit een oord in dezelfde streek (wellicht Isin 29 )) uit het begin van de 
dynastie van Isin (BIN IX, 1954, van de hand van V. E. Crawford) 30 ). Dit centrum van 
leerindustrie onderhield relaties met allerlei dichtbij en verafgelegen plaatsen, tot Mari, 
Simurrum en Tilmun toe. Al deze teksten betreffen leveranties en verstrekkingen. 

Talrijk waren overigens in de laatste jaren de publicaties van teksten uit de tijd van de 
dynastieën van Isin en Larsa, onlangs door D. O. Edzard samengevat als „Die zweite Zwi- 
schenzeit Babyloniens ”, doch, zoals eerder gebruikelijk, hier samengevat als de „Oud-Babylo¬ 
nische periode” 31 ). Teksten van juridische aard uit Isin werden gepubliceerd door J. B. 
Alexander in BIN VII (1943) 32 ), terwijl teksten uit het nabijgelegen Nippur, zowel uit de 


27 ) Cf. W. F. Leemans, Bi. Or. XII ( 1955 ), blz. 
ii 7 - 

28 ) Die Puzris-Dagan Texte der Istanbuler 
Archöologischen Museen (1954). H. Limet publiceer¬ 
de 38 teksten van het Institut d’histoire et de littéra- 
tuurs orientales de 1 ’Université de Liége in RA 49 
(i 955 ), blz. 69 e.v. T. Fish heeft telkens teksten in 
MCS gepubliceerd. Andere teksten zijn verspreid in 
verschillende tijdschriften te vinden, o.a. in JCS. 

20 ) Cf. L. Matous, Bi.Or. XIII (1956), blz. 135. 

30 ) Later heeft T. Fish in MCS V (1955), blz. 
115-124, enkele soortgelijke teksten in een particuliere 
verzameling te Baghdad gepubliceerd. Tevens heeft 
T. Fish een overzicht gegeven van de teksten be¬ 
treffende huiden uit de tijd van de derde dynastie 
van Ur en een aantal teksten uit Umma gepubliceerd 


(MCS VI). 

31 ) D. O. Edzard noemt de periode tussen de val 
van de derde dynastie van Ur en de unificatie van 
het land onder Hammurabi van Babylon „die zweite 
Zwischenzeit Babyloniens”. Daar slechts de ongeveer 
23 jaren van Hammurabi 30 tot en met ongeveer 
Samsuiluna 11 niet als „Zwischenzeit” zouden zijn 
aan te merken, wordt hier gemakshalve de gehele 
periode van de val van de derde dynastie van Ur tot 
het einde van de dynastie van Babylon in navolging 
van F. R. Kraus (JCS III, blz. 3) als de Oud- 
Babylonische periode aangeduid. 

32 ) Voor de identificatie van deze teksten zie W 
F. Leemans, Bi.Or. IV (1947), blz. 15-18, en F. R. 
Kraus, JCS III (1951), blz. 46-117. 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 207 

tijd van de dynastie van Isin, als die van Larsa en Babylon, werden gepubliceerd door E R. 
Kraus, tezamen met M. Cig en H. Kizilyay, in Altbabylonische Rechtsurkunden aus Nippur 
(1952) en door F. R. Kraus uitvoerig behandeld in JCS III (1951). Door deze laatste publi¬ 
caties werd een belangrijke aanvulling verkregen op de vroegere publicaties van Poebel 
(BE VI/2) en E. Ci-iiera (UM VIII/i en 2) 33 ). Deze teksten uit Nippur verschaf¬ 
fen licht omtrent een bijzonder instituut, dat ook een economische betekenis had, de tempel- 
praebenden. D. Coqouerillat onderwierp deze aan een studie in de Revue internatio¬ 
nale des Droits de 1’Antiquité, 3 me série, tome II (1955), blz. 39-106. De schrijfster 
besteedt bijzondere aandacht aan deze economische kant van de praebenden (blz. 87 e.v.). 
Het gaat hier om verschillende functies in de tempels, waaraan bepaalde inkomsten verbonden 
waren en welke functies periodiek door de functionaris werden uitgeoefend volgens een 
bepaald rooster- Deze functies waren een object van handel, waarvoor goede prijzen werden 
betaald en die in vele boedels, vooral te Nippur en Isin, werden aangetroffen, soms tot vier 
toe. De houder van de functie behoefde deze niet zelf uit te oefenen; hij kon zich laten ver¬ 
vangen. Ook al liet de houder het werk door een ander doen, toch gaven deze functis nog een 
redelijk rendement, ongeveer overeenkomende met dat van geldleningen (20 %). 

Betrof het hier teksten uit midden Babylonië, teksten uit Larsa, in het Zuiden, aanwezig 
in de Leidse verzameling, werden gepubliceerd door schrijver dezes in TLB I, met bewerking 
in SLB I (2). Teksten uit het Noordelijk deel van Zuid-Mesopotamië, het kleinere gebied van 
het rijk van Babylon, zijn in de laatste jaren niet veel gepubliceerd. Genoemd mogen worden 
de teksten uit het provinciestadje Lagaba in de Collectie de Liagre Böhl te Leiden in TLB I. 
Dit stadje, dat aan een vaarwater, waarschijnlijk een arm van de Euphraat, vermoedelijk 
tussen Kutha en Kish lag, had kennelijk enige betekenis als handels- en scheepvaart cent rum. 
T. Fish, E. Sollberger, E. Szlechter en A. Goetze publiceerden enige kleinere groepen 
teksten onderscheidelijk in de verzamelingen te Manchester, Genève en in verschillende Ame¬ 
rikaanse verzamelingen 34 ). Voor teksten uit Mari zie het postscriptum. 

Tenslotte dienen nog de teksten uit het gebied van de Diyala vermeld te worden. Uit 
talrijke gegevens is in de laatste jaren gebleken, dat in de Oud-Babylonische periode het daar 
gelegen rijk van Eshnunna een belangrijke rol heeft gespeeld, en dat dit zich nog in het begin 
van de regeringvanHammurabi van Babylon geducht weerde in de strijd tussen de toentertijd om 
de suprematie in Mesopotamië twistende rijken. Wetsbepalingen van een van de koningen van 
dit rijk zijn in Teil Harmal, waarschijnlijk het oude Saduppum, gevonden en in 1948 gepubli¬ 
ceerd door A. Goetze in Sumer IV, blz. 63-102. Een standaardeditie van deze wetten, die 
ook een aantal bepalingen omtrent prijzen bevatten, heeft Goetze later verzorgd in AASOR 
31. Sedert de publicatie van deze wetsbepalingen is onze kennis van de economische en sociale 
geschiedenis van dit gebied verrijkt door de publicatie van bij de opgraving van Khafaje, oud¬ 
tijds Tutub, gevonden teksten door R. Harris in JCS IX (1955). Deze teksten geven, 
tezamen met de reeds vroeger door H. F. Lutz gepubliceerde teksten uit Iscalï (oudtijds 
Neribtum 35 )) (UCP X/i), een beeld van een levendige economische bedrijvigheid. De tempel 
van Sïn in Tutub speelde hierin een belangrijke rol. Daarnaast vinden we geldschieters op 
grote schaal in Neribtum. Het heeft de schijn, dat de voorschotten, veelal bestaande in graan, 
hoofdzakelijk ten behoeve van de landbouw in de streek werden verstrekt, doch soms waren 
de bedragen zo groot, dat men wel moet aannemen, dat zij voor handelsdoeleinden werden 
gegeven. 

Op een zeer belangrijk gevolg van de toeneming van het aantal gepubliceerde teksten uit 

33 ) Een contract uit Nippur werd nog gepubliceerd publicaties, doch dikwijls niet als zodanig onderkend, 

door R. T. O’Callaghan in JCS VIII, blz. 137 e.v. Zo juist verscheen E. Szlechter, Tablettes juridi- 

34 ) T. Fish, MCS II (1952), blz. 27 e.v., 38 e.v., ques de la i r< ? dynastie de Babylone conservées au 

77 e.v., III (1953), blz. 23, E. Sollberger, JCS V Musée d’Art et d’Histoire de Genève, Première 

(1951), blz. 77-97, A. Goetze JCS II (1948), blz. partie, Planches; Deuxième Partie; Transcription, 

73-112, IV (1950), blz. 65-76, 83-118, IX (1957), blz. traduction, commentaire. 

15-40. De door Fish gepubliceerde teksten zijn voor 3I5 ) B. Landsberger and Th. Jacobsen, JNES 
een deel herkomstig uit Kish. Talrijke teksten uit XIV (1955), blz. 14. 

Kish zijn in de loop der jaren gepubliceerd in allerlei 




208 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 


209 


deze periode moge hier worden gewezen. In de formulering van de contracten in de verschillen¬ 
de delen van het land, zelfs in alle verschillende steden, komen grotere of kleinere verschillen 
voor. Reeds langer geleden is gewezen op de verschillen tussen Noord- en Zuid-Babylonië 36 ). 
Thans is het echter mogelijk geworden om bepaalde formuleringen aan te wijzen als die van 
Nippur, Isin, Larsa, Ur, Sippar, Eshnunna en andere plaatsen. In sommige steden zijn be¬ 
paalde clausules zelfs aan een bepaalde tijd gebonden 37 ). Dit feit maakt het mogelijk voor een 
groot aantal vroeger gepubliceerde teksten, waarvan de herkomst onbekend was, de plaats, waar 
zij moeten zijn geschreven, aan te wijzen. F. R. Kraus heeft in dit opzicht baanbrekend werk 
verricht 37 ), terwijl ook L. Matous 3S ) en schrijver dezes 39 ) zich met hetzelfde probleem 
bezig hebben gehouden. Een aanwijzing voor de herkomst van teksten wordt dikwijls ook 
gegeven door de er in voorkomende topographische namen. Dit middel zal van meer belang 
kunnen worden, wanneer het geographisch repertorium, waaraan thans in internationaal ver¬ 
band onder auspiciën van de Groupe Frangois Thureau-Dangin wordt gewerkt, is verschenen. 
Een voorbeeld van de hierbedoelde werkwijze, toegepast op enige teksten van economische 
aard, wordt geboden in de bijdrage achter dit artikel. Deze teksten kunnen worden geïdentifi¬ 
ceerd als teksten uit Bad-tibira, de plaats van de cultus van Dumuzi. Daar treedt tevens het 
belang dat teksten van economische aard voor de kennis der politieke geschiedenis kunnen 
hebben, naar voren: het unieke geval doet zich hier voor, dat een stukje geschiedenis in de 
18de eeuw v. Chr. over ruim een half jaar bijna van maand tot maand kan worden gerecon¬ 
strueerd. 

Het militaire element heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in de economie van Baby- 
lonië en Assyrië. In de Oud-Babylonische tijd, speciaal sinds de tijd van Hammurabi, komt 
dit tot uiting in talrijke teksten die betrekking hebben op de bemoeienis van de overheid met 
landerijen en speciaal op de toewijzing van landerijen aan soldaten 40 ). Hammurabi legde in 
verschillende versterkte plaatsen in zijn land troepen in garnizoen. De soldaten kregen in de 
omgeving een stuk land om in hun onderhoud te voorzien. In zijn wet trof Hammurabi voor¬ 
zieningen om de rechten en verplichtingen van deze soldaten ten aanzien van die landerijen 
te regelen (§§ 26-41). De reeds vermelde groep teksten, gepubliceerd door E. Sollberger 
in JCS V (1951), blz. 77 e.v., en bewerkt door E. Szlechter in JCS VII (1953), blz. 81 e.v., 
geeft een beeld van wat er omging in zulk een kleine garnizoensplaats. B. Landsberger, die 
dit plaatsje heeft geïdentificeerd als Supur-Subula, wellicht niet ver van Kutha gelegen, heeft 
in een artikel in JCS IX (1955), blz. 121-131, een beschrijving gegeven van de militaire 
hiërarchie ter plaatse en de wijze waarop de militairen hun inkomen, in hoofdzaak uit de land¬ 
bouw, verwierven. De invloed, die de versterking van het militaire element en speciaal de 
verbinding van landbezit, al dan niet in leen ( ilkum ), met de militaire dienst op de economie 
van Babylonië sinds de tijd van Hammurabi heeft gehad, mag niet onderschat worden. Ook het 
stadje Lagaba, vermoedelijk tussen Kutha en Kish, had zulk een garnizoen en stellig zal dit 
eveneens het geval zijn geweest met de andere stadjes, die Samsuiluna zich beroemt versterkt 
te hebben 41 ). Van Dür-Sumu-la-ilu is dit bekend uit de Leidse tekst T.LB I, 180. 

Het in leen geven van landerijen blijkt na de Oud-Babylonische tijd ook in Assyrië 42 ) en 
in de streek van Arrapha en Nuzu, de streek van het huidige Kirkuk ten Oosten van de Tigris, 
in gebruik te zijn geweest. Over de rol die het geven van een ilkum in Nuzu speelde heeft o.a. 
P. Koschaker geschreven in ZA 48 (1944), blz. 209 e.v. De grote rol, die het militaire 
element daar in het economische leven speelde, blijkt uit de publicatie van „ The Administrative 
Archives” uit Nuzu door E- R. Lacheman in de Harvard Semitic Series (XV, 1955). Tal 


3 ' 6 ) B.v. reeds M. San Nicolö in Die Schluss- 
klauseln der altbabylonischen Kauf- und Tauschver- 
trdge (1922). 

37 ) Zie b.v. F. R. Kraus voor Isin in JCS III, 
blz. 90 e.v., en voor Ur in Die Welt des Orients 
(8), 1955, blz. 120-136. 

3S ) In Ar. Or. XVII/2 (1949), blz. 142-193, en 
Ar. Or. XVIII/4, blz. 11-67, voor boedeldelingen en 
koopcontracten uit Larsa. 


39 ) Bi.Or. IV ( 1947 ), blz. 16 e.v., Bi.Or. IX 
(1952), blz. 116 e.v., Bi.Or. XII (1955), blz. 113 e.v. 

40 ) Cf. ook W. F. Leemans, JESHO I (1957), 
blz. 143 e.v. 

41 ) Zie ook de inleiding van het binnenkort ver¬ 
schijnende derde deeltje van SLB I. 

42 ) Cf. Driver and Miles, The Assyrian Laws , blz. 
258 e.v. 


van deze teksten uit de 15de en 14de eeuw v. Chr. hebben betrekking op allerlei benodigd¬ 
heden voor het leger, en o.a. blijkt er uit het thans veelvuldige gebruik van paarden 43 ). 

Reeds is gewezen op de belangrijke positie als handelscentra van de steden aan de Middel- 
landsche Zee in de periode van de 15de tot en met de 13de eeuw v. Chr. Ongetwijfeld betrof 
het hier transito-handel en daarom zou men kunnen verwachten, dat ook de teksten uit het 
oostelijke achterland, Mesopotamië, zinspelingen op deze economische bedrijvigheid zouden 
bevatten. Het tegendeel is echter waar. Vooropgesteld dient echter te worden, dat het tot ons 
gekomen tekstmateriaal uit Mesopotamië uit deze periode veel geringer is dan uit de vooraf¬ 
gaande periode. Uit Babylonië zijn het teksten uit de Kassietentijd uit Nippur, reeds lang 
geleden gepubliceerd. De publicatie van een aantal teksten uit de hoofdstad der Kassieten 
Dür-Kurigalzu door O. R. Gurney in Iraq XI (1949) en Sumer IX (1953) heeft de leemte 
enigszins opgevuld. Het uit economisch opzicht belangrijkste gegeven uit deze teksten is, dat 
goud thans een belangrijke rol speelde in de economie. In de Oud-Babylonische tijd werd de 
waarde van artikelen steeds in zilver uitgedrukt; thans geschiedde dit in goud, b.v. in de 
teksten 4 en 5 (Iraq XI), waarin kledingstukken ter waarde van en 1 shekel genoemd 
worden. Een andere tekst (no. 6) geeft een opsomming van kleine sommen goud, die ver¬ 
schillende personen, bijna alle vrouwen, van het paleis ontvingen. De belangrijke rol van goud 
in deze tijd was reeds bekend uit de hierboven genoemde teksten uit Nippur. 

Juridische en economische documenten uit de hoofdstad Assur in het Noorden zijn reeds 
geruime tijd geleden in KAJ (1927) gepubliceerd. H. A. Fine wijdde thans een studie aan deze 
acten ( Studies in Middle-Assyrian Chronology and Religion, 1955), waarin hij de chronologie 
van deze acten, belangrijk voor hun begrip, heeft besproken, en E. F. Weidner gaf in het in 
noot 26 genoemde artikel een overzicht van de archieven waartoe deze teksten behoren. J. J. 
Finkelstein heeft in JCS VII (1953)» blz. 111-176, een aantal teksten gepubliceerd uit 
dezelfde periode en later, afkomstig uit een provincieplaats (Teil Billa, geïdentificeerd als 
Sibaniba). De teksten geven het beeld van een volkomen agrarische gemeenschap. De schapen¬ 
teelt speelde een belangrijke rol. Zilver, het typische ruilmiddel van de handel, wordt in de 
teksten niet genoemd. Trouwens in Assur zelf deden tin en koper dienst als betaalmiddel, 
welk laatste metaal ook in Nuzu meestal voor dit doel werd gebruikt 44 ). In de teksten uit 
Sibaniba komt slechts tin een enkele maal voor, blijkbaar ook hier als betaalmiddel (nos 9 en 
19). Het gouvernement bezat een pakhuis in Sibaniba; betalingen aan en uit dit pakhuis ge¬ 
schiedden meestal in graan, ook wel in schapen. 

Een gedeelte der teksten uit Sibaniba dateert uit de tweede helft van de 9de eeuw v. 
Chr. Ook toen had de plaats nog haar belang als agrarisch centrum en deze positie heeft het 
behouden tot het einde van het Assyrische rijk, zoals blijkt uit een in 1953 in Nimrud (Kalhu) 
gevonden tablet uit de tijd van Assurbanipal, waarin de leveranties van graan uit verschillende 
steden zijn opgesomd (Iraq XV, blz. 146, no. 3469). Bij de opgravingen in Nimrud in de 
laatste jaren zijn telkens kleitabletten gevonden, waarvan de inhoud met voorbeeldige voort¬ 
varendheid is bekend gemaakt door D. J. Wiseman en B. Parker in het tijdschrift Iraq 
sedert 1950. De verscheidenheid van deze documenten is groot. De meeste betreffen echter 
het privé leven. Veel acten betreffen de koop van slaven en geldleningen. Van bijzonder 
belang is het archief van een zekere Samsi-sum-usur (Iraq XV, 1953, blz. 29 e-v.), die een 
hoog ambtenaar was en die zich tevens welstand verschafte door handel en geld lenen. De 
figuur, die ons uit de Sumerische en Oud-Babylonische tijd bekend is, dat iemand tegelijker¬ 
tijd als ambtenaar en als privé ondernemer optrad, vinden we dus in deze tijd nog terug. De 
geldleningen werden meestal verstrekt op een rente van 25 % (hetgeen iets meer was dan in 


45 ) Zie voor een korte beschrijving van dit leger 
reeds E. R. Lacheman in R. F. S. Starr, Nuzi I 
(4939), blz. 540, e.v. In het Assyrische rijk is de 
militaire organisatie gaandeweg een steeds groter 
rol gaan spelen met een hoogtepunt in de tijd van 
de Sargonieden. De economische kant van deze mili¬ 
taire organisatie vindt zijn weerslag in verscheidene 


Nieuw-Assyrische brieven, b.v. Harper Letters 372- 
373 betreffende paarden en H. W. F. Saggs, The 
Nimrud Letters XVII, Iraq XVII (1955), blz. 136. 

44 ) Voor de belangrijke rol die koper van oudsher 
in Noord-Mesopotamië als betaalmiddel speelde, zie 
J. Lewy, Or. XXI (1952), blz. 417-422. 







210 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 


211 


de Oud-Babylonische tijd; 20 %). Aardig is de vondst van twee tabletten in het archief van 
Samas-sar-usur betreffende dezelfde slavin. Bij de ene werd zij verkocht aan Samas-sar-usur, 
bij de andere kocht de verkoper haar. Bij de laatstgenoemde verkoop was de prijs in koper be¬ 
paald (20 minen), bij de eerstgenoemde werd hij in zilver betaald (17 shekel). We zien hier 
dus, dat oude koopcontracten met de slaaf meegegeven werden, evenals zulks bij de verkoop 
van onroerende goederen geschiedde en daarbij ook thans nog gebruikelijk is. De bepaling 
van de koopprijs in koper komt in deze tijd nog wel meer voor, maar in ’t algmeen hebben 
nu, evenals elders in Assyrië 45 ), het tin en het koper plaats gemaakt voor het zilver, dat in 
het Zuiden (Babylonië) sinds jaar en dag algemeen als betaalmiddel werd gebruikt. Ook in 
Sultantepe was zilver blijkens enkele contracten, gepubliceerd door J. J. Finkelstein in 
Anatolian Studies VII (1957), blz. 137-145, betaalmiddel. In Assyrië, dat blijkens de reeds 
genoemde z.g. Cappadokische teksten reeds in het begin van het tweede millennium een 
centrum van koper en tinhandel was, hebben deze metalen zich lang als betaalmiddel kunnen 
handhaven. Toen Assyrië echter het centrum van een wereldrijk geworden was, moest dit 
metaal van weinig waarde, en daarom onpraktisch als betaalmiddel, die functie ook daar wel 
verliezen. 

De economische kracht van Assyrië's hardnekkigste tegenstander, het rijk van Urartu 
rondom het Van-meer, mag niet onderschat worden. De inscripties uit dit gebied zijn bijeen¬ 
gebracht door F. W. König, Handbuch der Chaldischen Inschriften (1955). Maar meer dan 
uit deze inscripties is de welstand van dit rijk aan het licht gekomen bij de opgravingen, o.a. 
van de vesting Teishebaini (Karmir-blur), waar enorme bergplaatsen, o.a. voor wijn, zijn 
gevonden 46 ). 

De laatste Assyrische koningen hadden voortdurend te kampen met moeilijkheden in 
Babylonië. Uit een groep teksten, bij de opgraving van Nippur in het seizoen 1950/51 ge¬ 
vonden, blijkt, dat de stad door Sin-sar-iskun belegerd werd. Tijdens deze belegering was er 
een noodsituatie in de stad ontstaan en een aantal documenten uit een archief van 28 tabletten, 
besproken door A. L. Oppenheim in Iraq XVII (1955), blz. 69-89, toont de gevolgen hiervan. 
Oppenheim heeft in dit artikel aangetoond, dat het reeds sinds de Oud-Babylonische tijd, 
wellicht reeds in Sumerische tijd, geoorloofd werd geacht om in tijden van nood kinderen te 
verkopen met het doel om deze en de ouders in het leven te houden doordat de koper nog wel 
over levensmiddelen en geld beschikte. Uit de laat-Assyrische tijd zijn hiervan verschillende 
voorbeelden bekend en wel zeer markant is nu het geval uit Nippur: Negen teksten gewagen 
van de verkoop van kinderen aan een zekere Ninurta-uballit om deze kinderen in het leven te 
houden. De clausule in deze teksten, in de directe rede gesteld, luidt b.v- sal Su-li-e-a-tas-me 
sa-hir-ta-a a-bu-uk-ma bul-lit-ma lu-ü sa-hir-ta-ka si-i ü 6 gin i bi-in-nam-ma a-na x-a lud-din 
lu-kul, „neem mijn kleine kind Sulia-tasme en houd haar in het leven, het zal uw kleine kind 
zijn. Geef mij 6 shekels (zilver) opdat ik ... kan geven en dat ik kan eten”. In sommige 
teksten wordt de nood in de stad uitgedrukt, b.v. door de clausule ki.lam sd ban.ta.am se.bar, 
„het equivalent (van een shekel zilver) was een sütu gerst”. De normale verhouding was in 
deze tijd ongeveer Vi gur (=30 sütu) tegen een shekel 47 ). Het moet wel worden aange¬ 
nomen, dat deze kinderen in slavernij geraakten. In de Oud-Babylonische tijd heeft dit 
gebruik, dat volgens Oppenheim gerechtvaardigd werd geacht om de kinderen in het leven te * 
houden, tot misbruik aanleiding gegeven, speciaal in de laatste tijd van het rijk van Larsa, toen 
schuldenaren hun kinderen verkochten aan grote geldschieters als Balmunamhe en Ubar- 
Samas om zo hun schulden af te lossen (b.v. YBT VIII 8, cf. YBT VIII 31). Een wets¬ 
bepaling van Hammurabi komt tegen dit misbruik op (§ 117) en uit Noord-Babylonië zijn er 
ook geen aanwijzingen, dat het daar in die tijd voorkwam. 

In het Nieuw-Babylonische rijk heeft het particuliere initiatief een grote vlucht kunnen 
nemen. Nadat het Zuiden gedurende verscheidene eeuwen vrijwel niet van zich had doen 


45 ) Cf. b.v. Die Inschriften vom Teil Halaf, Af O, 
Beiheft 6, nos. 101 e.v. 

46 ) Zie B. B. PiOTROVSKY, Fortschritte der For- 
schung des Urartu-Reichs (Vortrag auf dem XXIV 


Internationalen Orientalistencongress, 1957). Ook in 
Rusland verscheen een editie van de Urartaeische in¬ 
schriften. 

47 ) Cf. B. Meissner, B.u.A. I, blz. 362. 


spreken, behalve in inscripties van Assyrische koningen, die zich militair met het land hadden 
bemoeid, en ons ook niet ten teken van economische bedrijvigheid documenten uit het dagelijks 
leven heeft nagelaten, behalve enkele z.g. kudurrus, heeft in de zevende eeuw v. Chr. een 
opbloei plaats gevonden, waarvan de oorsprong nog grotendeels in het duister ligt. Het is 
daarom, dat het werk van de inmiddels overleden rechthistoricus M. San Nicoló de juridische 
documenten uit deze eeuwen te verzamelen en in transliteratie en vertaling uit te geven ver¬ 
dienstelijk is 48 ). Contracten van bijna alle uit de Oud-Babylonische tijd bekende soorten 
komen van begin af aan weer voor: koop en ruil van huizen en landerijen, koop van slaven en 
tempelpraebenden, pacht, maatschap, geldlening. De formulering der contracten is echter 
enigszins veranderd. Niet kan worden gezegd, dat deze ontwikkeling haar oorsprong had in 
een bepaald gedeelte van het land; de teksten komen uit verschillende steden, Nippur, Babylon, 
Dilbat, Barsipa, Ur, Uruk. Van begin af aan was het nu gebruikelijk om in de datering de 
plaatsnaam op te nemen 49 ). 

Hoezeer de individu nu op de voorgrond was getreden blijkt o.a. hieruit, dat meestal niet 
alleen iemands vaders naam mede wordt vermeld, maar ook de familie waartoe hij behoort. 
Daardoor is het mogelijk de geschiedenis van enkele families, die in het economische leven een 
belangrijke rol hebben gespeeld, te reconstruëren- Weingort heeft destijds getracht dit voor 
de familie Egibi te doen, een familie van bankiers in Babylon 50 ). Thans heeft G. Cardascia 
hetzelfde gedaan voor de familie Murasu te Nippur 51 ). De familie is al in de zevende eeuw 
begonnen haar rol te spelen en zij heeft deze doorgespeeld in de Perzische tijd, toen de 
economische en maatschappelijke verhoudingen, in vergelijking met de Nieuw-Babylonische 
tijd, nog niet veel veranderd waren. Cardascia opent zijn boek met een inleiding over het 
economische en sociale milieu, waarin de familie Murasu leefde en werkte en geeft tot slot 
een beschouwing over de speciale activiteit van deze familie. Deze speelde zich af in een 
typisch agrarische streek en was geheel daarop ingesteld. Het is hier niet de plaats om uit¬ 
voerig op de conclusies van Cardascia in te gaan of in herhaling daarvan te vervallen; de 
belangstellende lezer zij naar het boek zelf verwezen. In het kort komt het hierop neer, dat 
de Murasu’s een soort landbouwbank dreven. Enig idee van de omvang van de negotie geven 
de volgende cijfers, vermeld door Cardascia op blz. 18: In het kalenderjaar 423/422 bedroe¬ 
gen alleen de vorderingen in dadels al 20.000 kur (30.000 hectoliter), ter waarde van ongeveer 
700 minen (= 350 kg) zilver. De zaken waren soms voor zeer lange termijnen, zoals b.v. in 
BE IX, 48, met een pacht van dadeltuinen voor 60 jaar. Van enige bemoeienis met andere 
handel dan die in de agrarische producten der streek of met internationale handel blijkt niets 
uit de teksten. Nippur, èvenals andere plaatsen in Midden-Babylonië, hadden in deze tijd ver¬ 
moedelijk slechts agrarisch belang. De grote handelsroutes liepen noordelijker. Babylon zal 
hierin blijkens de beschrijving van Herodotus en andere Grieken wel een belangrijke plaats 
hebben ingenomen. Babylons belangrijke rol als economisch centrum blijkt ook uit de teksten 
uit Ur. De in Ur gevonden teksten uit Nieuw-Babylonische tijd en later zijn in 1949 gepubli¬ 
ceerd door H. H. Figulla in UET IV. Deze teksten zijn gevonden in enkele particuliere 
huizen en vormen de archieven van enkele families. Een familie, waartoe zekere Sin-uballit 
behoorde, is gedurende vijf generaties te volgen. Deze Sin-uballit komt in 35 teksten voor; 
herhaaldelijk verklaart hij schuldenaar te zijn, o.a. van zijn grootvader Apla. De meeste van 
deze schuldbekentenissen werden te Babylon getekend. Of hier sprake is van een bedrijfs¬ 
uitoefening in verschillende plaatsen dan wel van verhuizing van Sin-uballit, zou slechts na een 
zorgvuldige studie van het archief kunnen worden uitgemaakt, hoewel het eerste waarschijnlij¬ 
ker is op grond van de brief UET IV 174, waarin Sin-uballit aan een vrouw Issurtu, die wel¬ 
licht zijn echtgenote was, opdroeg een bepaalde zaak in Babylon af te wikkelen en daarna naar 


4S ) Babylonische Rechtsurkunden des ausgehenden 
8. und 7. Jahrhunderts v. Chr., Bayerische Akademie 
der Wissenschaften, 1951. 

49 ) Deze dateringswijze is geheel gelijk aan de 
huidige Engelse: plaatsnaam, maandnaam, dag, jaar, 
b.v Urukki ara S Nisdnu ümu <?o kam sattu <?o kam m 


d A ssur-bdni-apli. 

50 ) S. Weingort, Das Haus Egibi ; cf. A. Ungnad, 
Af O XIV (i94i- , 44), blz. 57 e.v. Ook in de Leidse 
verzameling zijn enkele teksten, die leden van deze 
familie vermelden (LB 1527 en 1689). 

51 Les Archives des Murasu, 1951. 






212 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


ECONOMISCHE GEGEVENS EN HUN PROBLEMEN 


213 


hem te komen. Haar handelingen in Babylon waren niet altijd naar de zin van Sin-uballit. In 
no. 183 scheldt hij haar uit: „Sinds ge de maaltijd van de koning bereid hebt, hebt ge mij 
niet meer geëerbiedigd; maar stellig zal men U van Uw plaats verwijderen en hij (de koning) 
zal U met het volk laten eten” 52 ). Verderop heet het: „Hebt ge niet Uw vader, Uw verwekker, 
vergeten? Hebt ge niet mijn huis(?) verlaten? Hebt ge niet een som zilver meegenomen? Is 
de zonde, die ge begaan hebt, niet ontzettend? (Maar) de tranen van het verdriet zijn nu in 
Uw ogen, Uw gezicht is als dat van een huilebalk”, etc 

Reeds in de laat-Assyrische tijd, maar veel sterker in de Nieuw-Babylonische tijd en 
daarna werden het Babylonisch-Assyrisch, het spijkerschrift en de kleitabletten gaandeweg 
steeds meer verdrongen door het Aramees, het Arameese schrift, perkament en was¬ 
tafeltjes 53 ). De toeneming van het Arameese element blijkt b.v. uit de vier Assyrische 
contracten uit Sultantepe, circa 15 mijlen ten noorden van Harran, uit omstreeks 680 v. Chr., 
gepubliceerd door J. J. Finkelstein in Anatolian Studies VII, blz. 137-145. Op grond van de 
eigennamen concludeert Finkelstein, dat de bevolking ter plaatse toen reeds voor een 
groot deel Aramees was 54 ). Daar het nieuwe schrijfmateriaal veel vergankelijker is dan de 
kleitabletten, wordt ook onze informatie, al naar gelang de tijd voortschreed, geringer. Boven¬ 
dien wordt de informatie, verstrekt door de kleitabletten eenzijdiger. In het Westen (midden- 
Euphraat) maakte het Assyrisch in de acten en andere documenten tenslotte plaats voor het 
Grieks (zoals in Doura-Furopos). Het in spijkerschrift geschreven Babylonisch kon zich 
echter handhaven in enkel meer afgelegen steden, waar met grote hardnekkingheid aan de 
oude tradities werd vastgehouden, zoals b.v. in de tempel Eanna in Uruk. In de Seleuciedentijd 
(311-129 v. Chr.) werd hier de verering van de oude góden voortgezet, aan de oude tempels 
werd nog gebouwd en hersteld. De tempel was het centrum van deze handhaving van de oude 
traditie, de oude rituëlen werden er zorgvuldig opgetekend, de oude mythen en legenden 
leefden er voort, de wetenschap, speciaal de mathematiek, en daarnaast de astrologie, werden 
er beoefend en de oude schrijfkunst werd hier in ere gehouden blijkens de bijzonder welver¬ 
zorgde kleitabletten uit deze tijd. In de archaïserende stroming past geheel, dat de tempel ook 
weer een grote rol in het maatschappelijke en economische leven ter plaatse vervulde. Reeds 
in de tijd voor de Griekse suprematie, de tijd van de laatste Nieuw-Babylonische en de Perzi¬ 
sche koningen, is dit duidelijk. M. San Nicoló heeft speciaal aan de veeteelt van de tempels, 
in het bijzonder Eanna in Uruk, een reeks artikelen gewijd in Orientalia 55 ). Een uitgebreid 
personeel stond de tempels voor deze veeteelt te dienste en dikwijls ging de dienst van vadei; 
op zoon over. San Nicoló heeft berekend, dat in de tijd van Cambyses Eanna 5.000 a 7.000 
runderen had en 100.000 a 150.000 stuks schapen en geiten. 

De studie van de documenten uit de Seleuciedentijd zelve is zeer verwaarloosd 56 ). Na de 
publicatie van de tabletten in de Pierpont Morgan Collection in 1913» in de Berlijnse verzame¬ 
ling in 1916 en in het Louvre in 1929 en 1935, zijn slechts enkele teksten gepubliceerd. Acht 
teksten uit de tijd van Alexander (A-lik-sa-an-dar) , Seleukos ( Si-lu-ku ), Antiochos (An-ti-i’- 
ku-sa) en Demetrius (Di-mit-ri-su) , alle uit Uruk, werden in 1955 door G. X. Sarkisjan 
gepubliceerd in Vestnik Drevnej Istorii 4, blz. 136-162. Verscheidene van deze teksten zijn 
koopcontracten. Het streven om het oude te handhaven en de aantrekkingskracht, die de Baby¬ 
lonische cultuur na de Hellenisering toch nog scheen te hebben, blijkt b.v. uit het feit, dat de 
nazaten van een zekere Ni-ik-ar-qu-su (Nikarchos) de goed Babylonische namen droegen van 
Anu-bëlsunu en Anu-ab-ahi (tekst III). Het ware te hopen, dat de verdere publicatie van 
dit soort teksten, die niet zeer talrijk zijn, maar waarvan een fraaie collectie in een enkele ver¬ 
zameling aanwezig is, spoedig voortgang mag vinden. Een belemmerende factor is hier 
dat het moeilijker is om belangstelling op te brengen voor een periode van ondergang van een 


52 Cf. E. Ebeling, „ NeubabyIonische Briefe” in 
de Abhandlungen der Bayer. Akad. der Wiss., een 
vertaling van Nieuw-Babylonische brieven op de¬ 
zelfde wijze als San Nicolo deze van juridische 
teksten gaf (1949). 

53 Cf. J. B. SegaL, Iraq XIX (1957), blz. 144, 
M. San Nicoló, Or. 17 (1948), blz. 59-70, en D. J. 


Wiseman en M. Howard, Iraq XVII (1955), pp. 
3-30 (cf. Phoenix II/i, 50 - 55 ). 

54 Cf. ook H. W. F. Saggs, The Nimrud Letters 
XXV en XXVI in Iraq XVIII (1956), blz. 41-43 en 
blz. 55, alsmede Iraq XVII (1955), blz. 131. 

55 17 (1948), blz. 273-293, 18, blz. 288-306, 20, 
blz. 129-150, 23, blz. 351-382, en 25, blz. 24-38. 


cultuur, speciaal wanneer de laatste stuiptrekken een min of meer gekunstelde indruk maken, 
dan voor de gelijktijdig opkomende nieuwe cultuur, die constructief is voor de toekomst, in 
casu de Hellenistische cultuur met haar beslissende invloed niet alleen op de beschavings¬ 
geschiedenis, maar ook op het maatschappelijke en economische leven. Maar het moet niet 
worden vergeten, dat het juist van het meeste belang is te onderzoeken, wat in zulk een periode 
de ondergaande cultuur aan de nieuwe heeft overgedragen en op welk wijze zij dit heeft 
gedaan 56 ). Hierin ligt per slot een der rechtvaardigingsgronden voor onze studie van de 
oudheid. 

Arnhem, 1 maart 1958 W. F. Leemans 


Postscriptum. Omstreeks Pasen verscheen onder de titel „ Textes économiques et admini- 
stratifs” de bewerking van de teksten uit Mari, gepubliceerd in TCL XXVIII, van de hand van 
J. Bottéro. Gezien de importantie van dit werk voor onze kennis van de economische verhou¬ 
dingen in Mesopotamië in velerlei opzicht in de tijd van Hammurabi en daar vlak voor, zij bij 
wijze van aanvulling een enkele opmerking hierover gemaakt. Na een minutieuze transliteratie 
en vertaling van de documenten, heeft Bottéro in een commentaar, dat ruim de helft van 
het boek beslaat, een uitvoerige analyse van de inhoud gegeven. Een tekst is uit de tijd van 
koning Jahdun-Lim; teksten uit de tijd van de Assyrische overheersing behoorden tot het 
archief van een bureau, of liever magazijn, van het paleis, dat Bottéro kenschetst als de 
„droguerie du Palais”. Verreweg het grootste gedeelte van de teksten is uit de tijd van Zimri- 
lim en, hoewel deze teksten bijna alle uitgaven en inkomsten van één bureau van het paleis 
betreffen, geven zij toch een zeer gevarieerd beeld. Het vermoeden is gerechtvaardigd, dat in 
Mari veel gelijk was aan wat in Zuid-Mesopotamië wordt gevonden. In enkele opzichten geven 
de teksten een bevestiging van punten, waaromtrent teksten uit Zuid-Mesopotamië, Sippar, 
Larsa, etc., slechts een vermoeden toelaten. Om slechts een voorbeeld te noemen: Een tekst 
uit Babylon geeft een aanwijzing, dat wijn werd geïmporteerd via de rivier (VS XVI 52), 
terwijl de omstandigheden het waarschijnlijk maken, dat dit de Euphraat af was; uit een 
andere tekst (HG III 736) blijkt, dat er Karkamis-kruiken in omloop waren in Sippar. De 
teksten uit Mari nu tonen aan, dat wijn veel uit het Noorden en Noordwesten, o.a. uit Kar- 
kamis en Aleppo, in Mari werd geïmporteerd (Bottéro, § 73). Dit, tezamen met de evenver- 
melde summiere gegevens, maakt aannemelijk, dat wijn ook in Babylonië geïmporteerd werd uit 
dezelfde streek, vanouds bekend voor zijn wijn 57 ). Kruiden en allerlei plantaardige extracten, 
o.a. gebruikt voor parfums, nemen een belangrijke plaats in onder de geïmporteerde producten 
(§§ 10 en 67). Uit een overheidsadministratie in Larsa blijkt, dat verscheidene van deze artike¬ 
len relatief nogal prijzig waren en daarom geschikt voor handel over grote afstanden. 
Voorts zijn er teksten, die handelen over leveranties van tin naar het Westen (§87 sub i° en 
§ 115)- We vinden hier een parallel van de Noordelijker tinexporten van Assyrië naar Anato- 
lië. Ook in later tijd vond het vervoer van tin, afkomstig uit Oostelijker streken, over de 
Euphraat nog plaats (VAB VI 233). Alles bijeengenomen werpen de teksten dus enig licht 
op de handel de Euphraat op en af. 

Belangrijk zijn de teksten, die voedingsmiddelen opsommen, speciaal wel die, waaruit blijkt 
wat er op de dis van de koning werd geserveerd, de naptan sarri (Bottéro, §§ 71 en 72), zij 
het dan alleen wat het plantaardige gedeelte betreft. In hoofdzaak bestond deze uit brood of 
gekookt deeg in verschillende vormen en samenstellingen of uit schotels bereid uit graan¬ 
producten, groenten (erwtachtige producten) en dadels, smakelijk gemaakt met zoetigheden 
(o.a. honing — waarvan niet bekend is of dit bijenhoning was of een plantaardig product) en 
oliën 58 ). Een beschouwing van de hoeveelheden, die voor een maaltijd werden gebruikt, leidt 


56 Voor M. Rostovtzeff ontbrak de mogelijkheid 
hiertoe bij gebreke van voldoende publicaties en be¬ 
werkingen van de Babylonische teksten uit de Seleu¬ 
ciedentijd; zie zijn Social and Economie History of 
the Hellenistic World I (1941), blz. 537. 

57 ) Cf. b.v. C. Seltman, Wine in the Ancient 
World (1957), blz. 14 e.v. Ook Noord-Palestina 


produceerde wijn, zoals blijkt uit inschriften op krui¬ 
ken, gevonden bij recente opgravingen in Gibeon 
(zie J. B. Pritchard, ILN no. 6199 van 29 Maart 
1958, blz. 505 e.v.). Zie hierboven blz. 201. 

5S ) Een grote hoeveelhend oliën, veelal geïmpor¬ 
teerd, wordt genoemd in de teksten uit de tijd van de 
Assyrische overheersing (§ 9). 




214 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


tot de conclusie, dat de koning tezamen met een deel van zijn hofhouding at, terwijl er in een 
centraal gelegen plaats als Mari geregeld ook gasten zullen zijn geweest (§ 74). 

Behalve zijn paleis in Mari had de koning ook in andere plaatsen in zijn rijk een paleis 
(e kalium) (§ 48). Dit doet sterk denken aan de toestand in Zuid-Mesopotamië. Evenals het 
paleis in de residentie, zoals dus in Mari, Babylon en Larsa, het centrum was van de econo¬ 
mische overheidsadministratie van het land, waren deze c paleizen 3 in de belangrijke steden van 
een rijk de centra van de economische activiteit van de overheid in de verschillende districten 
(in de rijken van Larsa en Babylon b.v. de c paleizen 3 in Ur, Sippar, Kish, Dilbat 59 ). De koning 
van Mari had ook de hoogste zeggenschap over de geldzaken; hij inde belastingen en rech¬ 
ten 60 ), en hoe belangrijk de financiële administratie werd geacht, blijkt hieruit, dat zij werd 
gevoerd in het bit maiali, oorspronkelijk de slaapkamer of de Divan van de koning (§§ 19 en 
47). Daarnaast had de koning vermoedelijk in verschillende steden een schatkist ( pisan sarri), 
waarin en waaruit de plaatselijke ontvangsten en uitgaven werden gedaan (§ 47). Zilver was 
algemeen betaalmiddel in Mari (§§ 107-m); kaspu (zilver) werd gebruikt in de betekenis 
van ^eld 3 (§ 108), evenals in Zuid-Mesopotamië. 

Het algemene beeld dat wij, mede gelet op de brieven, van Mari krijgen, is dat van een 
belangrijk economisch centrum. Omtrent de gevolgen van het wegvallen van dit centrum 
tengevolge van de vermoesting door Hammurabi, zijn vrijwel geen gegevens voorhanden. 

Arnhem, 15 April 1958. W. F. Leemans 

TABLETS FROM BAD-TIBIRA AND SAMSUILUNA’S RECONQUEST 

OF THE SOUTH 

Some peculiarities of different texts may contain an indication that these texts belong 
together or have come from the same archives. If only of one of these texts contains an indica¬ 
tion as to the origin of the text, a whole group of texts can be attributed to a certain place. 
Various examples of this fact have been recognized in the last years 1 ). Another example is 
added here. 

In Sumer et Akkad (1923) Ch.F. Jean published a number of texts with a certain Silli- 
Samas as a central person, viz. nos 167, 168, 175, 181, 182, 184, 187 and 196. Of these texts, 
only no. 182 is still in the collection of the late Ch.-F. Jean, some of the other texts have been 
seen by A. Goetze in American collections. Through the kindness of M. Fabbé Vansteenkiste I 
had the occasion to re-examine no. 182, and also no. 172 which will be dealt with at the end of 
this article. The texts, as far as dated, all date from the year b of the rebel king Rim-Sin and the 
i ith year of Samsuiluna. Peculiarities of the texts are the frequent occurrence of the temple 
of the d DiDLi 2 ), and frequent mention being made of Dumuzi in different connections, his 
temple in nos 184 and 181, in personal names in 184, 187 and 181, further in nos 187, 167 and 
181. This feature suggests that the texts originate from a town where Dumuzi was the principal 
god. This was in the old town of Bad-tibira in South Mesopotamia. This supposition is corro- 
borated by no. 184 where the d DiDLi, frequently figuring in the texts as seen above, are said to 
be of Bad-tibira: 

i se-gur i kur of barley 

a-na ^(?)-tfl(?)-aUugal for the residence( ?) of the king 

ü ta-aq-ri-ba-tim and the cult 3 ) 

ia é d Dumu-zi in the temple of Dumuzi 

ü d DiDLi and the ... god(s) 

B a d -1 i b i r a ki of Bad-tibira, 

59 ) Ur: passim in teksten uit Ur, Sippar: HG III x ) See p. 207 £. of the preceding article. 

96, 113 en passim, Kish: HG VI 1882, Dilbat: HG 2 ) Didli means, among others, a duality and a 

III 558, HG IV 819, 847. Voor de Assyrische han- plurality. 

delskoloniën in Anatolië zie b.v. Kt Hahn 13. Vgl. 3 ) Cf. W. von Soden, ZA 47 (1941), p. 6, note 1, 
hierboven blz. 206. and Or. 21 (1952), p. 79 f. 

60 ) Cf. voor Babylonië b.v. TCL XVII 70. 


TABLETS FROM BAD-TIBIRA 


215 


sa is-tu itu su-numun - au 4 1 - k a m viz. those from the month Dumuzi, ist day, 
m u Sa-am-su-i-lu-na 1 u g a 1 of the year Samsuiluna, the king, 

bad Urim ki Unu ki mu-un-hul destroyed the walls of Ur and Uruk. 
sa-du n [a-na u 4 ] 30-kam Offerings for 30 days 

ia mu bal(?) of the year of reign(?) 4 ), 

iö mu 1-kam of one year, 

su-ti-a d Anu-ti-la-ti received by Anu-tilati, 

sag dub - [ sar ? ] the main scribe( ?), 

k i Si-li- d Samas from Silli-Samas 

ü sa-tam-mes and the satammu- officials, 

itu su-numun-a u 4 1-kam In the month Dumuzi, ist day, 

m u Sa-am-su-i-lu-na 1 u g a 1 of the year Samsuiluna, the king, 

bad U r i m [ kl U n u kl mu-un-hul] destroyed the walls of Ur and Uruk. 

On the tablet the seal was impressed with: Warad d Dumu-[zi ] dumu Zi-ga-[ 

[ ] unu [ki?] [a r a d( ?)] d Sin [ ] 3 ). 

No. 187 records that several quantities of barley, to a total of 10 kur in the Standard 
measure of Marduk, was received for the sustenance (suku) of Dumuzi for the period of 
Simanu ist till Tebëtu 30Ü1 at(?) Bad-tibira (date: Simanu 1, Samsuiluna 11). 

No. 168: Idin-Samas has rented a plot of land from Silli-Samas, the satammu-oïiicisl 
of the temple of the d DiDLi 6 ). The tenant gets two thirds, the owner of the field one third 
of the erop (date: Kislimu, Rim-Sin II b). 

No. 167: Different fields, one being és-gar d Dumu- [zi], are rented by a certain 
individual from Silli-Samas for 33 kur of barley, to be delivered Simanu ist (date: x month 
8th Rim-Sin II b). 

No. 181 is now in the possession of M. Fabbé Largement, who kindly showed me the 
tablet 7 ). The tablet is fragmentary and in a bad condition. The obverse concerns two plots of 
dategroves, one of Bël-tabum, the son of Satalisu 8 ), the other of Girinizu(P), both in the 
hands of Silli-Samas, but what happened with these dategroves during the period covered by 
five time-recordings, among others 24 days the temple of Dumuzi, totalling 4 (sic!) (read 5) 
months and 2 days, while a certain Anu-pi-Dumuzi and Silli-Samas occur as acting persons, 
is not clear as the verb is broken of f. The reverse of the tablet seems to contain an enumeration 
of several items of silver, expended for various purposes: 

1 ' sa a-[na 

2 ' 3 gin kü-babbar[ ] 3 Ta é-gal is-ri-qü-ü-ma 4 ' i-na biti-[su] sa-ak-na 

5 ' 2 gin kü-babbar x tu ri U r i m ki Q 'u-se-ri-bu-u-ma 7 'é - g a 1 la ü-ka-al(f) il(f)-li-yi 

8 ' 2 gin kü-babbar ha.ba.la xxx 9 ' qi-is-ti d Dumu-zi 10 'ia a-na biti-su it-ba-lu 

n ' 2 gin kü-babbar sa lu-ut-tim( ?) 12 'sa x 9 ) ki da( ?) ki ü-ha-mi-sü 

13 ' ü 1 gin g u s k i n sa g i s i m m a r( ?) 14 '2 sis IG _ m e § } a <T) u m u - z i 15 ' is-su-uh-ma a-na 

biti-su 1 Qf it-ba-al (?) 

No. 175, dated Tebëtu 27A of the year Rim-Sin II b, concerns wool, etc., which, under 
the orders of Silli-Samas, was delivered to the palace, whilst the é d DiDLi is mentioned. 

No. 196, dated in a year of Samsuiluna’s, perhaps Elülu Samsuiluna 11, lists several 
items, probably of g u 4 , cattle, delivered to or received from various persons, 7 at Asdubba, 1 at 
Larsa, 4 at Kutalla and 1 at Bad-tibira, totalling 13 head. The first person mentioned is per¬ 
haps Silli-Samas. 

4 ) The reading bal is not certain. See for its with the other texts. 

meaning, which is still not exactly definable, A. L. 7 ) Reexamination of the tablet has yielded some 

Oppenheim, AOS 32, p. 29, and the authors quoted revised readings which have been incorporated in the 
there. rendering of the text. 

5 ) The last line of the copy in Sumer et Akkad 8 ) Cf. Satalim — Satakalim in TCL X, 20, tablet 
CLXXXVII may be a repetition of the first line, 11, j° case 11. 

taken from another impression of the seal. 9 ) The sign looks more like nun than like gAn. 

6 ) Looks like mas but may be didli in accordance 





2IÓ 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


No. 182 is still in the collection of the late Ch.-F.jEAN. A new transliteration and transla- 
tion, based on both tablet and case, is given here: 


6(g u r) 5(ban) g u r u 4 - h i - i n 6 kur 5 sütu of halfripe 

Tilmun-na-bi Tilmun dates, 

3(g u r) 4(pi) 2(b an) gur u 4 -hi-in 3 kur 4 PI 2 sütu of halfripe 
Tilmun-na-bi Tilmun dates, 

nig-gar kiri 6 kü a-sa-bi yield of the grove .. of its field” 

d N i n - m a r ki A s - d u b - b a ki of Ninmar of Asdubba, 

n i g - s u Si-U- d Samas s a -t a m é d DiDLi under the orders of Silli-Samas, the satammu- 

official of the temple of the ... god(s), 

[xxxx] Nu-ür- d Kabta [have been given] to Nür-Kabta (for the su- 

kunnü). 

itu du 6 -kü zü-lum Tilmun-[na-bi]In the month Tesrïtu he shall.... 
is-x-lam i-ip-pa-dl and deliver the Tilmun dates; 

e n i m -1 a m Li-pi-it- d Amurrum on the orders of Lipit-Amurrum 

ü Ta-li-mu-um 10 ) * and Talimum, 

sa-tam-mes é d Nin-mar ki11 ) the satammu-oiiiódXs» of the temple of Ninmar. 

igi Mar^Amurrum 11 ) Before Mar-Amurrum, 

igi Sïlli li - d Nin-mar k{ 11 ) before Silli-Ninmar. 

itu ne-ne-gar u 4 20-kam In the month Abü, 2oth day, 

mu Sa-am-su-i-lu-na lugal-e of the year Samsuiluna, the king, 

bad U r i m ki U n u ki mu-un-hul-la 12 ) destroyed the walls of Ur and Uruk 13 ). 

It is clear that all these texts belong to the same administration. The frequent mention 
of the temples of Dumuzi and the d DiDLi, sometimes in one breath, as in no. 184, suggests 
that the two temples were closely connected and that the texts originate from the archives of 
these temples. Dumuzi is one of the most contested deities of the Babylonian pantheon, and 
was the main subject of discussion at the 3rd Rencontre assyriologique at Leyden in 1952. It 
is, therefore, of interest that some direct evidence of worship of Dumuzi in one of his main 
sanctuaries, viz. at Bad-tibira, can be recognized 14 ). Silli-Samas was evidently a temple of¬ 
ficial, an administrator of the temple. The texts are all dated, as far as can be inferred, in the 
9th-ioth mcnths of the year(b) of the rebel king Rim-Sin and the 3rd-6th months of the uth 
year of Samsuiluna, which is the year after the former year. 

Text no. 172 may have belonged to the same group of texts. It is narrowly connected with 
Samsuiluna’s reconquest of South-Babylonia. The text is still in the collection of the late 
Ch.-F. Jean. Transliteration and translation of the text run as follows: 


obv. 2 udu-nita a-na me-eh-ri 
sa i-nu-ü-ma sar-rum is-tu 
uru KA.DiNGiR-RA ki a-na L a r s a m ki 
il-li-kam 

5) itu se-KiN-kud u 4 10-kam 
2 udu-nita a-na me-eh-ri 
sa i-nu-ü-ma sar-rum is-tu ud.kib(?). 

nun( ?) ki 

i-tu-ru{ ?) i t u g u 4 - s i - s a u 4 20-k a m 
2udu-nita a-na me-eh-ri 
iO) sa i-nu-ü-ma sar-rum is-tu 


2 rams for a gift 
when the king came from 
Babylon to Larsa, 

Addaru ioth. 

2 rams for a gift 

when the king returned from Sippar(?), 

Aiaru 20th. 

2 rams for a gift 

when the king returned from 


10 ) In reverse order on the case. 13 ) Cf. for thiskindof texts B. Landsberger, MSL 

1X ) On case only. I, pp. 206-209, and JNES VIII (1949), p. 285, note 

12 ) There are tracés of seal-impressions on the 119. 

14 ) Cf. A. Falkenstein, CRRAI 3, p. 49. 


case. 


'fABLETS FROM BAD-TIBIRA 


217 


uru M a s - g a n - s a b i r ki i-tu-ru 
itu ne-ne-gar u 4 13-kam 
rev. 3 udu-nita a-na é d DiDLi 

gi r Anu-pï- d Samas ü sa-tam- 
mes(?) 15 ) 

15) i udu-nita a-na ugula mu 
g i r Anu-pi- d Samas 
2 udu-nita a-na me-eh-ri 
sa i-nu-ü-ma sar-rum 
a-na é d Samas i-ru-bu 
20) x udu-nita ri-ri-ga 
x a-hi-i-a 16 ) 

x udu-nita a-na KA.DiNGiR.RA ki 
g i r A-na- d Samas-ta-ak- [ la-ku] 

[x] udu-nita a-na sa-du 1:L d x 
25) su-nigin 16 udu-nita ba-x 


Maskansabir, 

Abü I3th. 

3 rams for the temple of the ... god(s), 
for the correctness vouches Anu-pi-Samas 
and the satammu- officials; 

1 ram for the waklum of the bakers, 

for the correctness vouches Anu-pï-Samas; 

2 rams for a gift 
when the king entered 
into the temple of Samas; 
x rams lost; 


x rams for Babylon, 

for the correctness vouches Ana-Samas- 

taklaku; 

x rams for an offering to . ..; 
together 16 rams .... 


The tablet is undated. It seems to belong to the same group of tablets as the preceding 
ones, since the temple of the d DiDLi, not known from any other texts, is mentioned in the text. 
From the first section it can be inferred that the king, who visited the different towns, was the 
king of Babylon. Who may have been this king? From the Icings of Babylon only Hammurabi 
after his 30th year and Samsuiluna till about his I3th year ruled in the South, the region of 
Larsa, Ur, Bad-tibira, etc. If the tablet really belongs to the same group of tablets, it would 
seem lilcely that it is of the uth year of Samsuiluna, just as the preceding texts as far 
as these are dated in this king’s reign. The items in the text were listed over a period 
from the last month of a year (Addaru) till the 5Ü1 month (Abü) of the next year and probably 
even somewhat later. This would agree with the probable date of the last of the texts dealt with 
above, viz. the 6th month of Samsuiluna 11. During the time, covered by the text, the king 
came to Larsa. The placename in the second section consists of four signs, definitely beginning 
with ud. The only placename which corresponds with these data is Sippar (uD.KiB.NUN ki ) and 
the tracés allow for this reading (although the second sign could be ses). Apparently the king 
had returned to the North and had visited Sippar, and now he had come to the South a second 
time. There he made a journey to Maskansabir, and finally he visited a temple of Samas. 

Is there any evidence of or reason for a repeated stay of Samsuiluna in South Mesopo- 
tamia towards the end of his ioth year and the first half of his uth year? In fact evidence and 
reason are both there. In the 9th and ioth years of Samsuiluna South Mesopotamia, perhaps 
with the exception of Ur 17 ), was ruled by the rebel king Rim-Sin 18 ), in whose last year (b), 
corresponding with Samsuiluna 10, the texts nos 167, 168 and 175 are dated. Samsuiluna’s uth 
year-formula refers to the reconquest of Ur and Uruk, whilst the I2th year-formula records 
the final recovery of the country after another revolt. For this purpose Samsuiluna must have 
sojourned twice and probably for prolonged periods in South Mesopotamia. Now there seems 
to be almost no doubt that our text refers to these visits, and the document may be considered 
as a unique record of the course of the reconquest of the South. The course of events can now 
be reconstructed as follows: 

The last documents known of the rebel king Rim-Sin were: 


15 ) The sign ü is not certain; the sign, read sa, dated Warahsamna (8) Samsuiluna 10. UET V 202 

looks more like kü. is probably dated in Kislimu of the same year. 

16 ) hi-i is questionable; perhaps one sign. 18 ) Cf. F. Thureau-Dangin, La Chronologie ... 

17 ) There are no texts from Ur with year-formula (1942), p. 8, and the authors quoted there. 

(b) of Rim-Sin but there is a text (UET V 243) 

Jaarbericht N° 15 


15 





2l8 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


219 


from Larsa: YBT V 227, dated Tebëtu (ioth month) 19 ), 
from Bad-tibira: no. 175 quoted above, dated Tebëtu (10), 

from Kutalla: Teil Sifr 85 and 86, dated Sabatu (11), but in this month the situation seems 
already to have been uncertain at Kutalla, as another tablet ( Teil Sifr 84) of the same month 
has the formula for the ioth year of Samsuiluna. 

In the next month, Addaru (12), of the same year, being the year (b) of Rim-Sin and the 
ioth year of Samsuiluna, the latter king, according to our text, marched from Babylon to Larsa 
and conquered this town as well as other towns in the South. Perhaps, the ioth was even 
the exact date of his entry into Larsa. This fact was sufficiënt reason for naming the next year, 
the i ith year, but as it was not immediately known throughout the whole country and as the king 
was in the South, in the beginning of the year an ü s - s a formula was employed in some pla- 
ces 20 ). Af ter having pacified the region of Larsa, the king went to Sippar in the North for 4 
some reason or other but as soon as he had turned his back, a new revolt broke out (cf. the 
I2th year-formula), this time not centring in Larsa but in Maskansabir, a town to the North¬ 
east of Larsa close on the marshlands of the Tigris, where Rim-Sin might have taken refuge. 
For Bad-tibira, not far from Larsa 21 ), had remained in the power of Samsuiluna, as texts 
of the months Simanu and Dumuzi (nos 184 and 187) were dated by his year-formula, whilst 
the fact that the towns of the South are not mentioned in the I2th year-formula supports this 
statement. A gift for the saké of the king—this must be the contents of no. 184, line 2, what- 
ever the second word may be—was spent at Bad-tibira in Dumuzi. Samsuiluna returned, 
probably in the same month, and he reconquered Maskansabir bef ore Abü I3th. He came to 
Bad-tibira or Larsa once more and he visited the temple of Samas in one of these towns. Then 
he returned to Babylon. The activities, during this half year are reflected by the formula for 
the next, the I2th year, recording that Samsuiluna had pacified all the lands which had revolted 
against him for the second time. Only a few texts dated in this troublesome iith year of 
Samsuiluna are known from Ur (see note 20) and Larsa (TCL XI 220, dated Warahsamma), 
whilst also Riftin, SVIAD 36 and 33 (dated Dumuzi and Addaru) may be from the South. 
Peace did not last for a long time; in the next years Samsuiluna lost the South for good and 
for all 22 ). 

A remarkable parallel to our text is ARM VII 7 from Mari, listing several items of dif¬ 
ferent kinds of oils, s u -1 i - a A-na-ku-ilu-nia i-nu-ma ïïugal a-na I-ma-ar ki il-li-ku, received 
by Anaku-iluma, when the king (i.c. Samsi-Addu of Assyria) went to Imar 23 ). 

One other text from Bad-tibira has been published as far as I know, viz. by C. H. 
Gordon, Smith College Tablets , no. 40. This text, dated in a year of Nür-Adad’s, records 
the receipt of 1D/3 minas and 4 sheqels of silver by a certain Amurrum-bani, Arad-Bad- 
tibira ki vouching for the correctness (gir). Preceding the date, the text contains the state¬ 
ment uru ki Bad-tibira ki . 

A r n h em, 1 april 1958. W. F. Leemans 

19 ) The correctness of the Identification of the 
year-formula of Riftin, SVIAD 84 may be ques- 
tioned. Balmu-namhe, mentioned in the text, lived 
much earlier, in the first half of the reign of the 
great king Rim-Sin. The year-formula of the text 
may be one of that period (24 ?). 

20 ) In Ur it was already used in the first month 
(UET V 485). 


21 ) Balnunamhe well-known from the Larsa texts, 
owned a dategrove at Bad-tibira (YBT VIII 59; cf. 
W. F. Leemans, SLB I (1), p. 33, note 143). 

2a ) Cf. W. F. Leemans, Merchant, p. 78 . 

23 ) Cf. also G. Dossin, Syria 20 (1939), p- 106. 
For the situation of Imar (Emar) see A. Goetze, 
BASOR 147 (1957), pp. 22 ff. 


DARSTELLUNGEN ALTMESOPOTAMISCHER BAUWERKE 

E. Heinrich, Bauwerke in der altsumerischen 
Bildkunst, Wiesbaden, Otto Harrassowitz, 1957 
(8vo, 107 SS., 113 Abb.) = Schriften der Max 
Freiherr von Oppenheim-Stiftung, Heft 2. 

1. Von den Bauwerken Altmesopotamiens — Tempel, Palaste, Wohnhauser — haben 
die Ausgrabungen im allgemeinen nur geringen Teile des Oberbaus zutage gefördert. Zwar 
gibt es manche Beispiele von Bauten, deren Mauer bei der Aufdeckung noch hoch anstanden 1 ) f 
aber kein Bauwerk ist zur vollen Höhe erhalten geblieben. Von den ehemals hochauf ragenden, 
stufenförmigen Tempeltürmen, ziknrrati, steht bestenfalls nur noch die erste Stufe 2 ). Die 
von R. Koldewey geleiteten Ausgrabungen in Babylon (1899-1917) brachten von Eteme- 
nanki, dem berühmten ca. 90 m hohen Turm von Babel, kaum mehr als die Grundflache und 
die Form der Haupttreppen ans Licht 3 ). Für die Rekonstruktion sind die zutage geförderte 
Reste altmesopotamischer Bauwerke mithin im allgemeinen unzureichend. Es gibt jedoch für 
die Wiederherstellung noch andere Anhaltspunkte, nahmlich Nachrichten aus den Keilin- 
schriften und Darstellungen altmesopotamischer Bauwerke in der Bildkunst. Die Herrscher 
im alten Mesopotamien haben seit der frühesten Zeit in ihren Inschriften über den Bau von 
Tempeln 4 ) und — besonders die assyrischen und chaldaïschen Könige — auch über den Bau 
von Palaste 5 ) berichtet. Diese Berichte enthalten zuweilen für die Wiederherstellung der 
Monumente wichtige Angaben. Aus der spatzeit besitzt man ausserdem sachliche Beschrei- 
bungen von Bauwerken, so z.B. von Babylons Hauptheiligtum, Esagila und Etemenanki 6 ). 
Für die in den Keilinschriften erwahnten Bauwerke oder Teile von Bauwerken (etwa das 
bit hilani) haben die Assyriologen immer grosses Interesse gezeigt. Die Darstellungen altme¬ 
sopotamischer Bauwerke in der Bildkunst haben hingegen nur in beschranktem Masse das 
Interesse der Bauforscher erregt. Th. Dombart hat in den Streit um die Form des 
Turms von Babel die Darstellungen von zikurrati zur Begründung der von ihm — zu 
Recht— verteidigten Stufenform herangezogen 7 ). Diese Darstellungen stammen aus dem 


1 ) Erwahnt seien: Esagila, Babylon (neubab. Pe¬ 
riode) : bis zu 10 m (Fr. Wetzel-F. Weissbach, 
Das Hauptheiligtum des Marduk in Babylon, Esagila 
und Etemenanki , 59. WVDOG, 1938, S. 10-11); 
Tempel Ehursagkalamma, Kis (neubab. Periode): 
bis zu 5.60 m (L. Ch. Watelin, Excavations at Kish 
III, 1930, S. 11) : Palast in Mari (Periode Hammu- 
rabi) : bis zu 5 m (A. Parrot, Syria 17, 1936, S. 
14); Weisser Tempel B auf der Anu-Zikurrat in 
Uruk (Dschemdet Nasr-Periode): bis zu 3 m (E. 
Heinrich, UWVB VIII, S. 30); Painted-Temple in 
Uqair (Uruk-Periode oder Dsch. Nasr-Periode) : bis 
zu 3.80 m (S. Lloyd, JNES II, 1943, S. 142). W. 
Andirae {Die jüngeren Ischtar-Tempel in Assur , 
58. WVDOG, 1935, S. 55) nennt 11 m ein normales 
Höhenmass für (Niveau-) Tempel. Tempel wie der 
Weisse Tempel und der Tempel in Uqair, waren 
selbstredend niedriger. 

2 ) Die Zikurrat von Ur (in der Periode von Ur 
III vierstufig) ist die am besten erhaltene in Iraq 
(C. L. Woolley, Ur Exc. V, The Ziggurat and its 
Surroundings, 1939, S. 99). Nur die 1. Stufe ist gut 
erhalten; von der 2. und 3. sind Reste aufgedeckt. 
Auch die durch neuen, von R. Ghirshman geleiteten 
Ausgrabungen bekannt gewordene Zikurrat von 
Tchoga-Zanbil (nahe Susa, Iran), ist nur als Ruine 
erhalten; siehe R. Ghirshman, ILN 5964, Aug. 8, 
1953, S. 226-227; Syria 30, 1953, SS. 222-233; Arts 
Asiat. I, 1954, SS. 83-95; II, 1955, SS. 163-177; III, 
1956, SS. 163-184. IV, 1957, SS. 113-130. C. Hillen, 


in Phoenix II, 1, 1956, SS. 38-50. 

' 3 ) R. Koldewey, Das wieder erstehende Babylon, 
1925, S. 189. 

4 ) Berühmt sind die Berichte des Gudea von La- 
gas über den Bau des é-ninnü, den Tempel des Nin- 
girsu, siehe A. Falkenstein-W. von Soden, Sume- 
rische und Akkadische Hymnen und Gebete } 1953, 
SS. 137 ff., 372 ff., Tempelbau-Hymne Gudeas von 
Lagasch [Zylinder A] (Falkenstein). M. Lambert- 
R Tournay, Le Cylindre A de Gudea (RB 55, 1948, 
SS. 403-437; 520-543, Le Cylindre B). Fr. Thureau- 
Dangin, SAKI, SS. 88 ff., Zyl. A: 123 ff, Zyl. B. 

6 ) Erwahnt seien D. D. Luckenbill, The Annals 
of Sennnacherib, 1924, SS. 94 ff, “The Palace with¬ 
out a Rival” (Br. Mus. Nr. 113203). S. Langdon- 

R. Zehnpfund, Die neubab. Königsinschriften, 1912 
(VAB IV), SS. 88-89, Nebuk, 9: Wiederaufbau al¬ 
ten Palast. -R. Borger, Die Inschriften Asarhad- 
dons K'ónigs von Assyrien (AfO, Beiheft 9), 1956, 

S. 8, § 6, Ass. E; Bau Palast in Assur. 

6 ) Wetzel-Weissbach, o.c., SS. 49 ff. Die Esa- 
gila-Tafel (Louvre; TC VI, 1922, Taf. 59-60, AO 
6555 ). W. von Soden, GGA 200, 1938, SS. 516-526. 
Siehe auch A. Falkenstein, Topographie von Uruk 
I. Teil, 1941, SS. 4 ff, Bauinschrift des AmPuballit 
betreffs Rës-Heiligtum in Uruk (Seleuc.-Periode). 

7 ) Th. Dombart, Alte und neue Ziqqurat-Darstel- 
lungen zum Babelturm-Problem (AfO V, 1928-29, 
SS. 220-229), Derselbe, Die Zikkurat-Darstellung aus 
Ninive (AfO III, 1926, SS. 177-181). Derselbe, Das 




220 


VOORAZIATISCHE PHILOLÖGIE 


DARSTELLUNGEN ALTMESOPOTAMISCHER BAUWERKE 


221 


Zeitraum von der Mitte des 3. Jahrtausends bis zum 8.-7. Jahrhundert v. Chr. Die Darstel- 
lungen von Tempeln (und die von Hikten und Hürden), die von der Uruk-Zeit bis zur Periode 
von Akkad vorkommen, hat erst der um die Erforschung altmesopotamischer Bauknnst ver- 
diente Ausgraber und Bauforscher Ernst Heinrich 8 ), der Mitarbeiter des 1956 verstorbe- 
nen Ausgrabers von Assur, Walter Andrae, in seinem 1957 erschienenen Buche Bauwerke 
in der altsumerischen Bildkunst, eingehend behandelt. Mit „altsumerisch” bezeichnet Hein¬ 
rich die Zeit, die mit Urulc IV (erstes Vorkommen der Schrift; wahrscheinlich IV a, H. J. 
Lenzen, ZA 49, 1949, S. 13) beginnt und mit dem Beginn der Dynastie von Akkad endet. 
Der Verfasser untersucht die dargestellten Bauwerke nach Konstruktion und Form zum 
Zweck der Rekonstruktion der ausgegrabenen Bauwerke. Die Gedankengange, die in diese 
Richting führen, wird Heinrich jedoch erst in einer besonderen Arbeit vorlegen (S. 97). 

Darstellungen von zikurrati hat Heinrich nicht in die Betrachtung einbezogen. Aus der 
altsumerischen Periode besitzen wir bekanntlich die auf Siegeln vorkommende Darstellung 
des c Turmbaus° 9 ): aus der akkadische Periode das Bild einer zikurrat auf dem Diskus der 
Enheduanna 10 ), der Tochter Sargons van Akkad. Die ersten monumentalen Tempeltürme 
wurden etwa in der Periode von Akkad errichtet, d.h. um die Zeit, als die Darstellungen von 
Tempeln in der Bildkunst verschwinden oder seltener werden 11 ). Es ist spater nicht der 
Tempel, sondern die Gottheit selbst, welche in kultischen Szenen dargestellt wird, wie Hein¬ 
rich darlegt (S. 97). Es ist u.E. möglich, dass das Bestehen von hochaufragenden zikurrati 
das Verschwinden von Tempeldarstellingen in der Bildkunst mit veranlasst hat. Der Tempel- 
turm, das Heiligtum des Stadgottes, war das Hauptmonument der sakralen Baukunst 
geworden. 

2. Die van Heinrich gesammelten Darstellungen von Bauwerken finden sich auf Sie¬ 
geln, Steingefassen und geweihten Bildplatten. Ausserdem besitzt man eine Gruppe von Kult- 
gegenstanden in der Form von Hütten (S. 11). Heinrich hat die Darstellungen in zwei 
Hauptgruppen eingeteilt: 1. Abschnitt, Bauwerke in Idndlicher Umgebung (SS. 11-38), 


Zikkurratrelief aus Kujundschik (ZA 38, 1929, SS. 
39-64). Derselbe, Ein “neues” Bild vom Turm zu 
Babel (JSOR 14, 1930, SS. 1-10). Derselbe, in 
ZDMG 82, 1928, SS. LII-LIII (Der fünfte deutsche 
Orientalistentag in Bonn, 1928: Dombart sprach 
über die altorient. Zik.-Darstellungen und deren 
Wert für die Rekonstruktion des Turms von Ba¬ 
bel). W. Andrae hat ebenfalls die Zikurrat-Darstel- 
lungen behandelt: Altmesopotamische Zikkurat-Dar- 
stellungen (MDOG 64, 1926, SS. 32 - 54 )- Den stu- 
fenförmigen Aufbau des Turms von Babel lehnte 
Andrae damals noch ab. Eine schone Darstellung 
einer Zikurrat auf einem Siegel (8.-7-Jahrh.), wurde 
spater von Miss E. Porada veröffentlicht: An un- 
known Representation of a Ziggurat (BASOR 99, 
1945, SS. 18-20, Fig. 2, S. 19). 

8 ) Heinrich war Mitarbeiter bei der 4. und 5. 
Kampagne der Ausgrabungen in Warka-Uruk (Lei- 
ter A. Nöldeke) (UWVB IV-V 1933-1934) und Lei- 
ter der 6. Kampagne (UWVB VI 1935). Er hat 1955 
zusammen mit A. Moortgat Ausgrabungen in Teil 
Fahariyya veranstaltet (Les Ann. Archéol. de Syrië 
VI, 1956, SS. 39-50. AfO XVII 2, 1956, SS. 429-431. 
Orientalia 26, 1957, SS. 280-281). Er veröffentlichte 
die Ergebnisse der Ausgrabungen in Fara und Abu 
Hatab 1902-1903 ( Fara... Herausgegeben von W. 
Andrae, 1931). Seine bekannteste Arbeit ist Schilf 
und Lehm. Ein Beitrag zur Baugeschichte der Su- 
merer, 1934. Erwahnt sei auch: Moderne arabische 
Gehöfte am unteren Euphrat und ihre Beziehungen 
zum (( Babylonischen Hofhaus” (MDOG 82, 1950, 
SS. 19-46). Seit 1953 ist Heinrich ord. Prof. für 


Baugeschichte an der Technischen Plochschule in 
Berlin. 

9 ) Siehe E. Mackay, Report on the Excavation 
of the “A” Cemetery at Kish, Mesopotamia. Part I, 
Field Mus. of Nat. Hist. Anthropology, Mem. Vol. I 
1, 1925, S. 62, Nr 17, PI. VI: “Two figures are 
shown building a ziggurat and about to place a brick 
on the top of it”. Vgl. H. Frankfort, Cylinder Seals, 
1939, S. 76, PI. XIV j, k. A. Parrot, Ziggurats et 
Tour de Babel, 1949, S. 37 f., PI. II b. Th. A. Bu- 
sink, De Babylonische Tempeltoren, 1949, Fig. 1, S. 
39. M. Lambert-R. J. Tournay sind der Meinung, 
es handde sich nicht um einen Bauszene, sondern 
um eine Adorations-Szene (RA 45, 1951, S. 36-37). 
Vgl. E. Douglas Van Buren, The Building of a 
Temple-Tower (RA 46, 1952, SS. 65-74). 

10 ) AJ 6, 1926, PI. LIV b, neben S. 377 - C. L. 
Woolley, Ur. Exc. IV, 1956, PI. 41 (d), U. 6612. 
Derselbe, The Development of Sumerian Art, Fig. 54 
b, neben S. 99. L. Legrain meint: “an altar shaped 
like a stage tower” (UMB X 3-4, 1944, S. 51, Fig. 
35, S. 52); vgl. P. Amiet, Ziggurats et {( Culte en 
Hauteur” des origines d l’époque d’Akkad (RA 47, 
1953 , SS. 23-33, S. 30). Woolley (Ur Exc. IV, S. 
49) meint w^ohl zu Recht “a stepped monument which 
is probably the Ziggurat of Ur”. 

1X ) Eine Siegelzylinder-Abrollung aus der Akk. 
Periode zeigt den Bau eines Tempels (D. Opitz, 
AfO VI, 1930-31, S. 61 f., Taf. III 2). Opitz 
nimmt Zusammenhang an mit Enuma elis VI: der 
Bau von Marduks Wohnung. Vgl. Frankfort, Cy- 
linder Seals, S. 131, PI. XXII k. 


2. Abschnitt, Tempel (SS. 38-77;. Eine dritte Gruppe (3. Abschnitt, SS. 77-84) umfasst 
Mischformen und eine vierte schliesslich (4. Abschnitt, SS. 84-90) Fremdartiges. 

Die Bauwerke in landlicher Umgebung sind zum Teil Hütten, zum Teil zaunahnliche 
Gebilde (Hürden), beide dargestellt mit der zugehörigen Herde. Es sind also Darstellungen 
von Stallen und Viehhürden. Sie verteilen sich auf den Zeitraum von der Uruk-Stufe bis zur 
Zeit der Dynastie von Akkad (S. 11). Wir erwahnen hier nur die Darstellungen von Stallen 
in Hüttenform. Die Wand besteht „aus dicht nebeneinander gestellten, vertikalen Elementen, 
wahrscheinlich dünnen Bündeln aus nur wenigen Schilfhalmen” (S. 13). Die horizontalen 
Elemente könnten Stricke oder angeschnürte Bündel darstellen (ibid.). Eine Mittelstütze, 
zu der sich die Wandbündel samtlich hinneigen, ragt als Symboltrager aus der offenbar runden 
Hütte hervor (Abb. 2, S. 11). Die Mehrzahl der Abbildungen zeigt Hütten mit drei Stützen. 
Heinrich stellt sich den Grundriss dieser Hütten, wohl zu Recht, oval vor (S. 14). Eine ovale 
Plütte mit gewölbtem Dach und drei Stützen hat er Abb. 10, S. 16 wiederhergestellt. Aus- 
gehend von Abb. 3 a und 3 b bildet Heinrich die Mittelstütze ohne Ringe. Wir mochten uns, 
analog der Abb. 1 und 4 (S. 11 und 12), die Mittelstütze als Ringtrager vorstellen: in der 
Darstellung Abb. 3 a und 3 b konnte durch das nahe Zusammenstehen der Stützen kein drittes 
Ringpaar aufgenommen werden. Die abgebildete vier Reihen von Ringen sollen drei Doppel- 
reihen wiedergeben. 

Heinrich macht schliesslich darauf aufmerksam, dass ein Bildzeichen der altesten 
Schriftstufe eine Hütte mit einer hochauf ragenden Mittelstütze zeigt (Abb. 11 a, S. 17; 
A. Falkenstein, Archaïsche Texte aus Uruk, 1936, Nr. 239). Es wird tür gelesen und be- 
deutet „Stall” (SS. 15-17; Falkenstein, o.c., S. 51). Dieses Zeichen macht PIeinrichs Ver- 
mutung (S. 14) wahrscheinlich, dass der Grundriss derartiger Hütten ursprünglich (und noch 
in der Uruk-Zeit) kreisrund gewesen ist 12 ). 

Ausser den Hütten in deutlicher Darstellung sind zahlreiche Darstellungen von Plütten 
in abgekürzter Form bekannt. Siegelabdrücke auf Ton, zutage gekommen in den Siegelstrata 
TV-VI in Ur, zeigen Bauwerke in sehr abgekürzter Form: nur die Tür ist übriggeblieben. 
Einige sind rechteckig, andere sind oben halbrund abgeschlossen und besitzen oft schrage 
Wande (S. 27: L. Legrain, Archaic Seal-Impressions. Ur Exc. III, 1956, PI. 17-18). Hein¬ 
rich meint, sie erwiesen sich durch ihre Form und die sie umgebenden Darstellungen als 
nahe Verwandte der alteren Hüttenbilder (ibid.). Die Annahme einer Verwandschaft scheint 
uns nicht haltbar. Mittelstützen fehlen. In den beiden von Heinrich als Symboltrager gedeu- 
teten Pfosten (Abb. 24 a, S. 27) mochten wir Bügelschafte sehen. Die meisten Hütten in abge¬ 
kürzter Form zeigen rechts und links oben einen c BügeP, der, wie Heinrich wohl zu Recht 
vermutet, regelrechte Bügelschafte vertreten soll (S. 28). Die oben halbrund abgeschlossene 
Türen dürften u.E. die Hüttenform nachbilden. Darf man hier Ahnlichkeit vermuten mit den 
heutigen Srefen in Süd-Iraq 13 ) ? 


12 ) Aus dem Lehmziegelbau sind in Südmesopo- 
tamien und dem Gebiete der Diyala nur wenige Bei- 
spiele von runden Bauformen zutage gekommen. In 
El Hibba entdeckte Koldewey 1887 eine grosse kreis- 
formige Terrasse (Durchm. 125 m) (ZA 2, 1887, 
S. 422), sehr wahrscheinlich aus der altsum. Periode. 
Die Tempelterrasse von Teil Obeid (altsum. Periode) 
war von einer ovalen, 1938 von P. Delougaz ent- 
deckten, Temenos-Mauer umschlossen (Iraq V, 1938, 
SS. 1-11). Bekannt war damals schon das Tempel- 
oval von Chafadschi (P. Delougaz, The Tempte 
Oval at Khafajah, OIP LUI, 1940). Ausserdem gibt 
es Beispiele von gebogenen Mauern, z.B. bei Wohn- 
hausern in Warka-Uruk, aus der altsum. Periode 
(UWVB X, S. 17). Mit den runden Schilf hütten 
(oder Stallen) haben diese Formen wohl nichts zu 
tun. Im Norden sind Beispiele von Rundbauten aus- 
gegraben worden, deren Urform, wo immer sie 
auch gestanden haben mag, eine kreisrunde Schilf- 


hütte gewesen sein dürfte, z.B.: Hassuna I c (Has- 
suna-Periode, JNES IV, 1945, S. 272, Fig. 28 Nr. 
11. JEOL 10, 1945-48, Fig. 96, S. 558, B. van Proos¬ 
dij). Tholoi in Teil Arpachiyah (Halaf-Periode, M. 
E. L. Mallowan-J. Cruikshank Rosé, Prehistorie 
Assyria, 1933, SS. 25 ff., Fig. 13, S. 29). Tholoi in 
Tepe Gawra XVII und XX (Halaf-Periode, A. T. 
Tobler, Excavations at Tepe Gawra II, 1950, SS. 
42 f., PI. XLII b). In Hassuna handelt es sich um 
ein Wohnhaus, in Arpachiyah und Gawra sehr wahr¬ 
scheinlich um Kultbauten. 

13 ) Siehe über die Srefen Heinrich, Schilf und 
Lehm, 1934, S. 12. Schone Abb. (Photos) in The 
National Geographic Magazine, Vol. CXIII 2, Febr. 
1958, SS. 205-239: W. Thesiger, Marsh Dwellers of 
Southern Iraq . Primitive Ma?dan, Building Cathe- 
dral-like Houses of Reeds... usw. (Wir verdanken 
den Hinweis R. Borger). 



222 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DARSTELLUNGEN ALTMESOPOTAMISCHER BAUWERKE 


22 3 


3. Heinrich erörtert ausführlich die an den Bauwerken des landlichen Kreises angebrach- 
ten Göttersymbolen (SS. 30 ff.), die hier, anders als bei den Tempeln, mit dem Bauwerk 
selbst verblinden sind. Sie kommen jedoch auch ohne Verbindung mit einem Bauwerk vor und 
gehören zu der umfanglichen Gruppe von Götterzeichen die uns aus der Bildkunst oder aus den 
frühesten Stufen der Schrift bekannt sind (S. 31) 14 ). Die vier an den Hütten angebrachte 
Symbole beweisen auch durch ihre Struktur ihre Herkunft aus dem Gebiete des Schilfbaues 
(ibid.). Es sind: das Schilfringbündel ; der Ringtrdger; die Doppelvoluie; der Bügelschaft. 
Schilfringbündel, Ringtrager und Bügelschaft kommen auch unter der Schriftzeichen der 
frühesten Stufe vor. Das alte, dem Schilfringbündel entsprechende Schriftzeichen lasst sich 
weiterverfolgen bis in die entwickelte Schrift; dieses Symbol gehorte der Gottin Innin (siehe 
A. Falkenstein, Archaïsche Texte, S. 59). In dem Ringtrager, dessen Schriftzeichen leider 
in der lesbaren Schrift nicht mehr vorkommt und seinen verschiedenen Abwandlungen (mit 
einem, zwei oder drei Ringparen) sieht Heinrich die Zeichen von Wesenheiten die mit 
Tammuzzügen ausgestattet sind (S. 33) 15 ). Vor allem der Name bël tarbasi, c Herr der Vieh- 
herden 3 , passt, wie Heinrich bemerkt, vorzüglich zu dem Inhalt der Bilder (tarbasu = sum. 
tür) (ibid.). 

Das dritte Symbol, die Doppelvolute, bekannt von einem Siegelabdruck aus Ur (Altsum. 
I) (Abb. 28, S. 29; Ur Exc. III, PI. 20 N°. 389), besteht aus zwei Schilfbündeln. W. Andrae 
{Die Ionische Sdule, 1933, S. 30 ff.) hat die sogen. Hüttensymbole, die eine brillenahnliche 
Bekrönung, meistens auf einem Halse, zeigen, mit der Doppelvolute in Zusammenhang ge¬ 
bracht 16 ). Heinrich meint, man könne zweifeln ob es sich dort nicht um zum praktischen 
Gebrauch bestimmte Gegenstande handelt, die mit der Doppelvolute nichts zu tun haben 
(S. 34). Für wichtiger halt er die Frage, ob ein Zusammenhang zwischen den Hüttensymbolen 
und den Augenidolen aus Tel Brak 17 ) besteht, welche Frage er bejahen möchte (ibid.). 
„Zwischen beiden Formen bestehen sicherlich Beziehungen, vielleicht derart, dass eine in Tel 
Brak einheimische Gottesvorstellung in ihrer Erscheinung von den Hüttensymbolen her be- 
einflusst ist” (S. 34). Dies ist aber doch nur möglich, bemerken wir, wenn die Hüttensymbole 
kultischer Ursprung sind. Wir mochten sie, mit Andrae ( lx .) mit der Doppelvolute in Zu¬ 
sammenhang bringen. Die Bedeutung der Doppelvolute kann man, da dieses Symbol als 
Schriftzeichen nicht existiert, nicht lesen, „aber sie dürfte von der des Innin-Symbols abzulei- 
ten sein” (S. 34). Auf dem Siegelabdruck Abb. 28, S. 29 (Ur Exc. III, PI. 20 N°. 389) steht 
die Doppelvolute zwischen zwei hornartigen Fortsatzen der Hütte, die von Heinrich nicht 
besonders erwahnt werden. Man darf sie u.E. vergleichen mit den c BügeP der Hütten in 
abgekürzter Darstellung (Abb. 24 c-d 25, S. 27), die Bügelschafte darstellen (siehe oben). 
Auch die c Hörner 3 in unserem Bilde dürften die Bügelschafte vertreten. 

Sinn und Herkunft des Bügelschaftes werden von Heinrich ausführlich besprochen (S. 
34 ff.). Bügelschafte kommen nicht nur an Hütten und Hürden, sondern vor allem auch an 
Tempeln vor: sie sind immer an beiden Seiten des Eingangs aufgestellt 18 ). Der Bügel- 


14 ) Siehe E. Douglas Van Buren, Symbols of 
the Gods in Mesopotamian Art. Anal. Oriënt. 23, 
1945, besonders SS. 43 ff., C. Architectural Symbols. 
Mebrure Tosun, The Significance of the Symbols 
of Gods in the Mesopotamian Cylinder Seals (Bel¬ 
leen XX, 77 , 1956, SS. 49 - 59 )- 

15 ) Das Tammuz-Problem wurde als Hauptpro- 
blem auf der 3. Rencontre Assyriologique Interna¬ 
tionale, gehalten in Leiden 1952, behandelt. Siehe 
Compte Rendue, 1954; SS. 18 ff. (A. Moortgat, 
Der Bilderzyklus des Tammuz). SS. 41 ff. (A. Fal¬ 
kenstein, Tammuz : philologische Seite des Pro- 
blems). SS. 66-67 (A. Parrot, Le cycle iconogra- 
phique sumérien de Tammuz). Moortgat, der Ken¬ 
ner der altorientalischen Kunst, hatte 1949 das Pro- 
blem sehr spekulativ, aber (vielleicht gerade da- 
durch) anregend behandelt in Tammuz. Der Unsterb- 


lichkeitsglaube in der alt-orientaliseken Bildkunst. 
F, R. Kraus hat das Buch schroff abgelehnt ( Zu 
Moortgat “Tammuz”, WZKM 52, 1953, SS. 36-80). 
Vgl. Vanden Berghe, Reflexions critiques sur la 
nature de Dumuzi-Tammuz (La Nouvelle Clio VI, 
5-6, 1954, SS. 298-321). 

16 ) Vg. H. Frankfort, Ishtar at Troy (JNES 
VIII, 1949, SS. 194-200), S. 198. 

17 ) M. E. L. M allo wan, Excavations at Brak 
and Chagar Bazar (Iraq IX, 1947, SS. 1-87; 89-295), 
SS. 32 ff., 150 ff., PI. XXV, XXVI, LI. 

18 ) Dies ist freilich nicht ausschliesslich bei Bügel- 
schaften der Fall. Siehe Abb. 41, S. 43, Siegelzylin- 
der aus Teil Billa: Ringtrager zu beiden Seiten des 
Eingangs. Auf einer Bildplatte aus Tello (“Figure 
aux plumes”; altsum.) steht die Figur “la main 
gauche levée en signe d’adoration, en direction d’une 


schaft erscheint als „eine dünne Stange mit einem Halb- oder Dreiviertelring daran, der mit 
dem vSchaft zusammen eine Öse bil :t ?: (S. 35), die etwas unter der Spitze des Schaftes 
sitzt 19 ). Heinrich findet es sehr verlockend mit Andrae anzunehmen, „dass die Bügelschafte 
ursprünglich Teile eines Türverschlusses gewesen sind, und zwar derart, dass durch die Ösen 
ein riegelartiges Querholz gesteckt wurdé, das den Türschild festzuhalten hatte” (S. 35) 20 ). 
Heinrich zeigt jedoch, dass auf den Bildern die Bügel viel zu hoch sitzen, um einen wirk- 
^amen Verschluss zu ermöglichen: sie erfüllen dort nach Heinrich keinen praktischen Zweck 
mehr und müssen schon übertragene Bedeutung haben (ibid.). Wir halten Heinrichs Ansicht 
nicht für wahrscheinlich. Nach seiner Auffassung ware der Türschild nur an der Aussenseite 
mittels eines Querholzes verschliessbar, denn die Bügelschafte stehen immer aussen. Ein 
Querholz wird aber nicht von aussen, sondern von innen vor die Tür geschoben. Dass die 
Bügel immer hoch angesetzt sind, spricht ebenfalls gegen Heinrichs Ansicht, trotz seiner 
Auffassung, dass auf den Bildern die Bügelschafte schon eine übertragene Bedeutung haben 
müssen. Wir halten es für wahrscheinlich, dass sie nichts mit einem Türverschlusse zu tun 
haben. Heinrich ist zu Recht der Ansicht, dass bei den Bildern die Bügelschafte in zwei ver¬ 
schiedenen Funktionen auftreten: erstens an der Tür als apotropaïsches Zeichen, zweitens als 
Symbol für einen Gott, den man nicht benennen kann (S. 37). Es ist u. E. möglich, dass der 
Bügel von Anfang an eine apotropaïsche Funktion gehabt habe. Der Bügel hat auch bei den 
Gründungsnageln Anwendung gefunden (Mari;Uruk) 21 ). Die Ringe des Ringtragers, obwohl 
Symbol eines Gottes, weisen ebenfalls auf eine besondere Bedeutung des Ringes. Wir mochten 
annehmen, dass die Ringe der Bügelschafte ursprünglich im Schilfbau oben an den Tür- 
pfosten befestigt waren. Sie wurden spater, wohl zuerst beim Ziegelbau, mit eine Stange 
verbunden, deren Wiedergabe gelegentlich noch eine Erinnerung an das ursprüngliche Schilf- 
bündel bewahrt (siehe W. Andrae, Das Gotteshaus, 1930, S. 55-56 über den in Tello gefunde- 
nen Kupferbeschlag eines Bügelschaftes. Heinrich, S. 35 Anm. 37 sagt jedoch die von 
Andrae erwahnten eingravierten Bindungen nicht erkennen zu können). 

Heinrich weist darauf hin, dass das Schriftzeichen, das als Urbild des Bügelschaftes 
gilt, in Fara und Uruk in zwei Formen auftritt (S. 37). A. Deimel sah als Urbild von beiden 
den „Türpfosten, unten mit einem Metallschuh, der sich in e. Türangelstein dreht, oben mit 
... Ring, welcher in der Mauer befestigt ist u. in welchem sich der Türpfost dreht” ( 5 L 
331, 1). A. Falkenstein hat diese Ansicht abgelehnt {Archaïsche Texte , S. 59 Anm. 7). Über 
die Schriftzeichen müssen selbstverstandlich die Sumerologen urteilen. Wir können nur be¬ 
merken, dass der Bügelschaft mit dem Türpfosten, Ringe und Türangelstein nichts zu tun 
hat. Heinrich ist der Meinung, dass die Bilder zweier verschiedener Gegenstande zusammen- 
gefallen sind „weil sie sich in vereinfachter Darstellung kaum auseinanderhalten hessen” 
(S. 37). Es bleibe den Sumerologen überlassen zu beurteilen, ob es sich vielleicht um eine 
Zusammenfügung des Zeichens für Bügelschaft, mit dem für Drehpfosten (samt Ring und 
Türangelstein) handelt 22 ). 

Heinrich bemerkt, dass der Bügelschaft als Symbol für einen Gott nur seiten auftritt 
und zu Anfang der frühdynastischen Periode aus der Bildkunst verschwindet (S. 37). Als 


entrée (?) qu’encadrent deux masses d’armes fichées 
sur de hauts poteaux” (A. Parrot, Tello, 1948, S. 70, 
Fig. 17 a, gegenüber S. 70). G. Contenau, Manuel 
I, 1927, Fig. 321, S. 423. Erinnert sei nebenbei an 
die Saulen Jachin und Boaz am Eingang des Tem¬ 
pels Salomos (I Kön. 7: 15). 

19 ) Heinrich weist auf das in Tello zutage ge- 
kommene Exemplar hin (E. de Sarzec-L. Heuzey, 
Dêcouvertes en Chaldée I, 1884, S. 419, PI. 57> 1 • 
“Grande hampe a bouclé latérale, sorte de pieu sacré, 
plaqué de feuilles de cuivre, avec pomme terminale 
en bitume...”). W. Andrae, Das Gotteshaus, 1930, 
Abb. 47, S. 55. 

20 ) Über den Türverschluss selbst und die kon- 
struktive Funktion der Bügelschafte war Andrae 


jedoch, wie auch Heinrich erwahnt, anderer Mei¬ 
nung, siehe Das Gotteshaus, S. 56, Abb. 48 a. 

21 ) Siehe unsere Darlegung in BiOr XIV, 1957, S. 
163. 

22 ) Türangelsteine fanden in Hassuna schon in der 
Hassuna-Periode Anwendung (JNES IV, 1945, S. 
274). Die Ausgraber bezeichneten sie damals (1945) 
als die altesten in Iraq (ibid.). In Jarmo wurden 
spater Beispiele zutage gefördert (ILN 5878, Dec. 
15, 1951, Fig. 19, S. 995), welche heute als die al¬ 
testen bezeichnet werden dürfen. In Südmesopotamien 
sind die schon in der Obeid-Periode angewendet wor¬ 
den (Woolley, Les Sumêriens, trad. E. Levy, 1930, 
S. 21 ff.). 





224 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DARSTELLUNGEN ALTMESOPOTAMISCHER BAUWERKE 


225 


apotropaïsches Zeichen dagegen ist er haufig und hat sich lange über die altsumerische Zeit 
hinaus erhalten. Er vertritt an der Tür den „Hüter der Schwelle” (S. 38). Die Ansicht, dass 
der Bügelschaft das Zeichen des Nannar gewesen sei 23 ), halt Heinrich aus triftigen Grim¬ 
den für unberechtigt. 

4. Die Gruppe Darstellungen von Gebauden mit flachem Dach beansprucht in der altsume- 
rischen Bildkunst einen weit grosseren Raum als die von Hütten und Hürden (S. 38). Hein¬ 
rich behandelt sie im 2. Abschnitt, Tempel (SS. 38 ff.). Diese Bauwerke sind in eine ganz 
andere Umgebung gestellt als die Hütten und Hürden. Bei ausführlicher Darstellung der Szene 
spielen, wie Heinrich (S. 38) bemerkt, menschliche Gestalten die Hauptrolle. Bei den Hütten 
und Hürden sind Tiere und Menschen, „in ihrer natürlichen Lebensausserung geschildert, hier 
aber sind sie Handelnde in einer mythischen Erzahlung oder Teilnehmer an einer Kultfeier” 
(S. 39). Eine Prozession von zwei oder mehreren Mannern nahert sich dem Gebaude (Abb. 
44, 46, 47, S. 45-46). Diese Szenen wie auch Symposion (Ab. 46, S. 46) und Fütterungsszene 
(Abb. 43, S. 45) gehören, meint Heinrich (mit A. Moortgat, siehe lit. Anm. 15) zum 
Tammuzmythos (S. 39). 

Heinrich beweist, dass die Bilder von flachgedeckten Gebauden sich in Beziehung setzen 
lassen zu Bauwerken, die durch die Grabungen aufgedeckt sind (S. 41). Die Nischengliederung 
und die Zweiteilung der Front, bekannt bei den zutage gekommenen Bauwerken (Abb. 32-35, 
S. 40), finden sich bei mehr als der Plalfte des Bestandes an Bildern dieser Art (ibid.). Die 
Deutung der Bilder folgt aus den begleitenden Szenen und aus dem Vergleich mit den Gra- 
bungsergebnissen und wird bestatigt durch ein Schriftzei dien, „das eine Gebaudefront der 
reduzierten, eintürigen Form zum Vorbild hat” (ibid., u. Abb. 48 a, S. 46). Die Bilder stellen 
Tempel vom Uruk-Typ dar (S. 44). Heinrich unterscheidet massiv gebaute Tempel (SS. 
44 ff., Abb. 36 ff., S. 42 ff.) und Tempel in leichter Bauweise (SS. 69 ff., Abb. 78 ff., 
S. 73 ff.) Nur die Auseinandersetzung über die massiv gebauten Tempel können wir hier ge- 
nauer betrachten. Hinsichtlich der Bauwerke in leichter Bauweise bemerken wir nur, dass sie 
u.E. nicht alle unbedingt als Tempel aufgefasst werden müssen. Auch an S talie für die heiligen 
Herden mochten wir denken 24 ). 

Die Tempel der Uruk- und der Dschemdet Nasr-Stufe (S. 44 f., u. Abb.32-35, S. 40) 
sind massive Gebaude aus Lehmziegeln oder Kalksteinen; sie sind im Grundriss rechteckig 
und besitzen einen grossen Mittelraum, der links und rechts von je einer Reihe kleiner Kam- 
mern begleitet wird („tripartite” Plan) 25 ). „Ausser den Türen in den Schmalseiten, die 
nicht unbedingt nötig zu sein scheinen, ist regelmassig an den Langseiten mindestens ein 
Eingang vorhanden, der meist exzentrisch angebracht ist...” (S. 44). Die Bauwerke in Abb. 36, 
39, 43 S. 42, 43, 45, zeigen Ansichten von Langseiten. In Abb. 43, S. 45, liegt der Eingang 
nahe der Ecke. Die drei rechteckigen Gebilde auf dem Dach erklart Heinrich (S. 47), wohl 
zu Recht, als Schutzdacher über den für die Treppenausstritte erförderlichen Öffnungen in 


der Dachterrasse 26 ). Abb. 37 a, S. 42, und die Wiederherstellung Abb. 37 b, zeigen wie der 
Mittelraum eines Tempels höher geführt gewesen sein kann als die Kammerreihen 27 ). Wo 
das Bild die Schmalseite des Tempels darstellt, zeigt es davon übrigens nur ausnahmsweise 
auch die Seitenteile: nur die Mittenpartie mit dem Eingang ist dargestellt (S. 48). 

Die Tatsache, dass einige Bilder die Schmalseite, andere die Breitseite des Tempels dar¬ 
stellen, verdient besondere Beachtung. In beiden Fallen handelt es sich selbstverstandlich um 
die Front des Bauwerkes. Das besagt, dass es in der Uruk- und Dschemdet Nasr-Periode 
breitstirnige und schmalstirnige Tempel gegeben hat. Heinrich s Bemerkung, dass die Türen 
in den Schmalseiten „nicht unbedingt nötig zu sein scheinen” (siehe oben), lasst diese 
Tatsache nicht vermutem Ebensowenig lasst sie vermuten, dass in Südmesopotamien der 
breitstirnige Tempel sich aus dem schmalstirnigen entwickelt hat. In Ericlu war diese Ent- 
wicklung, wie Tempel VI zeigt, schon in der Obeid-Periode vollzogen 28 ), aber erst in der 
altsumerischen Periode wurde der breitstirnige Tempel der allgemein übliche. Wir werden 
hierauf bald noch zu sprechen kommen. Hier erwahnen wir noch, dass der breitstirnige Tempel 
die Erklarung liefert für die Tatsache, dass in den Darstellungen von Bauwerken spater die 
Tür als pars pro toto auftreten konnte. Von dem schmalstirnigen Tempel konnte die ganze 
Mittelpartie dargestellt werden. Bei dem breitstirnigen war der Eingang an sich ein Motiv der 
Fassade: er wurde in der Darstelungen zum pars pro toto. 

5. Paragraph c des 2. Abschnittes handelt über Abbilder von Bauformen an Kultgeraten 
und die Herkunft der Tempelarchitektur (SS. 48-69). An einigen Bruckstücken von Gegen- 
s tanden, zutage gekommen in einer Schuttschicht zwischen den Tempeln B und C auf der 
Anu-Zikurrat in Uruk, wahrscheinlich sockelartige Untersatze, ist die Gliederung einer Tem- 
pelfront mit allen Einzelheiten genau zu erkennen (S. 48, u. Abb. 49 a-b, 50, S. 49). Die 
Architekturdarstellung ist „augenscheinlich von den Tempeln auf der Anu-Zikurrat... herge- 
nommen...” (S. 49). Die Tür sitzt wie beim Tempel D auf der Zikurrat dicht nebem der 
Gebaudeecke. Das Bruckstück Abb. 50, S. 49 zeigt in plastischer Form die Bügelschafte neben 
dem Eingang, „deren mit Asphalt ausgekleidete Standspuren wir rechts und links von dei 
Tür des Tempels D festgestellt haben” (S. 50). Tempel D gehort, bemerken wir, wie auch 
die Tempel unserer „Abbilder”, zum breitstirnigen Tempeltyp. 

Das Bruckstück Abb. 49 a-b, S. 49 zeigt eine Architektur aus Pfeilern und Nischen, 
welche letztere in vier „Stockwerke’ unterverteilt sind. Im obersten „Stockwerk” wird jedes 
Feld von einem dreieckigen Fenster durchbrochen. Die Blendfenster im 2. und 3. „Stockwerk” 
sind rechteckig. Heinrich weist darauf hin, dass das Schriftzeichen ab „deutlich ein Bild 
des dreieckigen Fensters zu sein (scheint)” (S. 52, u. Abb. 52, S. 51). Die Bedeutung „Öff- 
nung” muss als die eigentliche und ursprüngliche angesehen werden (ibid.) 29 ). Es ist Sache der 
Sumerologen dies zu beurteilen, wir mochten bemerken, dass rechteckige Fenster schon 
in der Obeid-Periode, wenigstens in Nordmesopotamien bekannt gewesen sind 30 ). Heinrich 


2,3 ) Siehe W. Andrae, Die deutschen Ausgrabun- 
gen in War ka {Uruk), 1935, S. 17. E. Unger, Die 
Keilschrift, 1929, S. 20, Nr. 121. Mrs E. Douglas 
Van Buren ist der Meinung, dass der Bügelschaft 
ursprünglich Symbol des Himmelgottes Anu gewesen 
sei ( Symbols of the Gods, Anal. Oriënt. 23, 1945, 
S. 47). Sie weist darauf hin, dass in Warka im 
Quadrat K XVII (Anu-Zikurrat) auf Siegeln usw. 
als Embleme nur die Bügelschafte vorkommen (siehe 
UWVB IX, S. 29, Taf. 30 f, 31 c-d). Wenn das 
Heiligtum auf der „Anü’-Zikurrat mit Sicherheit 
dem Himmelsgott Anu zuzuweisen ware (diese Fra- 
ge ist leider nicht geklart) wurde man dieser Ansicht 
beipfichten dürfen. A. Parrot (BiOr III, 1946, S. 
98) führt allerdings dagegen an, dass in Tello der 
Bügelschaft am Eingang des Ningirsu-Tempels auf¬ 
gedeckt wurde. Das Symbol konnte nichtdestoweniger 
ursprünglich Anu zugehört haben. Nach A. Falken- 


stein {Archaïsche Texte aus Uruk, 1936, S. 59) ist 
es j edoch fraglich, ob der Bügelschaft als Symbol 
einer bestimmten Gottheit zugehörte. 

24 ) Besonders hinsichtlich Abb. 89, S. 76; siehe 
auch Abb. 15, S. 22. Vgl. W. Andrae, Das Got- 
teshaus, S. 68 und Abb. 67a. 

25 ) Über den frühen Tempelbau in Altmesopota- 
mien siehe E. Heinrich, Die Stellung der Uruktem- 
pel in der Baugeschichte (ZA 49, 1949 [1950], SS. 
21-44). II- Lenzen, Die Tempel der Schicht Ar- 
chaisch IV in Uruk (ZA id., SS. 1-20). Derselbe, 
Mesopotamische Tempelanlagen von der Frühzeit 
bis zum zweiten Jahrtausend (ZA 51, 1955, SS. 1- 
36). Th. A. Busink, Sumerische en Babylonische 
Tempelbouw, 1940, SS. 17 ff., 27 ff. Derselbe, Over 
den Sin-Tempel te Hafage (JEOL 6, 1939, SS. 219- 
221). Derselbe, Over de Tempels XVTVI te Eridu 
(JEOL 11, 1949 - 50 , SS. 106-117). 


26 ) Die zum Dache führende Treppe ist besonders 
beim Painted-Temple in Uqair zum Teil gut erhalten, 
siehe JNES II, 1943, PI. IX, rechts unten. In der 
Wiederherstellung des Tempels, PI. XIV, fehlt ein 
Schutzdach über der Öffnung in der Dachterrasse; 
die heftigen Winterregen würden nicht nur die aus 
Lehm oder Lehmziegeln gebaute Treppe gefahrden, 
sondern das Regenwasser würde auch bis in die Zella 
hinabfHessen, demi am Eingang zum Treppenraum 
nahe dem Postament für das Kultusobjekt gibt es 
keine Schwelle. 

:27 ) Vgl. die Rekonstruktion des Tempels in Uqair 
(l.c., PI. XIV). Mallowan über den Oberbau des 
Augentempels in Brak (Iraq IX, 1957, S. 62). De- 
lougaz über den des Sin-Tempels in Chafadschi 
{Pre-Sargonid Temples, S. 35-36) ; über den Sara- 
Tempel in Teil Agrab (ibid., S. 252). 

’ 28 ) Siehe Over de Tempels XVI-VI te Eridu 


(JEOL 11, SS. 106-117). 

29 ) Wie Heinrich (S. 52) erwahnt, wurde bis- 
weilen qls Urbild des Zeichens ein Gebaude auf ei¬ 
nem Hügel angesehen (Th. Dombart, Der baby Io¬ 
nische Turm, AO 29/2, 1930, S. 7: vgl. Deimel, SL 
II, Nr 128, 1), eine Deutung zu der, wie A. Falken- 
sïein {Archaische Texte, S. 52) hervorgehoben hat, 
die alteste Zeichenform (AB, Nr 644; UNU, Nr 646) 
nicht stimmt. Erwahnung verdient, dass bei Deimel 
{l.c.) schon die Bedeutung c Öffnung° erwahnt wor¬ 
den ist; c Wohnung; Öffnung; Loch; Luke°. 

30 ) Siehe A. J. Tobler, Exc. at Tepe Gawra II, 
1950, S. 33 (Central Temple, Gawra XIII). Die 
altesten in situ aufgedeckten Fenster in Südmeso¬ 
potamien datieren aus der Uruk-Periode (Building 
im Square 5/H Eridu, siehe Sumer III 2, 1947, S. 
108-109, Fig. 7. JEOL 10, 1945-48, Fig. 87, S. 550). 






22Ó 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


erinnert daran, dass Gudea Bilder von Schutzgöttern in den ab anfgestellt hat (S. 52) 31 ). 
Wir wissen selbstverstandlich nicht, ob diese Fenster dreieckig waren. Es darf freilich u.E. 
für möglich gehalten werden, dass mit der dreieckigen Form (wie mit dem Ringe) ein das 
Bösen abwehrender Sinn verblinden gewesen ist 32 ). 

Die Formen der Architektur des Gipssteinplattchens (Abb. 49 a-b, S. 49) lassen sich nach 
Heinrich (S. 52) aus der Lehmziegeltechnik allein nicht erklaren. Es ist eine Nachahmung 
eines fachwerkartiges Gebindes aus horizontalen und vertikalen Baugliedern, worin Heinrich 
eine Erinnerung an eine Wandkonstruktion aus Bohlen zwischen hölzernen Stielen sehen 
möchte (S. 55). Diese Vermutung wird nach Heinrich zur Gewissheit wenn man den 
Grundriss des Nordtempels von Tepe Gawra 33 ) betrachtet (ibid.). Heinrich glaubt, den 
Grundriss dieses Tempels in die vorauszusetzende Holzbauweise zurückübertragen zu lcönnen 
(ibid., u. Abb. 55 u. 57, S. 53, 54). Mit Recht bemerkt er jedoch, dass die Architektur des 
Tempels nicht etwa eine genatte Kopie des Vorbildes sein kann (S. 59). „Sogleich mit der 
Übertragung in den Ziegelbatt unterwerfen sich die übernommenen Elemente dessen Gesetzen 
und dem formenden Willen des Menschen” (ibid.). Dies besagt aber — und Heinrich hat 
dem nicht genügend Rechnung getragen —, dass wir nicht wissen, welche Elemente dem 
Vorbilde entnommen sind und welche dem formenden Willen des Menschen zugeschrieben 
werden mussen. Zweifellos wird beim Ziegelbau, anders als beim Steinbau, die zweite Gruppe 
bedeutend gewesen sein. Es ist deshalb u.E. nicht möglich, eine einigermassen genaue Form 
des Vorbildes zu rekonstruieren. Die Mittelrille der Pfeifer des Nordtempels, die Heinrich 
aus zwei dicht nebeneinander stehenden Pfosten ableitet (S. 57), kann sehr wohl erst beim 
Ziegelbau entstanden sein. Die sehr verwickelte Form der Pfeiler 34 ) hat mit einem ursprüng- 
lichen Holzbau gewiss nichts zu tun. Wir sind übrigens der Meinung, dass die Herleitung des 
Tempels aus einem Holzbau zur Kenntnis über den altmesopotamischen Tempel nur wenig 
beitragt. Beim griechischen Tempel, besonders dem dorischen, zwingen die Detailformen 
des Gebalks zur Annahme eines ursprünglich teilweise aus Holz gebauten Tempels 35 ). Beim 
altmesopotamischen Tempel kann sogar das charakteristische Glied der Architektur, die Ni- 
schengliederung, ohne Postulierung eines früheren Holzbaues erklart werden. Dies gilt be¬ 
sonders von den Tempeln Südmesopotamiens. Bei der Frage nach der Herkunft der Tempel- 
architektur muss übrigens unbedingt zwischen der des Nordens und der des Südens unter- 
schieden werden. Es ist auffallig, dass Heinrich dies ungenügend beachtet hat. Beide Ge- 
biete sind mit ihren Tempelbau eigene Wegen gegangen und nichts berechtigt uns anzunehmen, 
dass der Tempel im Süden gleicher Herkunft sei als der im Norden. Es ist sonderbar, dass 
Heinrich dem Tempel in dem gewiss nicht sumerischen Gawra grosse Beachtung schenkt, 
den Tempel in Eridu, im sumerischen Gebiet, jedoch nicht eingehend behandelt. Gerade in 
Eridu kann das Entstehen der Nischengliederung des südmesopotamischen Tempels beobachtet 
werden 36 ). Beim altesten Tempel (XVI; nur diesen nennen wir, denn der Plan der Tempel 
XVIII-XVII ist unvolstandig bekannt) fehlt sie ganz. Tempel XI dagegen zeigt Wandpfeiler, 
die hier offenbar aus Gründen der Konstruktion Anwendung fanden: sie bilden eine Ver- 
starkung der Mauern, die hier, anders als beim Tempel XVI, ein flaches Dach zu tragen 
hatten. Tempel XVI kann nur mit einem Satteldach aus Rohr, Schilf und Palmblattern über- 
deckt gewesen sein. Die ditnnen Mauern ohne Wandpfeiler genügten zur Unterstützung dieser 

31 ) Zyl. A 20:14, SAKI, S. iio-ni. Siehe aber der dreieckigen Form aus den konstruktiven Gege- 
Falkenstein, Sum. und Akk. Hymnen , S. 157* benheiten des Lehmziegelbaus schliesst die Möglich- 
20: 14 im heiligen uzga baute er das Heiligtum. keit nicht aus, dass in Altmesopotamien dreieckige 

32 ) Dreieckige Fenster oder Luken sind, wie Fenster eine apotropaische Bedeutung gehabt haben. 

Heinrich (S. 50) erwahnt, nicht nur an Haus- und 33 ) Tobler, Exc. at Tepe Gawra II, 1950, S. 30 £., 

Tempeldarstellingen aus Altmesopotamien zu bele- PI. XII. 

gen. Sie kommen z.B. auch vor an einem Gebaude- 34 ) Ibid., PI. XIII. 

modelle aus Argos (K. Muller, Gebdudemodelle 3 ' 5 ) Siehe A. von Gerkan, Die Herkunft des do- 

spdtgeometrischer Zeit, AM 48, 1923 SS. 52-68, Taf. rischen Gebalks (JDAI 63-64, 1948-49 [1950], 

VI-VII). Muller meint, sie könnten „durch Anein- SS. 1-13). 

anderlehnen zweier Lehmziegel gebildet gewesen 3l6 ) Siehe Over de Tempels XVI-VI te Eridu 

sein.Sie dienten.... zur Lüftung.... wie zum (JEOL 11, SS. 106-117). 

Abzug des Herdrauches” (S 61). Diese Herleitung 


DARSTELLUNGEN ALTMESOPOTAMISCHER BAUWERKE 


227 


leichten Dachkonstruktion. Der Tempel (XVI) zeigt jedoch schon das Auftreten des Prinzips 
der Mauerverstarkung: die Frontmauer hat an der Innenseite neben dem Eingang Wandpfei¬ 
ler, die eine Verstarkung der Eingangsecke bilden 37 ). Weder diese Wandpfeiler noch die des 
Tempels XI haben u.E. etwas mit einem ursprünglichen Pfostenbau zu tun. Tempel XVI zeigt 
jedoch ausserdem im Inneren Wandpfeiler zum Tragen des Firstbalkens. Hierin mochten wir 
eine Konstruktion sehen, welche ihren Ursprung in einem ursprünglichen Bau aus leichterem 
Material (wohl Schilf bau) 38 ) hat. Es braucht aber kaum gesagt zu werden, dass die Wand¬ 
pfeiler des Tempels XVI nichts aussagen über die Herkunft der Nischengliederung. Die Ge- 
burt dieser dekorativen Form liegt für den Tempel Südmesopotamiens nach unserer heutigen 
Kenntnis in den Wandpfeilern des Tempels XI in Eridu. Diese sind, wie erwahnt, konstrukti¬ 
ven Ursprung (vgl. H. Frankfort, The Art and Architecture of the Ancient Oriënt, 1954, 
S. 2: Frankfort hat hier offenbar unsere Abhandlung JEOL 11, 1949-50, S. 109 benützt. 
Heinrichs Besprechung von The Art and Arch., OLZ 52, 1957, K. 415-420, ist im Wesent- 
lichen zutreffend). Es ist u.E. möglich, dass die Anwendung von Wandpfeilern mit veranlasst 
worden ist von der Kostspieligkeit des Baumaterials, der Lehmziegel. Für deren Kostspielig- 
keit in jenen frühen Zeiten zeugt nicht allein die geringe Starke der Mauern. Bei der Aus- 
breitung der Tempelterrasse (Tempel XI) wurde in Eridu ein Skelett aus dünnen Mauern 
aufgebaut, dessen Zwischenraume offenbar zur Ersparung von Lehmziegeln mit Sand und 
Schütt ausgefüllt worden sind 39 ). 

Heinrich ist der Meinung, und zu Recht, dass für den altmesopotamischen Hausbau 
ursprünglich das Satteldachhaus von Bedeutung gewesen sein müsse (S. 60). Nachbildungen 
solcher Hauser sind aus der Halaf-Periode und aus der Obeid-Periode bekannt (ibid., u. Abb. 
64 a-b, S. 59) 40 ). Tempel XVI in Eridu (Pra-Obeid-Periode) kann nur, wie erwahnt, mit 
einem Satteldach überdeckt gewesen sein. Sogar in der Dschemdet Nasr-Periode sind in Süd- 
mesopotamien noch Tempel mit Satteldach bekannt gewesen: die Darstellung eines Tempels 
auf einem Siegelzylinder im Br. Mus. zeugt dafür (Abb. 62, S. 59). Im 4. und 3. Jahrtausend 
v. Chr. ist in Nordmesopotamien unter Einfluss der Baukunst Kleinasiens, Syriens oder 
Irans, wie Heinrich vermutet (S. 62), das flache Dach zur Anwendung gebracht. Vielleicht 
muss die Anwendung in Südmesopotamien dem Einfluss Nordmesopotamiens zugeschrieben 
werden. Die tripartite-Anlage der Tempel dürfte dem Einfluss des Südens zuzuschreiben 
sein (siehe unsere Darlegung BiOr XI, 1954, S. 194). Im Norden führte die Entwicklung 
jedoch zum Langhaustempel (Gawra VIII) 41 ), im Süden zum Knickachsentempel, der sich 
spater weit verbreitet hat 42 ), der aber in Südmesopotamien mindestens seit der Periode von 
Hammurabi von dem babylonischen Kurzachsentempel verdrangt worden ist. 

Wenn F. Oelmann damit Recht hat, bemerkt Heinrich, dass dem flachgedeckten Haus 
die Lage des Eingangs an der Breitseite eigentümlich ist, wahrend Schmalstirnigkeit mit demi 
Eingang in der Giebelwand beim Satteldachhaus haufig vorkommt (Haus und Hof im Alter- 
tum I, 1927, S. 60-61, nach Heinrich, S. 62 Anm. 83; wir erkennen nicht, dass dies Oelmanns 
Ansicht sei), so lasst sich aus dem Zusammenfallen dies beiden Hausformen erklaren, „dass 
bei den Tempeln vom Uruk-Typ sowohl in den Schmal— wie in den Breitseiten Eingange 
vorhanden sein können und dass mit dem Verblassen der Erinnerung an das Satteldach¬ 
haus schliesslich die Türen in der Breitseite allein übrig blieben” (S. 62). Wir mochten 
darauf hinweisen, dass beim Tempel XVI in Eridu (Pra-Obeid-Periode), einem Satteldach- 
tempel, der Eingang in der Breitseite liegt. Richtig ist, dass in Südmesopotamien schliesslich 

37 ) Vgl. die Verstarkungen der Mauern am Ein- verwandt (ibid., Taf 3 c, e). 
gang eines arabischen Gehöftes (MDOG 82, 1950, 3 ' 9 ) Sumer IV 2, 1948, S. 120. 

Abb. 8, S. 25). Sie stehen im Zusammenhang mit 40 ) Für die Hauser in Hassuna IV postulierten die 

dem Zuschlagen der Tür (ibid., S. 26). Ausgraber ein Satteldach (JNES IV, 1945, Fig. 36). 

:38 ) Vgl. die Konstruktion eines Satteldachhauses, 41 ) E. A. Speiser, Excavations at Tepe Gawra I, 

Heinrich, Schilf und Lehm, S. 15-16, Abb. 4, S. 16, 1935, S. 22 ff., PI. XI (Westtempel und Osttempel). 

Taf. 3: die Firstpfette ruht auf zwei Bündeln, „die 42 ) Siehe R. Bernheimer, An Ancient Oriental 

an den Giebelwanden entweder innerhalb oder ausser- Source of Christian Sacred Architecture (AJA 43. 
halb des Raumes stehen” ( Schilf und Lehm, S. 16). 1939, SS. 647-668). 

Als Pfettentrager wird jetzt haufig ein Palmstamm 






228 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DARSTELLUNGEN ALTMESOPOTAMISCHER BAUWERKË 


nur der Eingang (oder die Eingange) in der Breitseite übrigbleibt. Das alteste Beispiel (ab- 
gesehen von Tempel XVI und dem ursprünglichen Bau von Tempel XI) ist Tempel VI in 
Eridu (Obeid-Periode) 43 ). Jüngere Beispiele sind: der Weisse Tempel B auf der Anu- 
Zikurrat in Uruk-Warka: 44 ) der Tempel in Uqair 45 ); die Tempel im Diyalagebiet: 46 ) der 
Istar-Tempel in Assur 47 ). Wir haben 1940 den Knickachsentempel (demi es handelt sich bei 
den erwahnten Tempeln mit dem Eingang in der Breitseite um diesen Typ, wiewohl Heinrich 
es nicht betont) für den sumerischen Tempel erklart in dem Sinne, dass die Sumerer dieser 
Tempeltyp aus dem einheimischen Tempelbau Südmesopotamiens entwickelt haben 48 ). Auch 
wenn man diese Ansicht ablehnt 49 ), wird man zugestehen müssen, dass das Entstehen des 
Knickachsentempels nicht einfach aus einer bloss formalen Entwicklung des Tempels erklart 
werden kann. Zweifellos sind bei der Bildung dieser Tempelform sakrale Motive von Einfluss 
gewesen 5 °). Mit dem Verblassen der Erinnerung an das Satteldachhaus hat die neue Tempel¬ 
form gewiss nichts zu tun. Heinrich betont übrigens selbst, dass noch in der Dschemdet Nasr- 
Periode Satteldachtempel bekannt gewesen sind (siehe oben). 

Heinrich weist mit Recht darauf hin, dass bei den Tempeln die regelmassige Reihung 
der Kammern in den Seitentrakten eine spate Erscheinung ist (S. 61). Die früheren Beispiele 
des Bautyps (z.B. Tempel XI-VI in Eridu), „zeigen den Mittelraum eingehüllt von einer 
Anzahl verschieden grosser Kammern, und der aussere Umriss ist dementsprechend vielfach 
gebrochen und unregelmassig” (S. 61-62). Heinrich ist der Meinung, dass die agglutine¬ 
rende Methode der Hinzufügung von Kammern (wie das flache Dach) im. 4. und 3. Jahr- 
tausend in Nordmesopotamien von Kleinasien, Syrien, Iran übernommen wurde (S. 62). Wir 
mochten bemerken, dass die agglutinierende Methode in Südmesopotamien selbstandig ent- 
standen sein kann 51 ). 

Bauwerke des agglutinierenden Typs sind in spaterer Zeit mehrstöckig (S. 62), die Mehr- 
stöckigkeit ist jedoch zunachst van den Gebauden des Tepe Gawra- und Uruk-Typs nicht über¬ 
nommen worden (S. 63). Wegen der dreieckigen Fenster, die auf dem Gipssteinplattchen (Abb. 
49 b, S. 49) dicht unter dem Dach abgebildet sind( siehe oben), halt Heinrich am Weissen 
Tempel auf der Anu-Zikurrat zwei Stockwerke in den Kammerreihen für möglich (ibid.) 
Diese Auffassung finden wir sehr anziehend. Der Tempel enthalt drei Treppen 52 ), worauf 
Heinrich hatte hinweisen sollen. Die zwei in der Frontkammerreihe sind ungleicher Lange, 


48 ) Sumer III 2, 1947, Fig. 2. JEOL 11, 1949-50, 
Fig. 15, S. 115. 

44 ) Busink, Sum. en Bab. Tempelbouw , 1940, S. 
34, PI. II 3. JEOL 10, 1945-48, Fig. 86, S. 549. Aus 
der spaten Dschemdet Nasr-Zeit (Lenzen, MDOG 

83, I95L S. 8). 

45 ) JNES II, 1943, PI. V. JEOL 10, Fig. 82, S. 
546. Uruk-Periode oder Dschemdet Nasr-Periode 
(JNES ibid., S. 148). 

46 ) P. Delougaz-S. Lloyd, Pre-Sargonid Temples 

in the Diyala Region, 1942; z.B. der Sin-Tempel in 
Chafadschi, S. 8 ff., PI. 2 ff. , 

47 ) W. Andrae, Die archaischen Ischtar-Tempel 
in Assur , 39. WVDOG, 1922, Taf. 2-3 (Tempel G- 
H), Taf. 7 (Tempel E). Derselbe, Die jüngeren 
Ischtar-Tempel in Assur , 58. WVDOG, 1935, Taf. 
i und 4. 

48 ) Sumerische en Babylonische Tempelbouw, 
1940, S. 20 f. 

49 ) Siehe H. Frankfort in P. Delougaz-S. Lloyd, 
Pre-Sargonid Temples, S. 306 Anm. 17. 

!5 °) Es ist u.E. möglich, dass der Knickachsentem¬ 
pel etwas zu tun hat mit dem hieros gamos. Heinrich 
(ZA 49, 1949, S. 41) ist der Meinung, dass das Pos¬ 
tament in den Tempel auf der Anu-Zikurrat und in 
den Tempel zu Uqair zu diesem sakralen Akt be- 
nützt worden sei. Siehe über den hieros gamos A. 


Falkenstein, Eine Hymne auf Süsin von Ur (Die 
Welt des Orients 2, 1947, SS. 43-50). E. Douglas 
Van Buren, The Sacred Marriage in Early Times in 
Mesopotamia (Orientalia 13, 1944, SS. 1-72). 

51 ) Der Erker in Tempel XVI (Sumer IV 2, 1948, 
PI. VI. JEOL 11, 1949-50, Fig. 12, S. 107) kann 
nicht als selbstandiger Raum betrachtet werden; 
Tempel XI (ibid.) zeigt jedoch in der südöstlichen 
Langseite eine erkerahnliche Kapelle, die aus dem 
Erkerprinzip entstanden sein könnte, aber das agglu¬ 
tinierende Prinzip verrat. Die grössere Kapelle an 
dieser Seite dürfte ursprünglich ein selbstandiger 
Bau gewesen sein (vgl. H. Lenzen in ZA 51, 1951, 
S. 4; Lenzen’s Auffassung, dass der Hauptraum 
dieses Tempels einen Hof gewesen sei, ist u.E. un- 
wahrscheinlich). Erwahrung verdient, dass dieser c Ur 
bau° des Tempels XI zum Knickachsen-Typ gehort. 
Tempel VII in Eridu (Sumer III 2, 1947, Fig. 3. 
JEOL 11, Fig. 13, S. 112), dessen Zella zum Kur- 
zachsen-Typ zu rechnen ist, darf als eine Fortset- 
zung der Anlage des Tempels XVI betrachtet wer¬ 
den, Tempel VI (Sumer, ibid. Fig. 2. JEOL 11, Fig. 
15), der die Knickachsen-Anlage zeigt, dagegen als 
eine Zurückkehr zu der Anlage des „Urbaus” von 
Tempel XI. 

5:2 ) UWVB III, S. 20 f., Taf. 8; VIII, S. 31-32, 
Taf. 19. 


22 9 

was für uns 1940 der Hauptgrund war, einen zweistufigen Bau zu postulieren 53 ), eine Auf¬ 
fassung, welche feilich aus Gründen der Konstruktion bedenklich genannt werden kann 54 ). 
Heinrichs Ansicht gibt eine mögliche Lösung des Problems der Treppen: die langste führte 
zum f lachen Dach die kürze der Frontkammerreihe führte zu deren zweiten Stockwerk. Die 
Treppe in der zweiten